Zondag 48. Vraag en antwoord 123

                                         ZONDAG 48

                                   Vraag en antwoord 123

 

        Psalm       25 : 2 

        Psalm     138 : 2

        GDH              : 3,6,9

        Psalm     145 : 5

        Psalm       98 : 4

        1 Korinthe        15

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in 1 Korinthe 15 : 22 - 24

 

Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden.

Maar een iegelijk in zijn orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst.

Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Ko­ninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht.

 

Onze catechismus voor vanavond is zondag 48, vraag en antwoord 123

 

123. Vr. Welke is de tweede bede?

Antw. Uw Koninkrijk kome.

Dat is: Regeer ons alzo door Uw Woord en Uw Geest, dat wij ons hoe langer hoe meer aan U onderwerpen; bewaar en ver­meerder Uw Kerk; verstoor de werken des dui­vels en alle heer­schappij, welke zich tegen U verheft, mitsgaders alle boze raad­slagen, die tegen Uw heilig Woord be­dacht wor­den; totdat de volko­menheid Uws Rijks kome, waarin Gij alles zult zijn in allen.

 

We zijn dus, geliefde gemeente, bezig met het Onze Vader. Daarin zijn verschillende zaken te onder­schei­den. Ik zou het zó kunnen zeggen: drie keer worden we geroepen om van ons af te bidden. Onze Vader, Die in de hemelen zijt, Uw Naam worde gehei­ligd. Uw Ko­nink­rijk kome. Uw wil geschiede gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde.

Daarna mogen we drie keer naar ons toe bidden: Geef ons heden ons dagelijks brood. En ver­geef ons onze schulden. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Om dan tenslotte te mogen eindigen in aanbid­ding: Want Uw is het Konink­rijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeu­wigheid. Van dat slot komt ook al iets openbaar in de bede: Uw Konink­rijk kome. Dat wordt in dit kostelijke gebed niet alleen gebeden, maar ook geproclameerd: Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heer­lijkheid in der eeuwig­heid.

Het gaat om het alles of niets in ons persoonlijke leven. Maar dat persoonlijke leven staat op de achtergrond vanavond, want op de voor­grond staat: Want Uw is het Koninkrijk. In gebedsvorm: Uw Ko­ninkrijk kome.

Wat zal daarmee bedoeld worden? In ieder geval niet die dingen die men ons beloofd heeft maar die nooit zijn gekomen: koninkrij­ken van welvaart, ko­nink­rij­ken van welzijn, zoals het sociaal messi­anisme ons beloofde. Maar ook geen duizendjarig rijk.

Uw Koninkrijk kome. Dat is voor de goddeloze een vreselijk gebed. Toch is het ten diepste een heerlijk gebed. De eerste bede: Uw Naam worde geheiligd, ging over de Naam van God, ging over de deugden van God. In de tweede bede gaat het over de komst van God. De ver­vulling met Zichzelf, tot God zal zijn alles en in allen.

Uw Koninkrijk kome. De meest logische vraag om eerst te beant­woorden luidt: wat is dat Koninkrijk eigen­lijk? Dat Koninkrijk heeft een begin en dat Konink­rijk heeft een volkomenheid. De volkomen­heid ligt in de eeuwig­heid, wanneer dat Koninkrijk volmaakt en volko­men zal zijn. Maar het begin van dat Koninkrijk is hier en nu op de aarde, waar het hijgt naar de volmaaktheid in de eeu­wigheid.

Uw Koninkrijk kome, dan moeten we er zelf aan. Zoals het is met de bede: Uw Naam worde gehei­ligd, dat onze naam er aan moet. Zo is het ook bij de bede: Uw Ko­ninkrijk kome, dat ons koninkrijk er aan moet.

Uw Koninkrijk kome. Wat is dat Koninkrijk eigenlijk pre­cies? Wat houdt dat Koninkrijk in, hier en nu in deze wereld? Kun je er iets van zien? Kun je er iets van merken? Wordt Gods Naam niet veelmeer gelasterd, in plaats van gehei­ligd? Wordt Gods Koninkrijk niet vernietigd in plaats dat het komt?

Waar is dat Koninkrijk? Dat is heel eenvoudig te be­antwoorden: Gods Koninkrijk is daar waar de Koning is. Kun je er iets van zien, kun je er iets van merken? Jazeker! Als de Koning er is! Daar merk je des te meer van, naarmate je zelf meer en meer ver­nederd wordt. Dan krijgt dat Godsrijk meer en meer gestalte. Waar de mens steeds kleiner wordt, daar wordt God steeds groter. Het geldt ook van dat Koninkrijk: "Hij moet wassen, maar ik minder worden" (Joh.3:30).

Uw Koninkrijk kome. Is dat Koninkrijk er reeds ge­weest en is het er reeds ongeschonden geweest? Jaze­ker, in het paradijs. Toen had alles zijn orde van God gekregen. God was Koning en de mens was onderko­ning. God heerste over Zijn schepsel en het schepsel was onderko­ning bij de gratie Gods over de dieren. Maar er is nogal wat gebeurd. Wij hebben de Koning van Zijn troon gestoten en daarom is de mens ook van zijn troon gestoten. De mens wil­de als God zijn, ken­nende het goed en het kwaad. Dat is er niet beter op gewor­den, maar dat is steeds erger ge­wor­den. Nog maar enkele bladzijden na de val van de mens, zien we dat de mens plan­nen maakt opdat zijn ko­ninkrijk kome. Ze beginnen een stad te bouwen: Babel. En dat gaat door, door de tijden heen. Ge­slachten later zegt Nebu­kadnézar: "Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een huis des koninkrijks, door de sterkte mijner macht, en ter ere mijner heerlijk­heid!" (Dan.­4:30).

Ook onze tijd heeft zijn Babylon gebouwd. Ten slotte houdt de bede: Uw Ko­ninkrijk kome ook in dat God af gaat rekenen met ons Babel, met ons koninkrijk. Waar ten diepste niet ons 'ik' de heer­schappij voert, maar de duivel. Je leest het in Jesaja: "Babel is gevallen, zij is gevallen!" (Jes.21:9). Je leest het ook op de laatste bladzijden van de Schrift: "Zij is gevallen, zij is ge­val­len, het grote Babylon" (Openb.18:2). Alles zal val­len, wat vallen moet! We lezen niet voor niets in de Schrift dat er een steen afgehouwen werd zonder handen, u weet wel, in de geschiedenissen van Nebu­kad­nézar, een steen die alle koninkrij­ken dezer wereld vermorzelde, opdat er één Koninkrijk zou zijn. Wat niet van dàt Ko­ninkrijk is, dat is Babel en dat zal met Babel buiten­geworpen worden.

Welke is de tweede bede? Het gaat over vier za­ken in het antwoord van de catechismus. Daar wordt ge­spro­ken over de burgers van het Ko­ninkrijk: Regeer ons alzo door Uw Woord en Uw Geest, dat wij ons hoe langer hoe meer aan U onder­werpen. Dan gaat het ook over de bidders van dat Koninkrijk: bewaar en ver­meerder Uw kerk. Daarna gaat het over de vijand­schap tegen dat Ko­ninkrijk: verstoor de werken des duivels en alle heerschappij, welke zich tegen U verheft, mits­gaders alle boze raadslagen, die tegen Uw heilig Woord be­dacht worden. Maar dan gaat het tenslotte ook over het Ko­ning­schap over dat Koninkrijk: totdat de volko­men­heid Uws Rijks kome, waarin Gij alles zult zijn in allen. Zoals we ook gele­zen hebben in 1 Korinthe 15.

De catechismus onderwijst ons dus in vier zaken:

 

     Ten eerste:    De burgers van dat Koninkrijk.

     Ten tweede:  De bidders van dat Koninkrijk.

     Ten derde :   De vijandschap tegen dat Koninkrijk.

     Ten vierde:    Het Koningschap over dat Koninkrijk.

 

Wat is de catechismus toch een leerzaam boek. Het spreekt over de burgers van dat Koninkrijk. De vraag welt direct al op: bent u of ben jij al een burger van dat Konink­rijk? Beleeft u iets van die heerlijke ver­wach­ting: Uw Koninkrijk kome? Of is het soms zo, o zon­daar, dat u moet bidden: laat dat Koninkrijk nog maar even weg­blij­ven?

Uw Koninkrijk kome. Kun je dat Koninkrijk dan gaan zoe­ken? Kun je het ergens vinden? Dat is een belang­rijke vraag. Weet u het ant­woord al? Laten we eerst eens gaan zoeken in de Schrift, gemeente. En dan zegt de Schrift: "Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen", die dingen waar wij ons druk over maken totdat de dood er op volgt, totdat we verloren gaan, al deze dingen, "zullen u toege­worpen worden" (Matt.6:33).

Er zit daarom ook een ernstige waar­schuwing in, dat het niet zo zal gaan: zoek eerst al die ande­re dingen en als je dan sterft, zal dat Koninkrijk je wel toege­worpen worden omdat je kerkelijk leefde. Nee! "Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerech­tigheid". Daarin wordt de klem op ons gelegd, de klem op onze eigen verant­woor­de­lijkheid.

Hoe worden we dan burgers van dat Konink­rijk? Door ons zoeken? Door het zoeken zelf is nog nooit ie­mand behouden geworden gemeente. Maar weet u wat het wonder is voor de ware zoeker? Dat God Zich laat vinden in een weg van wedergeboorte!

Burgers van dat Koninkrijk. Dan wordt er gesproken: Regeer ons alzo door Uw Woord en Uw Geest, dat wij ons hoe langer hoe meer aan U onderwerpen. Dan gaat het over de waarach­tige wedergeboor­te waardoor wij burgers van dat Ko­ninkrijk gemaakt wor­den. Er wordt hier ook ge­zegd: door Woord en door Geest. Dat is een heel per­soonlijke zaak. Zoals ieder die geboren is in de burgerlijke stand wordt ingeschreven, zo houdt God er met eerbied gesproken ook een bur­gerlijke stand op na. Zoals Psalm 87 zegt: "De HEERE zal hen rekenen in het opschrijven der volken, zeggende: Deze is aldaar geboren" (Ps.87:6).

Misschien moet ik nog iets zeggen over de wederge­boorte. Ik zal niet treden buiten de oevers van de catechis­mus, maar dan zien we toch dat de catechismus ook hier enigszins een onder­scheid maakt, tussen de eerste wedergeboorte en de door­gaande wederge­boorte, de levendmaking en de heilig­making. De eeuwig­heid zal eenmaal de voltooide weder­ge­boorte zijn van het ganse schepsel dat nu nog als in barensnood zucht.

Als ik dan nu in dit verband iets moet zeggen wat wedergeboorte is, dan houdt dat in dat we door Woord en Geest bearbeid worden. Dat we zover terugge­bracht worden, zover verlaagd en ver­nederd wor­den, als wij door onze val zijn opgeklom­men. We­derge­boorte, dat is van groot weer klein te wor­den, nietwaar? Burgers van dat Konink­rijk worden geboren in de laagte, in  het stof en in de as van onze ver­gruizelde persoon­lijke Ba­bels. Wanneer wij van ons voet­stuk vallen en terecht komen aan de voetbank van Gods voeten. De voeten van de over­win­nende Koning worden gekust en daardoor worden wij bur­gers van de Overwinnaar, de Triomfator Jezus Christus. Paulus zegt dat vijanden met God ver­zoend worden. Wij zijn geen neu­trale dode zondaren, maar vijan­dige schepselen gewor­den door onze val!

Nu gaat het er om dat we door Woord en Geest een eerste wederge­boorte moeten kennen: de levendma­king. Zodat we van dood levend zullen worden en dat het in de burgerlijke stand Gods opgetekend wordt: "Die en die is daarin geboren" (Ps.87:5).

Maar dan is er ook nog een doorgang in het leven, een doorgaande wedergeboorte waarvan we lezen in Artikel 24, het onder ons door misbruik beroemde Artikel 24 van de Nederlandse geloofsbelijdenis. Een door­gaande wedergeboorte die je ook een door­gaande heiligma­king zou kun­nen noemen. Wat is dat? Daar spreekt de cate­chis­mus van: dat wij ons hoe langer hoe meer aan U on­derwerpen. Dat het ver­nieu­wende werk doorgaat in onze levens. Ja, laat ik het zo mogen zeg­gen: Uw Ko­ninkrijk kome, dat houdt in dat het vernede­rende werk Gods door­gang heeft in onze le­vens. Dat we steeds meer leren om dieper te buigen en armer te worden.

Doorgaande wedergeboorte is ten diepste de door­gaan­de werking van Woord en Heilige Geest. Ontdekkend en armmakend, wil het ooit nog eens vervullend en vertroostend zijn. Doorgaande wederge­boorte betekent dat we onze eigen stand en ons eigen koninkrijk gaan verliezen. Dat ook het ko­ninkrijkje van mijn bekering er aan moet, het ko­nink­rijkje van mijn bevinding. Zodat Paulus het tenslot­te zover gebracht heeft, dat hij kan zeggen: "Hoe­wel ik niets ben" (2.Kor.12:11). U moet goed begrijpen dat ik dat niet zeg alsof ik een vijand zou zijn van bevin­ding. Welnee! Hadden we maar méér bevinding en hoor­den we daar maar meer van. Maar de bevinding is de grond niet, gemeente. De door­gaande we­der­ge­boorte is net als de eerste weder­geboorte: van groot weer klein te wor­den. Dan is doorgaan­de weder­ge­boorte van klein tot niets te worden voor Gods aange­zicht!

De Schrift spreekt ook van die doorgaande weder­ge­boorte. Dat lees ik in Ezechiël: "Dan" als de Heere Israël hersteld heeft, staat er geschreven: "Dan zult gij gedenken aan uw boze wegen en uw handelingen, die niet goed waren; en gij zult een walging van u zelf hebben over uw ongerechtigheden en over uw gruwe­len" (Ezech.­ 36:31). Wanneer? Als een voor­waarde om door God aangenomen te wor­den? Nee, maar als een zalig gevolg van die vernede­rende bekering en die bekeren­de vernedering die we allemaal zo noodza­kelijk moeten onder­gaan.

Hoe langer hoe meer. O gemeente, dat is een weg van afbraak en van doorgaande afbraak. Ik moet het er maar bij zeggen: het houdt zelfs geen halt bij ons zieleleven, o nee! De Kerk des Heeren, de burgers van dat Koninkrijk zullen zelfs afgebroken worden in mate­riële zin, in het graf. Opdat we vernederd worden zover we maar vernederd kunnen worden. En wanneer een zondaar zover verne­derd is, met eerbied gespro­ken, dat hij niet verder meer ver­nederd kan worden, dan is hij geschikt voor de zalig­heid. En zelfs als dat lichaam zover vernederd zal zijn, dat het niet verder meer vernederd kan worden, wan­neer aarde tot aarde, stof tot stof, as tot as is geworden, dan alleen kan het opgericht worden door God.

 

Wat wordt be­doeld met bidders van dat Koninkrijk? Hun gebed is: Bewaar en vermeerder Uw Kerk. Wordt die Kerk niet bewaard als wij niet bidden? Is het echt nodig, dat die Kerk vermeerderd wordt? Heerlijk Evan­gelie, gelief­de gemeente! Het is de Schrift die spreekt, ik meen in Spreuken: "In de menigte des volks is des konings heerlijkheid" (Spr.14:28).

Wanneer er dan gebeden wordt: Uw Koninkrijk kome, dan is dat: bewaar Uw Kerk, maar het betekent ook: vermeerder Uw Kerk. Weet u wat nu zo nuttig is? Als God eerst dat Konink­rijk in ons eigen hart goed door laat werken, zal er ook een grondige doorgaan­de weder­ge­boorte in ons plaats hebben. Laat ik het maar gewoon bij zijn naam noemen, het wordt zo hoog tijd dat we ook nog eens tot die verzekerde Kerk mogen gaan behoren. Dat is zo ont­zaglijk profijtelijk voor dat Koninkrijk. Wie zich­zelf waar­lijk kent die zal nooit afbe­keerd zijn. Maar naar­mate we meer geloofskennis en geloofsgenade hebben ver­kregen, naar die mate moet nu ook de Kerk verlost worden van zichzelf, ook in het gebed.

Uw Koninkrijk kome is ook een stukje verlossing van mezelf. Een beetje gunnend te worden voor mijn naaste, ook wat betreft Gods Konink­rijk.

Bewaar en vermeerder Uw Kerk. Een Kerk die louter met zichzelf bezig is en met de zaligheid van zichzelf, die is arm! Dan heeft de Schrift ons veel te leren. Op de Pinksterdag, als de discipelen verze­geld en beze­geld worden in het geloof, zien we de Kerk in de kracht van de Heilige Geest. De Kerk die beoefenen mag: bewaar en vermeerder Uw Kerk. Dan gebeuren er wonderen, dan worden er dui­zenden toegebracht op één dag.

Nu is eigenlijk mijn klemmende vraag: is er al eens één ziel toege­bracht door u? De Pinksterkerk, die door Woord en Geest vervulde Kerk, bad volhardend en het is een kostelijk gebed: Heere, bekeer mij. Daar zal de leven­de Kerk ook nooit boven uitko­men, maar zij roept het ook anderen toe: "Bekeert u! En wordt behouden van dit verkeerd geslacht!" (Hand.2:38-40).

Wanneer de Kerk haar knieën mag buigen of er nog nieuwe bur­gers geboren mogen worden in dat hemelse Konink­rijk, dan is de Kerk vrucht­baar. Zo is het ook in het Onze Vader. Dezelf­de Kerk die bidt: Uw Konink­rijk kome, bewaar en ver­meer­der Uw Kerk, die­zelfde Kerk komt er niet boven­uit om straks ook nog te bid­den: En vergeef ons onze schulden. Maar deze bede: Uw Ko­nink­rijk kome, gaat voorop.

Bewaar en vermeerder Uw Kerk, dat is in geeste­lij­ke zin: "Draagt elkanders lasten, en vervult alzo de wet van Christus" (Gal.6:2). Dat heeft ook iets te maken met die kostelijke belijdenis: Ik geloof de gemeen­schap der heiligen.

Bewaar en vermeerder Uw Kerk. Dat is vruchtbaarheid van een worstelende Kerk op de knieën. Een Kerk waar de liefdes­band reëel aanwezig is. Waar waarlijk iets beleefd wordt van wat beloofd wordt: Uw Koninkrijk kome. O, daar is de Kerk ook zo'n gunnende Kerk! Die Kerk bidt niet alleen: be­waar Uw Kerk, maar ook: ver­meer­der Uw Kerk. Zo wordt de Kerk vruchtbaar in het gebed. Zo worden er ook voorzeker burgers we­derge­boren in dat Konink­rijk, door de bid­ders, de bouwers van dat Koninkrijk. Zo heeft God het in Zijn welbeha­gen gewild, door het gebed. Zo heeft Jezus het gewild, zo heeft de Vader het gewild, dat de Kerk een Pink­sterkerk zal zijn, een evan­gelische Kerk. Een Kerk die nog gelooft in het wonder van de vruchtbaarheid.

Bewaar en vermeerder Uw Kerk, dat is een reëel ge­bed! Dat is bidden om een wonder, maar ook durven hopen op een wonder. Omdat het voor onszelf zo'n wonder is om een burger van dat Ko­nink­rijk gemaakt te zijn. Dan zit daar een ruimte in dat je het iedereen wel zou willen geven, dat je het iedereen wel zou gun­nen.

Uw Koninkrijk kome. Wat is dat ook een royaal gebed! Wat zijn we dikwijls bezig of er nog eens één ziel mocht zalig worden. En wat zou het een eeuwig wonder zijn, als ik zou mogen horen dat er een zondaar bekeerd is. Maar wat leert de Heere Jezus ons royaal te bidden, niet slechts geloof te beoefenen in het gebed, maar ook een gróót geloof te beoefenen in het gebed.

Uw Koninkrijk kome. Bewaar en vermeerder Uw Kerk. Daar zit iets royaals in dat zijn grond toch immers heeft in het Woord. Wordt er in Gods Woord niet ge­spro­ken, dat het Koninkrijk dat straks vol­maakt zal zijn, een schare is die niemand tellen kan? Wat zit er een ruimte in: Uw Ko­ninkrijk kome. Als je dat in­den­kt, dat er straks een Konink­rijk zal zijn "vol van de kennis des HEEREN, gelijk de wateren de bodem der zee bedekken" (Jes.11:9). Wat gewel­dig als je dat leest in de Psalmen: "Hij zal heersen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde" (Ps.72:8). Dan past het ons toch immers niet om het gebed: Uw Ko­ninkrijk kome op een benepen manier te bid­den. Dat we zouden doen alsof we bang zijn dat straks dat Ko­ninkrijk te klein zou zijn om alle burgers te kunnen bevatten.

Uw Koninkrijk kome. Dan ligt er nog zoveel ruimte in, dat héél Drie­bergen makkelijk zalig kan worden. Op de Pink­sterdag driedui­zend in één dienst. Ik zit wel­eens te denken dat er mis­schien wel zo weinig gebeurt, omdat we zo weinig geloof heb­ben. Want wat zal het juist op het geloof aankomen in het gebed: Uw Koninkrijk kome. Daar zal geloofs­kracht in moeten zitten, een stuwing: Uw Ko­ninkrijk kome. Dan moet het geen napraten zijn, niet slechts nazeggen van wat Christus ons geleerd heeft, maar laat ik met eer­bied mogen zeggen, dan gaat er iets van Christus over in ons, iets van dat gunnende.

Uw Koninkrijk kome, bewaar en vermeerder Uw Kerk. Daar zit de moge­lijkheid in, maar het is geen menselij­ke moge­lijkheid. De mogelijkheid zit in Gods almacht en in Gods vrijmacht. De moge­lijkheid zit in het bloed van Jezus Christus Gods Zoon, dat op deze aarde gevloeid is en dat zon­daren zalig kan maken. De mogelijk­heid zit in de Heili­ge Geest, Die op deze aarde is uitgestort, waar­van gepro­feteerd is: "Ik zal Mijn Geest uitgieten over alle vlees" (Joël 2:28).

Uw Koninkrijk kome, is een wereldwijd gebed. Dat is ten diepste een gebed om Gods regering. Dat er alleen maar vreze Gods zal zijn en dat alle vijandschap die zich tegen Hem verheft vernietigd mag worden.

 

De vijandschap tegen dat Koninkrijk, daar spreekt de catechismus ook over: verstoor de werken des duivels. Ook dit is anders dan de latere bede: Verlos ons van den boze. Het heeft iets héél persoon­lijks wan­neer de gelovige bidt: Verlos ons van den boze. Hier gaat het om verstoring van alle werken des duivels. Het gaat om een wereldwijde dimensie zouden we kunnen zeggen, gemeente! Het gaat om de eer van God, want de eer van God gaat voorop.

Verstoor de werken des duivels en alle heerschappij welke zich tegen U verheft. Het gaat er om dat de vijandschap te niet gedaan zal wor­den, zoals we ook in 1 Korinthe 15 lezen, dat alle vijan­den van Christus te niet gedaan zullen worden tot en met de laatste vij­and, de dood.

Uw Koninkrijk kome. Hier wordt gesproken over de werken des duivels, die zich richten tegen de burgers van dat Koninkrijk. Ja, ook wel een beetje. Maar in de eerste plaats richt die vijandschap zich vooral tegen de Koning van dat Konink­rijk, tegen de Heere Jezus Christus.

Uw Koninkrijk kome is eigenlijk een gebed, of er maar een bladzij­de omgeslagen mag worden van de Open­baring. Dat die vijand van het eerste uur, die vijand van het laatste uur, die vijand van het levende Kind, van Jezus Christus, verstoord mag worden.

In de Bijbel zijn de werken des duivels beschreven. Deze onder­gaan ook een geweldi­ge ont­wikkeling in de tijd. Ik wil er uw aandacht op vesti­gen dat in de eerste hoofdstukken van de Schrift gesproken wordt over de duivel als een slang. In Jesaja 27 lezen we van de duivel als een draak, die in de zee­ is. In Open­baring is het een grote rode draak gewor­den, een beest dat ge­reed staat voor de vrouw, voor de Kerk om het leven­de Kind te ver­slinden. ­Het gaat om de ontzaglijke grimmig­heid en gram­schap van de satan tegen Christus en tegen de Kerk. Tegen de Koning van het Koninkrijk en ook tegen de burgers van het Ko­nink­rijk.

Uw Koninkrijk kome is tenslotte niet onze strijd, maar dat is de strijd van Christus, Die de overwinning zal behalen. De Ruiter op het witte paard Die gekomen is, overwinnende en opdat Hij over­won.

In dat kostelijke gebed: Uw Koninkrijk kome, roept de Kerk als het ware haar Koning toe. We lezen in ge­schiede­nisboeken over gladia­toren die een gevecht moesten leveren voor het aangezicht van de keizer. Wanneer zij de arena binnentra­den dan liepen zij langs de keizer om hem te groeten: Avé Caesar, mori­turi te salutant. Heil u, keizer, die gaan ster­ven, groe­ten u.

Uw Koninkrijk kome. Christus is gestorven, de Onoverwinne­lijke in de strijd. Hij strijdt de strijd alleen. Maar wat zal het be­moedigend zijn wanneer de Kerk verwaardigd wordt om haar gebed te bidden: Uw Ko­ninkrijk kome. "Gord Uw zwaard aan de heup, o Held! Uw Majesteit en Uw heerlijkheid. En rijd voorspoe­diglijk in Uw heer­lijkheid, op het woord der waarheid en rechtvaar­dige zachtmoedig­heid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren. Uw pijlen zijn scherp; volken zullen onder U vallen; zij treffen in het hart van des Konings vijanden" (Ps.45:4-6).

Uw Koninkrijk kome. Zal dat Koninkrijk dan niet komen als wij er niet om bidden? Nou gemeente, het zal geen seconde achterblijven als dit gebed niet gebeden zal wor­den. Maar het is Gods welbeha­gen, zowel in het per­soonlijke komen van dat Koninkrijk in ons leven, als in het komen van het Ko­ninkrijk in deze wereld, dat het gebed van de Kerk de stuw­kracht zal zijn van de goddelijke daden.

Uw Koninkrijk kome. Wat is dat een heerlijk ge­bed, het gebed als stuwkracht van het Koninkrijk. Dan ook te mogen weten dat het gebed verhoord wordt. Het zal niet falen, het Koninkrijk zàl komen. Daarom hou­den we niet op, maar gaan we er des te meer om bidden: Uw Konink­rijk kome. Waarom? Als het goed ligt in ons hart, dan zal er in de Kerk waar Chris­tus de Ko­ning geworden is, ook een uitzien zijn naar dat Koninkrijk, totdat de volkomenheid Uw Rijks kome, waarin Gij alles zult zijn en in allen.

 

Dat spreekt van het Koningschap over dat Koninkrijk. Waar gaat het dan om? Er is een eerste we­dergeboorte heb ik u gezegd, wanneer God ons van dood levend maakt. Er is een voort­gaande wederge­boorte: de heiligmaking. Maar ook het ganse schep­sel, van God uit gezien, zal wedergeboren worden aan het einde der tijden. Dat lezen we in Romeinen 8. Door de zonde zijn er niet alleen individuen verloren ge­gaan gemeente, maar door de zonde zucht het ganse schep­sel en is in barens­nood tot nu toe. Onderwor­pen aan de ijdel­heid, door wie? Door de gevallen mens, de mens die gezondigd heeft.

Wij worden onderwe­zen in Romeinen 8 dat het ganse schepsel zucht, maar ook de Geest zucht en die de eerstelingen des Geestes hebben zuchten ook. Waarom? Om de we­der­op­richting aller din­gen, opdat God Zijn schepping in zijn geheel weer terug zal krij­gen. Waar­mee ik niet zeg, dat alles zalig zal worden, waarmee ik niet zeg dat ieder zalig zal wor­den. Maak geen mis­bruik van mijn woorden. Maar God gaat het her­stellen: "Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde" (Jes.65:17).

In de val is God niets uit handen gevallen. Maar het zal hersteld worden in de weg, niet van het werkver­bond der mens, maar in de weg van het genadever­bond door de Heere Jezus Christus.

Als er nu gesproken wordt over de volmaking van dat Koninkrijk, dan gaat het hier om wat we lezen in 1 Korinthe 15, dat Jezus Christus eenmaal Zijn werk vol­tooid zal hebben. In die zin, wanneer de laatste uit­ver­kore­ne zal zijn toegebracht, dan zal ook alles bijeen gebracht worden in een vernieuwde schepping. Die schep­ping waarvan we gelezen hebben dat het verder­fe­lijke onverderfelijkheid aangedaan zal hebben en dat het sterfelijke onsterfelijkheid aange­daan zal heb­ben. En dan lezen we dat Christus Zijn werk, Zijn werk in z'n geheel, die ganse schare die niemand tellen kan, tezamen met de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, zal aan­bieden aan God en de Vader. Dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden, Dien, Die Hem alle dingen onderworpen heeft.

Het gaat om het herstel, het herstel van de schepping in een weg van genade, in een weg van het bloed van Jezus Christus Gods Zoon dat rei­nigt van alle zonden. Daar gaat het naar toe met de burgers van dat Koninkrijk! Door alle beproevingen heen, door alle verdrukkingen heen. Ten laatsten dage dan zal ook deze aarde gelouterd worden door vuur, de ganse zaak des Heeren zal dan doorlou­terd worden. En dan zal Jezus Chris­tus de nieuwe schepping aan­bieden aan God en de Vader, Wiens zij de kracht en de heer­lijk­heid tot in der eeuwigheid.

Dan zal het zo zijn, dat die schepping die Christus Zijn Vader aan zal bieden, nooit meer zondigen kan, nooit meer vallen kan. O, dat is een Kerk, dat is een Konink­rijk, dat is een schare, waarvan gevraagd wordt: "Wie zijn zij, en van waar zijn zij gekomen? Dezen zijn het, die uit de grote verdrukking komen" (Openb.7:13-14). Gekomen uit de oven der be­proe­ving. De we­reld gelou­terd door het vuur en iedere gelo­vige ook gelou­terd door het vuur van zijn per­soonlij­ke beproe­vingen.

Het nut daarvan zal zijn dat Gods' werk vuur­vast zal zijn, vuurvast door de we­reldbrand van deze kos­mos. Door de brand van de heili­gende beproevingen Gods vuur­vast geworden om aan God gegeven te worden door de Zoon, de Heere Jezus Christus. Aan de Vader aan­geboden te worden om nooit meer te vallen, maar om voor eeuwig staan­de te blij­ven, in de kracht Gods, in Jezus Christus, voor het aangezicht des Vaders. AMEN.