Zondag 45. Vraag en antwoord 118 - 119

                                         ZONDAG 45

                             Vraag en antwoord 118 en 119

 

        Psalm    19 :  5

        Psalm    26 :  2

        Psalm    25 :  3,10

        Psalm    27 :  6

        Psalm    27 :  7

        Lukas    11 :  1-13

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in het voorgelezen Schriftgedeelte, Lukas 11 : 11 - 13

 

En wat vader onder u, dien de zoon om brood bidt, zal hem een steen geven, of ook om een vis, zal hem voor een vis een slang geven?

Of zo hij ook om een ei zou bidden, zal hij hem een schor­pioen geven?

Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader den Heiligen Geest geven denge­nen, die Hem bidden?

 

Onze catechismus zondag 45, vraag en antwoord 118 en 119

 

118. Vr. Wat heeft ons God bevolen van Hem te bid­den?

Antw. Alle geestelijke en lichamelijke nooddruft, welke de Heere Christus begrepen heeft in het gebed dat Hij ons Zelf geleerd heeft.

119. Vr. Hoe luidt dat gebed?

Antw. Onze Vader, Die in de hemelen zijt,

1. Uw Naam worde geheiligd.

2. Uw Koninkrijk kome.

3. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde.

4. Geef ons heden ons dagelijks brood.

5. En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.

6. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze.

Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, in der eeuwig­heid. Amen.

 

Wel, geliefde gemeente, vanavond gaan wij dan weer verder aan de hand van de catechismus met de zaak van het gebed. Ik dacht dat dit de derde keer was, dat we hopen te spreken over het gebed. We zijn hier als kerk­gangers samengekomen om opnieuw iets te leren over het gebed. Daarom zou ik met een vraag willen begin­nen. Hebt u al iets aan praktijk­lessen gedaan, aangaande het gebed? Zomaar een vraag waar­mee ik beginnen wil. Want de Heere zegt Zelf in Zijn Woord: "En zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders" (Jak.1:22).

Dan gaan we nu verder en dan vraagt de cate­chismus: Wat heeft ons God bevolen van Hem te bid­den? Dan valt het telkens op dat het gaat over bidden, terwijl het gebed toch juist in het stuk van de dankbaarheid staat. Dan zou je toch eigenlijk danken verwach­ten en dan wordt er gesproken over bidden. Zo ook deze keer, er staat niet: Wat heeft ons God bevolen Hem te danken? Nee: Wat heeft ons God bevo­len Hem te bid­den? Alle geeste­lijke en licha­melijke nooddruft, welke de Heere Chris­tus begre­pen heeft in het gebed dat Hij ons Zelf geleerd heeft.

Er wordt vervolgens gevraagd: Hoe luidt dat gebed? Daarom gaan we straks het gebed des Heeren, het Onze Vader behandelen. Zo op het eerste gezicht lijkt het wel een en al bidden, maar ik dacht dat juist de diepte van het bidden de dank­zegging is. In het ware bidden komt het Gods­ver­trouwen openbaar van de Kerk.

Er zijn veel godsdiensten in de wereld en iedere gods­dienst kent het gebed. Maar dat is totaal anders dan het heerlijke gebed dat Jezus Christus Zelf de Kerk leert om te bidden. En Jezus Zelf zegt: "En als gij bidt, zo gebruikt geen ijdel verhaal van woorden, gelijk de heidenen" (Matt.6:7). Er is een principieel onder­scheid tussen het bidden van de heidenen en het bidden van de chris­tenen. Want de heidenen menen dat zij door de veel­heid van woorden hun goden moeten dwingen.

En waarom moeten zij hun goden dwin­gen? Omdat die goden van de heide­nen zulke geweldige wrede heersers zijn, zulke vrese­lijke wrede potentaten. Dan hoeft u maar te denken aan de geschiedenis op de Karmel. Ze konden roepen en schreeuwen tot Baäl: "O Baäl, ant­woord ons!" (1 Kon.18:26), van de morgen tot de avond totdat ze er bijna dood bij neer vielen. Ze konden zich­zelf met messen snijden dat er bloed stroomde: "O Baäl, antwoord ons", maar er kwam geen antwoord. Het zijn eigenlijk hele vreemde dwingelan­den, die goden der heidenen.

Dat is het heerlijke van het christelijke gebed, dat het niet gericht is tot een dwinge­land, maar tot Iemand Die Zich laat noemen: Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Zo gaat dat gebed naar de hoogte, Die in de hemelen zijt. Maar ook naar de diepte, naar de diepte van het Va­derhart. Onze Vader.

Dan leert de Heere Jezus ons om geen ijdel verhaal van woorden uit te spreken. De Schrift waarschuwt ons ook op een andere plaats: "Wees niet te snel met uw mond, en uw hart haaste niet een woord voort te brengen voor Gods aangezicht; want God is in den hemel, en gij zijt op de aarde; daarom laat uw woorden weinig zijn" (Pred.5:1).

Daarom zou ik ook het tegendeel willen noemen van het spreken: het zwijgen. Het zwijgen voor God, het opmerkend zwijgen is ook weleens nodig. Ik bedoel het zoals de Psalm zegt:

 

     Merk op, mijn ziel, wat antwoord God u geeft;

     Hij spreekt gewis tot elk, die voor Hem leeft. (Ps.85:3 ber.).

 

Is het u ook niet overko­men en is het u niet dik­wijls overko­men dat u uw gebed uit­sprak voor de Heere op uw knieën en u zei: amen, en u stond op? Dat is de verwording van het gebed! We vra­gen wel, maar we wachten niet op een ant­woord. Daarom zeg ik dat het ook zo goed kan zijn om eens te zwijgen voor Gods aange­zicht. Als de Heere Jezus ons onderwijst dat het niet in de veelheid der woorden zit, dan kan het gebed ook weleens een gebed zonder woorden zijn. Slechts een wachten op God, een stil zijn voor God. Die dienst­knecht zit niet te zeuren bij zijn mees­ter en die dienstmaagd pro­beert niet te dwingen bij haar vrouw, maar de ogen van de dienst­knecht zijn geslagen op zijn heer en de ogen van de dienst­maagd zijn geslagen op haar vrouw.

Zwijgen kan soms veel sprekender zijn dan spre­ken. "Die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Belo­ner is dergenen, die Hem zoeken" (Hebr.11:6). Dat is het geweldige van de zaak.

Het is maar geen frase, dat de Heere Jezus ons leert bidden: Onze Vader. Het is het geweldige wonder dat God, Die zo hoog verheven is in de hemel dat zelfs de engelen hun aangezichten bedekken, dat die God Zich­zelf plaatst in die tedere verhouding van een Vader ten opzichte van Zijn kind.

Dan gaat het er om dat er ook in het gebed een waar­achtige ver­wachting zal zijn, een ver­wachting dat de Heere hoort. Ach, er was een kind van God dat 's morgens wakker werd, niet met een versje, maar met de zaak van Psalm 3:

 

     Ik lag en sliep gerust,

     Van 's HEEREN trouw bewust,

     Tot ik verfrist ontwaakte;

 

Dat kun je ervaren in je leven!

    

     Want God was aan mijn zij';

     Hij ondersteunde mij

     In 't leed, dat mij genaakte. (Ps.3:3 ber).

 

Zo kan God Zijn kinderen weleens sterken voor het leed dat hen genaakt. Want de dood waarde rond, maar toch was er onder­wor­pen­heid in het hart van David, echte onder­wor­penheid. Och, als de Heere dat geeft en als de Heere daar Zelf rust over geeft, dan kan er zo'n onder­wor­pen­heid en zo'n rust zijn, dat zelfs het bidden ver­stomt en overgaat in aanbidding. Aanbidding, zelfs in de moei­lijkste omstandigheden van het leven, zelfs in zaken van leven en dood. Dan hebben onze gebeden een einde en gaan over in dankzeg­ging. Jesaja mag het uitroepen "Weet gij het niet? Hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt?" (Jes.­40:28). Laat ik het maar samen­vatten, God wordt niet moe om de mens goed te doen. God hielp en God hielp uit. Dat is bidden, dat is het leven van de Kerk.

God helpt niet altijd uit de moeilijkheden, maar dan is dit Zijn Vader­trouw, wanneer Hij niet uit­helpt, dat Hij wel door­helpt. Dat wil zeg­gen dat Hij kracht geeft om te dra­gen, wat we dragen moe­ten. Zodat we eigenlijk een vari­ant kunnen geven op Psalm 27:7: Zo ik niet had gebeden in dit leven en mijn ziel op het gebed Gods gunst en hulp niet genieten zou, mijn God waar was dan mijn hoop en mijn moed gebleven, als ik met U niet spre­ken kon? Ik was ver­gaan in al mijn smart en rouw!

Oefen u daarin gemeente, om vertrouwelijk met God om te gaan, niet alleen kort maar ook evangelisch met Hem te spreken. Geen ijdel verhaal van woorden, maar het gaat er om dat de Kerk geoe­fend zal worden om het Onze Vader ook in een kinderlijke gestalte uit te spre­ken. Om evan­gelisch te zijn in het gebed, omdat je weet dat het gebed onder de belofte ligt van Jezus Christus Zelf: "Want een iegelijk, die bidt, die ont­vangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal open­gedaan worden" (Luk.11:10).

Kijk, dat bedoelde Ambrosius toen Monica weer eens kwam klagen dat Augustinus zo'n bont leven leidde. Toen kwam ze voor de zoveelste keer bij Ambrosius klagen dat Augustinus zo goddeloos was en dat hij zo goddeloos leefde. Ambrosius wist dat Monica een bid­dende moeder was, daarom was het niet zomaar een gezegde, maar het was op grond van Gods Woord dat Ambrosius tegen Monica zei: "Een kind van zulke gebe­den kan niet verloren gaan!" God kan niet van Zijn Woord af, Hij heeft gezegd: "Die bidt, die ontvangt".

Mochten we dat nu maar eens meer leren beoe­fenen, dat evangeli­sche bidden en dat evangelische luiste­ren zoals Samuël: "Spre­ek, HEERE, want Uw knecht hoort" (1 Sam.3:9). Als we er meer in geoefend waren, dan zou het mis­schien minder stroef gaan. Dan zou het de aange­naam­ste zaak van een christen moeten zijn om te bidden en te luisteren naar God, de hemelse Va­der. Want:

 

     Gods verborgen omgang vinden

     Zielen, waar Zijn vrees in woont;

     't Heilgeheim wordt aan Zijn vrinden,

     Naar Zijn vreêverbond, getoond. (Ps.25:7 ber.).

 

Waar is uw blijdschap? Is het nog te zien in het aan­gezicht zoals bij Mozes? Toen hij van de berg afkwam glin­sterde zijn aangezicht. Wanneer wij met God ge­meen­zaam geweest zijn dan straalt er iets van Zijn vrien­delijk aangezicht af op onze aangezichten, dan worden we ook vriende­lijke christenen. Juist ten aan­zien van het gebed en de omgang met God geldt dat woord van de Heere Jezus: "Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn" (Matt.6:21). Wat zou dan de binnen­kamer een voor­portaal van de hemel kunnen zijn. Want de hemel zal tenslotte de vol­maakte ge­meen­schap met God zijn. Precies hetzelfde als het gebed, want ook dat is ge­meen­schap oefenen met God.

Daarom komt héél concreet de vraag: Wat heeft ons God bevolen te bidden? Dan zegt de catechismus heel een­voudig: Alle geestelijke en lichame­lijke nooddruft. Wanneer we eenmaal in die verhou­ding gezet zijn van Vader tot kind, zoals het Onze Vader ons plaatst, dan zou ik niet weten wat er dan uit­gezonderd kan zijn uit het gebedsle­ven, wat er buiten het ge­bedsle­ven zou staan.

Wat moeten we bidden? Alle geestelijke en alle lichame­lijke nood­druft zoals dat later aan de orde komt wan­neer het Onze Vader behandeld wordt. Alle lichamelij­ke en geestelijke nooddruft heeft de Heere Christus be­gre­pen, samengevat in het gebed dat Hij ons geleerd heeft, namelijk in het Onze Vader. Dat wil dus zeg­gen dat het geen theorie gebed is, omdat het in de Bijbel staat en in sommi­ge formu­lieren opgeno­men is. Maar het moet ook werkelijk gebeden worden door iedere ware christen. Dat gebed moet op de lippen genomen worden, moet werkelijk gebe­den worden, omdat het zo'n koste­lijk gebed is.

Alle geestelijke en lichamelijke nooddruft. Dat is waar de catechis­mus ook mee begon: Wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven? Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligma­kers Jezus Christus eigen­dom ben. De cate­chismus haalt het niet uit elkaar, het ene van het andere. Het leven en het sterven, het li­chaam en de ziel, horen bij el­kaar en de catechis­mus houdt het bij elkaar, omdat de Schrift die beide zaken ook bij elkaar houdt.

Daarom ook zo'n heel gewone vraag: wat zullen we bidden en waarom zullen we vragen? Alle geestelijke en lichame­lijke nood­druft. Er staat alle geestelij­ke en alle lichamelijke nooddruft.

Het is de praktijk dat we zo onze gebedsverhoringen wel hebben, wanneer het onze tijdelijke nooddruft, onze lichamelijke nooddruft be­treft. Dat zijn gewel­dige dingen, want daar heeft de Heere iets mee te zeg­gen. Maar we hebben ze goed uit elkaar te houden: geeste­lijke uitreddingen of na­tuurlijke uitreddingen. Maar ook met de natuurlijke en lichamelijke uitreddin­gen wil de Heere betuigen in ons leven, hoe barmhar­tig Hij is. Zodat we met onze geestelijke nooddruft met even­veel vertrouwen en volharding naar Zijn gena­detroon zullen gaan.

Het is een geweldige zaak dat we daar de vrijmoedig­heid voor krijgen. Niet van de catechismus, want de cate­chismus heeft op zichzelf beschouwd, begrijp me goed, geen enkel gezag. Maar alleen omdat het op Gods Woord gegrond is. Zoals we ook zojuist gele­zen heb­ben dat het in het Onze Vader gaat om geestelij­ke en licha­melijke nood­druft. Het gaat niet alleen om de zaligheid van mijn ziel, maar ook om het brood op mijn bord. Dat is een heerlijke zaak en dat is ook een eerlijke zaak. De Heere wil er niet buiten blijven, ook niet buiten onze lichamelijke nooddruft, ons dagelijks leven. We hebben niet alleen een zondagse God, we hebben een God voor zeven dagen. We hebben een God voor alle nooddruft! Ja, de Heere Jezus wil Zijn disci­pelen leren dat ze niet alleen een God hebben, maar een getrouwe Vader. En een getrouwe Vader zorgt niet alleen voor het geestelijk welzijn, maar ook voor het natuurlijke, het licha­melijke welzijn van zijn kind.

Het is een geweldige zaak dat we die vrijmoedigheid hebben. Zoals de He­breënschrijver dat ook zegt over ons leven en de gang door het leven: "En zijt verge­noegd met het tegenwoordige; want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verla­ten" (Hebr.13:5), ook in dit leven niet.

 

     De Heer' zal, in dit moeilijk leven,

     Zijn volk en erfdeel nooit begeven. (Ps.94:8 ber.).

 

Wat geldt voor onze gewone en natuur­lijke be­langen, voor onze lichame­lij­ke nood­druft dat geldt ook voor onze gees­telijke nood­druft.

Bidt, want een iegelijk, die bidt, die ontvangt. Zoekt, want een iegelijk die zoekt, die vindt. Klopt, want een iege­lijk, die klopt, dien zal opengedaan worden. Dat is een geweldige zaak.

Dan gaat de Heere Jezus die vergelijking maken met een aardse vader: "Wat vader onder u, dien de zoon om brood bidt, zal hem een steen geven". Het is als het ware een korte gelij­kenis. De Heere Jezus vraagt het: Welke vader, als een kind vraagt: "Vader, geef mij brood", welke vader zal er dan zo wreed zijn om dat kind een steen in de hand te stoppen? Welke vader, als het kind vraagt: "Vader, geef me een vis", want dat  behoorde ook tot de dagelijkse levens­be­hoefte in Isra­ël, welke vader zal zo'n kind een slang geven? Als zo'n kind vraagt om een ei, wie zal hem dan een schorpioen geven? "Indien dan gij, die boos zijt", boze vaders, "weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader den Heili­gen Geest geven dengenen, die Hem bidden?" Want het is heel eigenaar­dig, maar er is geen kerkmens, of hij weet wel op de een of op de andere manier van gebedsverhoring.

Maar nu de geestelijke kant. Daar blijft het nu juist zo dikwijls in steken. Dan zijn er gebedsverho­ringen aan­gaande natuurlijke zaken, lichamelijke nood­druft, nood­situaties in het leven waaruit we gered zijn. En dan komt toch altijd weer de vraag boven: hoe komt het dan dat onze ziel niet gered is? Is dat voor de Heere dan zoveel moeilijker? Is de Heere onwilliger om onze ziel te redden, in plaats van ons leven? Om onze ziel te voe­den in plaats van ons lichaam? Is de Heere ten opzichte van geestelijke zaken een kariger God dan voor natuurlijke zaken? Is Hij dan ineens niet zo royaal meer? Die vraag komt toch weleens bo­ven, niet­waar? We zaten in doodsnood en we zijn gered. Er zullen er velen zijn die van God weleens brood op de plank gekregen hebben op de een of op de andere manier.

Dan ga ik u vragen: bent u nu ook bekeerd? Nou, dat nog niet! Maar is God in het geestelijke dan kariger dan in het natuurlijke? Nee, vast niet! "Want in­dien dan gij, die boos zijt, weet uw kinde­ren goede gaven te ge­ven", dan ben ik zo blij dat hier niet staat: hoeveel te meer zal de hemelse Vader u brood, vis of eieren geven. Nee, dan staat hier: "Hoeveel te meer zal de hemelse Vader den Heiligen Geest geven dengenen, die Hem bidden". Dan gaat het hier werke­lijk over hoofd­zaken en niet over bijzaken. Dan gaat het over de zaligheid van onze ziel. Hoeveel te meer: "In­dien dan gij, die boos zijt, weet uw kinde­ren goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader den Heiligen Geest geven dengenen, die Hem bidden".

Het komt hier op neer, dat als we in de natuur iets nodig hebben het nog weleens nood kan wor­den, nood­druft, maar dat we zo weinig geestelijke nood­druft kennen. Dan ligt het niet aan Gods kant, maar dan ligt het volledig aan onze kant.

"Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal God het u geven". Als we honger hebben zal Hij zorgen voor een boter­ham. Dan gaat het over nood­druft, niet over overvloed. Als er behoef­te is aan vis, dan zal Hij vis geven en geen slang. Als we bidden om een ei zal Hij geen schorpi­oen geven. Als ons dagelijks brood echte nood­druft is, dan zal het er komen door het gebed. Zo gaat het ook wat de geestelij­ke kant betreft, als er nood­druft is in onze harten aan de Heilige Geest, "hoeveel te meer zal de hemelse Vader den Heiligen Geest geven denge­nen, die Hem bidden".

Heerlijk hè, je hoort het zo'n kind als het ware vra­gen. Dan is het niet alleen die vader, die zijn kinde­ren goede gaven weet te geven, maar het ware kind zal ook weten hoe de vader is. Die zal ook werke­lijk niet anders ver­wachten, dan dat hij krijgt wat hij van zijn vader begeert.

 

Maar weet u, we moeten ook nog een andere kant van het gebed belichten. Het gaat om de nood­druft van ziel en van lichaam. Dan wil ik toch ook nog zeggen dat we vaak zulke dwazen zijn in ons gebed en dat God zo goed is, ge­meente, dat Hij gelukkig niet al onze gebe­den ver­hoort. "Wat vader onder u, dien de zoon om brood bidt, zal hem een steen geven?" En nu bidden wij zo vaak om verkeerde dingen, om stenen in plaats van brood.

Ik ga dat eens heel anders lezen, dan dat het er staat: Als de zoon zijn vader om een steen bidt, welke goede vader geeft dan een steen? Al zou een kind daar om bid­den, die vader geeft brood. En als een kind om een slang bidt, dan ver­hoort die vader dat gebed niet, maar dan geeft hij een vis. En zo een kind om een schorpioen bidt, dan geeft een goed vader dat kind geen schorpi­oen, maar een ei. Be­grijpt u? Dat is het vaderhart.

In die vergelijking gaat het er om, dat die broodjes die ze in het Oosten bakten, net stenen waren, ze leken veel op van die plat gesle­pen keien. Veel ver­schil is er niet tussen een paling en een slang. En een schor­pioen heeft ook zo'n schild, als hij in het zand ligt is het net of er een ei ligt.

Nu is ons bidden dikwijls dat je iets ziet wat je graag wil heb­ben. Zoals een kind denkt dat het een ei is, maar de vader weet dat het een schorpi­oen is die in het zand ligt. Dan zou een kind denken dat het een paling is, maar die vader weet dat het een slang is. Een kind denkt dat het een brood is, maar die vader weet dat het een steen is. Zo werkt Gods barm­hartig­heid naar twee kanten. ­Zijn kind geeft Hij de nood­druft, maar wanneer we gebor­gen zijn in God, dan weet Hij alles wat gevaarlijk is in ons leven en dat geeft Hij dan niet!

Wat zullen we dan ook eerlijk moeten bekennen dat we in onze dwaasheid zo dikwijls schor­pioenen begeren. Dat is de ellen­de en de dwaas­heid van de mens, dat zelfs die aperte moge­lijkheid bestaat dat we in onze dwaas­heid om schorpi­oenen bidden.

Laat ik dan nu hiermee gaan eindi­gen. Zalig, dat God kinderen op aarde heeft en dat Hij Zich Vader laat noemen. Dat Hij als Vader zorgt en verzorgt. Maar wat is het nodig, dat het kind de kin­derlij­ke vreze en de toevoor­zicht ook zou oefenen op zijn Vader, in de gebe­den die niet ver­hoord worden. Vanwege de ver­hou­ding Vader-kind. Zich geborgen te weten in het hart van Iemand Die het beter weet, Die het beter doet, Iemand Die alles uit liefde doet.

Onze Vader. Och, nu heb ik het nog niet gezegd. Mag je Onze Vader zeggen? Wie mogen dit gebed bidden? Ik ben er de vorige keer op in gegaan. Wie mogen het bidden? Ik wil u nu alleen nog vragen: als u die Va­dernaam een ontzaglijke naam vindt, zijn die andere namen van God dan nog nooit ontzaglijk voor u gewor­den? Die naam HEERE met hoofdletters, die we mis­schien vijfentwintig keer ge­bruiken in een gebed.

Wie mogen het bidden? De Hei­delbergse Catechismus vraagt niet: Wie mogen het bidden. Zij die bidden willen, zij die verwaardigd worden om te bidden, die mogen het bidden.

Onze Vader. Wie mogen het bidden? De catechismus gaat er niet op in. Maar twaalf discipelen vragen: "Heere leer ons bidden", en de Heere leert het Zijn hele Kerk: "Wanneer gij bidt, zo zegt: Onze Vader, Die in de hemelen zijt".

Dan is dit het heerlijke, dat de catechismus er ook niet op ingaat wie het mogen bidden. De Heidelbergse Cate­chis­mus leert hoe we zullen bidden in een zalig ver­trou­wen. In een zalig vertrouwen, zoals de Hebre­­­­­­­­­­nschrijver het ook zegt: "Die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken". De Hebreënschrijver zegt dit ook in een bepaald verband. Dan schrijft hij over Henoch: "Henoch wandelde met God". Dat was een heel vertrouwelijke omgang. En wanneer daarvan geschreven wordt, zegt de Hebreënschrijver: "Want die tot God komt", die met Hem om wil gaan, die met Hem wandelen wil, "moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is, dergenen, die Hem zoeken".

Zo vraagt de catechismus niet: wie mogen het bidden? De catechis­mus leert ons hoe we zullen bidden, omdat Jezus ons geleerd heeft hoe we zullen bidden in vol vertrouwen.

Wanneer eerst de kinderlijke vreze in onze harten gewekt wordt, wanneer die relatie er is door wederbarende genade, dan zijn we aan God verbonden door Jezus Christus. Dan is het gebed een heerlijke zaak. U hebt er misschien nog zo weinig van? "Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven". Hebt u er te weinig van? Klopt, bidt, zoekt, "hoeveel te meer zal de hemelse Vader den Heiligen Geest geven dengenen, die Hem bidden".

Zalig, wie er iets van kent. Bidden, daar moet vertrouwen inzitten anders is het geen gebed. "Die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken". Zo is er geen gebed zonder geloof en geen geloof zonder gebed. Waar het gebed gevonden wordt, daar wordt het geloof gevonden. Waar het geloof gevonden wordt, daar wordt ook het gebed gevonden. Daar zal altijd iets inzitten van dat vertrouwen, van die relatie kind-Vader en ook Vader-kind.

Zalig, die er iets van kent om als een kind heel ver­trouwelijk tot God te gaan met alle nooddruft. Met de dagelijkse nooddruft en met de geestelijke nooddruft. Met tijdelijke nooddruft en eeuwige nooddruft. Wat is het dan heerlijk dat het geen profeet is, die het ons leert en dat het geen apostel is, die het ons leert. Maar het is Jezus Zelf, de eniggeboren Zoon des Va­ders, Die Zelf Zoon was, die Zelf Kind was. Hij wil dat kindschap delen met arme verdoeme­lijke zonda­ren. Hij wil iets van die hemelse erfenis hier op aarde al gaan delen met arme verdoemelijke zonda­ren. Het is Jezus niet alleen, Die vol vertrou­wen tot Zijn Vader mag gaan, maar allen die Hem lief­hebben ­neemt Hij mee naar het liefdehart van Zijn Vader. Hij heeft gezegd: "Wan­neer gij bidt, zo zegt: Onze Vader" (Luk.­ 11:2). Wat is dat dan een heer­lijke zaak dat Jezus ook gezegd heeft: "In dien dag zult gij in Mijn Naam bidden; en Ik zeg u niet, dat Ik den Vader voor u bidden zal; Want de Vader Zelf heeft u lief" (Joh.16:26-27).

Zo mag de Kerk, zo mag Gods kind vol ver­trouwen naar zijn Vader gaan, om alle lichame­lijke en geestelijke nooddruft te begeren.

Wie mogen er Vader zeggen? Hoe zullen we bidden? Dan blijft er eigenlijk nog maar één ding over, dat we nog zoveel te kort komen aan het ware Godsvertrouwen, die kin­der­lijke vreze, waardoor we tot God gaan.

Dan kan ik alleen maar zeggen gemeente, dat het veel te weinig gebeurt in plaats van te veel. Al te wei­nig wordt dat kinderlijke ver­trouwen geoefend in het gebed: Onze Vader. Wat een heerlijk vertrouwen ligt daarin. Dan zie je zo'n kin­derhandje opge­stoken naar een grote vader. Wat is dat heer­lijk! In iedere heidense gods­dienst is dat vreemd, dat kinder­lijke vertrouwen, die kinderlijke vreze. We behoeven niet te dwin­gen of te stamp­voeten: "O Baäl, antwoord ons, o Baäl ant­woord ons". "Want uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt" (Matt.­6:8). "Eer zij roepen, zo zal Ik ant­woorden" (Jes.65:24), heeft de Heere gezegd.

Het is een heerlijke zaak dat Jezus het Zelf geleerd heeft aan Zijn Kerk, geen profeet, geen apostel. "Wan­neer gij bidt, zo zegt: Onze Va­der". Wan­neer Hij veel gespro­ken heeft over Zijn voorbid­ding en het bidden door de Heilige Geest, dan zegt Jezus: "En Ik zeg u niet, dat Ik den Vader voor u bidden zal; Want de Vader Zelf heeft u lief". Wat een eeuwig Godswonder! Alleen door Jezus Christus en door Zijn bloed en wonden, met Jezus Christus aan de Vader verbonden te mogen zijn. AMEN.­