Zondag 52. Vraag en antwoord 127

                                         ZONDAG 52

                                   Vraag en antwoord 127

 

        Psalm     119 : 6

        Psalm     117 

        Psalm       68 : 1,12

        GDH              : 7,8

        Psalm       73 :13

        1 Thess.     3 

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­mus­on­derwijs, kunt u vinden in 1 Thessaloni­censen 3 : 11 - 13

 

Doch onze God en Vader Zelf, en onze Heere Jezus Chris­tus richte onzen weg tot u.

En de Heere vermeerdere u, en make u over­vloe­dig in de liefde jegens elkander en jegens allen, gelijk wij ook zijn jegens u.

Opdat Hij uw harten versterke, om onberispelijk te zijn in heiligmaking, voor onzen God en Va­der, in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus met al Zijn heiligen.

 

Onze catechismus voor vanavond is zondag 52, vraag en antwoord 127, daar wordt gevraagd:

 

127. Vr. Welke is de zesde bede?

Antw. Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze.

Dat is: Dewijl wij van onszelven zo zwak zijn, dat wij niet een ogenblik zouden kunnen be­staan, en daartoe onze doods­vij­anden, de dui­vel, de we­reld en ons eigen vlees, niet ophou­den ons aan te vechten; zo wil ons toch behouden en sterken door de kracht Uws Heiligen Geestes, opdat wij in dezen geeste­lijken strijd niet on­der­liggen, maar altijd sterken we­derstand doen, tot­dat wij eindelijk ten enenmale de overhand be­houden.

 

Bij deze vraag en dit antwoord laten we het dan van­avond, geliefde ge­meente. Toch is zondag 52 in z'n geheel wel groter. Want de opstel­lers van de catechis­mus hebben ook de lofprijzing van het Onze Vader in zon­dag 52 opgeno­men. Het hoort immers bij elkaar. Want in dat laatste gedeelte wat we volgende keer hopen te behan­delen als God het geeft, ligt immers de reden waarom de kerk bidt: Leid ons niet in verzoe­king, maar verlos ons van den boze. Waar­om? Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heer­lijkheid tot in der eeuwigheid. Opdat we ons goed bewust zouden zijn dat het om God gaat in de heilig­making van de Kerk. Zoals we dat ook gele­zen heb­ben in de brief van Paulus aan de Thessalonicensen. Het hoort dus bij elkaar: Leid ons niet in ver­zoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Konink­rijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeu­wigheid.

Waarom dan ditmaal maar de helft gepreekt? Wel, daar is ook wel een reden voor te noemen. Want dat laatste gedeelte is niet alleen redengevend maar dat is ook het God ver­heerlijkend besluit van het gebed. Daar gaat het bid­den over in aanbidden.

Is de bede: Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze, nog wel ten volle een gebed? Want dat laatste gedeelte is een doxolo­gie, een aanbidding en lofprijzing van God: Want Uw is het Ko­ninkrijk en de kracht en de heer­lijkheid tot in der eeuwigheid. Zo gaat straks het bidden over in aanbidden. Het is alsof hier een grens ligt tussen het boze aardse leven en het eeuwige leven: Leid ons niet in verzoeking, want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heer­lijkheid.

Waarom dan ditmaal slechts deze bede: Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze? Omdat het zo schoon aansluit bij de vooraf­gaande bede: En vergeef ons onze schul­den. Deze twee gebeden wilde ik zo graag bij elkaar houden. Vergeef ons onze schulden en leid ons niet in verzoe­king, maar verlos ons van den boze.

Waarom? Wie zelf geestelijk leven kent, die weet het antwoord wel. Ver­geven zonden zijn de meest be­weende zonden, dat zijn daarom ook de meest ge­vreesde zon­den.

Of is het bij u niet zo? Vergeven zonden de meest beweende zonden en de meest gevreesde zonden. ­Pe­trus heeft er ervaring in. Maar ook David. Ver­geven zonden, beweende zonden, maar ook ge­vreesde zonden, zodat ik David hoor bidden:

 

     Weerhoud, o HEER, Uw knecht,

     Dat hij zijn hart niet hecht'

     Aan dwaze hovaardij.

     Heerst die in mij niet meer,

     Dan leef ik tot Uw eer,

     Van grote zonden vrij. (Ps.19:7 ber.).

 

Goed, we gaan over tot de bede: Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Wie leidt ons in verzoe­king? De boze! Het is dus eigenlijk één gebed: Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze.

U weet toch wel, dat er een groot verschil is tussen beproeving en verzoeking? Of niet soms? Er is zeker een groot verschil tussen ver­zoe­king en beproeving. Ver­zoeking is er altijd op uit om ons van God af te drij­ven en de beproeving van het geloof is iets dat ons in Gods hand, te meer aan Hem verbin­dt. Neem bij­voor­beeld Job, hoe meer hij beproefd werd, hoe meer hij zich vastklampte aan God. Zodat als het ware Job God aan zijn zijde kiest tegenover God. Het zijn im­mers de be­proe­vingen waar­door het geloof ver­sterkt wordt.

Ik zag zo'n prachtig opschrift boven een kasteel, daar stond geschre­ven: Virtus post fata virescit. Dat bete­kent: na elke ramp wat sterker. Na iedere belegering was dat kasteel iets sterker geworden. Maar ook de heer van dat kasteel was sterker gewor­den. Zo is het ook met de beproeving van het geloof, God beproeft het geloof opdat het versterkt zou worden. Daarom staat hier: Leid ons niet in verzoe­king want dat komt van de boze. De satan had Job wel willen verzoe­ken, maar God maakte er een beproe­ving van.

Verzoeking, wat is verzoeking? La­ten we het er eerst eens over hebben Wie dit gebed heeft leren bid­den. Dat is maar niet een of andere bijbelheili­ge, het is de Heere Jezus Zelf, Die Zijn Kerk leert bid­den: Onze Vader, Die in de heme­len zijt, Leid ons niet in ver­zoe­king, maar verlos ons van den boze.

Kijk, het is al zo geweldig als er een profeet of een apostel aan het woord is in de Schrift. Maar hier is Jezus Zelf aan het woord: Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Wat kunnen de verma­nin­gen van de profeten en de verma­ningen van de apos­telen een geweldige indruk op ons maken, wan­neer we weten dat zij uit erva­ring spre­ken. En zo was het toch ook met de Heere Jezus Zelf, Die heeft uit erva­ring gespro­ken. Lukas 4, de verzoe­king in de woestijn heeft Hij gedra­gen om borg­tochtig­lijk verzoe­ning te doen over al het falen en feilen van Zijn volk. Verzoe­ning voor alle mislukkingen in de ver­zoekingen.

Leid ons niet in verzoeking. De Heere Jezus leert ons dit te bidden. Hij, Die Zelf in de woestijn geweest is bij de wilde dieren, in de verzoeking. Er worden met betrekking tot de verzoeking drie dingen genoemd in de catechis­mus: de duivel, de wereld en ons eigen vlees. Deze drie doodsvijan­den zijn tevens onze punten voor deze avond:

 

     Ten eerste:   De duivel.

     Ten tweede: De wereld.

     Ten derde:   Ons eigen vlees.

    

We hadden ook kunnen zeggen dat de cate­chismus aanwijst waar de zwakte ligt van de Kerk, waar de kracht ligt van de Kerk en waar de overwin­ning ligt van de Kerk.

De Heere Jezus heeft Zelf gezegd: "Indien zij Mij ver­volgd hebben, zij zullen ook u vervolgen" (Joh.15:20). Het moet niet vreemd voor ons zijn dat de ver­leider, de overste der duisternis in deze wereld rond­gaat om te verleiden. Heeft de Heere Jezus Zelf niet gebeden in het Hogepriesterlijk gebed: "Vader, Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den boze" (Joh.­ 17:15). Zo is de Kerk in deze we­reld, als Israël destijds in de woestijn.

Leid ons niet in verzoeking. Wat Jezus Zelf overkomen is, wordt de Kerk niet bespaard. Want in de woestijn van het leven is immers ook de verzoeking door de duivel, de wereld en het eigen vlees.

De duivel. Zo langza­merhand lopen wij het gevaar dat we er eigen­lijk niet meer ten volle rekening mee hou­den dat er een duivel is. Daarom is het goed om er aan te den­ken dat de duivel een leven­de wer­kelijkheid is in deze wereld. Dat de satan rondgaat als een brie­sende leeuw, zoekende wie hij zou mogen verslin­den. Het is de werkelijkheid van het Woord, dat wij gewaar­schuwd worden dat de duivel, de helle­geest, de geest uit de afgrond bestaat. Hij draagt tevens die huive­ring­wekken­de naam van satan. Dat betekent tegen­stan­der, tegen­stan­der van wie? Niet van de goddeloze, maar in de eerste plaats tegenstander van God, maar ook te­gen­stander van het geloof en van Gods kinderen.

Ik ben nu toch met namen bezig, de duivel wordt ook genoemd: diabolos. Dat betekent tussenwerper, hij pro­beert altijd tussen God en Gods kind te komen. Er is de duivel veel aan gelegen, als hij Gods kind niet uit de hemel kan hou­den, om dan toch min­stens de hemel uit het hart van Gods kind te houden. Beëlzebul, wie huivert er niet bij deze naam die de duivel draagt. Beëlze­bul, ik zal het maar vrij vertalen: vuil beest, beest van vuilheid.

Zo is het de werkelijkheid! Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Het gaat niet om een abstract gege­ven, maar om een con­creet gege­ven: de duivel en zijn van God afgevallen geesten, die aan het hoofd een sterke macht hebben staan, namelijk Beëlze­bul. Zij hebben tegen God gere­bel­leerd. Wanneer en waar? Iets er van is in de Schrift terug te vinden. We lezen in de Openbaring dat ze uit de hemel op de aarde gewor­pen zijn door Michaël en zijn engelen. (Openb.12:7-9). Zo is het werk­gebied van de satan, de duivelse draak, deze aarde gewor­den. Daar­om: vrees!

Hoe zou het zijn als u wist dat er wel tien moorde­naars in uw woon­plaats rondliepen, die er op uit zouden zijn om u te vermoor­den? Zo gaat de duivel op deze aarde rond, zoekende wie hij zou mogen ver­slinden. We lezen: "Hoe zijt gij uit den hemel ­geval­len, o morgen­ster, gij zoon des dageraads" (Jes.14:12).

Zo is de duivel een levende werkelijkheid, ge­meente, zo'n werke­lijkheid als we in Jesaja en in Openba­ring lezen. Het werkge­bied van de duivel is Babel, het geestelijk hoerendom. Onder­schat de duivel niet! Aan het begin van de geschiede­nis staat hij beschre­ven als een slang, de slang in het paradijs, de men­senmoorder van den beginne. Maar op de laatste bladzij­den van de Schrift wordt er niet meer ge­sproken over een slang, maar over het beest uit de afgrond. Dan is het een mon­ster geworden.

Door de val hebben wij die slang bin­nengela­ten in ons leven. Beke­ring is dat hij door God weer uitgedre­ven wordt. Verachtering in de gena­de is dat we de deur in onze levens weer open zetten zodat hij weer kan bin­nenko­men. Wanneer de duivel dan verschijnt op klompen valt de Kerk in ergerlijke zonden. Maar de duivel kan ook ver­schij­nen als een engel des lichts, dan zijn het meestal geen grove zonden waar de gemeente in valt, maar dan zijn het ketterijen en dwalin­gen. Het is de duivel om hetzelf­de hoe we verloren zullen gaan, als we maar verloren gaan, want dat is het doel van de duivel. De Kerk is niet gevrijwaard van haar listen.

We lezen dat de Heere Jezus zo heel uitdrukkelijk zegt, "Simon, Simon, ziet, de satan heeft ulieden zeer be­geerd om te ziften als de tarwe; Maar Ik heb voor u gebe­den, dat uw geloof niet ophoude" (Luk.­ 22:31-32). Hoe zal het met ons gaan, als wij op de zeef komen? Als ons geloof be­proefd zal worden, zoals het bij Pe­trus beproefd werd? Het wordt er niet beter op, zo lezen we in de Schrift. Wan­neer het Kind uit Open­baring 12 wordt weggerukt tot God en Zijn troon, dan wordt die draak ver­grimd op de vrouw en op de overi­gen van haar zaad. De dui­vel, spot er nooit mee ge­meente, is een leven­de reali­teit. Luther zingt van die duivelse macht:

 

     Delf vrouw en kind'ren 't graf,

     Neem goed en bloed ons af.

 

Wat is het ook zalig om daar onderwijs in te krijgen voor ons eigen leven. Want Paulus zegt over de ver­zoekingen van de satan: "Want zijn gedachten zijn ons niet onbekend" (2 Kor.2:11). Iemand vraagt misschien: kende ik de ge­dachten en de listen van satan ook maar. Hoe kan ik die leren? Daar kan ik wel antwoord op geven. Op de knieën! Op de knieën wordt er door Woord en Geest iets van geleerd: "Want zijn gedach­ten zijn ons niet onbe­kend".

Ik wil ook iets zeggen over de wereld waarin wij leven. Niet alleen de duivel leidt ons in verzoe­king, maar ook de wereld vormt een geweldige ver­zoe­king. Ik lees in de Schrift: "Weet gij niet, dat de vriendschap der wereld een vijandschap Gods is? Zo wie dan een vriend der wereld wil zijn, die wordt een vijand van God gesteld" (Jak.4:4). Is het niet de Heere Jezus Zelf geweest aan Wie de duivel alle ko­ninkrijken der wereld heeft getoond, zeggende "Al deze dingen zal ik U geven, indien Gij, ne­dervallende, mij zult aanbid­den" (Matt.4:9). Die offerte wordt heden ten dage nog ge­daan aan ieder kind, aan iedere grijs­aard, aan alle catechi­santen. "Al deze dingen zal ik u geven, indien gij neder­vallende, mij zult aanbidden".

Het is een grote leugen van de duivel dat hij ons alle koninkrijken kan schenken. Maar al zou het eens waar zijn, dan zullen we toch eenmaal al die koninkrijken achter moeten laten. Want: "De wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid" (1 Joh.2:17). Nee, de we­reld is één grote ver­zoeking! Maar Gods kind, als het goed is, is immers een vreemdeling hier op aar­de. "Ik ben, o HEER', een vreemd'ling hier beneên" (Ps.119:10 ber.). Dat wordt zichtbaar in je leven als er die strijd is met de duivel, met de boze, maar ook die strijd met de wereld. We lezen dat de HEERE tot Abraham gezegd had: "Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal" (Gen.12:1). Hij moest losgeweekt worden uit de hei­den­we­reld.

Zo is het ook met de Kerk van het Nieuwe Testament waarvan ik lees in de Hebreënbrief, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. Hun burger­schap was boven. Zij waren begerig naar een beter, dat is, naar het hemelse vaderland. (Hebr.11:13-16).

 

De duivel en de wereld. Zal ik ook nog iets zeggen over het eigen vlees? We moeten goed begrijpen ge­meente, dat het woord vlees op verschil­lende manieren gebruikt wordt in de Schrift. Het kan dit vlees, dit lichaam betref­fen waarvan de Kerk mag weten dat het ook ge­kocht is, niet met goud of met zilver, maar met het dierbaar bloed van Jezus Christus. Van dat vlees geldt dat het eenmaal opgewekt zijnde aan Jezus Christus gelijk­vor­mig zal zijn.

Maar er wordt in de Schrift ook gesproken over vlees als er de mens der begeerlijkheid, de mens der zonde mee bedoeld wordt. Vlees als de tegenstelling van geest. Vleselijk te zijn bete­kent dan het tegengestelde van geestelijk te zijn. "En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheden des vleses niet. Want het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander" (Gal.­5:16-17).

Wie naar het vlees wandelt is een wereldling, diens overste is niet Jezus Christus, maar de satan. Dat vlees wordt hier bedoeld. Dat vlees, wat zo gemakke­lijk verleid kan wor­den, dat vlees wat zo gemakkelijk be­zwijkt aan de ver­zoeking, waarvan Psalm 119 zingt:

 

     En wordt mijn vlees door 't kwade licht ver­rast,

     Ai, laat het mij toch nimmer overheren" (Ps.119:67 ber.).

 

Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Daar gaat het om die drie doodsvijanden: de duivel, de wereld en het eigen vlees. Wat dat eigen vlees betreft zal ik maar ophouden, ik zal niet teveel ellende ophalen van wat dat vlees van Gods kinderen nog kan doen. Hoe het zichzelf tot schande kan maken, hoe het God tot schan­de kan maken en hoe het de Kerk tot schande kan maken. "Want het vlees begeert tegen den Geest". Dat is het bege­ren waarover Paulus klaagt: "Ook had ik de be­geerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de wet niet zeide: Gij zult niet begeren" (Rom.7:7).

Leid ons niet in verzoeking dat wil zeggen: o God, bewaar mij er voor dat ik de verleiding zelf zou zoe­ken en, wanneer deze zich op mijn weg plaatst, bewaar mij daar dan ook voor.

Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Een praktisch voorbeeld dat ook met het vlees te maken had, zien wij bij Jozef met Potifera. Lie­ver in de gevan­genis, dan in de slaapkamer van Potife­ra. Zo zal het wel duidelijk genoeg zijn, dacht ik.

Verlos ons van den boze. De cate­chis­mus leert ons hoe zwak wij zijn, dat wij niet één ogenblik kunnen be­staan. Door genade kunnen we de Heilige Geest deel­ach­tig zijn en toch nog zo zwak zijn. Jezus Zelf zegt ­tegen de disci­pelen: "Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoe­king komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak" (Matt.­ 26:41).

Ik wil u waarschuwen, gemeente! Mis­schien denkt u sterk te zijn, maar misreken u niet. Misschien gebeurt met ons hetzelfde als met Petrus: "Al werden zij ook allen aan U ge­rgerd, ik zal nim­mermeer ge­rgerd worden" (Matt.26:33). En wie was de eerste die geërgerd werd?

Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Het mag wel dagelijks ons gebed zijn. Wij zijn zo zwak dat we niet eens weten hoe zwak we wel zijn. We hebben misschien nog nooit het gebod over­treden: "Gij zult niet stelen". Maar we zijn mis­schien ook nog nooit echt beproefd geworden door armoede. Dat we echt honger hadden en brood in overvloed zagen. Als wij nooit honger gekend hebben, weten we ook niet of we eerlijk zijn.

Mis­schien verheffen we ons er op, dat we nog nooit het zevende gebod hebben overtreden. Waar komt dat door? Misschien wel omdat God ons beschermd heeft en ons gezegend heeft met een eigen lieve vrouw of lieve man. Ik wil heel prak­tisch zijn ge­meente, en u moet er zich maar niet aan ergeren, want het is wel eens nut­tig.

Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Een vriend ging naar het buitenland, door moeite en armoede gedreven, om de kost te ver­dienen voor zijn gezin. Toen hij binnen twee maanden reeds terug kwam, ging er een hoongelach op in de buurt. Maar waarom kwam hij terug? Vanwege het: Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Hij bezat zelfkennis en Godsvreze. Toen wist hij dat zijn plaats thuis was. Liever armoede in het gezin en eer­lijk voor God, dan een oneerlijk leven door maan­den van huis te zijn.

Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze, want een mens kan soms zo'n deerlijke val ma­ken. "Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle" (1 Kor.10:12). "Die meent te staan", zo staat het in Gods Woord. Petrus meende ook te staan. Maar als Petrus de nodige beproevingen heeft meege­maakt, dan gaat hij wel anders spreken. Dan schrijft hij het zich­zelf niet meer toe dat hij staande is gebleven. O nee, dan gaat hij belijden: "Die in de kracht Gods be­waard wordt door het geloof tot de zaligheid" (1 Pe­trus.­ 1:5).

Omdat we dus zelf zo zwak zijn hebben wij kracht nodig, kracht tot heiligmaking, ook opdat niemand zou roemen. De cate­chismus wijst ons het juiste aan: de kracht van de Heilige Geest. Wil ons toch behouden en sterken door de kracht Uws Heiligen Geestes.

Vergeef ons onze schulden, dat is de rechtvaardigma­king door het bloed van Jezus Christus Gods Zoon dat reinigt van alle zonden. Maar uit Christus' zijde kwam bloed en ook water, dat ziet op de heilig­making door de Geest van Christus, de Geest van heiligma­king, de Heilige Geest. Hoe werkt dat? Dan leren we in de eerste plaats onszelf ken­nen in ons vuile bestaan.

Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Daar­voor hebben we gebeden: En vergeef ons onze schulden. Eigen vuil leren kennen, maar ook iets leren kennen, persoonlijk, van het bloed van Jezus Christus dat reinigt van alle zonden. Dit gebed staat in het stuk der dankbaarheid.

Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Gewas­sen te zijn in het bloed des Lams, daarop volgt het wit wassen van de klederen, niet in eigen kracht, maar in de kracht van de Geest van Jezus Chris­tus. Als je door het geloof iets hebt leren kennen van die reinigma­kende kracht van het bloed van Jezus Christus Gods Zoon, wie zou er dan niet zuinig op zijn, om zichzel­ven onbesmet te bewa­ren van deze wereld?

Wij zijn zo zwak! Daarom spreekt de cate­chis­mus ook over het onderliggen in deze geestelijke strijd en dat is waar. U moet de boeken van Buny­an: De Christenreis en de Heilige oorlog maar eens lezen. Wanneer u uw eigen leven leert kennen, dan zult u ook iets verstaan van dat onder­lig­gen in de strijd, waardoor je vreest geheel en al overmees­terd te worden.

Maar dan spreekt de catechismus ook moedige taal: Wil ons toch behouden en sterken door de kracht Uws Heiligen Geestes, opdat wij in deze geestelijke strijd niet onderliggen, maar altijd sterke wederstand doen. Ster­ke wederstand doen in deze geestelijke strijd.

Weet u wat dat betekent? Dat als we onderliggen, we ons toch niet gewonnen zullen geven­ aan de duivel. Maar dat we terug zullen slaan, dat is ons vlees krui­sigen. Totdat we ein­delijk ten enenmale de overhand behou­den.

Jazeker, u weet toch dat de overwinning op komst is? Door Wie? Door Christus Zelf, Die gekomen is, over­winnende en opdat Hij overwon. Daarom houden Gods kinderen dat zwakke pogen, dat scher­mutse­len toch vol, omdat ze in de strijd wel eens zicht krij­gen ­op die Ruiter op dat witte paard, "Die uitging over­win­nende, en opdat Hij over­won!"

De Kerk zal zelf niet triomferen, maar Jezus Christus, Die getriom­feerd heeft op Golgotha en in de hof van Arimathea, zal eenmaal triomferen en de Kerk met Hem.

Wanneer? Als de satan verdoemd zal zijn, als de wereld door vuur gelouterd zal zijn en als ook het vlees van de Kerk gezuiverd zal zijn in het graf.

Drie doodsvijanden: de satan, de wereld en het vlees. Maar de overwinning is zeker! De satan zal verdoemd wor­den, de wereld zal gezuiverd worden door het vuur en het vlees van Gods Kerk zal gezui­verd worden door het graf.

Hebt u wel eens zin in die totale en die finale overwin­ning door Christus Jezus, Die Zijn Kerk tot mede over­win­naars maakt? O gemeente, wat mag ons gebed dan zijn: Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Dat is eigenlijk meteen een roep: Uw naam worde geheiligd, Uw Koninkrijk kome, Uw wil geschie­de, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde.

Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid in der eeu­wigheid. Gods eer is er mee gemoeid en daarom mag het weleens makkelijk bidden zijn voor de Kerk. Omdat ze het niet alleen voor zich­zelf bidt, maar ook tot eer van God. Want Uwer is het Konink­rijk, en de kracht, en de heerlijk­heid in der eeuwigheid.

We gaan eindigen. Gods kinderen zijn zo rijk, want zij hebben een drieënige God: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Daar tegen­over hebben ze een drie­voudi­ge vijand. Tegenover de Vader staat de satan. Tegen­over Chris­tus staat de we­reld. Tegenover de Heilige Geest staat het vlees. Zo is er een worste­ling gaande in deze we­reld van vlees tegen Geest. Een worsteling en waar ligt dan de kracht? Immers zoeken wij de kracht in de drieënige God. "Ons staat een sterke Held terzij", zingt Maarten Luther. Jaze­ker, een drie­nige God tegenover een drievoudige vijand.

De Vader tegenover de satan en de overwinning is zeker. De Zoon tegenover deze wereld en de wereld heeft Hem gehaat, maar de overwinning is zeker. De Heilige Geest tegenover ons vlees en de overwinning is zeker. Want de kracht voor de Kerk ligt in de drieëni­ge God en in een drievoudige aanroeping van de drie­ënige God, maar ook in een drievoudige aanbidding van de drieënige God. Jazeker, zij die deze strijd ken­nen zullen ook eenmaal met Christus triomferen. En bij vooruitbe­taling zingen ze het hier wel eens drie­voudig: het Ko­ninkrijk, de kracht en de heerlijkheid zij de drieënige God!

Die drievoudige doxologie, die drievoudige aanbid­ding waar we de volgende keer over willen preken: Want Uwer is het Konink­rijk, o Vader! Uwer is de kracht, o Zoon! Uwer is de heerlijkheid, o Heilige Geest, tot in der eeuwigheid!

God gaat Zijn Kerk volmaken. Wat zeg ik? God gaat alles volma­ken totdat Hij zal zijn alles en in allen. Totdat geheel weggedaan zal zijn wat God mishaagt en totdat geheel  bijeenvergaderd zal zijn wat God be­haagt. We gaan de tijd tegemoet, geliefde ge­meen­te, de herschepping waarin het duizendvoudig zal klinken: Ere zij de Vader, ere zij de Zoon, ere zij de Heilige Geest, als in den beginne, nu en immer en tot in der eeuwen eeuwigheid. De overwin­ning is zeker: in God. AMEN.