Zondag 50. Vraag en antwoord 125

                                         ZONDAG 50

                                   Vraag en antwoord 125

 

        Psalm 121 : 1
        Psalm 138 : 1
        Psalm 104 : 7,8
        Psalm 105 : 22
        Psalm 105 : 24
        Psalm 104

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in Psalm 104 : 13 - 15

 

Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer wer­ken.

Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des mensen, doende het brood uit de aarde voortko­men.

En den wijn, die het hart des mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart des mensen sterkt.

 

Onze catechismus voor vanavond is zondag 50, vraag en antwoord 125, daar wordt ge­vraagd:

 

125. Vr. Welke is de vierde bede?

Antw. Geef ons heden ons dagelijks brood.

Dat is: Wil ons met alle nooddruft des lichaams verzorgen, opdat wij daar­door erkennen dat Gij de enige Oorsprong alles goeds zijt, en dat noch onze zorg en arbeid, noch Uw gaven, zonder Uw zegen ons gedijen, en dat wij derhalve ons ver­trou­wen van alle schepselen aftrekken en op U alleen stel­len.

 

Het gaat dus vanavond, geliefde gemeente, over de bede om het dage­lijks brood: Geef ons heden ons dagelijks brood. Het is heel belangrijk dat er staat ons dagelijks brood. We zouden zo overgees­te­lijk kun­nen zijn, als de vertalers van de Vulgata die Matthéüs 6:11 vertaald hebben met: Geef ons heden ons bovenna­tuur­lijk brood. Maar vergeeste­lijken is niet schrif­tuurlijk, want God zorgt niet alleen voor de ziel, maar God zorgt ook voor het lichaam. Dat is ook het brood­nuch­tere van onze cate­chismus en van de Refor­matie, dat men in het lichaam niet iets minder­waardigs heeft gezien. Want we lezen het reeds in Zondag 1 dat de gelovige daar mag belij­den, dat niet alleen zijn ziel maar ook zijn lichaam gekocht is door het dier­bare bloed van de Zaligmaker.

De Bijbel leert ons nergens om het lichaam te minach­ten. "Of weet gij niet", zegt de apostel Paulus, "dat ulieder lichaam een tempel is van den Heiligen Geest" (1 Kor.6:19). Wat God samenge­voegd heeft schei­de de mens niet, lichaam en ziel horen toch im­mers bij el­kaar. Want wat gebeurt er wanneer het li­chaam van de ziel ge­scheiden wordt? Dan zijn we immers dood.

En zo vinden we in het volmaakte gebed de bede: Geef ons heden ons dagelijks brood. Dan is dat ook een volmaakte bede die de Heere Jezus ons leert bidden! Dat is volop gees­telijk, gemeente. Deze bede staat naast het gebod: Gij zult niet stelen. Dit gebed staat naast de cate­chismusafdeling van Gods Vaderlijke voorzienig­heid. Deze bede is meteen ook verbonden met onze vorige zon­dag die sprak over de derde bede: dat wij ons ambt en ons beroep zo gewillig en zo getrouw mogen bedienen en uitvoeren, als de enge­len in de hemel doen. Dat is een heerlijke zaak! Het hoort bij elkaar: Geef ons heden ons dagelijks brood en de bede: Heere maak mij zo ge­trouw in mijn ambt of in mijn beroep als de engelen in de hemel.

Het is Gods wijsheid en het is Zijn voorzienigheid, dat God het brood niet rechtstreeks uit de hemel geeft. Als het nodig is zal Hij dat wel doen. Dan zal Hij het de kin­deren Israëls uit de hemel doen nederdalen. Geen brood, maar de grondstof voor brood. Opdat de Israëlieten zelfs in de woestijn niet lui zouden worden, niet werke­loos zouden zijn. Zo geeft God de mens niet recht­streeks brood, zelfs niet rechtstreeks meel, zelfs niet recht­streeks broodkoren, maar God geeft de mens zaai­koren. Opdat het zweet van de arbeid vermengd zou worden met het zoete van de arbeid. Opdat de mens genadig­lijk van God uit de hemel, zijn dage­lijks brood zou mogen ontvangen in een weg van arbeid. De vierde bede: Heere, geef dat mijn han­den wat te doen hebben, opdat ik zo mijn dagelijks brood zou mogen verdienen.

U kent vast die spreuk wel, die we hierboven zouden kunnen plaatsen: ora et labora, dat betekent: bid en werk. Zo is er een verbinding tussen vraag en ant­woord 124: Uw wil geschie­de gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde en vraag en antwoord 125: Geef ons heden ons dagelijks brood. Het brood dat wij snijden, het brood dat wij eten, dat hele gewone brood en niet dat boven­natuur­lijke brood waaruit later bij de Roomse kerk het gebruik van de hostie is ontstaan, dat de priesters uit­reiken. Het gaat niet om geestelijk bovennatuurlijk brood, maar het gaat om het dage­lijks brood en dat is niet minder geestelijk, want dat is er ook door de verdien­ste van de Heere Jezus Christus.

Ik zou daarom willen zeggen, dat dagelijks brood heeft drie eigen­schappen: het is gekregen brood, het is gezegend brood en het is ook gebeden brood. Dus:

 

     Ten eerste:    Gekregen brood.

     Ten tweede:  Gezegend brood.

     Ten derde:     Gebeden brood.

 

Ons dagelijks brood is gekregen brood. Het zal er om gaan dat wij bij alle werk in deze wereld van zaaien, van maaien, van dor­sen, van malen, van bakken en van eten toch goed zullen blijven besef­fen dat het God is, Die ons onder­houdt. Zoals we gelezen hebben in Psalm 104 is het God, Die er achter staat met Zijn milde hand. God, Die alles groeien doet.

Dat we er toch besef van zullen hebben, ook in onze dagen, dat er zonder God geen enkele korenhalm groei­en zou. Dan moet je eens naar de vogels kijken, zoals de raven en de mussen. Simpele vogels, maar wat staat er van in de Schrift? "Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen" (Ps.147:9). En de Heere Jezus zegt: "Worden niet vijf musjes verkocht voor twee penningskens? En niet één van die is voor God vergeten" (Luk.12:6). Wel, moet het dan nog een pro­bleem voor ons zijn of het nodig is dat we bidden en danken voor ons eten? De raven doen het toch ook? Ook zij roepen immers tot God?

Geef ons heden ons dagelijks brood. Wij zouden eigen­lijk net zoveel behoren te danken als te bidden. Met elkaar de dankbare erkentenis uitspre­ken, on­danks het feit dat wij nooit zo getrouw zijn als de engelen in de hemel, dat aan Gods zegen alles is gelegen.

God bezoekt de aarde ook weleens met een misoogst. Dan beschik­ken wij hier in het westen altijd nog wel over genoeg geld om het op een andere plaats weg te kopen. Maar het is ook maar één wenk van Gods alver­mogen om eens een complete mis­oogst over deze gehele aarde te zenden. Waar zou­den wij blijven, waar zouden wij dan blijven? Die God, Die deze aarde eenmaal zoveel water gege­ven heeft door de zondvloed, Die God zou ook deze aarde weleens kunnen laten verdrogen en verschroeien. Het zou op één wenk van God kunnen gebeuren dat deze hele aarde één grote misoogst zou worden.

West Europa, overvloed! Maar hoe grote delen zijn er niet in deze wereld waar armoede en dood heerst. Waar de kinderen gelukkig zouden zijn, als ze uit onze vuilnisbak zouden kunnen eten, uit het over­schot van de westerse wereld!

Geef ons heden ons dagelijks brood. Dat is in ieder geval wel zó geestelijk dat we daarover niet de minis­ter van landbouw aanspre­ken, niet de wereldgroten, maar Onze Vader Die in de heme­len is: Geef ons heden ons dagelijks brood.

We leren zo ook weer eens, en dat is misschien wel hard nodig, te bidden en te danken. Bidden en danken opdat wij daardoor Gods zorg zou­den erkennen. Dat zouden we zo kun­nen zeggen: opdat we daardoor belij­den, ook op school tussen je vrienden en vriendinnen, opdat we daardoor belij­den, dat God de enige Oor­sprong, de Vader van alle goeds is.

Het gaat niet over kennen met het verstand, maar over erkennen en dat gaat nog iets verder, dat wil zeggen: belijden. Dat ons dagelijks gebed voor ons brood een geloofsbelijde­nis zou zijn, dat al wat goed is, afdaalt van de Vader der lichten, dus ook ons dage­lijks brood. Het gaat niet om een minderwaardige of een onderge­schikte zaak, maar het gaat om een primaire zaak. Het is God, Die de jonge raven voedt als zij roepen en het is God, Die deze on­dank­bare wereld nochtans te eten geeft.

Ik spreek niet zo gemak­kelijk over het bloed van Christus en de zege­n daarvan op ons dagelijkse leven. Daar spreek ik niet zo makkelijk over, want het gaat in het bloed van Jezus Christus om het zoenof­fer voor de zonde. Maar ik wil er uw aandacht op wijzen dat er op deze aarde, op deze door onze zonden ver­vloekte aarde, een kruis heeft gestaan van Jezus Chris­tus. Op deze, om onze zonden vervloek­te aarde, bevindt zich een hof van Geth­sémané, waar het bloed en zweet van Jezus Chris­tus deze aarde borg­tochtig­lijk door­drenkt heeft. Stel dat naast de vloek uit het Paradijs: het zweet voor de man en de smart voor de vrouw.

Ons dagelijks brood, laten wij daar niet te gering over denken gemeente, groeit in de aarde waarop het bloed van Jezus Christus gevloeid is. Was dat niet ge­beurd, dan zou niet slechts de wereld on­vruchtbaar zijn, maar ik meen dat de hele wereld dan reeds verdoemd zou zijn.

Zo leert ons de catechismus God te belijden als de Oorsprong van alle goeds. Het komt uit God. O, we kunnen wel beweren dat het uit de aarde komt. Maar als God het de wasdom onthoudt, als God de paradijs­vloek niet had getemperd, dan zou de hele wereld over­woekerd zijn door doornen en door diste­len. Wat is het dan een voorrecht dat er niet alleen doornen en dat er niet alleen distelen groeien, maar dat God nog zo zegent, dat er ook koren groeit.

Geef ons heden ons dagelijks brood. Dat is je hand ophouden, dat is weer een beetje besef krijgen van de juiste verhoudingen.

Geef ons heden ons dagelijks brood, is dat nog iets méér dan brood? Ja, dat is alle nooddruft des lichaams. Daar mag de Kerk om bid­den, daar mag ze om bidden in het meervoud, in verbondenheid met de naaste.

Geef ons heden ons dagelijks brood. Daarin wordt de Kerk een taak op de schouders gelegd, daarmee wordt ook ieder christen een taak op de schouders gelegd.

Geef ons heden ons dagelijks brood houdt ook een plicht in, een taak ten opzichte van onze naaste. Dan is het een prachtige zaak dat degenen die werken kun­nen, ook werken zullen voor degenen die niet wer­ken kunnen. Dan is het een goddelijke opdracht dat de jeugd ook zal wer­ken voor de ouderen. Maar wat zegt Maléa­chi? Is dat mis­schien ook van toe­passing op het socialisme dat de pan uitgerezen is? "En Ik zal uw zegeningen vervloeken: ja, Ik heb ook alrede elkeen der­zelve ver­vloe­kt" (Mal.2:2).

Wanneer het niet meer zo is dat de jongeren werken voor de oude­ren, en degenen die kunnen werken, voor degenen die niet kunnen werken, maar wanneer de vlijti­gen moeten werken voor de luien, dan geloof ik toch dat we een omkeerpunt bereikt heb­ben. Ik wil hier niet teveel van zeggen, maar ik wil er ook niet aan voorbij­gaan. We zijn in een goddeloze ontaarding te­rechtgeko­men wat betreft de bede: geef mij heden mijn dagelijks brood met mijn beleg en wat er bijkomt. God leert ons barmhar­tig­heid, maar géén goddeloze ont­aar­ding van socia­lisme in groepsegoïsme.

 

Gezegend brood is het, als we het eten mogen in Gods gunst, gemeente! Als ons dagelijks brood in de bele­ving weer werkelijk genadebrood wordt. Vroeger sprak men weleens over zegen uit Gods rech­terhand of zegen uit Gods linker­hand. Zegeningen uit Gods linker­hand ont­vangen is soms realiteit.

Laten we het maar eens nagaan in ons leven of al die dingen die wij zegeningen noemen, dat ook werkelijk zijn. Of dat het zulke zege­ningen zijn, zulke worm­ste­kige zegeningen, dat de Schrift daarvan moet zeggen: "Ik heb ook alrede elkeen derzelve vervloekt". Het is een reële zaak dat er onder­scheid gemaakt wordt tussen zege­nin­gen uit Gods rech­terhand en zegeningen uit Zijn lin­ker­hand.

Er zit een stukje symboliek in. Want als het dan zege­ningen zijn, zegeningen uit Gods linkerhand, laten we maar bij de Schrift blij­ven, dan kon het weleens zijn zoals Jakobus zegt: "Gij hebt lekker­lijk geleefd op de aarde, en wellusten gevolgd; gij hebt uw harten ge­voed als in een dag der slachting" (Jak.5:5).

Waarom zou het zo nodig zijn, geliefde gemeente, dat we onze zegeningen onderzoeken? Staan we werkelijk met ons gebed om dage­lijks brood nog in de rechte verhouding tot Onze Vader, Die we aanspre­ken in dat gebed? Of het dan veel is of weinig, dat doet er niet toe. Maar het gaat er om dat ons gekregen brood ook werke­lijk geze­gend brood mag zijn.

Wanneer we mogen weten dat wij het uit Gods hand mochten ont­vangen als gebeden brood, dan is het gezegend brood.

 

O, wat wordt het ons dan fijntjes geleerd hoe wij bidden moeten: Geef ons heden ons dagelijks brood. Dan gaat het er ook om dat we bewaard moeten worden voor overmatige zorg, voor bezorgdheid. Geef ons heden, dat wil zeggen dat we bewaard worden voor de zorgen op lange termijn. Och, hoe kan het ook anders. Hoe meer kinderlijke vreze wij gaan beoefe­nen in ons leven en hoe meer wij leren te leven uit Gods Vader­hand, hoe meer wij in het heden gaan staan. Daar is een beetje geloof voor nodig, maar dan durven we het God wel te laten beheren op lange termijn. Dan gaan we onze gebeden wel inperken tot: Geef ons heden ons dagelijks brood. Daar zit ook een les in om ons be­scheiden te maken, zoals de bedezang voor het eten dat vraagt:

 

     Leer ons voor overdaad ons wachten.

     Dat w' ons ge­dragen als 't behoort!

 

Geef ons heden ons dagelijks brood, wil ook zeggen: "armoede geef mij niet", want dan kom je in de ver­zoeking van het gebod: Gij zult niet stelen. Maar Agur zegt ook: "rijkdom geef mij niet, opdat ik, zat zijnde, U dan niet ver­loochene, en zegge: Wie is de HEERE?" (Spr.­30:8-9). Wat moest ieder sneetje brood ons meer aan God ver­bin­den.

Geef ons heden ons dagelijks brood wil zeggen: niet het vele Heere, ook niet het weinige, voed mij met het brood mijns bescheiden deels. Dat betekent niet, dat het persé weinig moet zijn, alsof armoe­de ons aan God ver­bonden zou houden. Nee! Agur bidt om het be­schei­den deel, dat deel dat God over hem be­scheiden, over hem beschikt heeft.

Geef ons heden ons dagelijks brood. Dan mogen we ons weleens bezinnen waar we mee bezig zijn in het dage­lijks leven. Wa­nneer er echt zorgen zijn, wanneer er echt moeite is wat betreft ons dagelijks brood, wat kan God dan mild voor de dag komen. Wat is onze God dan ook een God van won­deren, gemeente!

Geef ons heden ons dagelijks brood. Als het echt nodig is, zal God er voor zorgen dat het desnoods 's morgens op ons straatje voor de deur ligt. Als het werkelijk nodig is zal Hij het des­noods uit de hemel laten rege­nen. Wanneer we ervaring hebben in de omgang met God, misschien ook een beet­je ervaring hebben in ar­moedige tijden, dan zou ik zeggen: kom eens op en getuig er eens van hoe God uw nood ver­vuld heeft.

Dan kunnen we van harte meezingen, al heeft het bij ons geen veertig jaar ge­duurd, maar dan kunnen we het van harte meezingen:

 

     Zij werden daag'lijks begenadigd:

     Met manna, hemels brood, verzadigd.

 

Dat deed God op een bijzondere wijze. Maar als er nu nooit op zo'n bijzondere wijze in ons leven gezorgd is, omdat we nooit zo arm geweest zijn dat we dat letter­lijk hebben moeten bidden: Heere, geef ons heden ons dagelijks brood. Wanneer we dan toch leren buigen onder de Oorsprong van alle goeds, dan zingen we het straks ook mee. Dan gaan we heel goed beseffen, dat het niet gaat over wat ik verdiend heb, maar dan is gebeden brood ook genadebrood uit de verdien­ste van Christus.

We moeten de verbinding vasthouden tussen de derde bede en de vierde bede: Uw wil geschie­de gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde. Dat is dat we in ons ambt en beroep zo getrouw mogen zijn als de enge­len in de hemel.

Geef ons heden ons dagelijks brood, dat wil ook niet altijd zeggen dat het letterlijk alleen om een boterham gaat. Nee, dat omvat alles, ons gehele leven en onze werk­sfeer. Dat betekent ook: Heere, geef mij werk als ik zon­der werk ben. En dat wil zeggen als ik werk heb, dat ik iedere dag weer opnieuw moet bidden: o God, maak mij getrouw als de enge­len in de hemel die niet lui zijn, maar ook nooit over­spannen worden. Dat bete­kent ook, wanneer de Heere ons toebe­deeld heeft dat we helemaal niet kunnen werken, dat we ook daarin getrouw zullen zijn als de enge­len in de hemel. Dat we dan ook eerlijk mogen bidden: Heere, geef ook mij heden mijn dage­lijks brood.

Wat een heerlijk gebed, want het sluit het gehele leven in: Geef ons heden ons dagelijks brood. Dan te weten dat de Heere Jezus ons dat gebed heeft voorge­zegd. Dat houdt ook in te weten dat het een Gode welgevallig gebed is. Het is niet slechts een verzinsel van een mens, maar het is de Heere Jezus Zelf Die wij naspre­ken, Die aan Zijn discipelen geleerd heeft om ook de nood­druft van het li­chaam aan God voor te leggen.

Geef ons heden ons dagelijks brood. De discipelen hadden al wel enige ervaring in de beproeving. Ze waren Jezus gevolgd en ze hadden letterlijk alles prijs gegeven. Sommige discipelen waren nog getrouwd bovendien. En dan hoor ik Petrus vragen: Heere, wat moet er van mij terechtkomen en wat moet er van mijn gezin terechtkomen? "Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd" (Mark.10:28). Dan laat de Heere iets van Zijn almacht zien. "En Jezus, antwoordende, zeide; Voorwaar zeg Ik ulieden: Er is nie­mand, die verlaten heeft huis, of broeders, of zusters, of vader, of moe­der, of vrouw, of kinderen, of akkers, om Mijnentwil en des Evangelies wil. Of hij ontvangt honderdvoud, nu in dezen tijd, huizen, en broeders, en zusters, en moe­ders, en kinderen, en akkers, met de vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven" (Mark.10:­29-30).

Laten we niet te gering over God denken, niet te karig. Houdt voor ogen gemeente, dat als er één ziel in nood is, God die ene ziel helpt. Maar zou­den er vier­dui­zend tegelijk in nood zijn, dan helpt Hij er vierdui­zend. En zouden er vijf­duizend in nood zijn, dan helpt Hij er vijfduizend, ook ten aanzien van het dagelijkse brood. Hebt u nooit gelezen van die wonder­bare spijzi­ging waarbij Jezus de schare gespij­zigd heeft? "Zij zeiden dan tot Hem: Heere, geef ons altijd dit Brood" (Joh.­6:34). De vragers werden terechtgewe­zen door de Heere Jezus Christus.

Ook wij moeten beseffen dat het dus niet gaat over dat bovenna­tuurlijke brood, maar dat Jezus gezegd heeft: "Ik ben dat levende Brood, dat uit den hemel nederge­daald is; zo iemand van dit Brood eet, die zal in der eeuwigheid leven. En het Brood, dat Ik geven zal, is Mijn vlees, hetwelk Ik geven zal voor het leven der wereld" (Joh.6:51). We zullen vanwege de nood­druft van ons lichaam, de nood­druft van onze ziel niet vergeten. Wat moesten we juist bij ons dage­lijks brood vaker den­ken aan het Brood dat uit de hemel is neder­ge­daald.

Geef ons heden ons dagelijks brood. We leven in een tijd dat veel mensen al niet eens meer weten hoe dat dagelijks brood smaakt. Wij schrikken als we door het beleg heen bijten. Jezus Zelf wist wat hongerlijden was. Hij wist wat dorstlijden was. Want tijdens de verzoe­king in de woestijn werd Hij aan­gepord, "Zeg, dat deze stenen broden worden" (Matt.4:3). Daar is de koopprijs be­taald, de koop­prijs voor ons dage­lijks brood. Waar Jezus gehon­gerd en gedorst heeft. Nooit, in de armoede van Zijn aard­se bestaan, in de aanvech­tin­gen in de woestijn, nooit, heeft Hij iets ge­daan Zichzelf ten goede. Opdat Hij alles zou kunnen doen, zondaren ten goede.

Geef ons heden ons dagelijks brood. Dan gaat het er toch ook om dat wij ons vertrouwen van alle schep­selen aftrek­ken en op God alleen stellen, om alles van Hem te ver­wach­ten. ­Maar dezelfde Schrift die zegt dat wij zo getrouw als de enge­len in de hemel behoren te arbeiden voor ons dagelijkse brood, diezelfde Schrift zegt: "Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven" (Joh.6:27).

Goed, we werken misschien twaalf uur per dag voor de spijs die vergaat. Ik wil u vragen: werkt u ook twaalf minuten voor de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven? Of is mijn schatting soms te hoog? Twaalf uur voor het dagelijks brood, twaalf minuten voor het hemels brood. Of is dat al te veel? Jezus heeft gezegd: "Ik ben het Brood des levens" (Joh.6:48).

Gekregen brood, geze­gend brood en gebe­den brood. O dan wil de Heere Jezus in dat gebed ons leren, dat we met alle nood­druft tot de Vader zouden gaan.

Wat heeft God ons bevolen van Hem te bidden? Alle nooddruft voor het lichaam en alle nooddruft voor de ziel. Dan wil ik u er op wijzen, dat God zo royaal geeft, dat ieder van ons het zou moeten erken­nen: het is waar, het is God Die ons brood geeft. Wat zal het vrese­lijk zijn wanneer we drie­maal per dag bidden: Geef ons heden ons dage­lijks brood en we hebben geen weet van dat levende Brood, dat uit de hemel is nedergedaald.

Geef ons heden ons dage­lijks brood staat inge­klemd in het geheel van ons bestaan als zondaren, met een ziel en een lichaam. Dan moet het toch de vraag zijn: gaat het nu alleen om het dagelijkse brood in uw leven? Of gaat het ook om dat geestelijke brood: Jezus Christus, Die uit de hemel is nederge­daald?

Dat dagelijkse brood waarvoor we leren te bid­den is dan ge­beden brood, maar dat is ook brood van dank­zeg­ging. Is zo dat Brood, dat uit de hemel is neder­gedaald, voor ons ook weleens geworden Brood van dankzeg­ging? Want Jezus Christus is in de wereld geko­men om de honger en kommer van onze zielen te verzadi­gen. "Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtig­heid; want zij zullen verzadigd wor­den" (Matt.5:6).

Wat zal het vreselijk zijn om God alleen te kennen in Zijn milde dagelijk­se gaven, maar God te mis­kennen in Zijn hemelse Gave, Jezus Christus. We zullen ook eenmaal voor onze hemelse Rechter komen ter verantwoor­ding van ons dagelijks brood. We zullen boven alles ook eenmaal voor onze hemelse Rechter komen ter verant­woording van dat eeuwige Brood.

We werken wat af voor ons dagelijks brood. We lezen in het Oude Testament: "De bloedzuiger heeft twee doch­ters: Geef geef!" (Spr.­ 30:15). Als je dat in het He­breeuws leest, dan staat er: "De bloed­zuiger heeft twee dochters: Hap, hap!" O, wat een begeerte is er in deze wereld naar het dage­lijkse brood en naar het beleg.

Is er ook een begeerte in ons leven geko­men, ­naar iets dat boven dat dage­lijkse bestaan uitstijgt, iets dat boven dat dage­lijkse brood uitstijgt, naar het Onver­gankelijke, naar Jezus Christus Zelf?

Onderzoek uw hart of Jezus Christus voor u al nood­zakelijk gewor­den is, als Brood des levens om de honger en de kommer van uw ziel te stillen. AMEN.