Zondag 22 - De Kerk en hare weldaden na dit leven - prof. P.J.M. de Bruin

Zondag 22

De weldaden der Kerk na dit leven.

PROF. PJ. M. DE BRUIN, APELDOORN

Ps 111:

Ps 73:12

Ps 16:3,6

Ps 22:13

Ps 17:8

1 Kor. 14: 35-58

“Het is tevergeefs God te dienen. Want wat nuttigheid is het, dat wij Zijn wacht waarnemen? En dat wij in het zwart gaan voor het aangezicht van de Heere der heirscharen? En nu, wij achten de hoogmoedigen gelukzalig. Ook die goddeloosheid doen worden gebouwd, ook verzoeken zij de Heere en ontkomen”. Eeuwen, geliefde gemeente, zijn er verlopen, sinds die klacht door de tijdgenoten van Maleachi werd uitgesproken en hoe menigmaal wordt zij ook in onze tijd nog herhaald.

Immers de beker der beproeving gaat gelijk rond en zowel zij, die aan de feestdis van de wereld aanzitten, als zij die zich afzonderen om in de eenzaamheid God te dienen, drinken uit de drinkbeker van de smart en gaan gebukt onder het kruis van het lijden. Dezelfde kerker, die een misdadige hoveling huisvestte, werd ook geopend om de godvruchtige Jozef uit de samenleving te onttrekken. Dezelfde woestijn waarin de lichamen der ongehoorzamen gevallen zijn, bood ook aan Aäron en Mozes een graf en de smartelijke dood der steniging trof zowel Achan, die van het gebannene gestolen had, als de voortreffelijke Stéfanus, een man vol des geloofs en van de Heilige Geest.

Wat nuttigheid is het God te dienen? Zo zouden wij in onze kortzichtigheid haast uitroepen, als wij zien hoe ziekte en dood, zowel de godvrezende Lazarus als de goddeloze Herodes treffen.

Menigmaal zelfs moeten Gods kinderen het diepst door het lijdensdal en veel wederwaardigheden zijn het lot van de rechtvaardigen, terwijl zij die goddeloosheid doen, worden gebouwd. Daarom is het zo te verstaan, dat zelfs de Asaf tot zulke verkeerde gevolgtrekkingen komt, als hij gaat zien op de voorspoed der goddelozen. Dan glijden zijn voeten bijna uit op het pad der godsvrucht en hij acht zichzelf veel ongelukkiger dan de goddelozen, die niet in moeite zijn als andere mensen.

Maar nee, zo oordeelt niet het hart dat nabij God verkeert en in het heiligdom mag ingaan. Dan let het oog van Asaf op het einde van de goddelozen en dan ziet hij hoe ze van de top van eer, in eeuwige verwoesting neerstorten. Ja, dan ziet hij eerst recht wat nuttigheid het is God te dienen en Zijn wacht waar te nemen en dan roemt hij in het heiligdom. Niet in zichzelf, daar hij zich een groot beest bij God acht, maar dan roemt hij in de weg des Heeren met zijn gunstgenoten en verstaat hij het geluk van de oprechten als hij zingt: “Gij zult mij leiden door uw raad en daarna in heerlijkheid opnemen”. In heerlijkheid opnemen! Ziedaar het lieflijk onderwerp, waarover wij thans hebben te handelen. Dat onderwerp laat zo helder uitkomen, hoe groot het verschil is tussen degenen, die hier de wacht des Heeren waarnemen en zo dikwijls in het zwart gaan en zij, die daar roepen: “Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij!” Ja, dan mogen wij met Maleachi zeggen: “Dan zult gijlieden wederom zien het onderscheid tussen de rechtvaardige en de goddeloze, tussen dien, die God dient en dien, die Hem niet dient”,

Moesten wij nu bij dit onderwerp bouwen op vermoedens en gissingen, op inzichten en bespiegelingen van mensen, ach hoe arm zou dan onze stof zijn. Maar wij hebben een heldere fakkel, die ons pad verlicht, het eeuwig blijvende Woord van God, dat ons wijst op de grote heerlijkheid, welke de Heere heeft weggelegd voor allen die Hem vrezen en op Zijn goedertierenheid hopen, zodat dan ook de Kerk des Heeren belijdt:

“lk geloof de wederopstanding des vleses en een eeuwig leven".

 

1 Korinthe 15 : 53, 54.

„Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden, dat geschreven is : De dood is verslonden tot overwinning".

 

Zondag 22

 

VRAAG 57. Wat troost geeft u de opstanding des vleses?

ANTWOORD. Dat niet alleen mijn ziel na dit leven van stonde aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden, maar dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, wederom met mijn ziel verenigd, en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden.

VRAAG 58. Wat troost schept gij uit dit artikel van het eeuwige leven?

ANTWOORD. Dat, nademaal ik nu het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart gevoel, ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal, die geen oog gezien, geen oor gehoord heeft, en in geen mensenhart opgeklommen is, en dat, om God daarin eeuwiglijk te prijzen.

Het zal u niet onbekend zijn, gemeente, wat wij te verstaan hebben onder de gulden keten des heils. Het is de opsomming van de grote genadeweldaden, die de Apostel Paulus ons voor ogen stelt in de brief aan de Romeinen, als hij zegt: “Die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd het beeld Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de eerstgeborene zij onder de broederen. En die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd, en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt”!

Welk een reeks van genadeweldaden worden hier door de Apostel genoemd, als hij hier spreekt van de eeuwige verkiezing van Gods gunstgenoten en van hun roeping, rechtvaardigmaking en heiligmaking, wat voleindigd wordt in de heerlijkmaking. En niet alleen laat Paulus ons zien hoe talrijk die weldaden zijn, maar hij verbindt ze ook aan elkaar en maakt er een keten van, waarvan iedere schakel weer aan de andere onverbreekbaar verbonden is.

Men kan niet de ene genadeweldaad bezitten en de andere missen. Men kan geen geroepene zijn en in de weg der zonde blijven voortwandelen of een gerechtvaardigde en toch van de eeuwige heerlijkheid verstoken blijven. Nee, Hij die het goede werk in de Zijnen begonnen heeft, zal het ook voortzetten en voleindigen tot op de dag van de Heere Jezus Christus. Die hier aanvankelijk geroepen is uit de duisternis en overgezet in Gods wonderbaar licht, mag terugzien op de vrije gunst die eeuwig de Heere bewoog, maar ook vooruitzien op het zalig hemelleven, dat eenmaal zoo onverdiend geschonken zal worden.

Die hier op aarde door de Zoon van God vergaderd is tot Zijn Kerk en behoren mag tot die vergadering van gelovigen, gewassen in het bloed des Lams, al zijn zaligheid verwachtende van de Heere Jezus Christus, is niet alleen een levend lidmaat der Kerk, maar zal het ook eeuwig blijven. Dat is ons voorgesteld in Zondag 21 van de Heidelbergse Catechismus.

Thans hebben wij Zondag 22 opgeslagen en daarin wordt gesproken van de weldaden der Kerk na dit leven. Wanneer wij alleen in dit leven op Christus waren hopende, zo waren wij de ellendigste van alle schepselen. Maar nee, de hoop van de Christen strekt zich uit over de dood. Daarom gaan wij heden spreken over:

DE WELDADEN VAN GODS KERK NA DIT LEVEN

en wij worden dan achtereenvolgens bepaald bij:

  1. EEN AANVANKELIJKE ZALIGHEID
  2. EEN VOLKOMEN ZALIGHEID,
  3. EEN ONUITSPREKELIJKE ZALIGHEID.

 

 

“Wat troost geeft u de opstanding des vleses?" Aldus lezen wij in vraag 57. Het antwoord hierop door de onderwijzer gegeven is, wanneer wij het nauwkeurig beschouwen, een dubbel antwoord, waar niet alleen gesproken wordt in dat antwoord van de opstanding op de jongste dag, maar allereerst van het voortleven van de ziel, welke van stonde aan bij Christus zal wezen. Allereerst toch zegt antwoord 57: “Dat mijn ziel na dit leven van stonde aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden”. Dit antwoord wijst op:

1.      Een aanvankelijke zaligheid

Namelijk de zaligheid van de ziel, terwijl het lichaam van Gods kinderen nog niet in de zaligheid deelt. Dat lichaam wordt aan de schoot der aarde toevertrouwd en rust in het kille graf tot de morgenstond der opstanding. De bedreiging op de overtreding van het proefgebod: “Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren”, wordt dan aan ons lichaam vervuld. Eerst als de jongste dag zal zijn aangebroken, wordt ook dat stof weer opgewekt. Doch over die weldaad spreekt het begin van antwoord 57 nog niet. Het spreekt vooraf van de verwachting van de gelovigen voor hun ziel, om dan daarna te behandelen wat ook het lichaam te wachten heeft. Die ziel nu wordt van stonde aan, dat is, in dezelfde stonde, waarin zij scheidt uit het lichaam, opgenomen tot haar Heere en Zaligmaker. Dit geldt echter alleen de zielen van hen, die de Heere Jezus als hun Verlosser kennen. Zij die hier leefden in de zonde en geen lust hadden in de kennis van 's Heeren wegen, zullen in die weldaad niet delen. Maar toch, hun zielen blijven leven. Ook zij zullen terstond bij hun hoofd zijn, dien zij gewillig op aarde gediend hebben. Wat zij gezaaid hebben, zullen zij maaien. Hunne ziel leeft voort in de rampzaligheid en ondervindt dan eeuwig de toorn des Heeren. Het kan ook niet anders, wanneer wij luisteren naar wat Gods Woord hiervan zegt. “Het is de mens gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel”.

Het is dus zeker dat na de dood de ziel blijft voortleven. Zelfs al zou de Heilige Schrift hiervan niets zeggen, toch zou de mens hiervan zich bewust zijn. Ieder mens heeft een ingeschapen Godskennis, een kennis van God uit de natuur. Zo ook heeft de mens een ingeschapen indruk, dat het met de mens niet is afgelopen als de dood tot hem komt. God heeft de eeuw, dat is de eeuwigheid, in zijn hart gelegd, zegt de Prediker. Vandaar dat bij alle volken een eeuwigheidsbesef wordt gevonden. De mens, de ongelovige vrijdenker, mag zich trachten wijs te maken dat met de dood alles ophoudt, en dat hij, gelijk het dier, geen bestaan meer heeft, de consciëntie getuigt er tegen. In het uur van het sterven kan de doodangst hem aangrijpen bij de gedachte, die hij toch maar niet wegwerpen kan, dat er na de dood een God des oordeels is. Sla slechts een blik op de leer van heidense volken. De grijze oudheid getuigt ervan welk een eeuwigheidsbesef er bij die volken leefde. Hun doden begiftigen zij met allerlei voorwerpen om mee te nemen op reis naar de onderwereld. En zij stellen zich die gestorvenen voor als geesten, die soms de levenden omringen. Vandaar die geestenverering bij de heidenen. Onze vaderen dachten zich de doden in het Walhalla waar zij feest vierden en dronken uit de schedels van hun vijanden. De oude Grieken en Romeinen tonen het in hun heidense geschriften, hoezeer zij verwachten een gelukzalig voortleven voor hen, die een deugdzaam leven hadden geleid. Door dat geloof in de onsterfelijkheid van de ziel sprak de heidense Socrates van een leven na dit leven. En hij dronk koelbloedig de gifbeker leeg in het vooruitzicht van een eeuwige toekomst.

Wat nu echter de heidenen slechts geloofden uit een aangeboren eeuwigheidsbesef, dat weet het kind van God uit Gods onfeilbaar getuigenis. Het is de zalige hoop van het eeuwige leven, die hem doet uitzien met blij verlangen naar de rust, die er overblijft voor het volk van God.

Oud Israël leefde reeds in het vooruitzicht van die aanvankelijke zaligheid. Hoe menigmaal lezen wij niet in het Oude Testament de bijzondere uitdrukking: ‘Verzameld te worden tot zijn volken’, waarin de gedachte van een elkander ontmoeten na dit aardse leven zo hoopvol wordt uitgesproken. Wij hebben slechts te luisteren naar de roemtaal van Job, die het zich zo heerlijk bewust is, dat Zijn ogen de Heere zullen zien en niet een vreemde, wiens nieren zeer verlangen in zijn schoot. De geloofstaal van vader Jacob op zijn sterfbed bevestigt het niet minder waar zijn geloofsoog naar Boven is gericht en hij uitroept: “Op uw zaligheid wacht ik, o Heere!” En wat ziet David te midden van zijn strijd reeds een aanvankelijke zaligheid als hij in psalm 17 zingt van dat blijde vooruitzicht, verzadigd te worden met Gods deugdenbeeld. Dan zal hij straks als de doodsengel komt niet vrezen, want hij weet het, dat hij ontwaken zal in de eeuwigheid om daar Gods lof te ontvouwen.

U hoort het, geliefden, de gelovigen onder het oude verbond zagen die zaligheid van de ziel zo zeker tegemoet. Asaf mag dan bijna met zijn voeten uitglijden op het pad der godsvrucht, als hij in het heiligdom Gods mag ingaan door het geloof, dan zingt hij van de komende heilsverwachting: “Ik zal dan gedurig bij u zijn. Gij hebt mijn rechterhand gevat, Gij zult mij leiden door uw raad en daarna in heerlijkheid opnemen”.

Nee, daaraan twijfelt de Kerk des Heeren niet, omdat zij gelooft in het Woord van haar Koning: “In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen, Ik ga heen om u plaats te bereiden”. Die zaligheid wordt door de Heere Jezus voorgesteld als een maaltijd, een bruiloft des Lams, waar volle verzadiging der ziel wordt genoten, zij is een ingaan in de vreugde des Heeren. Een ingaan in het Paradijs Gods, zoals de Heiland aan de bekeerde kruiseling verzekerde: “Heden zult Gij met Mij in het Paradijs zijn”.

Het is of hier de getuigenissen van de Apostelen zich vermenigvuldigen. Wij zien een Johannes ons heenwijzen met uitgestrekte hand naar het nieuwe Jeruzalem, welks poorten paarlen en welks straten van goud zijn. Wij zien in onze gedachten de stad zonder tempel, verlicht door het Lam Gods, dat als een kaars heel de Godsstad verlicht. Wij horen daarbij een Paulus roemen: “Want wij weten, indien onze aardse tabernakel verbroken wordt, wij een huis hebben, niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemele”. Ja, dan is het te verstaan, dat deze zelfde Apostel het zo innig begeert ontbonden te worden en met Christus te zijn, want dat is verre weg het beste. Hoe groot toch is reeds die aanvankelijke zaligheid! Het lichaam deelt er nog niet in, maar de ziel is dan bij de Heere Jezus, Die zij reeds op aarde zo onuitsprekelijk heeft liefgehad. Was het hier de begeerte van het godvruchtige hart om de Koning in Zijn schoonheid te aanschouwen, en mocht dat wel eens een ogenblikje door het geloof worden genoten, nu ziet ze haar Koning met Zijn doorboorde handen en voeten als haar Borg en Middelaar, die al haar zonden heeft gewassen in Zijn bloed.

O zaligheid, o zaligheid! Wie zal uitspreken hoe groot zij zal zijn? Dan geen lichaam der zonde meer, dan geen verdorven hart meer, dan geen ongeloof meer dat de ziel doet schudden en beven, maar dan verlost en geestelijk werkzaam in stoorloze zaligheid. Wat zal dat een ontmoeten zijn, volk des Heeren. Dan gaat u in door de poorten der eeuwigheid. Dan ontmoet u ze, die u reeds zijn voorgegaan, zo vele lieve broeders en zusters, met welke gij hier reeds gemeenschap der heiligen hebt geoefend. Misschien zijn er reeds van uw zaad voorgegaan, die de Heere wegnam vóór de dag van het kwaad. Dan verenigd met de Apostelen en Profeten, met heel die schare van verlosten, die de palmtak der overwinning dragen.

Men heeft wel eens gevraagd, of Gods kinderen elkaar daar herkennen zullen. Wij willen die vraag met een wedervraag beantwoorden. Wat dunkt u, zal de zaligheid daar kleiner zijn dan die welke in de strijdende Kerk hier op aarde gesmaakt wordt? Immers nee, zoo hoor ik u zeggen. Welnu als dan hier reeds zoveel blijdschap wordt gesmaakt als zonen van hetzelfde huis na langen tijd elkaar weer mogen ontmoeten, zal dan die blijdschap in de hemel ontbreken? Juist dat zal de blijdschap zo groot maken als de gezaligden er telkens zien binnentreden, die zij op aarde reeds gekend hebben, ja gekend hebben als vijanden van God, en nu door genade vernieuwd ook de kroon der zaligheid ontvangen. Wat moet dat wel voor Hiskia zijn geweest, die een goddeloze Manasse bij zijn sterven achterliet, om hem later in de hemel als een verloste te zien. O laat ons niet klein denken van die aanvankelijke zaligheid. Het zal meevallen, gij kinderen des Heeren, die hier zoveel onverhoorde gebeden hebt, als gij eenmaal zult zien, dat God ook na uw heengaan van deze aarde in Zijn Verbond heeft gedacht aan uw nageslacht. Daarbij, de gelijkenis van de rijke man en Lazarus geeft hier enige aanwijzing. Er was een grote kloof tussen die beiden, een onoverbrugbare kloof, maar toch herkende de rijke man de zalige Abraham. Ook dacht hij aan zijn nog levende broeders op aarde. De herinnering aan het verleden zal dus niet zijn weggenomen. Maar nu moeten wij alles wat vleselijk is daarbij wegdenken. Smart over het verleden zal er niet zijn. De daden Gods blijven echter in de herinnering bewaard en dan zingen zij in God verblijd van de wegen des Heeren.

En dit alles zal geschieden terstond na de dood, zegt de Catechismus. Er zal geen tussenperiode zijn, geen vagevuur tot loutering van de bedreven zonden. Bij het sterven en uitgaan uit het lichaam reinigt de Heilige Geest van al de overblijfselen van de verdorven natuur. Daarom riep de ziener van Patmos dan ook uit: “Zalig zijn de doden die in de Heere sterven, van nu aan”.

Er zijn mensen geweest, die hier zeer dwaalden. Onder de gevaarlijke sekte van de hersteld Apostolischen, die hier en daar de mensen tracht te verleiden, wordt geleerd dat de zielen niet naar de hemel of naar de hel gaan, maar slapen tot de oordeelsdag. Daarom verzegelt die sekte de doden, opdat zij straks nog in de zaligheid mogen ontwaken. God is geen God van slapenden, maar een God van levenden. En die in Christus ontslapen zijn, zij leven Gode, zegt de Apostel Paulus. Denk u eens even in een kind van God op zijn ziekbed. Het afgetobde lichaam hijgt naar de rust, de smart kwelt het lichaam, zijn betrekkingen wenen rondom zijn bed. En dan wordt hij heengedragen in Abrahams schoot en de strijd is gestreden, de loop is voleindigd en hij ontvangt de kroon welke God geven zal aan allen die de verschijning van de Heere Jezus hebben liefgehad.

En dit is nu nog alleen de aanvankelijke zaligheid. De verlossing van de ziel, terwijl het lichaam zich nog bevindt in de macht van de dood. Maar ook dat lichaam zal leven. Ook mijn dood lichaam, zo mag het uitverkoren volk des Heeren juichen.

Het tweede gedeelte van antwoord 57 wijst op:

2.      Een volkomen zaligheid

Welk een schoon antwoord: “Ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, zal weder met mijn ziel verenigd worden”. Dan zal heel de mens zalig zijn. Wel niet alle mensen. Breed is de weg en velen zijn er die daarop wandelen en verloren gaan. Maar de gekochten door het bloed des Lams zullen geheel en al zalig worden. Ook hun vlees zal opstaan, het zal opgewekt worden door de kracht van Christus, het zal weer met de ziel verenigd worden en het zal bovendien gelijkvormig worden aan het verheerlijkt lichaam van Christus. Zie daar, vier zaken, vier weldaden, die opgesloten liggen in het geloofsartikel: “Ik geloof de opstanding des vleses”.

Deze waarheid is menigmaal fel bestreden. Reeds in de dagen van de omwandeling van de Heere Jezus op aarde waren het de Sadduceeën, die een opstanding loochenden. De Heere Jezus heeft hen weerlegd uit één van de vijf boeken van Mozes, door te wijzen op het woord bij de braambos gesproken: “lk ben de God Abrahams, Izaäks en Jakobs. God nu is geen God der doden, maar der levenden. En na de opstanding der doden zal er geen huwelijksleven meer zijn”. Evenzo moest Paulus de dwaling bestrijden dat het stof niet herleven zou. Hymeneüs en Filetus loochenden de opstanding van het lichaam. Hoe schoon verdedigt Paulus dan die heerlijke verrijzenis in 1 Kor. 15 als een vrucht van Christus' opstanding. De dood is door een mens, alzo ook de opstanding der doden door een mens. Christus de eersteling die verrees, straks ook die van Christus zijn. Evenals de graankorrel sterft, maar daarna uit dit gestorven graan de halm oprijst, alzo ook het lichaam. Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt opgewekt. De zekerheid hiervan deed Job in zijn ellende reeds juichen: “lk weet dat mijn Verlosser leeft en Hij zal de laatste over mijn stof opstaan. En als zij na mijn huid dit vlees doorknaagd zullen hebben, zal ik uit dit mijn vlees God aanschouwen”.

Daniël zag reeds in de geest die verrijzenis. “Velen, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven en genen tot versmaadheden en tot eeuwig afgrijzen”. Nog hoger stijgt de jubel bij Jesaja als hij de hoop der opstanding in deze woorden verklaart: „Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam; zij zullen opstaan; waakt op en juicht, gij die in het stof woont, want uw dauw zal zijn als een dauw der moeskruiden, en het land zal de overledenen uitwerpen”. Zo werd de opstanding van Israël uit de ballingschap reeds voorgesteld als een opnieuw levend worden van de doodsbeenderen, maar tevens is dit profetie van de komende dag, als alle vlees zal herleven en de zullen staan voor het aangezicht van de Heere. “Zullen deze beenderen levend worden?” vraagt de Heere aan Ezechiël. Toen kwam de geest in hen en zij werden levend. Alzo zal het ook straks zijn: “Als ik u uit uw graven zal hebben doen opkomen, o Mijn volk!”

Die opstanding wordt ook door de Heere Jezus verzekerd, als Hij zegt, dat allen die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen en zullen uitgaan. Die het goede gedaan hebben tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben tot de opstanding der verdoemenis.

Door dat geloof in de opstanding des vleses, sprak Martha van haar broeder Lazarus, toen hij in het graf was neergelegd: “lk weet dat Hij zal opstaan ten laatsten dage!”

Wat zal dat een ontroerend gezicht zijn! Johannes op Patmos ziet het in een treffend gezicht, als hij schrijft: “En ik zag de doden klein en groot, staande voor de Troon Gods. De zee gaf hare doden weder en de dood en de hel gaven de doden weder en zij werden allen geoordeeld naar hun werken”.

Veel kan hier gevraagd worden dat ons verstand niet kan oplossen, doch dit weten wij, het zal hetzelfde lichaam zijn, doch geheel verheerlijkt. Het lichaam in zwakheid gezaaid, zal opgewekt worden in kracht. Het lichaam, dat hier misvormd was, zal dan geen gebrek meer hebben. Sommigen zijn omgekomen in de zee en hun lichaam werd een prooi van hetgeen de zeeën bewoont. Anderen zijn in de vervolging verbrand tot as, weer anderen zijn door het gewormte verteerd in het graf. En toch, hoe onbegrijpelijk ook, hetzelfde lichaam, wat het wezen betreft, zal weer opgewekt worden.

Of zou voor God iets onmogelijk zijn? Nee, want het is zoals onze Catechismus zegt, een opwekking door de kracht van Christus, die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat het gelijkvormig worde aan Zijn verheerlijkt lichaam, naar de werking waardoor Hij alle dingen Zichzelf kan onderwerpen. Heeft God niet op de zesde dag het lichaam van de mensen uit stof geschapen? Hij spreekt en het is er, Hij gebiedt en het staat er. Zou dan Christus, de Zoon van de levende God, niet door Zijn kracht, die een almachtige kracht is, hetzelfde lichaam niet uit de stof kunnen doen verrijzen? Door Gods kracht werden de klederen van Israël in de woestijn niet verouderd. Zouden dan niet veelmeer door Christus' kracht de lichamen kunnen opgewekt worden? Door Christus' kracht, die als de Verbondsengel was in het midden van de brandende oven, werden zelfs de klederen van de drie Jongelingen in de vlammen niet verteerd. Hoeveel te meer zal Hij dan het stof bewaken van hen die rusten in het ingewand der aarde. Indien de opwekking der doden voor Christus niet mogelijk was, dan was er een gebrek in Zijn Middelaarsmacht. Maar wij weten het, die macht is volkomen, want Hij heeft het zelf gezegd: “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde”. Christus zelf is opgestaan op de Paasmorgen, door eigen Goddelijke kracht, en dit is ons tot onderpand dat Hij ook onze sterfelijke lichamen levend zal maken, door de kracht die in Hem woont.

Daarom twijfelen wij niet zoals de Atheners op de Areopagus, toen Paulus zei dat God eenmaal de aardbodem oordelen zal door een Man, Die Hij daartoe uit de doden had opgewekt. Immers het volgt reeds uit onze schepping. God schiep de mens met ziel en lichaam, en daarom zullen beide voortleven. De Heere Jezus kocht ook de Zijnen met Zijn bloed naar ziel en lichaam. Ook de lichamen der kinderen Gods zijn gekocht en alzo het eigendom des Heeren geworden. Daarom zullen lichaam en ziel ook weer verenigd worden. Het lichaam weer verenigd met de ziel, dus iedere ziel zal haar eigen lichaam ontvangen. Zij horen bij elkaar, en wat God samengevoegd heeft, kan de dood niet voor eeuwig scheiden. Daarom mag de Christen dat lichaam niet gewelddadig vernietigen door het over te geven aan de verbranding. De mens zal tot stof wederkeren in het graf, maar hij vergrijpt zich aan het eigendom des Heeren als hij het lichaam bestemt om verbrand te worden. Zulk een heidense gewoonte begeren wij niet. Wij weten dat Jezus waakt over het stof en in dat vertrouwen bevelen wij het lichaam aan Jezus' hoede toe in het donkere graf. Daar wacht het op de morgen der opstanding. En dan zal ziel en lichaam verenigd aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig worden.

Het lichaam van de geestelijke strijder, hier moe gestreden, wordt dan Christus' lichaam gelijkvormig. Ziedaar de vierde weldaad van de opstanding des vleses. Dat deed eens een Paulus juichen: “Gelijk wij het beeld van de aardse gedragen hebben, alzo zullen wij het beeld van de hemelse dragen”. Dan zal gezien worden op diep ontroerende wijze het onderscheid van dien, die God vreest en van dien, die Hem niet vreest. 

Want ook de lichamen van de goddelozen worden dan opgewekt, maar zij zullen niet gelijkvormig zijn aan Christus' lichaam. Wel zullen zij ook onsterfelijk zijn, wél kunnen zij nimmer meer te niet gedaan worden, wél worden zij ook met de ziel verenigd, maar het zullen afgrijselijke lichamen zijn. Het beeld van de Satan zullen zij dragen. Wij zien er hier reeds een afschaduwing van. Het gelaat van de dronkaard draagt reeds hier de sporen van zijn onmatig leven Het voorkomen van de wellustige heeft hier reeds trekken, die wijzen op de afschuwelijke zonde die zijn ziel en lichaam verderft. Maar dan zal het aangezicht geheel uitdrukken de smart en de wanhoop, die daar brandt in de ziel. Wel zegt Daniël: “tot versmading en afgrijzen”.

Maar het lichaam van de gunstgenoten van de Heere zal Christus gelijkvormig zijn. Het zal evenals de opgewekte Heiland niet meer aan natuurwetten gebonden zijn. Bartimëus zal geen blindheid meer kennen, Mefiboseth zal niet meer kreupel zijn, Methusalem zal geen spoor van ouderdom meer dragen. En de heerlijkheid zal groter zijn dan van Adam in het Paradijs, daar zij niet meer in de zonde kunnen vallen. Maar hoor ik vragen: Zullen die verheerlijkte lichamen dan met de ziel in de hemel zijn? Er staat toch geschreven dat vlees en bloed het koninkrijk Gods niet kunnen beërven? Zeker, maar hiermee wordt bedoeld het verdorven vlees zoals wij in dit leven omdragen. Maar een ander is het vlees der mensen en een ander is het vlees der beesten en een ander is het vlees der vissen en een ander is het vlees der vogelen. Ja, een ander is het vlees der aardsen en een ander is het vlees der hemelsen. Het onverderfelijke vlees van de opgewekte gelovigen gaat wel in, in het heerlijk hemelse rijk waar de Heere Jezus is.

Maar zo kan weer een ander vragen: Als dan lichaam en ziel in de hemel zijn na de Opstanding op de jongst dag, dan zijn ze niet meer op de aarde? En er staat toch geschreven dat de rechtvaardigen deze aarde zullen beërven? Ook dit kan toegestemd worden, daar wij een nieuwe hemel en een nieuwe aarde verwachten, waarop gerechtigheid woont. Die nieuwe aarde zal niet onbewoond zijn. De verheerlijkte hemelbewoners zullen dan tevens de aarde bevolken. Er zal dan gemeenschap zijn tussen hemel en aarde. Hoe dat alles zal zijn kunnen wij nu nog niet verklaren, er is ook nog menige verrassing voor de toekomst weggelegd. Maar dit weten wij: “Die overwint, zal alles beërven”. En tot dit alles behoort ook het Jeruzalem, dat Johannes zag afdalen van de hemel.

De opstanding des vleses zal echter niet allen geschonken worden. Henoch en Elia zijn reeds met ziel en lichaam beide opgenomen in de hemel, gelijk Elia ook lichamelijk afdaalde op de berg waar de Heere Jezus van gedaante veranderd werd. Ook Mozes was daar bij Elia tegenwoordig, zodat wij mogen besluiten dat ook hij met ziel en lichaam in de hemel is en zijn lichaam door God alreeds is opgewekt. Ook zullen bij Christus' wederkomst nog gelovigen op de aarde zijn. Deze zullen niet de scheiding van ziel en lichaam ondervinden, maar zij zullen in een punt des tijds veranderd worden en de Heere tegemoet gevoerd worden in de lucht. Heerlijke verwachting voor Gods kinderen, die uitzien naar de weldaden voor de Kerk na dit leven. Zalig het volk dat het geklank kent, zij zullen wandelen in het licht des Heeren. Tot hen mag gezegd, wat tot Daniël eenmaal gesproken werd: “Maar ga heen tot het einde, want gij zult rusten en zult opstaan in Uw lot in het einde der dagen”. En in dat vooruitzicht mag de Kerk des Heeren zingen:

Ik loof eerlang U in een grote schaar

En, wat ik U beloofd' in 't heetst gevaar,

Betaal ik, op het heilig dankaltaar,

Bij die U vrezen.

't Zachtmoedig volk zal rijk verzadigd wezen,

Ten dis geleid.

Wie God zoekt, zal Hem prijzen,

Zoo leev' uw hart, door 's Hemels Gunstbewijzen,

In eeuwigheid.

Psalm 22 : 13.

“Wat troost schept gij uit het artikel van het eeuwige leven?”, zo luidt vraag 58.

Dit wijst ons op

3.      Een onuitsprekelijke zaligheid

Immers, geen oog heeft het gezien, geen oor heeft het gehoord en in geen mensenhart is opgeklommen, wat God bereid heeft degenen die Hem vrezen. Maar God heeft het ons geopenbaard, en daarom, al is die zaligheid niet uit te spreken, toch kunnen wij er iets van verstaan. Gods volk heeft hier reeds het beginsel van de eeuwige vreugd in het hart, en die zaligheid kent de onbekeerde mens niet.

Het beginsel van de eeuwige vreugd. Gods kinderen zouden het voor al het goed en goud van deze aarde niet willen missen. In wezen is het reeds het leven des hemels hier op aarde. Daarom zal het Gods kinderen niet vreemd zijn in de hemel. Het leven der genade, hier gevoeld in het hart, wordt dan eenvoudig voortgezet. Het beginsel der eeuwige vreugde in het hart hier reeds gevoelen. Wilt u dat wij het beschrijven? Nee, het is niet te beschrijven, het moet beleefd, het moet ervaren worden. Het is, om met de oude vromen te spreken, zo genoten en zo weer weggesloten. Maar het wordt dan toch gekend. Soms onder de bediening van het Woord als het hart wordt geraakt. Soms aan de Heiligen Dis als het geloof des Heeren lichaam omhelst. Soms in de eenzaamheid als het licht de duisternis verdrijft, soms in en te midden van geestelijke werkzaamheid tussen God en de ziel. En bovenal in de zalige stonde als de Heere door Zijn Geest toepast aan het hart de dierbare toezegging: “Wees welgemoed, uw zonden zijn u vergeven”. Kent u ze niet, die Bethels en Pniëls, als de ziel in ootmoed buigt aan de troon der genade en eten mag van het manna dat verborgen is? O, ik wenste wel dat u er allen kennis aan mocht hebben, want die er vreemd van is zal nimmer de zaligheid van de  hemel smaken. Nademaal ik dat beginsel ken, zal ik de zaligheid kennen. Dit is dus het bewijs, dat ze eenmaal genoten zal worden. Let wel, het is niet de grond. Zaligheidsgevoel kan nooit de grond van behoud zijn. Het gevoel kan bedriegen en satan is zo listig. Hij kan u de zaligheid voorspiegelen gelijk hij Eva deed met zijn aanlokkelijk voorstel.

Maar is het gevoelen der vreugde geen grond, de innerlijke ervaring van het zalig zijn in God is nochtans wel bewijs. Want zij is vrucht van de herstelde gemeenschap met God, die in de wedergeboorte geschonken wordt. Het beginsel der eeuwige vreugde woont in het hart, zegt antw. 58. Dat is geen koude redenering of verstandelijke voorstelling. Het is de zalige verbreking van het hart, die met Asaf doet uitroepen: “Het is mij goed nabij God te zijn”. Dewijl nu dit beginsel in het hart van Gods volk leeft, zal het ook nooit sterven. Het blijft leven in alle eeuwigheid en dan volkomen. Geen zee van zonde zal dan meer opbruisen in het hart, geen gevoel van ellende zal dan de blijdschap verstoren, geen traan zal dan meer worden geschreid. Wel moet Johannes uitroepen: “En de zee was niet meer”. Die zaligheid beschrijft Gods Woord op zo heerlijke wijze. Geen inwoner zal dan meer zeggen: ik ben ziek, want het volk dat daarin woont zal vergeving van ongerechtigheid hebben. Geen klacht: “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen” behoeft dan meer geslaakt te worden, want de verlossing is volkomen. En hoe schoon David ook gezongen heeft: ”Hoe kleeft mijn ziel aan het stof”, daar zal geen stoffelijk leed meer kwellen, maar de ogen zullen de Koning in Zijn schoonheid aanschouwen.

En hoe onuitsprekelijk is die zaligheid met het oog op de plaats waar zij wordt genoten. In het nieuwe Jeruzalem, waar de straten van goud en de poorten parels zijn. Daar is het Lam de kaars, die allen verlicht en de nacht voor eeuwig verbannen heeft. Aldaar zal geen nacht zijn. En dan het gezelschap van de engelen en gezaligden. De vier dieren voor de troon en de vier en twintig ouderlingen. De Apostelen en Profeten en heel die schare van verlosten, die allen gekomen zijn uit de grote verdrukking en hun klederen hebben wit gemaakt in het bloed des Lams. Daar zult u ze zien, met wie u op aarde gesproken hebt over de wegen des Heeren. Daar zult u er ontmoeten die u er niet had verwacht, maar zult u ook missen van wie gij meende dat zij waarlijk genade bezaten. Maar het grootste zal zijn dat u er zelf zult zijn binnen gegaan.

Die ongeziene, ongehoorde en ongedachte zaligheid, zegt antwoord 58, zal zijn om God daarin eeuwiglijk te prijzen. Welk een heerlijke bezigheid. Dan zullen de verlosten zich altijd in God verheugen, en de keuze van het wedergeboren hart volmaakt vervuld zijn. Hier moet nog zoo menigmaal geklaagd worden: “Als ik het goede wil doen, ligt het kwade mij bij”. Daar zal het een volkomen dienen zijn dag en nacht. Daar zal het loflied der verlosten nimmer meer ophouden. Eeuwig prijzen van God, dat is eeuwig zingen van Gods goedertierenheden. Stel u eens voor dat u een dag zonder zonde kon leven en U verlustigen in de Allerhoogste. Het zou een zalige dag zijn. Maar dan eeuwig bezig zijn in de dingen van Gods Koninkrijk. En toch zal dat niet te lang zijn voor hen die zijn binnengegaan. De tijd is daar niet meer, zij is overgegaan in eeuwigheid. Het woord is zo spoedig uitgesproken, maar wie zal de lengte, de breedte, de diepte er van peilen? Het eeuwige leven! Iemand heeft het eens genoemd ‘een cirkel waarvan het middelpunt overal, en de omtrek nergens te vinden is’. Het is een Oceaan, waarvan de grenzen niet te trekken en de druppels niet te tellen zijn, en waarvan het kind des Heeren in heilige bewondering uitroept: “O Heere, hoe groot is het goed, dat Gij hebt weggelegd voor al, wie U vrezen”.

Wij naderen het einde van ons samenzijn, doch moeten ten slotte nog deze vraag stellen: “Zult u  eenmaal ingaan in de Vreugde des Heeren? Zal ook uw lichaam uit het graf verheerlijkt worden opgewekt?” Die vraag kan alleen bevestigend worden beantwoord, wanneer het beginsel der eeuwige vreugde in ons hart gevonden wordt. Sommigen kennen alleen de vreugde in het stoffelijke, in het vergankelijke, in al datgeen wat de aarde voor begeerlijks biedt. Anderen hopen op de hemelse vreugde, hoewel zij voortwandelen op de weg die naar het verderf voert. Weer anderen koesteren een hoop, doch op verkeerden grond. Ach, van hoevelen zal blijken dat zij het huis op een zandgrond gebouwd hebben. Zij gingen trouw ter Kerk, leefden onberispelijk, zaten aan de dis des Verbonds en beleden voortdurend dat zij onwaardige zondaren waren. Maar toch, er zijn wel groter zondaren dan zij, en heimelijk bouwden zij op hun goede voornemens.

Het komt er op aan of wij het beginsel der eeuwige vreugde hebben ervaren. Zonder die genadekennis zou men het in de hemel niet kunnen uithouden. Gerusten te Sion, onderzoekt uzelf toch eens ernstig. Tegenover het beginsel der eeuwige vreugde staat het beginsel der eeuwige smart. Want ons aller zielen zijn onsterfelijk. En zo als hier het leven was, zal het in de eeuwigheid worden voortgezet. Wat de mens zaait, zal hij ook maaien. Die hier zijn vreugde vindt in de zonde en de wereld zal ook na de dood de straf daarop ondervinden, en die straf is ook een eeuwige straf, die in de Schrift de eeuwige dood wordt genoemd. Die eeuwige dood is niet een eeuwige vernietiging. Er zijn dwaalgeesten geweest en zij zijn er nog, die leerden een conditionele onsterfelijkheid. Uit een vleselijk barmhartigheidsbegrip en met miskenning van de straf eisende gerechtigheid van God leerden zij, dat alleen de zielen van de kinderen van God blijven voortleven, maar de zielen van de goddelozen zullen vernietigd worden. Ja, dan was er geen eeuwige straf en men behoefde niet te vrezen voor de hel en voor het oordeel van een rechtvaardige God.

Men heeft zich zelfs op de Bijbel beroepen om deze leer te staven. Er staat toch geschreven: “De ziel, die zondigt, die zal sterven”. Dus voor de zondaars is er geen eeuwigheid, hun zielen worden vernietigd. Maar sterven betekent hier geen vernietiging, maar een eeuwig straflijden in de hel, gelijk het verblijf in de hemel leven genaamd wordt. Het is bij deze dwaalleer weer de oude Paradijsleugen van Satan, die al zei tot de mens: “Gij zult niet sterven”. Daarom vermanen wij allen die nog onherboren zijn, te zoeken het eeuwige leven. Zou het niet vreselijk zijn als tot u zou gezegd worden wat tot de rijken man werd gezegd: “Kind, gedenk dat gij het goede ontvangen hebt in uw leven en nu lijdt gij smarten”. Nu roept de Heere u nog toe: “Bekeer u o zondaar, want waarom zoudt gij sterven?” De Heere klopt nog aan de deur van uw hart. Hij laat u voorstellen in dit uur: de weg des levens en de weg des doods. Kiest dan heden, want u weet niet of u de dag van morgen beleven zult. Christus verwierf het leven voor ziel en lichaam beide. Hij is de Opstanding en het Leven, en die in Hem gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid! Gelooft gij dat? Welnu, dan heden nog tot Hem gevlucht en het leven en de gerechtigheid bij Hem gezocht, en geluisterd naar de vermaning des Heeren: “Die Mij vindt, vindt het leven en trekt een welgevallen van de Heere”.

Wat zijn zij dan gelukkig, die het beginsel der eeuwige vreugde leerden kennen. Als dat beginsel u niet vreemd is, dan mag u met Job zeggen, dat de wortel der zaak bij u gevonden wordt. Dat beginsel mag nog klein zijn en vaak worden bestreden, het is toch de eersteling van de volle oogst die straks komen zal. En dat beginsel is toch weer ook zeer groot. Zoudt u het voor duizend werelden willen missen? Immers neen, want het is het werk der genade in het hart. De catechismus vraagt echter niet wat is uw grond voor het eeuwige leven, maar wat troost geeft het u. De troost ligt in het beginsel, de grond in de Zaligmaker. Wat Hij voor u deed, brengt u binnen. Wat Hij in u werkt geeft de heerlijke troost als u verkeert in de genieting ervan. Grond en vrucht moeten steeds worden onderscheiden. Hier hapert het menigmaal bij Gods kinderen. Delen zij niet in de dadelijke genieting van de vrucht, dan roepen zij soms uit: ‘Ik vrees, dat ik nog alles mis, en dat mijn werk geen waarheid is’. Zoek daarom uw grond in het dierbaar borgwerk van de Heere Jezus, maar sta er tevens naar voortdurend troost te scheppen uit het beginsel der eeuwige vreugde.

Ziet, in uw druk en kruis, op de heerlijke toekomst voor Gods volk weggelegd. Houdt uw wandel eerlijk onder de kinderen der wereld, wetende dat u een zalig lot is bereid. Zoekt daarom niet de dingen die beneden zijn, maar die boven zijn. Waar Christus is aan de rechterhand Gods.

Wandelt als kinderen der opstanding. Bedenkt dat ook uw lichaam een tempel van de Heilige Geest is en straks onverderfelijk zal opstaan. Uw Hoofd is reeds in de hemel en Hij zal u opwekken door Zijn kracht. Uw lichaam is hier nog aan allerlei smarten en kwalen onderworpen en straks wordt het overgegeven aan de vertering. Maar Jezus waakt over uw stof. Hij zal het bewaren en door Zijn almacht doen verrijzen. Soms komt de bestrijder, de vader der leugenen, en zegt dat dit onmogelijk is. Hij wijst er op hoe het stof van duizenden is vernietigd, hetzij in de loop der eeuwen in het graf, hetzij door gewelddadige verbranding tot as. Maar de Heere Jezus waakt over uw stof. Hij doet uit het gestorven tarwegraan een vruchtbare korenhalm ontkiemen.

Hebt u wel eens gelezen hoe de godvruchtige W. à Brakel deze bestrijding weerlegt? Hij zegt zo treffend: ‘Neem een pond klein gevijld staal, mengt het onder twintig pond klein gevijld koper, tin, lood en zand. Zal een onkundige wel kunnen begrijpen, hoe dat staal weer uit de andere stoffen afgescheiden en bij elkaar gebracht kan worden? Zal hij niet zeggen dat dit onmogelijk is? En nochtans is het eenvoudig en snel te doen met een magneet, die alleen het staal tot zich zal trekken, zodat men het gewicht weer bij elkaar verzamelen kan!’’

Zo gaat dan de reis voort, pelgrims op aarde. U wenkt de eeuwige vreugde en het eeuwige leven. Laat de wereld het aan u kunnen zien, dat u niet meer tot haar behoort, en hoewel geen hemelzoekers, dat u toch hemelreizigers en zoekers van Christus bent. Het was slechts in menselijke taal dat wij spraken over het eeuwige leven. En hiervan zijn wij ons bewust, de helft is er ons niet van aangezegd. Evenwel, al bent u dan nu nog op aarde, vaak vervuld met droefheid naar God, waarin toch ook het beginsel van de eeuwige vreugde is opgesloten. Straks ontvangt u de erfenis, de hemelse schat. Daarom laat in u waar worden: “Alwaar uw schat is, aldaar zal ook uw hart zijn”.

AMEN

Maar blij vooruitzicht, dat mij streelt.

Ik zal, ontwaakt, Uw lof aanschouwen.

U in gerechtigheid aanschouwen.

Verzadigd met Uw Goddelijke beeld.

Ps. 17:8