Zondag 44. Vraag en antwoord 113 - 114 - 115

                                         ZONDAG 44

                         Vraag en antwoord 113, 114 en 115

 

        Psalm     25 :  8

        Psalm     56 :  5

        Psalm     51 :  3,5

        Psalm     89 :  14

        Psalm     90 :  9

        Romeinen      7

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in het voorgelezen Schriftgedeelte, Romeinen 7 : 24 - 26

 

Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?

Ik dank God, door Jezus Christus, onzen Heere.

Zo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vlees de wet der zonde

 

Onze catechismus zondag 44, over het tiende gebod, vraag en ant­woord 113, 114 en 115

 

113. Vr. Wat eist van ons het tiende gebod?

Antw. Dat ook de minste lust of gedachte tegen enig gebod Gods in ons hart nimmer­meer kome, maar dat wij te allen tijde van ganser harte aller zonden vijand zijn en lust tot alle gerech­tigheid hebben.

114. Vr. Maar kunnen degenen, die tot God be­keerd zijn, deze geboden volkomenlijk houden?

Antw. Neen zij; maar ook de allerheiligsten, zo­lang zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel dezer gehoor­zaam­heid; doch alzo, dat zij met een ernstig voornemen niet alleen naar som­mige, maar naar al de geboden Gods begin­nen te leven.

115. Vr. Waarom laat ons dan God alzo scherpe­lijk de tien geboden prediken, zo ze toch nie­mand in dit leven houden kan?

Antw. Eerstelijk opdat wij ons leven lang onzen zondi­gen aard hoe langer hoe meer leren kennen, en des te begeriger zijn, om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoe­ken.

Daarna, opdat wij zonder ophouden ons benaar­stigen, en God bid­den om de genade des Heiligen Gees­tes, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorge­stelde volkomenheid na dit leven geraken.

 

We zijn dan, geliefde gemeente, gekomen aan het einde van de wet. Het is mijn innige begeerte dat ge werkelijk aan het einde van de wet gekomen mocht zijn. Dat is zo slecht nog niet. Want de wet der tien geboden is geen ladder met tien sporten die naar de hemel reikt, zodat het trappen van verhoging zijn, maar het zijn tien trappen van vernedering, gemeente!

En wie zal er niet zijn, die de wet met zijn tien spor­ten niet eens hemelwaarts gericht heeft en ge­tracht heeft de eerste sport te bestij­gen, de twee­de, de derde, de vierde, de vijfde, de zesde, de zeven­de, de achtste en de negende, om tot de volmaaktheid te gera­ken. Om tot God te komen in een weg van het werk­verbond.

Ik ken een man, hij had erg zijn best gedaan en was al zeer ver gevorderd, hij had de eerste trede gezet en hij zong: "Ik zet mijn treden in Uw spoor, opdat mijn voet niet uit zou glijden" (Ps.17:3 ber.). Natuur­lijk, want die wet is goed. Toen nam hij de tweede sport en heeft gezongen: "Wil mij voor struikelen be­vrij­den". Toen nam hij de derde sport en zong: "En ga mij met Uw heillicht voor". Daarna nam hij de vierde, de vijf­de, de zesde en toen de zevende sport en hij dacht dat hij er bijna was, dat hij de hemel kon grijpen, maar hij stortte ter aarde neer. Hij was een lief kind van God, hij wordt de man naar Gods hart genoemd en hij is van de zeven­de sport neer­gestort. Toen heb ik hem horen zingen:

 

            't Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf;

            Neen, 'k ben in onge­rechtigheid geboren;

            Mijn zonde maakt mij 't voorwerp van Uw toren.

            Reeds van het uur van mijn ontvang'nis af. (Ps.51:3 ber.).

 

Heeft die man niet gehoopt dat hij de tiende sport zou halen? Nee, hij vraagt: "Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het bin­nenste van mij een vasten geest" (Ps.51:12).

Je kunt nog meer bereiken. Ik weet van een man die de zeven­de sport zonder struikelen is gepasseerd, die ook de achtste passeer­de, want hij kon er getuige­nis van geven: "Naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, zijnde onberispelijk" (Fil.3:6). Hij is ook de negen­de gepas­seerd en dacht dat hij er was. Maar hij wist niet dat er nog een tiende sport bestond.

Of je dan nog een heel eind moet, of er nèt niet kunt ko­men. Ik zou haast zeggen: hoe dich­ter bij en dan toch de zaak te missen, hoe tragischer het is. Die man kwam nog maar één stap tekort, de tiende trede, maar hij moest zijn dwaasheid belijden: "Ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de wet niet zeide: Gij zult niet begeren" (Rom.7:7). Dat is ook een gebod, het is één van de tien geboden.

Formeel: wat eist van ons het tiende gebod? Gij zult niet begeren. Is het waar, mag je niet begeren? Leert de Schrift het niet: "Be­geert van den HEERE regen, ten tijde des spaden regens, de HEE­RE maakt de weerlichten; en Hij zal hun regen genoeg geven voor ieder kruid op het veld" (Zach.10:1).

Gij zult niet begeren uws naasten huis, gij zult niet begeren uw naasten vrouw, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets dat uws naasten is.

Over wat we wel mogen begeren, spreekt de catechis­mus op een andere plaats, dat wat we in het gebed voor God mogen neerleg­gen. Al onze nooddruft, hetzij dat het een huis, hetzij dat het een vrouw betreft. Maar gij zult niet begeren wat van uw naaste is, ge­liefde gemeente! In het tiende gebod wordt geen nieuw gebod als zoda­nig gegeven, maar het gaat om de kern van de zaak, de jaloezie.

Gij zult niet begeren uws naasten huis. Gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch iets dat van uw naaste is.

O, wat een ontdekkende stof! Het gaat in het tiende gebod niet meer om onze daden, dat onze daden inge­toomd moeten worden. Dat gaat soms nog een aar­dig eind, dat gaat soms nog een heel stuk, vooral wanneer we denken dat de hemel er als loon aan verbonden is. Maar het gaat in dit gebod om ons hart.

De catechismus zegt dat de minste lust of gedachte tegen enig gebod Gods in ons hart nimmermeer komen mag. Maar dat we te allen tijde van ganser harte aller zonden vijand moeten zijn en lust tot alle gerechtig­heid heb­ben.

Dat is nogal wat! Het gaat dus niet over een nieuw gebod. Het gebod: Gij zult niet begeren uws naas­ten huis is als zodanig onder te bren­gen onder: Gij zult niet stelen. Gij zult niet bege­ren uws naasten vrouw, dat zijn we al tegengekomen in het ze­vende ge­bod. Maar nu gaat het om ons hart. Gij zult zelfs niet begeren.

God te dienen moet niet alleen een zaak van onze han­den, van onze voeten, van ons hoofd, maar ook een zaak van ons hart zijn. "Zo wie een vrouw aanziet, om dezelve te begeren", wat dus in het hart besloten blijft, daar­van heeft Jezus gezegd: "Die heeft alrede over­spel in zijn hart met haar gedaan" (Matt.5:28).

O, het lijkt zo'n kostelijk gebed: Heere, bewaar ons voor de uitle­ving van de zonde. Maar we mogen wel vragen met David: "Schep mij een rein hart, o God! en ver­nieuw in het binnenste van mij een vasten geest".

Het tiende gebod zou ons eigenlijk de dood­steek maar eens moeten geven. Het moest nu maar eens worden: schuldig o God! Schuldig, schuldig voor Uw heilig aange­zicht! Al zouden we ons leven lang van onze geboorte af, voor wat weleens genoemd wordt de uitle­ving van de zonde, bewaard geworden zijn. Dat hart gemeen­te, waar we zo trots op zijn, waar we ons zo op kunnen beroe­pen: "Do­minee, in mijn hart voel ik dit en voel ik dat". Het is bedorven! "Want uit het hart komen voort boze beden­kin­gen, doodslagen, over­spelen, hoere­rijen, dieverijen, valse getuigenis­sen, lasteringen" (Matt.15:19), uit het hart, uw hart en mijn hart.

Het tiende gebod. Misschien had u toch nog ge­hoopt dat dit niet zo'n streng gebod was als de voorgaande geboden. Maar vergis u niet, het tiende gebod laat ons zien dat we niet alles gedaan behoe­ven te hebben, maar dat we alles zijn. Dat we verdoemelijk zijn voor God, 'rot­ten to the core', ik zal het maar in het Engels zeggen, anders klinkt het soms een beetje onbe­schaafd. 'Rotten to the core' dat is de mens door de zonde gewor­den.

Zal ik het nog vertalen ook? Zoals een wormsteek de vrucht in de kern aantast, zo is het klok­huis van ons be­staan aangevreten door de oude slang, het is door-en-door verrot!

We hebben misschien gedacht dat het nog mee zou vallen als we dìt niet gedaan hebben of als we dàt niet gedaan hebben. Misschien zitten we ons nog wel een beetje gees­telijk te verkneuteren. Als we dan niet alles gedaan hebben, maar als we dan een beetje min­der gedaan hebben, o dan schiet ook de wet aan haar voornaamste doel voorbij, dat ze een tuchtmees­ter zou zijn tot Christus.

Vanavond is het punt aangebroken, geliefde gemeente, lieve kinde­ren, lief Driebergen, vanavond is het punt aangebroken dat we eindelijk ons hoofd maar eens op het blok moesten leggen en dat we maar eens moesten zeggen: "HEERE! Gij zijt rechtvaardig, en elkeen Uwer oordelen is recht" (Ps.119:137).

Het moest maar eens buiten hope worden ten aanzien van de wet. Mochten we maar eens sterven aan de wet, zodat we, om in de beeldspraak van Romeinen 7 te blijven, eens recht een eenzame mochten wor­den. Een­zaam, "vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn" (Rom.7:6), zodat er een nieuwe weg vrij zou komen om tot God te gera­ken. Niet een ladder van de tien geboden die wij zelf op moeten richten, maar de heer­lijke vervulling van Jesaja's gebed: "Och, dat Gij de hemelen scheur­det, dat Gij neder­kwaamt" (Jes.­64:1).

O, dat we verwaardigd mochten worden gemeente en gasten in ons midden, dat we verwaar­digd werden om eens te sterven aan onszelf. Dat de wet voor ons een tuchtmeester tot Christus mocht zijn om het eindelijk eens te beseffen dat, om te kunnen be­staan voor God, er iets anders nodig is. Dat we gereinigd werden door het bloed, door het verzoe­nende bloed. Dat we een Plaatsbekleder nodig krijgen om in onze plaats te gaan staan, om in mijn plaats verloren te gaan onder de wet. Om in mijn plaats ter helle te varen. Dat er maar eens een rechte behoefte gewerkt mocht worden aan die Ander, Die de zonde van mijn han­den gedragen heeft in de nagelen. Die mijn voeten, die snel zijn om bloed te vergieten heeft laten nagelen aan het kruis. Die Zijn hoofd om alles wat mijn hoofd gedacht heeft, liet kronen met de doornen­kroon. O, laat Jezus u toch eens dierbaar worden.

En wat is het laatste, wat ze mijn Heere en mijn Hei­land hebben gedaan, gemeente? Dat was het vonnis over het tiende gebod: men doorstak Zijn hart, Zijn zijde met een speer.

Waarom? Wel, wat eist van ons het tiende gebod? ­Zal ik het u eens met mijn eigen woorden zeggen? Wat eist dat tiende gebod? Dat we beschaamd de kerk uitgaan over ons­zelf, dat we verloren mensen worden. Wanneer we bij het eerste gebod nog niet gebro­ken zijn, bij het twee­de gebod nog niet gebro­ken zijn, dat bij het tiende gebod onze harten ge­broken zullen worden. Van wie, ja van wie? Van ons allemaal, geliefde ge­meente!

 

Ik ga naar de volgende vraag en het volgende ant­woord. Maar kunnen degenen, die tot God bekeerd zijn... Ja, dat de wereld zichzelf doodzondigt, dat weten wij. Dat deze wereld ondergaat in haar eigen vuil, dat weten wij ook. Maar kunnen dege­nen, die tot God bekeerd zijn, deze gebo­den volkomen­lijk houden? Neen zij; maar ook de aller­heilig­sten, zolang als zij in dit leven zijn, hebben maar een klein begin dezer gehoorzaamheid? Dan zou het ook voor eeuwig verlo­ren zijn, maar er staat: zij hebben een klein beginsel, dat is iets anders, een klein beginsel dezer gehoor­zaam­heid. Het gaat dus niet meer over een begin, maar over een beginsel. Doch alzo, dat zij met een ernstig voor­nemen niet alleen naar sommi­ge, maar naar al de gebo­den Gods beginnen te leven. Dus ook bekeerden zijn onge­lukki­ge schepse­len als het gaat om het onder­hou­den van Gods gebod.

Ze hebben een klein beginsel, inderdaad. En wat is een beginsel? Zolang we die wettische ladder hanteren denken we dat het van goed naar beter gaat. Maar hoe verder je komt op de evangelieweg, hoe meer je ontdekt dat die evan­gelische weg een weg is van afbraak, gemeente.

Er staat niet: een beginnetje, maar een klein begin­sel. Wat wordt er mee bedoeld? Een klein beginsel is veel meer waard dan een groot begin. Een klein beginsel dat is als een zaad. God heeft door dat evan­geliezaad iets in het hart gegeven, een beginsel.

Een beginsel van heiligheid wat gesubli­meerd kan worden? Iets wat we op kunnen kweken? Iets wat met de dag groeit, zodat we aan de winnende hand zijn? Nee, geliefden! Een beginsel dat is dat God in de we­dergeboorte de wil vernieuwt, dat is het beginsel. En de praktijk is dat er van de allerheiligste zo bitter weinig terecht komt, zodat David klaagt, zodat Paulus klaagt: "Want het goede dat ik wil, doe ik niet, en het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Ik ellen­dig mens" (Rom.7:19,24).

Zullen we het op een accoordje gaan gooien in ons leven, wanneer we genade kennen? Zo van: als het dan zo gelegen is, och, waar doen we ons best dan eigen­lijk nog voor? Waar doe je de moeite eigenlijk voor om steeds weer die teleurstelling te ondergaan: ik wil wel, maar het lukt me niet?

 

Waarom laat ons dan God alzo scherpelijk de tien gebo­den predi­ken, zo ze toch niemand in dit leven houden kan? Eerstelijk: beke­ring. Wat is bekering eigenlijk? Wat is het eerste kenmerk van de beke­ring, Augusti­nus? Ootmoed! En het tweede kenmerk, Augusti­nus? Oot­moed! En het derde, Augus­tinus? Ootmoed!

Waarom laat ons dan God alzo scherpelijk de tien gebo­den predi­ken, zo ze toch niemand in dit leven houden kan? Zullen we dan maar met z'n allen antinomiaan worden? Want waarom dan nog? "Het staat toch immers in de dankbaarheid, dominee?" Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onzen zondigen aard hoe langer hoe meer leren kennen. Onze zondige aard, omdat het er niet alleen over loopt wat we gedaan hebben, maar wat we zijn.

Onze zondige aard vinden we het beste omschreven in de Neder­landse Geloofsbelijdenis, daar noemt Guido de Brès onze zondige aard een onzalige fontein. Er is er maar Eén geweest Die in Zich had een fontein van het eeuwige leven, springende tot in het eeuwi­ge leven. En daar kwam bloed en water uit: rechtvaardig­making en heiligmaking. Alles wat een gevallen mens nodig heeft, alles wat een wetsovertreder nodig heeft.

Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onzen zondigen aard hoe langer hoe meer leren kennen, en des te begeriger zijn, om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken. Want je kunt er ook een wed­strijdje van maken, van de zonde en van de ontdek­king. Je kunt er ook een wedstrijdje van maken: ik ben zondig, o ja nog zondiger, alsof dat een plus is.

Nee, wie de aard van de zonde leert kennen, die zou zijn ogen wel uit willen wenen van­wege de zonden. Daar kunnen we nooit zo maar losjes over praten van: het is nou eenmaal niet anders. O nee gemeente, o nee, de zon­den beledi­gen God dat allerhoogste Goed. Dat we hoe langer hoe meer onze zonden leren kennen en des te begeriger zijn om de verge­ving der zonden en de gerechtig­heid in Chris­tus te zoeken.

O gemeente, is het u al eens zo met de wet vergaan? We hebben weken achtereen de wet gepreekt en bent u weleens de kerk uitge­gaan met de bede:

 

            Ontzondig mij met hysop, en mijn ziel,

            Nu gans melaats, zal rein zijn en genezen.

            Was mij geheel, zo zal ik witter wezen

            Dan sneeuw, die vers op 't aardrijk nederviel. (Ps.51:4 ber.).

 

Of bent u voor de zoveelste keer met een goed voorne­men de kerk uitgegaan? "Heer! wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen" (Matt.18:26). Is dat onze godsdienst? Heere, ik ben al één sportje verder ge­klom­men. De wet zal scherp gepreekt moeten worden, zodat we onszelf meer en meer leren kennen in de kern van ons bestaan. Zodat we meer en meer bege­rig zijn om de vergeving der zonde en de gerechtig­heid in Christus te zoeken.

Schuilen achter dat bloed, achter dat kostelijke bloed van Jezus Christus Gods' Zoon, dat reinigt van alle zonden. Een andere zaligheid is er niet.

Hier wordt de volle rechtvaardigmaking bedoeld in dit antwoord. Op een andere plaats in de catechismus is de rechtvaardigmaking reeds verklaard, dus daar behoe­ven we nu niet in zijn geheel op in te gaan. Maar er is een geloofsvereniging, God heeft in Zijn goed­gunstig­heid, in Zijn vrije gena­de, voor mensen voor wie de weg der wet gesloten is, een evangelie geopend.

Wat zeg ik? "Te dien dage zal er een Fontein geopend zijn", in de wonden van Jezus Christus, "voor het huis Davids, en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinigheid" (Zach.13:1).

"Maar wie dan gerechtvaardigd is, die ìs toch immers gerechtvaar­digd?" Het is waar, het is zeker waar. Het is nodig één keer gerecht­vaardigd te wor­den, maar het is ook nodig een dagelijk­se bekering te kennen om steeds weer te leren vluchten naar dat kostelijke bloed van de Zaligmaker.

Dan staat hier ook de heiligmaking vermeld. We zijn het op zoveel plaatsen al tegengekomen, dat het bloed van Jezus Christus Gods' Zoon dat reinigt van alle zonden, altijd verbonden is met de Geest van Jezus Christus, de Geest der heiligmaking, de Heili­ge Geest.

We zijn zeer ongelukkige schepselen ge­meente, we kunnen met onze gerechtighe­den, met onze wetsbe­trachting geen nagelschrap tot onze zalig­heid toedoen. Maar het is toch ook weer niet onver­schillig hoe wij leven: "Want dit is de wil van God", zoals we lezen: "uw heiligmaking" (1 Thes­s.4:3).

Is dat dan een werk, dat in het vermogen van de mens ligt? Is de recht­vaardigmaking het werk dat Jezus Christus gedaan heeft en is de heiligmaking een werk dat ik zelf moet werken? Gelukkig niet! Dat heeft de catechis­mus ook héél goed gezien en daarom zegt zij dat we God bid­den om de genade des Heiligen Geestes.

De heilig­ma­king is niet anders dan de genade des Heiligen Geestes, dat is Jezus Christus óók geschonken te krijgen tot heilig­ma­king zodat we kunnen roemen: "Die ons geworden is wijsheid van God, en recht­vaar­dig­heid, en heiligmaking, en ver­los­sing" (1 Kor.1:30).

Zodat we ons benaarstigen en God bidden om de genade des Heili­gen Geestes, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods ver­nieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volko­menheid na dit leven geraken.

We zullen het maar samen­vatten. Ik heb u de vorige keer reeds gezegd dat die koste­lij­ke wet, die tien geboden als zodanig, niet zijn uit de wil en uit de raad Gods, maar uit het Wezen Gods. Probeer me nog even te volgen, het is moeilijk, ik geef het toe, maar pro­beer me even te volgen. De wet is niet uit de wil en uit de raad Gods, maar uit het Wezen Gods. Dat wil zeggen: God doet niet alleen goed, maar God is de Enig Goede in Zichzelf.

Toen heeft God de mens geschapen naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis. Nu is dit de huive­ringwekken­de val van de mens, dat we Gods beeld verloren zijn in het paradijs: kennis, gerechtig­heid en heiligheid. Dat we onze inklevende gerechtig­heid verlo­ren hebben in onze val.

De mens was beeld­drager Gods. Dat betekende dat de mens voor de val als een spiegel was, zodat wanneer God daar­over boog, Hij Zichzelf zag in de mens. Dan zag Hij Zichzelf in Zijn deug­den, in Zijn Wezen. Dan zag Hij in Zijn schepselen de ken­nis, de gerech­tigheid en de heilig­heid.

Als we nu aangeraakt worden door het tiende gebod, dan gaat het om ons zijn van beelddrager Gods, dat we dat verloren zijn in het paradijs. De spie­gel is stuk gevallen, de spiegel is stuk.

God is goed in Zijn Wezen en de mens is verdorven in zijn wezen. Hij, die beeld­drager Gods was, die kos­telijke spiegel waar God Zichzelf in terug zag en waar God in ver­heerlijkt werd, die spiegel is aan splin­ters geval­len, ze funktioneert niet meer.

Wanneer de Dordtse Leerregels zeggen dat er na de val nog enig licht der natuur overgebleven is van het beeld Gods (DL 3/4 art.4), dan wordt daarmee bedoeld dat die spie­gel zó in gruzelementen ligt dat God er Zijn beeld niet meer in ziet. Maar je kunt aan de splin­ters nog zien, dat het een spiegel geweest is. Zoals je ook aan zo'n handje gruis langs de autoweg weleens kunt zien: dit is een autoruit geweest. Zo diep is de mens gevallen voor God. Hij is geen beeld­drager meer.

Nu moge de wet ons dáár brengen gemeen­te, dat we uit gaan zien naar de nieuwe Beelddrager Gods, namelijk: Jezus Christus. Jezus Christus, Die de vol­maakte Beeld­drager Gods is in waarachtige kennis, gerechtigheid en heiligheid.

Als we dan nu aan het einde gekomen zijn van de wet, o, dan moge het zo zijn dat we ook maar aan het einde gekomen zijn van ons­zelf.

Dan bedoel ik dit ten opzichte van de rechtvaardig­making, dat we maar eens verloren mogen gaan onder het recht Gods, om door het bloed van Jezus Christus behouden te worden. Maar dat we ook maar eens verlo­ren mogen gaan naar de heiligmaking, door de Geest van de Heere Jezus Chris­tus. Om waarlijk uitziende gemaakt te worden naar de volko­menheid waar de cate­chismus van spreekt, waar­toe de levendgemaakte Kerk na dit leven geraken zal.

Waar is dan het verlangen van de levende Kerk om verzadigd te worden met het beeld van Christus, wan­neer ze in gerechtigheid zal opwaken? God heeft Zijn beeld in Zijn Zoon gelegd.

Nu is dit de waarachtige bekering, dat we niet in de eerste plaats gelijkvormig worden aan de wet, maar dat we Jezus Christus gelijk­vormig worden. Dan gaat het hart vragen, ook in de heilig­making:

 

            En vernieuw mij telken dage,

            Tot ik Jezus' beelt'­nis drage.

 

Dat wil zeggen, dat er een uitzien komt in ons leven over dood en graf heen, om van onszelf verlost te worden, om van ons wezen verlost te wor­den, ons zondewezen, om bij Jezus Christus te zijn. Om door de Heilige Geest van gedaante veranderd te wor­den van heerlijkheid tot heerlijkheid, als door des Heeren Geest.

De levendgemaakte Kerk heeft er net zoals Paulus iets van geleerd. Naar de rechtvaardigmaking kon hij zeg­gen: "Wie zal beschuldi­ging inbren­gen tegen de uitver­korenen Gods?" (Rom.8:33). Maar naar de heiligma­king moet hij kla­gen: "Het goede dat ik wil, doe ik niet, en het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?".

Als de ontdekking van de Heilige Geest doorgaat in het leven van Gods kinde­ren, dan mogen ze naar de gena­dige genoegdoening van de Heere Jezus Christus we­ten gebor­gen te zijn. Maar naar de heiligmaking blijft de klacht: "Ik ellen­dig mens, wie zal mij verlos­sen uit het lichaam dezes doods?".

Er wordt weleens gemakkelijk gesproken over een tweemens. Als er dan iets mislukt in mijn leven, dan geef ik de eerste Adam de schuld. Maar om nu op de rechte wijze toch in onszelf te leren een tweemens te zijn. Aan de ene zijde verzekerd te zijn van onze genadige verkiezing, geliefde gemeente, om dan aan de andere zijde in onszelf, het verworpene tegen te komen van dag tot dag.

Zoals Paulus, het uitverkoren vat toch nog dag bij dag merkte, nog steeds gewaar moest worden dat hij in zich omdroeg: de verworpen Saul, die nooit tot God be­keerd wordt, maar die door dood en graf heen gerei­nigd zal moeten worden.

Dan is de boodschap deze keer dat wij zo gezondigd hebben, zo diep gezondigd hebben tegen God, dat de bekering pas voltooid zal zijn wan­neer zelfs letterlijk het vlees, zelfs letterlijk het ge­beente, zelfs letterlijk de materie gereinigd zal worden in het graf.

"Ik ellendig mens", zegt Paulus, "wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?" Het is de klacht van Gods kind die het mag weten ge­recht­vaardigd te zijn. "Zo is er dan nu geen verdoeme­nis voor degenen, die in Christus Jezus zijn". Toch klagen zij: "Het goede", dat beginsel: "Het goede dat ik wil, doe ik niet, en het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik".

O, de goedheid Gods is onafscheidelijk verbonden met het Wezen Gods. Dan te ontdekken, dat het kwade behoort tot het wezen van de mens. O, dan ga je uitzien naar de ganse vernieuwing. Wanneer Paulus klaagt: "Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?". Dan bete­kent dit toch dat er van liever­lee, hoe langer hoe meer iets in ons leven komt, dat zich tegen heug en meug over krijgt voor de eeuwige Godsbedoe­lingen, om door dood en graf heen totaal vernieuwd te worden, Jezus Chris­tus achter­na. Vernieuwd te worden naar Zijn wijsheid, naar Zijn gerechtig­heid en naar Zijn heiligheid, om beelddrager Gods te zijn in der eeuwig­heid.

Dan niet meer in onze oorspronkelijke ge­rechtig­heid, want die zijn we verloren in het paradijs en dat komt ook nooit meer terug. Maar er is iets heerlijks voor in de plaats gekomen. Voor de verloren gerechtigheid, de inklevende ge­rechtigheid waarmee God de mens ge­schapen heeft, krijgt hij in Christus Jezus een toe­ge­re­kende gerech­tigheid terug.

Opdat de eeuwigheid zal zijn dat nie­mand roeme, maar opdat we van uur tot uur, van dag tot dag, van eeuw tot eeuw en van eeu­wigheid tot in eeuwigheid, zouden roemen in vrije genade alleen. In vrije genade alleen tot in der eeuwen eeu­wigheid. Opdat alle eer zij aan de tweede Adam, aan Jezus Christus Die in deze wereld geko­men is: "Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn. Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienst­knechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden. En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises" (Fil.2:6-8).

O wat een wonder, geliefde gemeente, wat een wonder! Tien geboden gepreekt, laat u toch trekken, laat u toch tuchtigen tot Christus Jezus, tot Zijn kostelijk bloed, tot Zijn kostelijke Geest tot rechtvaardigmaking en tot heiligmaking.

Laat die wet een tuchtmeester mogen zijn tot Chris­tus. Want Chris­tus Jezus niet aangedaan te hebben, het klinkt remonstrants, maar het is bijbelse taal, dat zal dan ook betekenen: tot in der eeuwen eeuwig­heid onder de vloek van de wet te moeten lig­gen. Maar Jezus Christus ontvangen te hebben tot recht­vaardig­making en tot heilig­making, dat betekent ook: Jezus Christus een­maal te ontvangen tot een volko­men, dat is tot een eeuwige verlos­sing. AMEN.