Zondag 45. Vraag en antwoord 116

                                     VAN HET GEBED

                                         ZONDAG 45

                                   Vraag en antwoord 116

 

         Psalm      68 :  16

         Psalm    117 

         Psalm      65 :  1,2

         Psalm      26 :  8

         Psalm    143 :  10

         Matthéüs   6 

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in het voorgelezen Schriftgedeelte, Matthéüs 6 : 6

 

Maar gij, wanneer gij bidt, gaat in uw binnenka­mer, en uw deur gesloten hebbende, bidt uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het open­baar vergelden.

 

Onze catechismus zondag 45, vraag en antwoord 116

 

116. Vr. Waarom is het gebed den Christenen van node?

Antw. Daarom dat het het voornaamste stuk der dank­baar­heid is, welke God van ons vordert, en dat God Zijn genade en den Heiligen Geest alleen aan diegenen geven wil, die Hem met hartelijke zuch­ten zonder ophouden daarom bidden en daar­voor danken.

 

Geliefde gemeente, het is weer een nieuw gedeelte van de catechis­mus waar we aan mogen begin­nen. Een heel nieuw gedeelte, het is het derde van die drie gedeelten die beginnen met 'ge' die een plaats gekregen hebben in de catechismus.

Het eerste gedeelte ging over het geloof en toen wer­den de twaalf Artikelen behan­deld. Het tweede gedeelte ging over het gebod en toen werden de tien gebo­den be­handeld. Nu zijn we gekomen aan het derde gedeelte over het gebed en nu wordt het vol­maak­te gebed, het Onze Vader, Die in de hemelen zijt behandeld.

Wat is dat een geweldige zaak, gemeente! Er is een klein boekje van Cyprianus, ik weet niet of het in het Nederlands vertaald is, want de kerkva­ders schre­ven in het Latijn. Zo heeft de kerkva­der Cyprianus een geweldig boekje geschreven over het Onze Vader. Eén van de eerste dingen die Cypri­anus daar zegt is, dat het een genade van God is dat Hij niet alleen Zijn Kerk het gebod geeft, maar ook het gebed. Dat God niet alleen leert hoe de Kerk zal leven, maar ook hoe de Kerk zal bidden.

Het is heel merkwaardig zoals de titel van dat boekje luidt. Ik zal deze noemen omdat er wellicht iemand is die dat verstaat. Die titel luidt: Oratione Dominica. Dit zeg ik maar even omdat het meestal vertaald wordt zoals bij ons het Onze Vader ook wel genoemd wordt: het gebed des Heeren. Mis, dat is niet goed vertaald! De echte verta­ling luidt: het héérlijke gebed. Dus niet: het gebed des Heeren, maar het heerlijke gebed. Zó heeft Cypria­nus het Onze Vader ervaren, ­niet alleen als het gebed des Heeren, maar ook als een héérlijk gebed.

Wat is het ook een geweldige zaak om te weten dat wanneer dit gebed gebeden wordt, het niet anders is dan een eerbiedig naspreken van wat Jezus Zijn disci­pelen, Zijn ganse Kerk heeft voor­gebeden.

Wat een heerlijke zaak, geliefde gemeente! Onder de twaalf discipe­len van de Heere Jezus bevonden zich verscheide­ne discipelen die eerst Johannes de Doper gevolgd waren. Eerst waren het discipe­len van Johan­nes de Doper, maar nu waren zij Jezus gevolgd. Zowel de discipelen van Johannes als de Farizeën vastten, zodat de vraag leefde: "Waarom vasten de discipelen van Johannes en der Farizeën, en Uw discipelen vasten niet?" (Mark.2:18).

In Matthéüs 6 geeft de Heere Jezus kostelijk onderwijs aan Zijn discipelen om hen geheel te verlossen van de zuurdesem van het farizeïsme. Het gebed staat in het stuk der dank­baarheid en der christelijke vrijheid.

Nu had het wetticisme drie kenmerken en daar is nog wel iets van aan te treffen. Het farizeïsme had drie kenmerken: de goede werken, het vasten en het bid­den. De goede werken, liefst in het openbaar zodat iedereen kon zeg­gen: o, wat een goede man is dat! Ze lieten voor zich trompetten als er een bedelaar zat die een aalmoes van hen kreeg. Ze vastten veel. Daarvan lezen we ook in Matthéüs 6 hoe dat er aan toe ging. Ze trok­ken een akelig gezicht, ze zogen hun wan­gen naar binnen om te laten zien: kijk ik eens een hongerlij­den, kijk ik eens vasten. Ze lieten hun kin op het derde knoop­sgat hangen om te laten zien hoe ernstig ze waren.

En bidden dat ze konden, op iedere straat­hoek! Nu moet je op veel straathoeken wachten voor een stoplicht, maar toen voor een Fari­zeër die in de weg stond omdat hij stond te bid­den. Allemaal in het open­baar. Daarom geeft de Heere Jezus zulk koste­lijk onderwijs. Als een christen goede wer­ken doet: "laat uw linkerhand niet weten, wat uw rech­ter doet" (Matt.6:3). "En wanneer gij vast, toont geen droevig gezicht" (Matt.6:16).

Natuurlijk gaat het weleens met droefheid gepaard, wanneer je een binnenkamer hebt, waar je jezelf leert kennen in je goddeloosheid en in je verdoeme­lijkheid. Dat is een weg van veel geween, maar ook van zoete vreug­de tevens. Het gaat er niet om dat we een droe­vig gezicht vertonen zoals de geveinsden. De Heere Jezus zegt in ditzelf­de hoofdstuk: "Zalft uw hoofd, en wast uw aangezicht, en uw Vader, Die in het ver­bor­gen ziet, zal het u in het openbaar vergel­den".

Zo ook als het gaat over het gebed. Doe niet gelijk de heide­nen, gebruik geen ijdel verhaal van woorden. De hei­denen denken dat ze door de veelheid van woorden de Heere kunnen dwingen. Het is nog zo wanneer je bij de heidenen komt, bijvoorbeeld in India, dan vind je daar weleens molentjes op het land. Dat is niet in de eerste plaats om sloten leeg te malen, maar dan staat er een gebed op de wieken van die molen en iedere omwenteling is zodoende een gebed. Wel­eens van ge­bedsmolens ge­hoord? Soms had men een molent­je met een slin­ger er aan waar een gebed op ge­schreven stond. Om als het kon, dat ding honderd keer per minuut rond te slinge­ren. En och, er zijn zelfs mensen geweest die hebben zich in laten metselen in een grot, sommigen heb­ben zich met koperen ket­tingen vast laten ketenen met hun knieën op de grond om altijd te bid­den.

Wat is de echte godsdienst dan toch een heerlijke zaak, ook wat betreft het gebed. Geen ketting om je vast te binden, geen ijdel verhaal van woorden. Maar de Heere Jezus heeft gezegd: "Gij dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt". Daarmee heeft de Heere Jezus ons een heerlijk gebed ge­schon­ken.

Wat is het gebed eigenlijk en wat werkt het eigenlijk uit? Zullen we eens praktisch zijn? Ik hoorde deze week nog iemand zeggen: "Je hoeft toch immers niet te bidden, want alles komt toch immers zoals het komen zal? God verandert Zijn plannen toch niet, omdat jij het vraagt!", werd er ge­zegd.

Wat een machtige zaak, geliefde gemeente, dat God de kerk niet uitschakelt, maar inscha­kelt. Het Koninkrijk van God zal komen al zou er geen bidder op de aarde zijn en tòch behaagt het de Heere om de ganse kerk te laten bidden: "Uw Konink­rijk kome. Uw wil ge­schie­de gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde". Al zou er geen bidder gevonden worden, omdat de onbekeerde niet wil bidden en de Bruidskerk in slaap is gezon­ken en er zelfs geen weet van heeft. Nochtans:

 

     Hij komt, Hij komt, om d' aard te richten,

     De we­reld in gerech­tig­heid. (Ps.98:4.ber).

 

Hij komt, al zou er geen gebed zijn, al zou er nie­mand roepen: "Ziet, de bruidegom komt, gaat uit hem tege­moet!" (Matt.25:6). Toch zal het waar zijn: "En de Geest en de Bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet" (Openb.22:17). De zaligheid zal even­wel voltooid worden.

Waarom is het gebed den Christenen van node? Daarom dat het het voornaamste stuk der dankbaarheid is, welke God van ons vordert.

Dit is toch eigenaardig, want is het gebed niet het voor­naam­ste stuk van de ellende? Als we er achter komen dat we onbekeerd zijn, dan gaan we immers pas bidden: Heere, bekeer me! Het gebed is toch het voornaamste stuk der dankbaarheid.

Er zit een schakel tussen vraag en antwoord 115 en 116, tussen het gebod en het gebed. ­Waarom laat ons dan God alzo scherpelijk de tien geboden prediken, zo ze toch nie­mand in dit leven houden kan? Eer­stelijk opdat wij ons leven lang onzen zondigen aard hoe lan­ger hoe meer leren kennen en des te begeriger zijn, om de verge­ving der zonden en de ge­rech­tigheid in Chris­tus te zoeken. Daarna, opdat wij zonder ophou­den ons benaar­stigen, en God bidden om de genade des Heiligen Gees­tes. Dat heeft de vorige zondag van de catechismus ons geleerd.

Het gaat er niet alleen om hoe ik tot God be­keerd kan worden, maar in de dankbaar­heid wordt ook iets an­ders ge­leerd: hoe komt God aan Zijn eer.

 

     Och, of wij Uw geboôn volbrachten!

     Genâ, o hoog­ste Majesteit! (10 Geb.:9).

 

Dan niet in wetticis­me, maar in christelijke vrij­heid. Daarom is het gebed zo nodig, het is het eerste stuk van de dank­baar­heid zelfs, geliefde gemeente.

Nog een andere vraag: kan een mens bidden? Ik heb wel­eens horen preken van niet. Een mens kan niet bidden en daar zouden dan twee bewijzen voor te vinden zijn in de Schrift. Laat ik voorop stellen dat ik die preek heel goed begrepen heb en dat er ook echt wel iets in was wat me aan­sprak. Ik heb ook echt wel wat geleerd van de machte­loosheid in onze gebeden. Maar kunnen we bid­den?

Er werden twee bewijsplaatsen aangehaald dat een mens toch immers niet kan bidden, want de discipe­len vragen: "Heere, leer ons bidden" (Luk.11:1). Maar dat is geen bewijs dat een mens niet bidden kan. O ge­meente, wat een genade dat de Heere Jezus niet gezegd heeft: ga maar weg, jullie kunnen er toch niets van en je leert het nooit. Nee, de Heere Jezus heeft ze ge­leerd: "Gij dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de heme­len zijt! Uw Naam worde gehei­ligd".

Wordt met de uitdrukking dat een mens niet kan bid­den misschien be­doeld dat ook de mens die genade ontvan­gen heeft, zo huivering­wekkend verach­terd kan zijn in die gena­de, dat er zulke geesteloze toestanden zijn, dat het niet om te zeggen is? Dat er geen nood leeft in de ziel en geen nooddruft.

Het tweede bewijs dat aangevoerd werd dat de mens niet zou kunnen bidden, ik herhaal het maar, zou staan in Romeinen 8, waar de Kerk zegt: "Wij weten niet wat wij bidden zullen" (Rom.8:26). Dat is iets anders dan dat de Kerk niet kan bidden. Het gaat er in Romeinen 8 om dat de Kerk een begeer­te heeft om te bidden naar Gods wil en daarom moet dat ook goed gelezen worden: "Want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort".

Is het dan juist niet het geweldige, het machtige dat de Schrift daar leert: "En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp" (Rom.8:26).

Het is een geweldi­ge zaak dat we met de Schrift in de hand staan waarin Jezus zegt: "Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden: klopt, en u zal opengedaan worden. Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden" (Matt.7:7,8).

Ik wil u waar­schuwen tegen een valse lijde­lijk­heid, waarmee u verloren zult gaan. Met een tien op je rap­port voor dogma­tiek, kun je nog voor eeuwig verloren gaan. "Die bidt, die ont­vangt, en die klopt, dien zal openge­daan wor­den".

Och, er zei eens iemand tegen mij: "Ik heb er zo weinig aan, als ik zelf honger lijd en ik kom voorbij een huis met open ramen en ik zie dat daar een over­vloedige maaltijd aangericht is. Wat heb ik daar dan aan, domi­nee?" Ik heb gezegd: "Heel weinig vriend, maar als er nu eens een bij­beltekst op dat raam stond: Die bidt, die ont­vangt en die klopt, dien zal opengedaan worden, dan zou je toch wel een dwaas zijn om honge­rig door te lopen?" Wat een heerlijke zaak is het gebed.

Waarom is het gebed den Christenen van node? Daarom dat het het voornaamste stuk der dankbaarheid is, welke God van ons vordert. Het is de leer van de Heili­ge Schrift, zo heeft God Zichzelf geopen­baard. "Die bidt, die ontvangt, die klopt, dien zal openge­daan wor­den". De Schrift leert ons wel lijdzaamheid, maar dat is wat anders dan lijdelijkheid. In de lijdzaamheid mag er het bidden zijn, dat mag een uitzien zijn zoals we het lezen in Psalm 130: "Ik verwacht den HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord. Mijn ziel wacht op den HEERE, meer dan de wachters op den morgen; de wachters op den morgen" (Ps.130:5,6).

Weet u wat het verschil is tussen lijdelijkheid en lijdzaamheid? Lijdelijkheid zit verloren te gaan in een hoekje en lijdzaamheid is als de vissersvrouw die op het puntje van de pier gaat staan met haar handen boven haar ogen om door de horizon, als het ware, heen te kijken. In de begeerte dat haar liefdewens vervuld wordt, dat haar man van zee zal terugkeren. Dat is het gebed en dat is het wachten. Dat is niet het lijdelijke wachten, maar die heerlijke lijd­zaamheid der heiligen: "Mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord". Dat is dat je niet van God weg kunt blijven, dat is de ware lijd­zaamheid der heiligen.

Waarom is het gebed den Christenen van node? Het zou eigenlijk overbodig moeten zijn om daarop in te gaan: Daarom dat het het voornaamste stuk der dank­baarheid is, welke God van ons vordert. Wat hield het paradijs eigenlijk in, geliefde gemeente? Daar was het dat God onom­won­den met Zijn schepsel sprak door de wind die ruiste door de toppen van de bomen. En wat is nu het herstel in Gods gunst? Dit, dat het schepsel ver­waar­digd wordt met God te mogen spreken.

Dan moet u indenken dat de engelen hun aangezicht be­dekken en uitroepen: "Heilig, heilig, heilig is de HEERE der heirscharen!" (Jes.6:3). O, als je dat alleen maar zou voelen aan je hart, waar zou je de vrijmoe­digheid vandaan halen om te bidden? Wan­neer je ziet naar je gestalte, wanneer je ziet naar je onbe­kwaam­heid, waar haalt de Kerk de moed vandaan? Uit het Woord, gemeente! Het is Gods Woord immers wat bemoedigt: "Toon Mij uw gedaante, doe Mij uw stem horen; want uw stem is zoet, en uw gedaante is liefe­lijk" (Hoogl.­ 2:14).

Waarom is het gebed den Christenen van node? Laat ik het eens zo mogen zeggen, wanneer wij waarachtig Christen zijn, dan zullen we het niet kunnen nalaten om ons tot God te wenden. Dan is het echt weleens eb en dan is het echt weleens vloed in ons geestelijk leven hoor, maar ligt daar nou juist het leven niet in verklaard? Is dan het gebed niet juist de mogelijk­heid van communicatie met God? Com­municatie met God is het voornaamste stuk der dankbaarheid hetwelk God van ons vordert. God wil Zijn genade en de Heili­ge Geest alleen aan diege­nen geven, die Hem met harte­lijke zuch­ten zonder op­houden daarom bidden en daar­voor dan­ken.

Dat was in de vorige catechismus ook al genoemd: de Heilige Geest. Opdat er oefeningen mogen zijn, troost­rijke oefenin­gen in het bloed van Jezus Christus Gods Zoon tot vergeving der zon­den. Maar ook de Geest van Christus tot vernieu­wing naar het even­beeld van de Heere Jezus Christus, om Zijn beeld gelijkvormig te wor­den.

Het is het voornaamste stuk dat God van ons vordert, en dat God Zijn genade en de Heilige Geest... Och, wan­neer we het woord genade zeggen, dan moeten we ook eigenlijk het woord, de heilige Naam van de Heilige Geest uitspreken. Wanneer het gaat over de Heilige Geest dan moeten we ook dat woord genade gebruiken. Dat ligt zo dicht bij elkaar: Gods genade en de Heilige Geest. Zonder de Heilige Geest kan geen genade be­staan en zonder genade zijn we ook vreemd aan de Heilige Geest.

En nu staat er dat God Zijn genade wil geven op het gebed. Dat wordt nu niet nader omschreven, maar dat is in antwoord 115 uitge­legd. Het is de rechtvaardigma­king, maar het is ook boven alles de heiligmaking. De wet als regel der dank­baarheid te hebben in onze levens, dat is een zaak van de genade van de Heilige Geest.

Nu onderwijst ons de cate­chismus dat God dat niet slechts van ons vordert, zodat het een heilige liefde­plicht is, maar de catechismus leert ons ook dat dit de weg is waar­in God Zijn genade schenkt, waarin God Zijn Heilige Geest schenkt, in de weg van het gebed. Om de waar­digheid van ons gebed? Niks niet en nooit niet. Maar er is geen weg buiten het gebed, het is de weg die de Heere Zelf verordineerd heeft in Zijn wel­behagen, dat Hij degene die Hij tevo­ren gekend heeft, in Zijn verkie­zende liefde, dat Hij de­zulken ook zou neigen op de knieën. Dat Hij dezul­ken in de weg van het gebed met de genade en met de Heilige Geest begiftigen zal. Diege­nen die Hem met harte­lijk zuch­ten zonder ophouden daarvoor bid­den en daarvoor danken.

Het hoort bij elkaar! De Kerk die op haar plaats is, mag het beide doen. Die is niet meer bekwaam om te bidden zonder te danken, die is niet meer bekwaam om te danken zonder te bidden. Daarin wordt ze ook enigs­zins haar Mees­ter, haar Heere Jezus Christus gelijk­vormig.

Waarom is het gebed den Christenen van node? Wel gemeente, het zou overbodig moeten zijn om die zaak te bewijzen. Laat ik dan één ding mogen zeggen: in de drukte van het leven, van het dagelijkse leven van de Heiland, de Heere Jezus Christus Zelf, lezen we her­haaldelijk dat Hij naar een stille plaats ging, dat Hij naar een woeste plaats ging om alleen te zijn, om te bidden. Kent u daar ook iets van, van zulk gebeds­leven?

 

We moeten het maar toe gaan pas­sen in onze levens. Hebt u een binnenkamer? Kent u iets van de moeite, van de ont­zaglijke moeite van het worstelen voor God, het kruipen voor God? Wanneer je weleens moet erva­ren dat de hemel van koper is, dat je gebed niet hoger stijgt dan de zolderbalken. O kent u er iets van, van dat worste­lende kruipende leven?

Maar kent u er ook iets van, dat die binnenkamer een feestzaal mag worden wanneer de Vader Zich in Jezus Christus open­baart in het hart met Zijn goddelijk onderwijs, met Zijn goddelijke vertroostin­gen, met Zijn goddelijke bemoedigingen? Waar zullen wij dat anders halen dan in de binnenkamer? Het ligt immers niet op straat gezaaid! God is vrij, Hij kan in hartje Amster­dam midden tussen de mensen­menigte kracht in mijn ziel geven, Hij kan mij daar verster­ken, Hij kan mij daar vertroosten. God is niet gebon­den aan de middelen. Maar de meest gewone wijze van handelen van God is, dat Hij ons in het verborgene onderwijst. Zo zegt de Sch­rift: "In het verbor­gene maakt Gij mij wijsheid bekend" (Ps.51­:8). "Zelfs bij nacht onder­wijzen mij mijn nieren" (Ps.16:7). Dat is in de stilte, in de duisternis en in de eenzaam­heid van de nacht. Een andere Psalm zegt:

 

     'k Zal Zijn lof zelfs in den nacht

     Zingen, daar ik Hem verwacht;

     En mijn hart, wat mij moog' treffen,

     Tot den God mijns levens heffen (Ps.42:5 ber).

 

Het gebed! Kunnen we bidden? Kunnen wij wel bidden? Het is de geweldige zaak van Romeinen 8 dat een hulpeloos volk mag getui­gen: "En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtin­gen" (Rom.8:26).

Maar laat ons dan wel bedenken, gemeente, dat het zuchten des Gees­tes het zuchten van de Kerk niet uitsluit. Ik heb in het begin gezegd en wil er ook maar mee eindi­gen: God gaat al Zijn wegen in het persoonlij­ke leven in de spo­ren van het gebed.

Hoe dikwijls lezen we niet dat de Heere Zelf aan­spoort tot het gebed: "En Hij zeide ook een gelijkenis tot hen, daartoe strekkende, dat men altijd bidden moet, en niet vertragen" (Luk.18:1).

Wat staat er dan veel ge­schreven als uiteindelij­ke verho­ring van het gebed, dat God Zijn Heilige Geest geeft aan hen die Hem daar­voor dag en nacht bidden. Dat zijn de lijnen in ons persoonlij­ke leven. De genade­lij­nen in ons persoonlijke leven zijn meteen ook de gebeds­lijnen in ons persoonlij­ke leven. Maar ook de lijnen in het groot, in het ge­heel van het Ko­ninkrijk Gods, zijn meteen ook de ge­bedslij­nen van de Kerk.

En zo lezen we tenslotte van de Heere Jezus, dat Hij zeker zal wederkomen, al zou er geen geloof op deze aarde zijn, al zou er geen gebed op deze aarde zijn. Ja, het zal er ook nog maar weinig zijn, want de Heere Jezus heeft Zelf gezegd: "Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vin­den op de aarde?" (Luk.18:8). Ik denk dat ik het ook zo mag zeggen: Doch de Zoon des mensen, als Hij op aarde komt, zal Hij dan veel gebed vinden? Ik denk van niet.

Maar toch, de kleine lijnen in het persoon­lijke leven, de grote lijnen in de wereldgeschie­denis, het zijn de gebedslijnen van de Heilige Geest. Dan zal toch het laatste gebed dat hier op aarde gebeden wordt om de komst van Christus een verhoor­d gebed zijn, want de Geest zal het de Kerk voor­bid­den: "En de Geest en de Bruid zeg­gen: Kom!" (Openb.22:17). En de Kerk zal het nabidden: "Ja, kom, Heere Jezus!" (Openb.22:20). Dat zijn de lijnen die God trekt in mijn leven, dat zijn de lijnen die God trekt in de geschie­denis.

Wat een geweldige zaak is het gebed! Daardoor "wordt het Konink­rijk der hemelen geweld aangedaan, en de gewel­digers nemen hetzelve met geweld" (Matt.11:12). Dat is de kracht van het gebed, maar dat is met­een ook de ootmoed. Als er iets is wat juist ook weer geweld­loos is, dan is dat ook weer het gebed. Het eerste punt van het gebed is: ootmoed. Het tweede punt van het gebed: ootmoed Het derde punt van het gebed: oot­moed. Maar het is ook tegelijk ge­weld: "En de geweld­igers nemen hetzelve met ge­weld".

Zo zal Jezus Christus de geschiedenis van deze wereld niet voltooi­en door de knappe koppen, door de compu­terfreaks, door de kunst, door de wetenschap, door de machten of door de krachten van deze wereld. Maar de Kerk die door de Geest verwaardigd wordt, zal Gods Ko­nink­rijk als het ware juichend naar zich toebidden: "Ja, kom, Heere Jezus! Kom haastiglijk!". Dat ìs het gebed en dat zàl het gebed zijn. AMEN.