Zondag 52. Vraag en antwoord 128 - 129

                                         ZONDAG 52

                               Vraag en antwoord 128-129

 

         Psalm    122 : 1

         Psalm      20 : 3

         Psalm    145 : 1,2

         Psalm    145 : 5

         GDH             : 9,10

         1 Kor.      15 : 20-58

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in 1 Korinthe 15 : 24 - 25

 

Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Ko­ninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht.

Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijan­den onder Zijn voeten zal gelegd heb­ben.

 

Onze catechismus voor vanavond is zondag 52, vraag en antwoord 128 en 129

 

128. Vr. Hoe besluit gij uw gebed?

Antw. Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijk­heid in der eeuwig­heid.

Dat is: Zulks alles bidden wij van U, daarom, dat Gij, als onze Koning en aller dingen machtig, ons alles goeds te geven den wil en het vermogen hebt, en dat alles, opdat daardoor niet wij, maar Uw heilige Naam eeuwig­lijk gepre­zen worde.

129. Vr. Wat beduidt het woordeken: Amen?

Antw. Amen wil zeggen: Het zal waar en zeker zijn. Want mijn gebed is veel zeker­der van God ver­hoord, dan ik in mijn hart gevoel dat ik zulks van Hem begeer.

 

Geliefde gemeente, het geeft altijd weer enige wee­moed wanneer zondag 52 voor ons opengeslagen ligt. Dan ligt er toch weer een hele periode achter ons. Wan­neer zondag 52 opengeslagen ligt, is dat zo iets als Heidel­berger oudejaarsavond. Onwillekeurig ziet men terug op het Heidelberger jaar dat geweest is. Het is ook met dankbaarheid dat we terug mogen zien. Calvijn zegt van de prediker dat hij drie genaden nodig heeft. De eerste genade is om te begin­nen, de tweede ge­nade om voort te mogen gaan en de derde gena­de om op te mogen houden, te mogen eindigen.

Zo zijn we met elkaar gekomen aan het einde van de catechismus. En ik zou haast zeggen, ook een hoor­der heeft drie genaden nodig, de genade om te mogen luisteren in het begin, de genade van de voort­gang en ook de genade om te mogen eindigen in God.

Wat is het heerlijk een catechismus te hebben, gemeen­te! Wat een heerlijk onderwijs ligt er in beslo­ten, want daar komt het toch maar op aan. Niet de kennis met ons verstand zal ons zalig maken, maar de geestelijke kennis zal ons zalig maken. O, onderschat dat niet, want Jezus heeft immers gezegd: "Dit is het eeu­wige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Chris­tus, Dien Gij gezon­den hebt" (Joh.17:3). Ook Psalm 119 zingt er over wat we nodig hebben om be­houden te worden: "Ver­stand van God en godde­lijke za­ken" (Ps.119­:52 ber.).

Nu is het laatste gedeelte van de catechismus het gebed ge­weest en het laatste gedeelte van het gebed is een soort dankzegging. Daarom zouden we ook van het bidden kunnen zeggen, dat bidden een drievou­dige genade van God is. De genade om te mogen beginnen, de genade om iets te mogen vragen en de gena­de om te danken, de genade om amen te mogen zeggen.

Wat een wonder is dat bidden toch! Wat heeft de Heere Jezus Christus Zelf koste­lijk onder­wijs gegeven in het Onze Vader, Die in de hemelen zijt. We hebben toch immers gevoeld dat bidden als het ware opklimmen is tot God. Uw Naam worde gehei­ligd, Uw Ko­ninkrijk kome, Uw wil geschiede gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde.

Bidden is als het ware opklimmen naar de eeu­wigheid. Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heer­lijkheid in der eeuwigheid. Hebt u opge­merkt ­dat het laatste gedeelte van het ge­bed, van het Onze Vader eigenlijk hetzelfde is als het begin? Dat stemt met elkaar overeen: Uw Naam worde gehei­ligd, Uw Konink­rijk kome, Uw wil geschie­de. Het begint met God en het eindigt in God. Het vloeit uit God en het keert tot God.

Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heer­lijkheid in der eeuwigheid. Ik heb er de aandacht al op gevestigd dat het daarin met name ook gaat om de drieënige God, in dat drievoudige besluit van het gebed: Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid.

Welk een genade wanneer we eens op de knieën mogen komen. Kent u de moeite, de worsteling van het gebed? Ik vraag u ook: kent u de vreug­de van het gebed? De vreugde, wanneer we de genade kennen van het knie­len voor God, de genade woorden te hebben of juist geen woorden meer te heb­ben, maar een hart dat zich uitstort voor God.

Dan gaat het nu over de genade om eens een keer uitgebe­den te zijn. Inderdaad! In het Onze Vader is de Kerk uitgebe­den. Na het: Geef ons heden ons dagelijks brood. En vergeef ons onze schulden. En leid ons niet in verzoe­king maar verlos ons van den boze. Wat een genade om op de knieën te komen, maar wat een gena­de om ook eens op te rijzen onder het gebed, om tot de dank­zegging te komen: Want Uw is het Konink­rijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwig­heid. Zoiets noem je een doxologie, dat is net zo iets als het: Ere zij God in de hoogste hemelen. Het is een wonder wanneer een zondaar iets van de zalig­heid in zijn hart gevoe­len mag, omdat God een zondaar zalig spreekt. Maar wat is het een wonder, een doxologie, wanneer een mens God zalig spreekt. Dat is een magnifi­cat: mijn ziel maakt groot den Heere!

Wat een genade om iets te vragen, om iets te smeken te hebben. Maar wat een genade om ook eens iets te danken te hebben voordat het amen uitgespro­ken is. Daar zit iets in van de eeu­wigheid waar­voor de Kerk uitverko­ren is, om vervuld met God, God te prijzen tot in der eeu­wigheid.

Het is zo heerlijk: Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Daar valt de mens helemaal buiten, want dat gaat niet over een mens, maar dat gaat over God. Want Uw is het Konink­rijk! Natuurlijk, het is genade om te mogen bid­den, om te mogen zingen in de diep­te:

 

     'k Ben, door Uwe wet te schenden,

     Krom van lenden,

     Vol van druk, benauwd van hart (Ps.38:6 ber.).

 

Het is heerlijk als het een lofpsalm mag zijn: "Welza­lig hij, wiens zonden zijn vergeven" (Ps.32:1 ber.). Maar dit is van geheel andere orde: Want Uw is het Konink­rijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwig­heid. Dat zijn de eerste regels van het nieuwe gezang dat de triomferende Kerk eenmaal boven zal zingen. Dat zijn de zaligste ogenblikken van het ziele­leven.

Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heer­lijkheid in der eeuwigheid. Wanneer een arme zondaar de drieënige God: Vader, Zoon en Heilige Geest gaat prijzen. Ere zij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, als in den beginne, nu en immer en tot in der eeuwen eeuwigheid.

Het is niet het gezang der wijzen en verstandigen, het is het gezang dat God Zijn kinde­ren leert, niet bij uitwendig licht. We leren het in de situatie van de waarachtige vrede en de waar­achtige vreugde in ons hart. De Kerk heeft momenten dat ze niet blij hoeft te doen, maar dat ze verblijd mag zijn. Ze hoeft geen vreug­de te forceren als er iets van de hemelse vreug­de in het hart af­daalt. Dat zijn we ook in de cate­chis­mus al tegen­gekomen: Dat ik nu reeds het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart ge­voel (HC.22 antw.58).

Daarom mag de Kerk zingen: Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Dat is iets waarvan ze niet hoeft te fluis­teren, ze mag het uitju­belen: Want Uw is het Konink­rijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwig­heid. Dat zijn van die ogenblikken dat we eens even van onszelf verlost zijn, van ons eigen ko­ninkrijk, van ons eigen ko­ning­schap.

Dat zijn zalige ogen­blikken van zielsvernedering, ziels­vernedering zonder pijn. Waarom? Omdat het die ogen­blikken zijn dat een arme zondaar God prijst vanwege de vrije genade. God prijst, om eeuwig schuldenaar te zijn aan vrije genade. Daar zit een stukje verlossing in: Uwer is het Konink­rijk. Dat is eens een ogenblik ge­heel vrijwil­lig de kroon afleg­gen die we zelf in het paradijs hebben opgezet. Dat is eens eventjes verlost te zijn van ons eigen hoogmoedi­ge 'ik'. Dat is wanneer we Paulus na mogen spreken: "Ik ben met Christus ge­krui­st; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij" (Gal.2:20).

Uwer is het Koninkrijk, dat wordt niet slechts uit het geloof gezon­gen, maar uit het welwezen van het geloof. Zelfs de zonen van Zebedéüs waren nog twistende over een Konink­rijk dat ze hier op aarde wilden hebben. De een wilde ter rechter- en de ander ter linkerhand zitten, om de meeste te zijn in het Koninkrijk Gods.

Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heer­lijkheid, dan leggen we ons eigen koninkrijk en onze eigen kroon neer aan de voeten Gods. Dat zijn ogenblikken dat we even mogen zijn, wie we zijn: arme, dwaze zondaren. Dat zijn die ogen­blik­ken dat je maar één begeerte over hebt: ster­ven aan jezelf. Ik zeg het niet om grof te zijn, maar wel om duide­lijk te zijn: dood te vallen aan je­zelf, aan de voeten van Jezus Christus. Zoals ik dat ook lees van Zijn dienst­knecht: "En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten" (Openb.1:17).

Uwer is het Koninkrijk. Dat gaat tegen onze natuur in. Maar aan de andere kant, wat kun­nen er ogenblikken zijn van zoete vreugde en zoete vrede wan­neer dat Godsrijk een ogenblik over­heer­sen mag in ons leven. Of hebt u dat nooit, dat u zo moe bent van uzelf en dat u zo moe bent van uw hoog­moed, dat u zo moe bent van uw ijdel­heid. Wat bedoel ik nu? We­reldse hoogmoed of wereldse ijdelheid? Nee gemeente, ook die geestelijke religieuze hoogmoed, die geeste­lijke ijdel­heid. Wat kan het heerlijk zijn om dat eens een ogen­blik af te mogen leggen aan Gods voeten. Om een ogenblik te mogen jubelen: Want Uw is het Koninkrijk en de kracht tot in der eeuwen eeuwig­heid.

 

De kracht wordt ook aan God toegebeden. Er gaat hier een stukje eeuwigheid open, een stukje eeuwigheid waarvan we ook gelezen hebben in 1 Korinthe 15. Wat hier in beginsel ge­schiedt in onze harten dat zal eenmaal volmaakt zijn als Christus alles aan Zijn voe­ten gelegd zal hebben. Als alles aan Christus on­derwor­pen zal zijn, de machten, de krachten en de heer­schappijen, en Hij het Koninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven hebben. Dan zullen we het ook kunnen zeg­gen: Want Uw is het Koninkrijk, maar ook de kracht, en de heerlijkheid in der eeuwig­heid.

Het gaat in deze lofzegging in het Onze Vader, om de eeuwigheid die komt, om het allesvervullende van God.

Want Uw is het Koninkrijk en de kracht. De kracht is de innerlijke power. Dan pas is dat Koninkrijk voor de Vader geheel en al, wanneer ook de kracht van dat Konink­rijk tot God gekomen zal zijn. Dat is de kern van het Konink­rijk, dat is de pit van het Ko­nink­rijk, de kracht, de heerschappij en de macht.

"Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben". Om dan zelf maar stof te zijn wat Hij voe­gen kan naar Zijn welbehagen.

Want Uw is het Koninkrijk en de kracht. Daar zit iets heerlijks in van de eeuwigheid die komen gaat. Daar zit iets in ­van de onge­stoorde en onver­stoorde kracht van God, Die eenmaal de hemel en de aarde ge­scha­pen heeft uit niets. Een hemel en een aarde die tot God de Vader worden teruggevoerd door de Zoon, zoals be­schreven in 1 Korinthe 15. Wanneer de Zoon het Ko­ninkrijk over zal geven aan God de Vader en de Zoon Zelf ook onder­worpen zal zijn, totdat God zal zijn alles en in allen. Dan zal niet alleen dat Ko­ninkrijk krachtig zijn, maar wat zal de Kerk dan ook krachtig zijn, wanneer God zal zijn alles en in allen.

 

We moeten maar weer wat verder gaan: Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid. Dat laatste gemeente, de heerlijk­heid, dat wijst op iets heel bij­zonders. Dat woordje heerlijkheid in de Neder­landse taal betekent zoveel als: het smaakt lek­ker of het is verrukkelijk. Maar als de Schrift spreekt over de heer­lijk­heid, dan gaat het om de god­delijke heerlijk­heid die nooit tegenvalt, die nooit be­driegt, maar die altijd nog zal aanzwellen, zal aangroeien, zal intensive­ren.

Wat wordt er bedoeld met die heerlijkheid? Die heer­lijkheid dat is ten diepste God Zelf. We lezen van die heerlijkheid in het Oude Testament, als ­een wolk die des daags Israël bescha­duwde tegen de hitte en des nachts be­schermde tegen de koude. Dat is de gunst van God, dat is de goedheid van God, dat is de victo­rie van God, Zijn heerlijkheid. Die heer­lijkheid is eigen­lijk niet te om­schrijven. We kunnen wel een plaats noemen waar die heerlijkheid van God eenmaal zicht­baar is ge­weest. Waar? In het heilige der heiligen waar niemand binnen gaan mocht vanwege die heerlijk­heid. Men zegt dat het voor­hangsel heel erg dik was, want nie­mand kon God zien en leven.

Want Uw is de heer­lijkheid! Er is een eeu­wigheid op komst waarin God Zelf de heer­lijkheid zal zijn. Wat wil dat zeggen dat God de heerlijkheid zal zijn tot in der eeuwigheid voor Zijn verloste Kerk? Ik kan dat alleen maar in een beeld zeggen van het nieuwe Jeru­zalem dat geen licht nodig zal hebben van de zon of van de maan, want God Zelf zal haar verlichten. Dat zal een tast­bare heerlijkheid, een voelbare heerlijk­heid, een zichtbare heer­lijkheid zijn tot in der eeu­wig­heid.

Ik weet nog iets. God heeft Zich verheerlijkt, niet alleen in het Evangelie, in Jezus Christus, maar God heeft Zich ook verheerlijkt in de wet. Als God Zijn heerlijkheid open­baart in het schen­ken van de wet, dan absorbeert Mozes' aangezicht de heerlijk­heid Gods. Zodat zijn aange­zicht zodanig glansde, dat hij er een sluier voor moest doen, omdat het volk Israël anders niet op Mozes, de be­dienaar van het Oude Testa­ment, kon zien. Hoe dacht u dat stra­ks die heerlijkheid zal zijn voor de verloste Kerk?

 

     Hun blijdschap zal dan, onbepaald,

     Door 't licht, dat van Zijn aanschijn straalt,

     Ten hoog­sten toppunt stijgen (Ps.68:2 ber.).

 

Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heer­lijkheid. De mens is geschapen als beelddrager Gods. Dat wil zeggen: God had de mens als een spiegel ge­maakt. Wanneer God de mens eenmaal herschep­pen zal in onver­derfelijkheid en in onsterfelijkheid, dan zal hij in Christus dat beeld Gods weer gaan vertonen, hij zal dat weerspiege­len.

Nu heb ik het niet over de eigenschappen van dat beeld Gods: kennis, gerechtigheid en heiligheid. Maar beelddrager Gods te zijn, zal straks voor de verloste Kerk betekenen, dat ze weer spiegels zullen zijn en dat de eeuwige God Zijn Gods­glans in die spiegels, in Zijn verloste Kerk zal laten schijnen. Dat licht zal terug­gekaatst worden tot in der eeu­wen eeuwigheid. Zoals Paulus ons geleerd heeft, dat we "in gedaante veran­derd worden, van heerlijk­heid tot heerlijk­heid, als van des Heeren Geest" (2 Kor.3:18).

Het gaat om een Godsrijk dat God in deze bedeling wegschenkt in de weg van het geloof. Zo'n reëel Gods­rijk dat het eenmaal niet meer zal zijn geloven, maar aan­schouwen, heb­ben en bezitten in de kracht Gods tot in der eeuwen eeuwigheid.

Wat gaat het toch om een heerlijke zaak! De bidder heeft gebeden: Uw Naam worde geheiligd, o Vader. Uw Koninkrijk kome, o Vader. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde. Aan het einde van het gebed mag die bidder zingen: Want Uwer ìs het Ko­nink­rijk, want Uwer ìs de kracht, want Uwer ìs de heer­lijk­heid. Daar zit ook iets in van onverder­felijk­heid, iets dat niet missen kan. Wanneer het gebed waarlijk een opklimmen is tot God, e­en opklimmen tot de eeuwigheid, dan komt er ook ze­ker­heid in het bid­den. Dan gaat het niet meer over 'misschien'. Mocht dat Konink­rijk nog eens komen, mocht die kracht nog eens komen en mocht die heerlijkheid nog eens komen. Dan gaat het zelfs in de eigen zalig­heid niet meer over: mis­schien­ mocht ik daar nog eens in delen. Wan­neer bid­den is: opklim­men tot God, wanneer bidden is: op­klimmen tot de eeuwig­heid, dan komt er ook zeker­heid. De zekerheid zoals in antwoord 128 reeds verklaard wordt, dat God machtig is alles te geven, dat God gewillig is alles te geven. Dat Hij het vermogen heeft alles te schenken wat wij nodig hebben.

Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heer­lijkheid. Het ligt in God om ons te schenken onder­danen van dat Koninkrijk te zijn, om Hem dat Konink­rijk te schenken, om Hem de kracht toe te kennen, om Hem in heerlijkheid te verheerlijken tot in der eeu­wigheid. En dat alles, opdat daardoor niet wij, maar Gods heilige Naam eeuwiglijk geprezen worde.

 

Wat beduidt het woordeken: Amen? Wanneer het gebed dan zo mag eindigen: Want Uw is het Ko­ninkrijk en de kracht en de heerlijk­heid, dan is dat woordje amen een hele dankzegging op zich. Dat betekent naar zijn uiterlijke zin: het zal waar en zeker zijn. Ik meen dat ik het u wel eens uitge­legd heb dat het woordje amen corres­pon­deert met: Amar Jahweh, "Zo zegt de HEE­RE" (Jer.11:3). En: Amen Jahweh, zo vin­den we het ook letterlijk in Jere­mi­a 11:5, is daar het antwoord op, dat betekent: "Amen, o HEERE!" Ik heb het ver­staan, ik geloof HEERE, het zal waar en zeker zijn.

Want mijn gebed is veel zekerder van God verhoord, dan ik in mijn hart gevoel dat ik zulks van Hem be­geer. Geweldig! Wist u dat het geloof weleens boven het gevoel uit mag stij­gen? Veel zeker­der van God verhoord, dan ik in mijn hart ge­voel, dat ik zulks van Hem begeer. Wat een zalige zaak gemeen­te, om amen te mogen zeggen! Het is als het ware naspre­ken wat God gezegd heeft. Bidden is ook zo'n heerlijk voorrecht. We mogen weten van een Hoge­pries­ter Die altijd biddende en dankende is voor het aange­zicht van de Vader. Daar ligt de grond, daar ligt de vast­heid, dat wij veel zekerder door God ver­hoord zijn, dan dat wij in onze harten gevoe­len dat we zulks van Hem begeren.

O gemeente, de Zoon is eeuwig pleitende voor de Vader, als de biddende en dankende Hogepriester. Maar de Kerk mag ook door genade de Heilige Geest ontvangen, Die voor ons zucht met onuit­sprekelijke zuchtin­gen. O, dan valt mijn bidden weg, dan valt mijn smeken weg, dan valt mijn zuchten weg. Dan ligt het in God Zelf, in de Vader des welbe­hagens. In Jezus Christus de Hoge­priester en in de Heili­ge Geest. Want mijn gebed is dan veel zeker­der van God ver­hoord, dan ik in mijn hart gevoel.

Uw Naam worde geheiligd, Uw Koninkrijk kome, Uw wil geschiede gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde. Ja gemeente, amen zeggen dat betekent ook even in de hoop te staan, even in het geloof te staan dat het vast en zeker komt. Uw Koninkrijk, Uw kracht, Uw heerlijk­heid komt zeker! Het zal niet feilen, het zal niet falen, want het heeft zijn vastheid niet in ons, maar in de drie­nige God Zelf. Die Zichzelf zal verheer­lijken in eeu­wig­heid.

Ere zij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, als in den begin­ne, nu en immer, en tot in der eeuwen eeu­wigheid. AMEN.