Zondag 41. Vraag en antwoord 108 - 109

                                         ZONDAG 41

                             Vraag en antwoord 108 en 109

 

         Psalm      98 :  3

         Psalm      99 :  8

         Psalm      19 :  4,5

         Psalm    119 :  5

         Psalm        1 :  4

         Éfeze         5 

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in Éfeze 5 : 31 - 33

 

Daarom zal een mens zijn vader en moeder verla­ten, en zal zijn vrouw aanhangen; en zij twee zullen tot één vlees wezen.

Deze verborgenheid is groot; doch ik zeg dit, ziende op Chris­tus en op de Gemeente.

Zo dan ook gijlieden, elk in het bijzonder, een iegelijk hebbe zijn eigen vrouw, alzo lief als zichzelven; en de vrouw zie, dat zij den man vreze.

 

Onze catechismus zondag 41, vraag en antwoord 108 en 109

 

108. Vr. Wat leert ons het zevende gebod?

Antw. Dat alle onkuisheid van God vervloekt is, en dat wij daarom, haar van harte vijand zijnde, kuis en ingetogen leven moeten, hetzij in den heiligen huwe­lijken staat of daarbuiten.

109. Vr. Verbiedt God in dit gebod niet meer dan echt­breken en derge­lijke schande­lijkheden?

Antw. Dewijl ons lichaam en ziel tempelen des Heiligen Gees­tes zijn, zo wil Hij, dat wij ze beide zuiver en heilig bewaren; daarom verbiedt Hij alle on­kuise daden, gebaren, woorden, gedachten, lus­ten, en wat den mens daartoe trekken kan.

 

In ieder gebod, geliefde gemeente, zit in de eerste plaats een stuk, een groot stuk goedheid van God, zodat er wat te dan­ken valt voor de mens. Bij ieder gebod van God dat de mens leest of hoort, is er in de tweede plaats wel wat te belijden. En in de derde plaats is er bij ieder gebod heel wat te bidden. Opdat we verstand mochten krijgen van God en van godde­lijke zaken om ons naar Zijn geboden te gedragen.

Het zevende gebod! Het is één van de meest realisti­sche preken die in de kerk gehouden worden. Zo wordt het tenminste ervaren, zo op de grens van: kan dat wel, moeten zulke dingen wel in de kerk geleerd wor­den? Natuurlijk wel gemeente, want Gods Woord is heel rea­listisch.

Dat het zevende gebod zoveel spanningen oproept om er over te preken en om er naar te luisteren, dat zit hem hierin, dat het gaat om één van de heiligste din­gen, die door de zonde het meest onthei­ligd zijn.

De mens wordt door God geregeerd. Niet alleen in zijn geestelijke bestaan, maar ook in zijn licha­melijke be­staan.

Ik heb er bij het vijfde gebod, bij het eert uw vader en uw moeder al op gewezen, dat er een samen­hang is met het zeven­de gebod. God heeft de mens geschapen als een een­heid van geest en lichaam. Het lichaam is niet minder­waardig aan de geest en de geest is niet minderwaar­dig aan het li­chaam. God heeft ze beiden gemaakt.

En om de waarde aan te geven, zowel in zondag 1 als zondag 13 wordt er gespro­ken dat ik met lichaam en ziel beide, niet mijn, maar mijns getrou­wen Zaligmakers eigendom ben. Die mij, niet met goud of met zilver, maar met Zijn dier­baar bloed gekocht heeft. Lichaam èn ziel!

Is het niet juist de straf op de zonde, de bezoldi­ging der zonde, dat bij de dood de geest naar God gaat, om geoordeeld te worden, en dat de geest het lichaam moet verlaten? En is het voor de wederge­boren kerk niet juist het volkomen herstel, wanneer in de opwek­king uit de doden, de geest weer met het lichaam ver­enigd zal worden?

Daarom moeten we nooit minderwaardig over het lichaam spreken, gelief­de ge­meente, ondanks de zonde. Er zijn zulke zonden moge­lijk met het lichaam, dat juist op deze plaats de cate­chismus het woordje 'ver­vloekt' gebruikt tegen alle onkuisheid.

Het is ook zo, dat een mens niet maar niet 'een' li­chaam heeft, ieder mens heeft zijn eigen lichaam. Dat is zo uniek, dat het voor mijn ziel onmogelijk zou zijn om in een ander lichaam te moeten leven. Men spreekt wel­eens van een zielsverhui­zing, de zoge­naam­de re­ncar­natie, maar het zou niet mogelijk zijn om met uw ziel in een andermans lichaam door het leven te gaan.

Zo heeft God het Zelf gewild. God heeft niet alleen zielen gescha­pen, maar ook zicht­bare, bruikbare licha­men. Dat is de schepping geweest, dat God de mens geschapen heeft tot Zijn eer. Het was de opdracht die er reeds lag in de schepping, God lief te hebben met ziel en lichaam en de naaste als onszelf. Adam Eva en Eva Adam.

De schepping is, dat God de eenzaamheid heeft door­broken. God, Die volzalig was in Zichzelf heeft tòch de mens geschapen tot Zijn eer en tot Zijn gemeen­schap. "Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelij­kenis" (Gen.1:26). Zo heeft God Zijn schepsel ge­schapen en in het bijzonder de mens, tot de liefde. U kunt dit vinden op bijna iedere blad­zijde van het Oude - en van het Nieuwe Testament.

Die liefde is niet alleen voor het huwelijk, God heeft voor ieder van ons een roeping om lief te heb­ben binnen de levenskringen en binnen de levensverbanden, waarin God ons heeft geplaatst. God heeft een roeping ­voor ons indien wij gehuwd zijn, maar indien wij niet ge­huwd zijn, heeft God óók Zijn bedoe­lingen met ons leven.

Zo worden we gewaarschuwd dat het huwelijk een heilige instel­ling is. Het zevende gebod eist de zuiver­heid en de heilig­heid van het huwelijk. Verbo­den is hoe­rerij, over­spel en echtbreuk.

Hoererij, daar zit het woordje huren in. Toch heeft men het niet genoemd hurerij maar hoererij, omdat het ten enenmale geen liefde is. Liefde is niet te koop, goddelij­ke liefde niet en menselijke liefde ook niet.

We lezen in het Hooglied: "Want de liefde is sterk als de dood; de ijver is hard als het graf; haar kolen zijn vurige kolen, vlammen des HEEREN. Vele wateren zou­den deze liefde niet kunnen uitblussen; Ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken; al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten enen­male ver­achten" (Hoogl.8:6-7).

Overspel. U weet wat een valsspeler is ge­meente, dat is iemand die zijn eer onder de tafel gooit. Wat God als een eerlijk spel gegeven heeft, dat wordt vals bedre­ven. Dan worden Gods' spelre­gels over­tre­den en dat is overspel.

Echtbreuk. Wanneer we een breuk maken in wat eerlijk is en wat door God is ingesteld. Een breuk van onze eed, ons ja-woord  dat we gege­ven hebben voor Gods heilig aan­ge­zicht.

De mens is op communicatie aange­legd, omgang met elkaar. Zo heeft God niet alleen ieder mens geschapen als unicum, maar Hij heeft de mens ook ge­scha­pen, zoals we lezen in Genesis, als man en vrouw.

Het huwe­lijk is niet ieders roeping, maar het is wel zo, dat God door­gegaan is in deze wereld, scheppende vanuit het huwe­lijk en de Kerk onderhoudende uit het huwe­lijk. Wanneer onze roeping niet in het huwelijk ligt, heeft Paulus veel gezegd over de heer­lijke zaak van de communica­tie met de Heere (1 Kor.7:32-34). Hoe we als alleen­staande de Heere zullen vrezen en de Heere zullen dienen. Commu­nicatie, ook wanneer de Heere ons in het leven een­zaam gelaten heeft of wan­neer we eenzaam geworden zijn.

Want we moeten begrijpen dat het huwelijk relatief is, het is geen absolute grootheid. Het huwelijk wordt door de dood ontbon­den en dan is er weer de eenzaamheid, zoals het ook was voor de twee­zaam­heid.

Dan is er veel kruis te dragen, er zijn ook veel tra­nen te vergie­ten, wanneer het leven niet brengt wat wij verwachten. Maar wanneer het leven ons brengt wat God ons toe­schikt.

Het is een eeuwig wonder dat God de mens mannelijk en vrouwelijk heeft ge­scha­pen. Eerst heeft de Heere Adam ge­schapen. "En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed" (Gen.1:31). Dat is het uitgangspunt.

Toen is er een een­zaam­heid in het leven van Adam gekomen. Dat lezen we zo schoon in Genesis 2:20: "Zo had Adam genoemd de namen van al het vee, en van het gevogelte des hemels, en van al het gedierte des velds; maar voor den mens vond hij geen hulpe, die als tegen hem over ware".

Dan zeg­gen wij wel­eens heel op­per­vlak­kig: "En toen heeft God Eva ge­scha­pen". Nee! De Schrift maakt een duidelijk onder­scheid: "Toen deed de HEERE God een diepen slaap op Adam vallen, en hij sliep; en Hij nam een van zijn ribben, en sloot derzelver plaats toe met vlees. En de HEERE God bouwde de ribbe, die Hij van Adam genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot Adam" (Gen.­ 2:21-22).

Bete­kent het iets, dat God Eva bouwde uit een ribbe van Adam? Jazeker, gemeen­te, had dat beteke­nis. U weet wat bouwen is, denk maar aan de scheeps­bouw. Men­selijk gezegd betekent het, dat God al Zijn aandacht er aan geschon­ken heeft, om een geschikt voor­werp te maken voor Adam.

Zo heeft God alle dingen schoon gemaakt, ook toen Eva geschapen was. Goed, zeer goed! Ze leken zo veel op elkaar, Adam en Eva, ze waren beiden mens. Ik heb het eens zó gehoord: "Nooit zag een mens iets zo zeer aan zich verwant en toch zo vreemd".

Ik mag het toch wel vrijmoedig zeggen? God heeft verschil gescha­pen. In welk opzicht? De li­chaamsbouw van de vrouw verschilt van de man. Ik ben vanavond niet van plan meer te zeggen dan de Schift zegt, maar ook niet minder, de volle werkelijk­heid. Het was zo schoon toen ze voor Gods aange­zicht ston­den, ook in hun ver­schil­lend­heid. Goed, zeer goed! Uiterlijk? Zeker, want God heeft Zijn schep­ping zeer schoon gemaakt.

In de tweede plaats verschillen zij innerlijk. ­De man tegenover de vrouw is meer ratio, de man is meer hoofd. God heeft ook de vrouw geschapen en zij is meer hart. Het is immers zo, dat de vrouw een rijker ge­voels­leven heeft dan de man. Dat wist de duivel zelfs al in het paradijs. Eva is verleid gewor­den. Dat schone ge­voelsleven, was ook met­een de zwak­ke kant. Eva is verleid gewor­den toen ze die boom aanzag en die vrucht aan­zag.

Toch maakt het verschil niet minderwaardig, de man als het hoofd, de vrouw als het hart, maar het is een koste­lijke aanvul­ling. Zo heeft de Heere ze ook beiden een aparte eigen plaats gegeven met een eigen aparte taak. Het is niet minder­waardig naar het gevoels­leven van de vrouw toe, maar zo komt het dat Paulus het noemt en zegt: "Doch ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over den man heerse, maar wil, dat zij in stilheid zij" (1 Tim.2:12). Zo heeft God twee ver­schillen gelegd in de mens.

Maar er is nog een derde verschil, gemeente. Dat komt openbaar in het dagelijkse leven, bij iedere stap die een mens zet, bij iedere aanblik van zijn ogen. Dat behoort ook tot het zevende gebod: de kleding van de mens.

God heeft de mens goed geschapen. We moeten wel weten dat het huwelijk uit het paradijs komt, de om­gang van de man met de vrouw, de vrouw met de man, is een paradijsgave. Maar het be­derf van het beste is het slechtste. Wat is er juist op dat gebied veel te koop!

Nu zegt de Schift en de catechismus spreekt het na, dat wij het menselijk lichaam zouden eerbiedigen. Dewijl ons lichaam en ziel tempelen des Heiligen Geestes zijn, zo wil Hij, de Heere God, dat wij ze beide zuiver en heilig bewa­ren.

Wat kan dat een problemen meebrengen voor een kind. Kinderen zijn nog ongeveer net zoals Adam en Eva vóór de zondeval: zij schaamden zich niet. O, dan slaapt dat als het ware nog in ons leven, dan sluimert dat nog. Maar dan komt er een tijd in ons leven, een tijd van ontwa­ken.

Dan leert ons de catechismus en dat leert ons ook Gods Woord, dat ons lichaam een tempel is van de Heilige Geest en beslist geen speel­goed. Psalm 119 leert het ons en zo mogen wij het onze kinderen ook wel leren, om op te groeien in het gebed, in volhar­dend ge­bed om op het pad van Gods geboden te wandelen. Ook ten aanzien van onze lichamelijkheid. Als je het gaat mer­ken dat je bloed vloeibaar ijzer kan zijn in je aderen.

Ik wil over dit onderwerp praktisch zijn, wat zal er veel gebe­den moeten worden catechisanten, juist wan­neer we volwas­sen worden, of de Heere onze weg wil leiden hetzij in het eenzame, hetzij in het tweezame. Wat zal alles wat we zèlf den­ken te doen en dan denk ik aan verloving en huwelijk, wat zal het biddend gedaan moeten worden om bewaring door God. Bewa­ring: leid Gij mij Heere, iedere stap. Waarbij we het heus niet over­geeste­lijk moeten doen hoor. Want als God ons een levens­partner geeft, dan werkt Hij dat door middel van ons hart en door middel van onze genegenhe­den. Daar moeten jullie ook maar om vra­gen, kinders. Daarom kan het juist zo moeilijk worden, hoe ons gedrags­patroon moet zijn.

Toch is de Schrift zo moeilijk niet hoor, we lezen immers in Psalm 119: "Alleen door Uw bevelen krijgt mijn geest verstand van God en Goddelijke zaken" (Ps.119:52 ber.). De Schrift is echt zo moei­lijk niet. God heeft jongens als jongens geschapen en meisjes als meisjes. De Schrift leert ons dat we ons daar­voor als zodanig niet hoeven te scha­men.

We mo­gen onszelf zijn in ons doen en in ons laten, in onze kle­ding en in ons optreden. Leert de Schrift zelf niet dat de vrouwen zich in eerbaarheid en matigheid mogen ver­sieren? (1 Tim.2:9).

Ik kan het wel heel gewoon zo zeggen: het gaat er om dat we geen takkenbossen moeten zijn, dat vraagt God niet van ons, maar ook geen opgetuigde kerst­bomen. Nu spreek ik voornamelijk de meisjes aan. Laat ieder­een het maar kunnen zien in je levenshou­ding, in je kle­ding, dat je geen meisje bent van een paar dubbel­tjes, zeer goedkoop. Daar houdt ook de brief aan die van Korinthe verband mee, u weet wel, waar Paulus spreekt over hoofdbedek­king en haar. (1 Kor.11:1-16).

Het moet ons maar goed voor ogen ­staan dat God, zoals Hij de mens geschapen heeft, ook van de schoonheid van de man en de schoo­nheid van de vrouw gezegd heeft: "Goed, zeer goed".

O, dan gaan we ontwaken. Dan kun je soms ver­schrik­ken, wanneer er iets nieuws in je leven komt, maar wordt maar niet bang. Wèl bang voor de zonde, maar niet bang voor die zaak als zodanig. We lezen toch in de Schrift dat er ook een eerlijke begeerte kwam bij Adam. Hij zag de leeuw met de leeuwin en ga zo maar door, toen keek hij rond maar hij zelf moest een hulpe missen. Het was Gods weg zoals Hij in Adam werkte, om eerst een gemis ook in zijn licha­melijke leven te wek­ken en daarna de vervul­ling te geven in Eva.

Laat ons bang zijn voor de zonde ge­meente, maar een meisje hoeft niet bang te zijn om 'meisje' te zijn en een jongen om 'jongen' te zijn.

Het tiende gebod wil niet zeggen dat een man geen vrouw begeren mag en dat een vrouw geen man bege­ren mag. Maar "gij zult niet begeren uws naasten vrouw".

O, wat is er toch veel gebed nodig, geliefde gemeente. Als God ons dan bij elkaar brengt jongelui, catechisan­ten, probeer dan maar naar de Schrift te leven. Adam vond Eva mooi en Eva vond Adam mooi.

 

Maar, dat kunnen we ook lezen in de Schrift, eigenlijk kunnen we beter zeggen, dat kunnen we lezen in hetgeen er nìet staat: dat Adam en Eva elkaar ook moesten leren kennen. Dan gaat het hierom, dat de geest aan het vlees vooraf gaat. Dat God een eigen­heid schenkt: een eigen­heid, waarvan Agur zegt dat het voor hem won­derlijk is, iets wat hij eigenlijk niet be­grijpt: "de weg eens mans bij een maagd" (Spr.30:19). De weg van het hart van een jongen naar het hart van een meisje.

Laat er voor alle dingen een geestelijke lijn mogen zijn. Verkering is verke­ring, dat ga ik niet vergees­telijken. Maar ik ga wel vragen: is het een zaak die in het gebed geborgen is? Is het een zaak die de toets van het Woord kan door­staan?

Bij Adam en Eva is het ook niet direkt geweest: ziezo, nu heb ik je. We lezen heel duidelijk, dat ze naar elkaar toe zijn ge­groeid. We lezen pas in het vierde hoofd­stuk van Gene­sis dat ze gemeenschap met elkaar had­den. Hoe is dat gegaan? Ze zijn eerst geestelijk naar elkaar toe ge­groeid. het is nog steeds noodzake­lijk wil liefde 'liefde' wezen, dat we geestelijk naar elkaar toegroeien. Toen is er ook een toe­groeien geweest naar elkaar, lichamelijk.

Dan is het heel merkwaardig, dat we eerst Adam en Eva in hun zielsdroefheid de hof uit zien gaan. Dan zie ik in gedachten de arm van Adam om de schou­ders van Eva. Pas daarna lezen we: "En Adam bekende Eva" (Gen.4:1). Bekennen, dat is zo'n prachtig woord, daar zit geen grof­heid in. Dat kun je zo vertalen: Adam had Eva lief. Bekennen, dat is dat je je armen vol ontfer­ming om de ander heenslaat in een harte­lijke liefde.

Bekennen, dat betekent ook dat je elkaar kent. Wat een aanfluiting gemeente, om elkaar duizend keer bekend te hebben en elkaar niet echt te kennen. Dat is de kern, dat we elkaar kennen zullen.

Dat woordje bekennen is precies hetzelfde als ken­nen. Dat is niet het kennen uit een boekje, hoe een vrouw er uit ziet. Ik waarschuw jullie jongelui, voor die vieze ­blaad­jes, die goddeloze lektuur.

Kennen, dat is in bijbeltaal ook niet iets van het hoofd, maar van het hart. We lezen: "En Adam be­kende Eva, zijn huisvrouw". Dan heeft het iets teders, iets van ontferming. Dan is het niet van: halen wat er te halen is. Dan zit er een stukje zelfver­loochening in, waar God Getuige van mag zijn. Als het dan zo mag zijn, dan is dat ook heilig. "Het huwelijk is eerlijk onder allen", zegt de apostel, en heel rea­lis­tisch: "en het bed onbevlekt; maar hoe­reerders en overspelers zal God oordelen" (Hebr.13:4).

Dan heeft de Heere iets gegeven in het huwelijk, dat beschermd zal moeten worden door het ge­bed. In het zesde gebod ging het over de bescher­ming van ons leven en in het zevende gebod gaat het om de be­scher­ming van ons lieven.

O gemeente, het is tere materie. De Bijbel jongelui, dat is het allerbeste voorlichtingsboek. Daar leren we hoe we ons naar Gods bevelen behoren te gedragen.

Ik denk dat ik het nu zo ongeveer wel gezegd heb. Het gaat er om, dat we beslist niet gefrus­treerd door het leven behoeven te gaan. Wat is gefrus­treerd? Dat we zouden den­ken dat, zoals God de mens geschapen heeft in het huwe­lijk en de huwelijks­ge­meen­schap geschonken heeft, dit zonde zou zijn. God heeft het huwelijk eerlijk ingesteld in het para­dijs en Hij heeft het eerlijk gehouden.

Het heeft nòg een gewichtige kant gemeente, het zevende gebod is met het vijfde gebod verbonden. In het huwe­lijk, in de omgang met elkaar, kan een schep­pende kracht liggen van nieuw leven. Daarom wordt hoe­rerij, echt­breuk en overspel, samenge­vat: alle on­kuis­heid, van God vervloekt. Opdat in de heilig­heid van het huwelijk ook geborgen zou zijn, de ze­ker­heid van het kind, als het huwelijk vruchtbaar zou mogen zijn. Dan heeft de Heere daarin waarborgen ge­scha­pen voor het kind dat geboren zal worden. Dat is een heel prak­tisch gege­ven. Geboren te worden uit de liefde, maar ook geborgen te zijn in die liefde. Dan voelen we heel goed wan­neer het zevende gebod over­treden wordt, dat wie in één zal struikelen, die schuldig is geworden aan allen.

Ik wil u waarschuwen voor de zonde, geliefde ge­meen­te. Het is ook een zonde die gevolgen kan hebben, meest voor de kinderen die uit deze zonde geboren worden. We lezen er van bij David, zijn zonde was vergeven, maar wat zegt God? "Het zwaard zal van uw huis niet afwijken tot in eeuwigheid, daarom dat gij Mij veracht hebt, en de huisvrouw van Uría, den Hethiet, genomen hebt, dat zij u ter vrouwe zij" (2 Sam.12:­10).

'Vervloekt' zegt de catechismus. Wie zal er niet van de vergevende liefde Gods moeten leven? "Gij zijt hun geweest een vergevend God, hoewel wraak doende over hun daden" (Ps.99:8).

O gemeente, gehuwd of niet gehuwd, zorgen om kinde­ren of zorgen om geen kinderen. We behoeven niet ge­frus­treerd te zijn over ons leven binnen het heilige huwe­lijk of daarbuiten. Dan valt het ook op wat we gelezen hebben dat de apos­tel zegt: "Dankende te allen tijd over alle din­gen God en den Vader, in den Naam van onzen Heere Jezus Chris­tus" (Ef.5:20), Die het alles zo won­derlijk heeft gemaakt. Laat het dan ons gebed maar mogen zijn, dat Hij het wonderlijk wil leiden in onze levens opdat God verheerlijkt mag wor­den.

We hoeven niet gefrustreerd te zijn, ik wil het gerust nog eens duidelijk zeggen, alsof tòch het huwelijk en de omgang binnen het huwelijk in de sfeer van de zonde zou liggen. Nee ge­meente, het huwelijk is eer­lijk, dat ìs de zonde niet. Maar het is wel zo, dat er juist met be­trekking tot het zeven­de gebod zo vrese­lijk veel moge­lijkhe­den voor vreselijke vuile en vrese­lijke vieze zonden liggen.

Weet u wat we moeten leren? Om ook die dingen heel gewoon in het gebed te bren­gen.

Catechisanten, als je bloed door je aderen jaagt: bid­den! Waar moeten we dan om bidden en waar mogen we dan om bidden? Dat God ons laat ver­sterven? Helemaal niet, want God zag Adam en ziet het was zeer goed. En God zag Eva: en ziet het was zeer goed. Als jongens en meisjes elkaar ge­vonden hebben, dan geldt ondanks de zonde, van de instelling van het huwelijk als zoda­nig nog steeds: het is zeer goed.

Weet u waar we dan veel om moeten bidden, catechi­san­ten? Niet dat de liefde verminderen mag, dat is dwaas. Alles moet onderhou­den worden door het gebed, lieve kinderen. Daarom moeten we leren zoals we voor ons brood bidden, ook rustig te bidden voor onze liefde. Dat kan. Hoe dat kan? Wanneer we leren te bid­den: Heere geef me bijzonder veel liefde binnen de grenzen van Uw wil en van Uw wet.

En als je dat samen kunt doen en als dat samen je leven mag zijn, dan zit er iets troostrijks in te midden van de moeiten van het dagelijks leven.

Díe mens is niet een heilige, die zichzelf het meest heeft ge­dres­seerd. Dan gaat het niet om overdreven­heid, maar wel om ingeto­gen­heid. Het is beslist geen heiligheid om onszelf te dres­seren en te reduce­ren. Als er iets gevaar­lijk is, ik spreek nu tot mensen die het ver­staan, dan is het juìst om met dorst in de wereld rond te gaan.

Het zevende gebod. Het is nodig dat we daarin zeer nuchter worden en dat het een gebedszaak mag zijn.

Als er dan staat: "Of weet gij niet, dat ulieder lichaam een tempel is van den Heiligen Geest?" (1 Kor.6:19). Dan zit daar iets intiems in, waar een ander niets mee nodig heeft. Maar dan zit er ook iets eerlijks in: een tem­pel van de Heilige Geest, dan mag God het zien en dan mag God het weten. AMEN.