Zondag 47. Vraag en antwoord 122

­­                                         ZONDAG 47

                                              Vraag en antwoord 122

 

        Psalm     147 :  6

        Psalm       21 :  13

        Psalm       89 :  3,4

        GdH               :  1,2

        Psalm     146 :  3

        Johannes 17 

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in het voorgelezen Schriftgedeelte, Johannes 17 : 12 en 13

 

Toen Ik met hen in de wereld was, bewaarde Ik ze in Uw Naam. Die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard, en nie­mand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon der verderfe­nis, opdat de Schrift vervuld worde.

Maar nu kom Ik tot U, en spreek dit in de we­reld, opdat zij Mijn blijdschap vervuld mogen hebben in zichzelven.

 

Onze catechismus voor vanavond is zondag 47, vraag en antwoord 122

 

122. Vr. Welke is de eerste bede?

Antw. Uw Naam worde geheiligd.

Dat is: Geef ons eer­stelijk dat wij U recht ken­nen, en U in al Uw werken, in welke Uw almach­tig­heid, wijsheid, goedheid, gerechtigheid, barm­hartigheid en waar­heid klaarlijk schijnt, heiligen, roemen en prij­zen; daarna ook dat wij al ons leven, ge­dachten, woorden en werken, alzo schikken en richten, dat Uw Naam om onzentwil niet gelas­terd, maar geëerd en gepre­zen worde.

 

Het Onze Vader wordt nu behandeld in de catechis­mus, geliefde ge­meente. Nadat de aanspraak uitge­sproken is: Onze Vader, Die in de hemelen zijt, komen er drie lofprijzingen, drie zaken aan de orde, drie beden omtrent God: Uw Naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschie­de gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde.

Dan komen er drie beden omtrent de mens. Drie beden waarin alle nooddruft van de mens vervat is: Geef ons heden ons dagelijks brood. En vergeef ons onze schul­den, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. En leid ons niet in ver­zoeking, maar verlos ons van den boze. Daarna volgt de geweldige afsluiting van het gebed: Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwig­heid. We zijn er het meeste bij gebaat wanneer we dit gebed op een heel eenvoudi­ge manier kunnen uitleg­gen.

Wat is dat eigenlijk: Uw Naam worde geheiligd? Als je daar over na loopt te denken, geliefde gemeente, dan kom je er zon­der de Schrift en zonder de catechismus helemaal niet uit! Dan blijft het eigenlijk maar een vaag begrip.

Uw Naam worde geheiligd. Dat blijft zo vaag, dan voelen we er wel iets van aan dat hier veel op het spel staat, we voelen ook de richting wel aan. Maar wat het precies is, dat is zo moeilijk onder woorden te brengen. Is dat waar? Toch niet, gemeente. We hoeven alleen maar na te gaan wat het tegendeel is van: Uw Naam worde geheiligd. Dat is ook verwerkt in het antwoord, dan wordt Gods Naam ontheiligd en gelas­terd. Het heeft iets te maken met dat ontzaglijke ge­bod: Gij zult den Naam des HEEREN uws Gods niet ijdel­lijk gebruiken. Gij zult die Naam niet ontheiligen. Zo vinden we ook in de catechis­mus dat die Naam om onzent­wil niet gelas­terd, maar geëerd en geprezen moet wor­den.

Ik meen dat ik het u verteld heb toen het ging over het misbruik van Gods Naam, dat het zó ver kan gaan dat er mensen geweest zijn, die zich dood gelasterd hebben, die zich dood gevloekt hebben. Al lasterend en al vloekend, ik weet er voor­beelden van, zijn ze in de eeuwigheid terecht gekomen. Vreselijk!

Uw Naam worde geheiligd, dat is precies het tegendeel! God is zó goed! Daarom gebruikt de catechismus hier drie woorden: heiligen, roemen en prijzen. Wij hebben met elkaar in deze dienst enkele psalmen gezongen. Zoals een god­deloze zich dood­ vloekt de ver­doeme­nis in, zo zouden wij met elkaar ons eigenlijk ook dood moe­ten zin­gen voor Gods aangezicht. De Heere Jezus sprak in Jo­han­nes 17 in dat wondere Hoge­pries­terlijke gebed: "En Ik heb hun Uw Naam bekend gemaakt, en zal Hem bekend maken" (Joh.­17:26). Dat is ten diep­ste het ster­ven geweest van die lieve Zaligmaker. Is dàt Zijn ster­ven geweest? Zeker, Hij is gestorven om de zonde, maar Hij is ook gestor­ven van liefde. "Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest" (Luk.23:46). "Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijn vrienden" (Joh.15:13). "Maar God beves­tigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestor­ven is, als wij nog zondaars waren" (Rom.5:8).

Uw Naam worde geheiligd, dan is het nodig dat we ook iets van God kennen. Daar spreekt de catechismus ook van: dat wij U recht ken­nen in al Uw werken, in welke Uw al­machtigheid, wijsheid, goedheid, gerechtig­heid, barm­hartigheid, en waarheid klaarlijk schijnt. Hoe kent de ene mens de andere mens? Is dat immers niet door hun naam? De Heere Jezus zegt: "Ik heb Uw Naam geopen­baard" (Joh.17:6). We kun­nen allemaal weten, als het gaat om de bede Uw Naam worde gehei­ligd, dat het gaat om iets dat ver boven het men­selijke uitstijgt. Zover dat het niet te zeggen is.

Uw Naam, wat is de Naam van God? Mensen dragen namen, daarmee worden ze genoemd. De een heet zus en de ander heet zo. Namen zijn in onze samenleving dikwijls niet méér zinvol, dan een nummer. Maar we zijn met de Schrift bezig, ge­liefden! Er zit in die Naam al heel wat beslo­ten. Een Naam, wat zegt deze Naam? Voor ons zegt een naam wie gij zijt, maar in de Schrift betekent een naam wát gij zijt. Ik wil er één noemen, een naamge­ving die een ge­loofs­daad was. Het was het antwoord aan God toen Zacha­rias geschreven heeft: "Johan­nes is zijn naam" (Luk.1:63). Kijk, die namen waren zinvol. Johan­nes heette Jo­hannes en hij was een Johannes: God is genadig! Zo kan een naam heel wat inhouden. Wat hebben we reeds over veel namen ge­spro­ken, ook in de cate­chismus. Over zinvolle namen en dan bedoel ik de Namen van de Middelaar, de Heere Jezus Christus.

Maar het gaat in deze bede om nog iets meer: Uw Naam worde geheiligd. Welke Naam? Uw Naam, Vader! Dan komen we voor iets wat haast niet uit te spreken is. Hoe is dan de Naam van de Vader? God heet zoals Hij is en wie Hij is. Dan gaat het om het kennen van God. In Johannes 17 spreekt de Heere Jezus Zelf zo teer over die Naam. "En dit is het eeuwi­ge leven, dat zij U kennen, den enigen waar­ach­ti­gen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezon­den hebt" (Joh.­17:3).

Wat wordt het dan een belangrijke vraag of het moge­lijk is dat een mens God kan kennen. Of het mogelijk is dat een zondaar God kan kennen. Want dan hangt daar ook alles van af. Want als dit het eeuwige leven is, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Chris­tus, Dien Gij gezonden hebt. Dan betekent dat meteen dat God niet te kennen, de eeuwige verlo­ren­heid zal zijn.

God kennen. Dat gaat om veel meer dan het menselijke kennen. Wanneer we menselijk bezig zijn en vragen: kent u die en kent u die? Dan is het antwoord meestal: ik heb hem weleens gezien of ik heb hem niet gezien. Dan betekent iemand kennen, dat we iemand gezien hebben. Hoe is dat met de Vader? "Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard" (Joh.1:18). Zo loopt ook dat kennen van die kostelijke Naam door de Middelaar, door de Heere Jezus Chris­tus. Johannes 17: "Ik heb hun Uw Naam bekend gemaakt". Het kennen van de Vader is door de Zoon. We horen Filippus vragen: "Toon ons den Vader, en het is ons ge­noeg. Jezus zeide tot hem: Die Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien" (Joh.14:8-9).

Het gaat over het kennen van de Heere, het kennen van die onuit­sprekelijke volmaakte God. Dan staan we voor een geweldig wonder dat we God kunnen kennen. Dat God zo onuitsprekelijk goed is, dat Hij Zich laat kennen, dat Hij Zich open­baart door de Heere Jezus Christus. God was niet verplicht om Zichzelf te laten kennen. Dat heiligdom waar God woont kon afge­sloten zijn, zodat niemand het zou weten. Wat een wonder dat God Zich laat ken­nen.

Als het dan gaat om de Naam van de Vader, dan mag ik het wel zo zeggen, dat God Zich in Christus Jezus voorge­steld heeft aan arme zondaren. Hij heeft niet zomaar ge­zegd hoe Hij heet, maar Wie Hij is, Wie Hij was en Wie Hij zijn zal. Wat een geweldige zaak, dat nietig stof, dat een mens, een druppel aan de emmer, een stofje aan de weegschaal God kan kennen. Dat tòch die grote God Zich openbaart, Zichzelf een Naam geeft aan zondaren.

Om iemand volledig te kennen moeten we van dezelfde orde en grootte zijn. Het mindere kan het meerdere nooit volledig kennen. Ons kennen is daarom maar ten dele. Alleen de Zoon, Die ééns­wezens met de Vader is, kent Hem. Als God Zich open­baart aan de mens, laat weten wie Hij is, dan mogen we ons bewust zijn dat, wanneer we iets kennen van die grote God, het nog maar een stipje is. Eén druppel uit de oceaan is de kennis van de mens die er het meest van geleerd heeft. Van de gehele uit­verkoren Kerk, van alle heili­gen tezamen, geldt wat de apos­tel zegt: "Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele" (1 Kor.­13:9).

Weet u wat het grote wonder is, gemeente? Al ken­nen we nu maar zo'n klein stukje van God, die grote God Die Zich niet laat omvat­ten, dan is dit het won­der, dat die kennis toch ware kennis kan zijn. Dan gaat het toch om waar­achtige kennis!

Ik kan wel een voorbeeld geven. Een heel klein kind kan nooit helemaal bevat­ten wat een volwassen mens is. Wat die sterke vader is, wat die liefhebbende moe­der is, daar weet zo'n kind niet alles van. Zo weten Gods zuigelingen en kleuters, met eerbied gesproken, ook niet alles van God. Laat ons maar heel bescheiden zijn. Het is een wonder wanneer dat kleine beetje ken­nis van God, als het door Woord en Geest gewerkt is, toch ware kennis is. Wat weet zo'n klein kind van vader en wat weet het van moeder? Toch komt het daar niet bedro­gen mee uit. Het is wel kleine ken­nis, maar het is ware kennis. Wat heerlijk, hè? Het is wel ware kennis, want zelfs dat kind weet één ding: als ik schrei, als ik mijn nood en mijn honger en dorst uithuil, dan zal moeder zich buigen over de wieg. Dat is ware kennis! Dat is geloof, dat is hoop en dat is liefde en dat wordt nooit be­schaamd.

Uw Naam worde geheiligd. Toen Mozes vroeg naar Gods Naam, toen heeft God verklaard Wie Hij was: IK ZAL ZIJN, DIE IK ZIJN ZAL! De Onver­an­derlijke. Ik zeg dat zo graag nieuwtesta­mentisch: "Jezus Christus is giste­ren en heden Dezelfde en in der eeuwig­heid" (Hebr.­13:8). Dat is heel belang­rijk. Want ik heb goede vrien­den gehad en ik kende hen goed, maar toen ik hen nodig had waren zij veranderd. Toen ik in nood zat, zoals de verlo­ren zoon. Hij had vrien­den bij de vleet toen er nog iets te verteren en te trakteren was. Wat geweldig, dat God de Onveran­derlij­ke is, de abso­luut Heilige. Waar God Zijn Naam maar uit­spreekt, daar beeft zelfs de woestijn. Noch­tans, de Kerk wordt niet ver­teerd. De Naam Gods zegt Wie Hij is in Zijn volza­lig­heid, Wie God is in Zijn deug­den.

Er staan hier heel wat woorden op een rij: al­machtig­heid, wijsheid, goedheid, gerechtigheid, barm­hartigheid en waarheid. Ik geloof niet dat we al die woorden langs hoeven te lopen met elkaar. Maar het gaat er heel eenvoudig om dat God de Pottenbakker is en wij zijn het leem Zijner handen. Daarom gaat het er over, dat als God Zich dan openbaart aan een mens, dat God dan ook vraagt om Zijn heerlijkheid, om verheerlijkt, om geëerd en gepre­zen te worden. Wan­neer? In de eeuwig­heid? Als het dan pas moet begin­nen, dan is het te laat!

Uw Naam worde geheiligd, dat betekent ten diepste Uw Naam worde verheerlijkt en Uw deugden worden ver­heerlijkt. Lees het nog maar eens na in de catechis­mus. De Naam Gods is de volzalig­heid van God, Die oneindig boven ons verheven is. De Naam Gods, dat is dat Hij, de Oneindige, Zich bemoeit met de mens. Het is het welbehagen van de volzalige God, Die geen mensen nodig heeft, Die geen schepping nodig heeft, dat Hij tòch door Zijn schepsel verheerlijkt en geprezen wil worden.

Als we dan bidden: Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Uw Naam worde ge­hei­ligd, dan is dat maar niet een mis­schientje. Alsof, wanneer wij daar maar veel om bidden die Naam dan pas gehei­ligd zal wor­den. Nee, de Kerk mag bidden om de dingen die reeds bij God beslo­ten zijn, die bij God vast lig­gen. Die Naam wordt ge­hei­ligd, die Naam wordt verheerlijkt. Door wie en door wat? Door alle dingen en in alle dingen die Hij gescha­pen heeft.

Uw Naam worde geheiligd. God faalt niet, er is Hem nog nooit iets mislukt, er is nog nooit iets gebeurd wat Zijn Naam schaden kan. O, dan wordt Hij zelfs verheer­lijkt in het vloeken van een goddeloze. En dat is tegelijk de ernst van de zaak.

Uw Naam worde geheiligd, Uw Naam worde verheven, Uw Naam worde geprezen. In de sterren aan de hemel, in de vissen in de zee.

 

     Laat al de stromen vrolijk zin­gen,

     De handen klappen naar om­hoog" (Ps.98:4 ber.).

 

Uw Naam worde geheiligd door rozen en door door­nen. Uw Naam worde geheiligd door het edele gewas en door het onkruid. Uw Naam worde geheiligd door dam­slapers en door kerkmensen. Uw Naam worde geheiligd in gezaligden en verdoemden. Dan moet het ook gezegd worden wat de HEERE van Farao zegt: "Maar waarlijk, daarom heb Ik u verwekt, opdat Ik Mijn kracht aan u betoonde, en opdat men Mijn Naam vertelle op de ganse aarde" (Ex.9:16).

Uw Naam worde geheiligd. Gods' Naam zal geheiligd worden door u en door mij. Maar hoe? Dan is het toch niet onverschil­lig voor ons of Zijn Naam ge­heiligd zal worden in een eeu­wige vergelding of in een eeuwige zaligheid? Dat is niet onverschillig.

Het gaat om de ernst van de predi­king: Uw Naam worde geheiligd. Wanneer wij ons niet bekeren zullen, dan zal Gods Naam dag en nacht tot in der eeuwigheid gelas­terd worden. Maar wij zullen God nochtans niet aan kunnen tasten, de ganse hel zal God niet aan kunnen tasten, zodat God nochtans verheerlijkt zal worden. Maar dat kan voor ons toch nooit een onverschillige zaak zijn? O zondaar, om verloren te gaan, een nimmer eindi­gende eeuwigheid tegemoet te gaan zonder bekeerd te zijn. Dan zo ver verloren te zijn, dat u niet meer bekeerd kunt worden. Wat zeg ik? Zelfs niet meer be­keerd wilt worden. Dat zal de eeuwigheid zijn.

Dat kan ons toch nooit onverschillig laten? Waarom niet? Omdat het God ook niet onverschillig is. Jonge­ren en grijsaards, het is God ook niet onver­schillig. Er zit een prediking in de bede: Uw Naam worde gehei­ligd. Daar zit de prediking in: laat u met God verzoe­nen. Dat die Naam geheiligd zal worden in positie­ve zin. Dat u als schepsel terug zult keren tot uw Schep­per, om God de eer te geven. Dacht u dat het een onverschilli­ge zaak was? Zo wordt er weleens gespro­ken over verkie­zing en verwer­ping, alsof het een zaak is van geluk en ongeluk. Dat is goddeloos, gemeente! Het is zeker waar dat, als er geen verkie­zing was, er niemand zalig zou worden. Ook Jezus Christus heeft het ons Zelf geleerd, wanneer Hij spreekt over de mensen, die de Vader Hem gegeven heeft. Maar van deze zaken mogen geen kari­katuren ge­maakt worden. Dan zijn we Gods Naam niet aan het heiligen maar aan het ontheili­gen.

U wilt een voorbeeld? De Heere Jezus Zelf heeft op de straten van Jeruza­lem geweend, eerlijke tranen en echte tranen. "En als Hij nabij kwam, en de stad zag, weende Hij over haar. Zeggende: Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient!" (Luk.­19:41-42). "Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn, hoe menig­maal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens onder de vleugelen vergadert; en gijlieden hebt niet gewild?" (Luk.­ 13:34).

Uw Naam worde geheiligd. O, wat zou het de gehele wereld passen dat Gods Naam verheerlijkt en geprezen wordt.

God recht kennen, daar hoort zeker bij, dat we naast Zijn rechtvaar­digheid, naast Zijn ge­streng­heid ook Zijn barm­hartigheid leren kennen. Wat was het een heer­lijke zaak toen Mozes gevraagd heeft: "Toon mij nu Uw heerlijk­heid!" (Ex.33:18). Dat God Zijn Naam heeft uitge­roepen: "HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. Die de welda­digheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die den schuldige geenszins on­schuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, en aan de kindskinderen, in het derde en vierde lid" (Ex.34:6-7).

Uw Naam worde geheiligd. Dacht u dat het onverschillig was, of we tot in der eeuwigheid Gods Naam zullen heili­gen door te vloe­ken en te lasteren, of dat we tot in der eeuwigheid die Naam zullen heiligen voor Gods troon. Te midden van de schare die niemand tellen kan.

De catechismus is niet fatalistisch. Er zit ook een opwekking in, het is immers een gebed, dat Gods Naam geheiligd zou mogen worden. Maar er zit ook iets heel persoonlijks in dat bidden: o God, maak mij zoals U wilt dat ik zijn zal.

Uw Naam worde geheiligd. Dat is: o Vader, geef mij veel kinderlij­ke vreze, vermeerder mij het geloof, Heere open Gij mijn lippen door Uw kracht. Er zit iets in van het geloof dat zich uitstrekt tot God.

Uw Naam worde geheiligd. Er is zo'n prachtig boekje van Warbur­ton, daaruit kan ik wel een voorbeeld ge­brui­ken. John Warburton vond vrede met God de Vader in zijn hart. Uw Naam worde gehei­ligd, dat vond toen plaats. Daarna ging Warburton over de wereld in de grootste verwonde­ring, zodat hij vroeg: "O God, hoe kan dat nu dat die arme John Warbur­ton een kind van U mag zijn?"

Toen bezocht Warburton een gezel­schap van Gods volk. Misschien kent u het verhaal wel, en anders moet u nodig dat boek: "De welda­digheden van een Verbonds­god", eens lezen. Het is prachtig! Toen kwam hij op dat gezel­schap en wat denkt u: gingen die mensen toen met elkaar Gods lof zingen? Welnee, ze gunden het Warburton helemaal niet. Ze zeiden: "Allemaal vreemd vuur, allemaal vreemd vuur". Dan kunnen er twee dingen gebeu­ren, het kan gebeu­ren dat alles in je sterft, maar het kan ook zijn, dat hoe meer er op af komt, hoe meer het geloof mag triomfe­ren in je leven. Van al die blus­middelen, van al die pogingen gaat het vuur soms des te meer bran­den. Zo was het ook met Warbur­ton, de mensen zeiden: "Het is allemaal vreemd vuur". Maar War­burton riep: "O God, geef mij maar veel van dat vreemde vuur".

Uw Naam worde geheiligd in heel ons leven, in onze ge­dachten, in onze woorden en werken. Inderdaad gaat het hier om een stukje heiligmaking in de praktijk. Dat we al onze gedachten, woorden en werken, alzo schik­ken en richten, dat Uw Naam om onzentwil niet gelas­terd, maar geëerd en geprezen worde. O geliefden, dat is iets zaligs.

Uw Naam worde gehei­ligd. Dat is ten diep­ste dit, dat ons leven, ons worste­len, ons kruipen, ons bidden eenmaal zal over­gaan in aan­bidden. Hier op aarde ligt het begin. Gods' eer is teer! Hem te heiligen, roemen en prijzen, dat gebeurt wanneer een zondaar die zalig­gesproken is door God, God zalig gaat spreken.

Uw Naam worde geheiligd. Dat is een gebed. Wat voor een gebed? Een gebed tegen vlees en bloed in. Want wat is nu eigenlijk ons natuur­lijke leven? Dat is: mijn naam worde gehei­ligd. Zo gaat het in die eerste bede ten diepste om een stervenspro­ces. Dat het eigen 'ik', het hoogmoe­dige 'ik' gaat ster­ven, dat mijn naam vergaat en Gods Naam worde gehei­ligd. Waar we het 'ik' af gaan leren, daar wordt Gods Naam gehei­ligd. Als Paulus zegt: "Ik ben met Christus ge­kruist", dan wil dat zeggen dat hij geen vrijwil­lige dood ge­stor­ven is. "Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij" (Gal.­2:20).

O dat ons eigen 'ik' moge vergaan, dat vermolm­de, hoogmoedige 'ik'. Want dat 'ik' is al zesduizend jaar oud. Dat er eindelijk eens een ander voor­naam­woord in ons leven zou komen.

Uw Naam worde gehei­ligd. Als je daar iets van mag hebben­, wat doet het er dan nog aan toe, hoe het met ons gaat en hoe het met ons zal gaan. Het gaat om die grote Naam: "Wat zult Gij dan Uw groten Naam doen" (Joz.7:9), vroeg Jozua eens.

Uw Naam worde geheiligd, dat is geroemd en geprezen te worden. Wij zijn dat allemaal wel van plan, maar dan straks in de eeuwig­heid. We willen echt allemaal wel zalig wor­den, niet waar? Maar Uw Naam worde geheiligd dat betekent zalig te worden in het verlies van ons­zelf, opdat God mag zijn alles en in allen.

Uw Naam worde geheiligd, daar zit iets van de eeuwig­heid in. Zoals God straks gepre­zen zal worden door alle gezaligden tot in der eeuwig­heid. Dat is een nieuw lied waar­van de eerste noten toch reeds in dìt leven geleerd worden. Laat de levende Kerk door al haar gebreken heen dan vals zingen, maar toch leren zij iets van dat lied. U zij alle eer, U zij alle dank­zeg­ging, U zij alle glorie.

Wat dat be­treft zou ik zeggen: het gaat er niet om of u zuiver kunt zingen, maar of u al geleerd hebt te zingen: Uw Naam worde geheiligd. Dat is afwijzen van onszelf en heenwijzen naar God. Dat is God zalig gaan spreken in dìt leven vanuit het geloof, maar in de eeuwigheid zal alles gaan vanuit de vervulling. Omdat God dan zal zijn: alles en in allen. Wat er nu reeds inzit, zal er dan uitko­men. Dan zal God geprezen wor­den: Ere zij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, als in den begin­ne, nu en immer, en tot in der eeuwen eeuwig­heid. AMEN.