Zondag 21 - De Kerk en hare weldaden in dit leven - prof. P.J.M. de Bruin

Zondag 21

De Kerk en hare weldaden in dit leven

PROF. PJ. M. DE BRUIN, APELDOORN

Ps 76:1

Ps 122:1

Ps 87:1,2,3

Ps 32:1

Ps 133:1

Jesaja 54

Van de Apostel Thomas verhaalt de ongewijde geschiedenis, dat hij na de uitstorting van de Heilige Geest zich naar Perzië begeven heeft, om aldaar het Evangelie van het Koninkrijk Gods te verkondigen.

Door de heidense overheid van dat land, ziende de uitwerking van die prediking, gevangen genomen, wordt hij bij de Perzische koning gebracht. Hij smeekt de vrijheid weer te ontvangen, om zijn gezegend werk dat hij aldaar begonnen heeft, voort te zetten.

“Maar wat is dan uw werk en waartoe zijt gij hier gekomen?” Zo vraagt hem de Vorst, waarop Thomas antwoordt: “Ik ben gezonden om een paleis te bouwen, zó schoon en zó heerlijk, dat zijns gelijke in Perzië nimmer gezien is".

De Vorst, hierdoor verrast, laat Thomas de vrijheid, op voorwaarde, dat hij na enige jaren aanschouwer zou mogen zijn van het voortreffelijk gebouw, dat door de Apostel was aangekondigd. De maanden verlopen, de bepaalde tijd is voorbij en weer wordt Thomas voor de machtigen heerser gebracht, met de beschuldiging dat nog niets van dat paleis gezien wordt.

“Ga mee”, zegt daarop Thomas tot de koning en hij leidt hem een eenvoudige vergadering binnen, alwaar degenen die onder de prediking van de discipel tot de Heere waren bekeerd, met elkaar in bidden en smeken volhardden aan de troon der genade.

De Apostel sprak daarop in die vergadering over de gekruiste Christus als het fundament van het Godsgebouw. Hij wijst op de aldaar samengekomen kinderen Gods als de levende stenen er van. Hij roemt over de heerlijke en innerlijke liefde en gemeenschap van die gelovigen, als het kostelijk cement waardoor die stenen aan elkaar zijn gehecht. En tenslotte roept hij uit: “O, koning, hoor hun gebed, het is een heerlijk reukwerk, waardoor de grote Koning der koningen verblijd wordt. En wat u hier ziet en hoort is het schone paleis, waarin God wonen wil en dat ik als middel in 's Heeren hand gebouwd heb”. Of deze geschiedenis waar is, zou ik niet kunnen bewijzen, maar dit toch is zeker: Gods Kerk mag met recht bij een schoon paleis worden vergeleken. Hij zelf is er Koning en zit aldaar op Zijn troon en Zijn dienaren in dat paleis roemen Hem met de profetische lofverheffing: “De Heere is onze Koning, de Heere is onze Wetgever, de Heere is onze Rechter, Hij zal ons behouden”. Ja, met een oog op dat heerlijk paleis, op de schoonheid van 's Heeren Kerk, mogen wij wel zingen: “Jeruzalem is welgebouwd als een kunstwerk des Heeren”. De heilige, algemene, Christelijke Kerk en haar weldaden die ze reeds ontvangt in dit leven, is het rijke onderwerp waarbij wij heden stilstaan. Het wordt uitgedrukt in het geloofsartikel: “Ik geloof één heilige, algemene Christelijke Kerk, de gemeenschap der heiligen en de vergeving der zonden”.

I Petrus 2 : 9.

Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een Koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk, opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgene, die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht".

 

Zondag 21

 

VRAAG 54. Wat gelooft gij van de heilige, algemene Christelijke Kerk?

ANTWOORD. Dat de Zone Gods uit het ganse menselijke geslacht zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door Zijn Geest en Woord, in enigheid des waren geloofs, van het begin der wereld tot aan het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt; en dat ik daarvan een levend lidmaat ben, en eeuwig zal blijven.

VRAAG 55. Wat verstaat gij door de gemeenschap der heiligen?

ANTWOORD. Eerstelijk, dat de gelovigen, allen en een iegelijk, als lidmaten aan de Heere Christus en al Zijne schatten en gaven gemeenschap hebben. Ten andere, dat elk zich moet schuldig weten, zijne gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewillig en met vreugde aan te wenden,

VRAAG 56. Wat gelooft gij van de vergeving der zonden?

ANTWOORD. Dat God, om het genoeg doen van Christus wil, al mijn zonden, ook mijn zondigen aard, waarmede ik al mijn leven lang te strijden heb, nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenken, opdat ik nimmermeer in het gericht Gods komen.

In de voorgaande zondagsafdeling is gehandeld over God de Heilige Geest. Van Hem is beleden dat Hij waarachtig en eeuwig God is en dat Hij gegeven wordt aan Gods uitverkorenen, zodat zij Hem deelachtig worden en door die genade ook Christus met al Zijn weldaden deelachtig worden.

Het geloof in de Heilige Geest legt dan ook Gods kinderen de roem op de lippen: “Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uwe Naam zij de eer. Gij hebt ons getrokken met koorden van goedertierenheid en lidmaten gemaakt van het lichaam van Christus”. Die Geest geeft te roemen: “Ik heb, in nood aan God verbonden, in Hem mijn hoog vertrek gevonden, in God, Wiens goedertierenheid, Zich over mij heeft uitgebreid.

En niet alleen Christus deelachtig, maar ook al Zijne weldaden. Al het Mijne is het uwe, zegt de Heere Jezus tot Zijn discipelen, gelijk de vader in de gelijkenis sprak tot één van zijn zoons. Wat al weldaden zijn aan Gods kinderen geschonken? Zij zijn gemeenschappelijke bezitters van al het heil dat in Christus Jezus is. Gemeenschappelijke bezitters! Ja, want zij leven niet los naast elkaar. De Heilige Geest verbindt hun ook aan elkaar, gelijk zij aan hun Hoofd in de hemel zijn verbonden. De bezitters van de Heilige Geest vormen met elkaar een gemeenschap, een gemeente. En voor deze gemeente zijn zowel in dit als na dit leven vele weldaden weggelegd. Wij hebben dan ook in deze zondagsafdeling te behandelen :

 

DE KERK EN HAAR WELDADEN IN DIT LEVEN.

  1. ZIJ IS EEN GEHEEL ENIGE VERGADERING
  2. ZIJ DEELT IN EEN HEILIGE GEMEENSCHAP

III.       ZIJ BEZIT EEN ONUITSPREKELIJK VOORRECHT

 

Wij zullen wel geen tegenspraak ontvangen, wanneer wij zeggen dat er geen leerstuk is waarover in onzen tijd zoveel getwist wordt, als over de leer van de Kerk. Wat stof tot aanbidding en bewondering moet geven, is door satan gemaakt tot stof van veel gekrakeel. Laten godvrezende mensen, die bij onderscheiden Kerkengroepen behoren, maar eens bij elkaar zijn om over de wegen des Heeren te spreken en Zijne goedertierenheid te roemen. Maar, o wanneer dan het stuk van de Kerk ter tafel komt. Ieder kiest dan partij voor eigen groep en als de Heere het niet verhoedt, wordt al spoedig de stok lieflijkheid en saambinder verbroken. De duivel heeft dan een twistappel in de vergadering geworpen en hij ziet het met satanische vreugde aan hoe zonen van hetzelfde huis als tegenstanders tegenover elkaar staan.

Van waar dit verschijnsel? Zou het niet zijn, omdat over het leerstuk van de Kerk zoveel onkunde heerst. En dat omdat men veel te veel uit het oog verliest dat Gods Woord niet spreekt over onze Kerk, maar over de Kerk des Heeren, over het lichaam van Christus en de tempel, waarin God Zijn woning heeft. Helaas, men bouwt zo druk aan eigen huis, terwijl het huis des Heeren vergeten wordt. Hoe verschillend echter de gedachten van velen zijn over de Kerk, en hoeveel stemmen hun onderscheiden geluid geven, wanneer wij naar onzen Catechismus luisteren, dan geeft hij een duidelijk antwoord op de vraag: ‘Wat gelooft gij van de heilige, algemene, Christelijke Kerk’?

1.      Zij is een geheel enige vergadering

Dat antwoord spreekt van een vergadering van geroepenen door de Heiligen Geest, van levende leden, van mensen die door het geloof Christus zijn ingeplant. Het is duidelijk dat de Catechismus hier spreekt van levende leden, van ware gelovigen, want zij alleen vormen met elkaar de Kerk des Heeren. Terwijl huichelaren en onbekeerden wel met het lichaam en dus uitwendig in en onder de ware kinderen Gods gemengd zijn, maar nochtans zijn zij niet van de Kerk. 't Is dus duidelijk dat hier gesproken wordt van de Kerk, zoals God haar onfeilbaar kent en niet van de zichtbare kerk, waartoe velen behoren die eeuwig buiten de hemel blijven. Trouwens, de zichtbare Kerk is voorwerp van het gezicht, terwijl hier wordt gevraagd: “Wat gelooft gij van de Christelijke Kerk”? Deze kerk is dus voorwerp van het geloof, daar zij niet gezien kan worden wat haar uitwendig leven der genade aangaat. Wij mogen naar de aard der liefde het goede hopen van onze mede-belijders, of zij waarlijk levende leden zijn is nooit onfeilbaar te zeggen.

Deze vergadering van ware gelovigen draagt de schone naam van Kerk. 't Is waar, in de Bijbel wordt die naam niet gevonden. Wel lezen wij in Hand. 19:35 van de kerkbewaarster te Efeze, doch in het oorspronkelijke wordt van tempelbewaarster gesproken. In de Schrift wordt telkens van gemeente gesproken en dat woord staat in verband met uitroepen, zodat gemeente oorspronkelijk uitgeroepen of verkorene betekent. Het woord Kerk wil eigenlijk zeggen: ‘Wat des Heeren is’, zodat de kerk de vergadering is van hen die het eigendom des Heeren zijn. In Gods Woord wordt zij vaak genoemd: ‘het lichaam van Christus en de tempel van de levende God. De Kerk des Heeren is dus een geheel enige vergadering, een huis Gods, gebouwd uit levende stenen, gefundeerd op de enige Hoeksteen, Jezus Christus. Deze Kerk nu bestaat in de hemel en op aarde. Een deel van haar is reeds verlost uit de strijd en ingegaan in de eeuwige zaligheid. Johannes op Patmos zag dat deel als een triomferende Kerk, gekomen uit de grote verdrukking, met palmtakken in de hand en de klederen wit gemaakt in het bloed des Lams.

Een ander deel van die Kerk is echter nog op deze aarde. Zij bevindt zich nog in de strijd en hare doodsvijanden, de wereld, de duivel en haar eigen vlees, doen haar nog menigmaal zuchten in zichzelf, verwachtende de openbaring der kinderen Gods. Deze beide delen vormen echter de ene algemene Christelijke Kerk. Het staat met die Kerk als met een huis met boven- en benedenverdieping. Zij, die de bovenverdieping bewonen zien van daar neer op het wereldgedruis, waarvan zij verlost zijn. En die beneden wonen zien menigmaal begerig naar boven met de bede om ontbonden te zijn en bij Christus te wezen. Toch zijn die beide delen één, gelijk de Oudtestamentische Kerk één is met die van het nieuwe Verbond. Er is onderscheid in bedeling en verschil van plaats, maar eenheid in wezen. Waarom het geloof dan ook belijdt één Kerk en de Koning der Kerk haar toeroept: Een enige is Mijn duive, Mijn volmaakte.

Immers het kan ook niet anders. Eén lichaam is het en één Geest. Christus heeft slechts één bruid en Zijn lichaam moge onderscheidene lichaamsdelen hebben, toch is het maar één lichaam. Van die éne Kerk zegt de geloofsbelijdenis dat zij heilig is. Dit geldt echter niet van haar stand, maar van hun staat. De Kerk is gewassen in het bloed des Lams en geheiligd door de Heiligen Geest. Van haar in 't algemeen en van elk van haar leden mag gezegd: “Gij zijt een heilig volk, een verkregen volk, geroepen uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht om de deugden des Heeren te verkondigen”. Hare leden zijn de heiligen der hoge plaatsen en zij zijn een heilige roeping deelachtig, waardoor zij, uit de wereld getrokken, niet meer zoeken de dingen die beneden zijn. Wat haar stand betreft, heeft de Kerk slechts een beginsel van heiligmaking en van die onvolmaakte stand getuigde Paulus: “Niet dat ik het alrede gegrepen heb of alrede volmaakt ben, maar ik jaag er naar of ik het ook grijpen mag, waartoe ik van Jezus Christus ook gegrepen ben. De Kerk is wel in de wereld, en wordt vaak meegevoerd met de wereld, maar toch is zij afgezonderd van die wereld en zij kan haar genot niet meer in dezelve vinden.

Daarbij is die Kerk algemeen. Zij is niet aan één plaats gebonden, maar verstrooid, overal waar het Evangelie verkondigd wordt, en nochtans samengevoegd in dezelfde Geest. Dat katholieke of algemene beginsel heeft de Kerk des Heeren. De ure komt, zei de Heiland tot de Samaritaanse vrouw, dat de ware aanbidders Mij zullen aanbidden in geest en waarheid en niet meer aan Jeruzalem of Samaria gebonden zijn. De Kerk is niet gebonden aan Rome, maar aan haar Heere in de hemel en dit katholiek of algemene karakter droeg zij alle eeuwen door. Het Jeruzalem dat boven is, is vrij en is de moeder van alle ware gelovigen. Daarom geven wij de schone eigenschap van katholiek niet aan de Roomse Kerk, want zij is niet katholiek, maar aan die Kerk van alle eeuwen en aan alle plaatsen, die de zuiverheid van het Evangelie heeft behouden en verdedigd.

Die Kerk is daarom ook Christelijk. Dat woord is haar erenaam en de discipelen des Heeren, die te Antiochië voor het eerst met de naam Christenen genoemd werden, al was het ook door de vijand als scheldnaam bedoeld, hebben dien naam als eervol aanvaard. De Kerk draagt de naam van haar Koning, die de Gezalfde of Christus is. Zo belijdt het geloof ook de Heere Jezus in de naam van de Kerk. En al erkennen wij met schaamte dat zij door diep verval gereformeerd moest worden en dat zulks nog gedurig nodig is, toch houden wij niet alleen vast aan de naam van Gereformeerd, maar tevens dat zij Christelijk is.

Van die Kerk, zegt antwoord 54, dat de Zone Gods zich een gemeente vergadert, die tot het eeuwige leven is uitverkoren. Hier wordt de verkiezing duidelijk geleerd en tevens gezegd, dat Gods Zoon die verkorenen vergadert uit de wereld. De verkiezing wordt hier niet toegekend aan de Zoon, maar er wordt geleerd dat de Zoon ze vergadert, die uitverkoren zijn. Welk een vrije genade des Heeren. Te midden van een grote schare van Christus-belijders, kent de Heere degenen die de Zijnen zijn. Een kleine kudde, waaraan naar des Vaders welbehagen, het Koninkrijk geschonken wordt. Dat uitverkoren geslacht, vergaderd door de opzoekende liefde van de Heere Jezus, heeft behalve de waterdoop, de doop van de Heilige Geest. En behalve een uit het hoofd geleerde belijdenis heeft zij een belijdenis met het hart van zonde en schuld. Het kent naast het aanzitten aan de tafel des Heeren een geestelijk Avondmaal houden, als het smaken en proeven mag dat de Heere goed is. Het geldt ook van de leden van de Kerk: “Niet een iegelijk die Heere Heere zegt, zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die doet de wil van Mijn Vader die in de hemelen is. Niet de hoorders van het  Woord, maar de daders zullen in dat Koninkrijk ingaan, daartoe van eeuwigheid uitverkoren. Terecht erkent Paulus: “Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, vóór de grondlegging der wereld”. Welk een vrije genade! Daar geloofden zovelen als er verordineerd waren tot het  eeuwige leven. Geen verdienste van de mens, geen voorgezien geloof komt hier in aanmerking. God zag van eeuwigheid dat mensengeslacht aan als gevallen in Adam, en uit dit gevallen geslacht verkoos Hij de Zijnen. Die Hij liet liggen in hun val, gaan naar Gods rechtvaardig oordeel verloren. Niet omdat zij niet uitverkoren zijn, maar omdat zij vrijwillig en moedwillig van God zijn afgevallen. En die Hij verkoos ten leven, hebben geen andere roem, dan het vrijmachtig welbehagen. Waar genade valt, valt zij vrij.

Daar komt de Zoon van God uitverkorenen vergaderen door Zijn Geest en Woord. Let wel, onze Catechismus leert geen onmiddellijke wedergeboorte door alleen de Geest, en een later roepen van die onbewuste wedergeboren tot bekering door het Woord. Geest en Woord gaan samen. Het Woord is het door God geordineerd middel en de Geest past het toe, zodat het Woord van de Apostel bevestigd wordt: “Het geloof is door het gehoor en het gehoor door het Woord Gods. Daarom lezen wij ook hier, dat de Zoon ze vergadert in eenheid van het ware geloof. Al die geroepenen ontvangen hetzelfde geloof. Zij zijn één, wat het wezen van het geloof aangaat. Zo één in geloof, dat al komen zij uit de verst verwijderde oorden bij elkaar, hun harten samensmelten in de belijdenis van Christus: “Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk”.

Zij zijn één in smart over hun zonde, één in kennis van ellende, één in uitzien naar verlossing door Christus en één in geloofsoefening met de ambten van de Middelaar. Hoewel verschil er ook moge zijn onder de Christenen, wanneer het gaat over de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, dan zijn ze één in hun geloofsbelijdenis: “Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad”.

Is nu de verkiezing van eeuwigheid, de vergadering van de Zoon begint in de tijd, en wel van het begin van de wereld en zij gaat voort tot het einde. Reeds in de oprichting van het genadeverbod en de schenking van de moederbelofte, Genesis 3 : 15, begint Christus Zijn Kerk te vergaderen. Het eerste mensenpaar, dat de duivel is toegevallen, wordt door de Heere losgemaakt van de duivel en zalig verbonden, door het geloof in de Slangenvertreder, aan de God des heils. Een gelovig geslacht begint de strijd met de volgelingen van de slang en vijandschap is er op aarde tussen het zaad van de vrouw en de slang. Abel wordt geroepen ten leven, Kaïn wordt voorbijgegaan. In Enos' dagen gaat men openlijk de naam des Heeren aanroepen. De Zoon vergadert een heilig geslacht, dat straks in de ark van Noach behouden wordt. Daarna doet de Heere Zijn Kerk uit de ark gaan. En al worden dan de volken verspreid over de aardbodem, in het geslacht van Sem zet de Heere Zijn Kerk voort. Uit dit geslacht roept de Heere de patriarch Abraham en vergadert Hij uit Abrahams zaad een Kerk, die Hij staande houdt en beschermt door al de eeuwen heen, ook al moet zij een tijdlang in Babel in ballingschap. Zo vinden wij de ware Kerk reeds in de hut van Adam en bij de altaren van Enos, in de ark van Noach, en in het geslacht van Abraham, Izaäk en Jakob. Telkens wanneer zij komt tot verval en afgoderij, leidt de Heere Zijn Kerk weer uit, brengt Hij reformatie door de profeten en houdt haar staande, na de uitleiding uit Babel tegen Sanballat en Tobia en Gesem de Arabier.

Gods Kerk onder de oude dag was al reeds een uitgeleide Kerk. Door uitleiding uit het diensthuis brengt Hij haar tot reformatie in Mozes' dagen. En die Kerk heeft alle reden om het gedurig uit te roepen met de dichter: “Ten ware de Heere, Die bij ons geweest is, zij zouden ons levend verslonden hebben”. 't Ging in alle tijden door strijd en moeite. In Achabs dagen was die kerk zo klein en onzichtbaar, dat Elia zelfs meende alleen te zijn overgebleven, hoewel de Heere er nog zeven duizend in Israël had, die de knie voor Baäl niet hadden gebogen.

De Heere Jezus vergadert Zijn Kerk door de inwendige roeping. Hij beschermt haar tegen al de vijanden en Hij onderhoudt haar, door telkens levende stenen aan het Godsgebouw toe te voegen en Zijn werk in hun harten in het leven te behouden door de bearbeiding van de Heilige Geest. O, geen nood dan voor die duur gekochte Kerk. Zij is afgetekend naar Gods eeuwig raadsplan, zij blijft staan en bestaan, al werden ook de brandstapels opgericht om haar uit te roeien. En zij zal blijven voortbestaan, ook als straks de antichrist de laatste vervolging in al hare bitterheid over haar zal uitvoeren, totdat eindelijk de laatste van Gods uitverkorenen is toegebracht. Dan zal de Zoon aan het einde der wereld haar aan de Vader voorstellen als een Bruid zonder vlek of rimpel, Dan klinkt het woord van de Koning der Kerk: “Vader, Gij hebt ze Mij gegeven, zij waren Uwe, en Ik heb ze bewaard, en niemand kan ze uit Mijn hand rukken”.

Welgelukzalig degene, die tot die Kerk mag behoren, die op goede gronden mag zeggen, daarvan een levend lidmaat te zijn en eeuwig te blijven. Hierop komt het toch voor ons allen aan, een levend lidmaat te zijn. De Kerk toch openbaart zich in de wereld, en daardoor heeft zij een openbaring naar buiten, maar op haar innerlijk leven komt het aan. Die openbaring naar buiten zien wij in de zuivere bediening van Gods Woord, de reine bediening van de Sacramenten volgens de instelling van Christus en de uitoefening van de Christelijke tucht. Waar die kenmerken ontbreken, is de ware Kerk niet. Waar de godheid van de Zoons wordt bestreden en het bloed der verzoening wordt miskend en de noodzakelijkheid van de werking van de Heilige Geestwordt geloochend, daar kan een levend lid van Christus het niet uithouden. Daar scheiden zij zich af van zulke vergaderingen en vragen de Goede Herder, waar Hij Zijn kudde legert in de namiddag.

Waar echter Gods Woord naar de mening des Geestes wordt gepredikt, daar is zielenvoedsel voor Gods kinderen, daar gaan ze heen uit de behoefte van de ziel en daarom mogen wij daar dan ook geloven de ware Kerk des Heeren te vinden. Maar toch is het niet genoeg zich daar bij zulk een vergadering te voegen. Nee, men moet zelf ook het leven der genade deelachtig zijn. Hoe zuiver de Kerk zich ook openbaart, men moet ook persoonlijk van de Kerk zijn, Christus zijn ingeplant door een levend geloof, en alzo een lid zijn van het mystieke lichaam van Christus. Met Hem één plant geworden zijn, en dan ook uit Christus de levenssappen genieten en opwassen in Hem, zonder ooit uit Zijn hand gerukt te kunnen worden. Die in het huis des Heeren geplant zijn, die zal gegeven worden te groeien in het voorhof des Heeren.

Zulk een levend lid is dan ook geestelijk verbonden aan alle Sionieten, wat ons er op wijst dat

2.      Zij deelt in een heilige gemeenschap

Wat verstaat gij door de gemeenschap der heiligen? Wat onder heiligen verstaan wordt, is u wel niet onbekend. Hier denken wij niet aan de heiligen van de Roomse Kerk. Ook niet aan de gezaligde martelaars en apostelen in de hemel, maar hier wordt gesproken van de geheiligden in Christus, de wedergeborenen, die het beginsel der heiligmaking deelachtig zijn geworden. Immers, het volk des Heeren is een geheiligd volk, een afgezonderd volk van de wereld, gereinigd door het bloed des kruises en geheiligd tot tempelen van de Heilige Geest. Paulus schrijft b.v. aan de heiligen die te Efeze zijn en elders lezen wij: “Heilige broeders, die de hhemelse roeping deelachtig zijt”.

Deze oprechte gelovigen staan allen persoonlijk in gemeenschap met Christus. Zij zijn allen ranken van de Wijnstok en leden van het lichaam van Christus. Uit Hem hebben ze het leven en met Hem staan zij steeds in geestelijke gemeenschap. Hij wandelt te midden van de gouden kandelaren en elk van de lampen houdt Hij brandende. Ja, zij hebben deel aan al Zijn schatten en gaven. Welk een rijkdom! Indien wij kinderen zijn, dan zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus. Die overwint, zal alles beërven. Wie zal al de gaven en schatten van Christus tellen? In Hem is alle wijsheid, in Hem het leven, in Hem is vrede, ja alles wat tot het leven en de gelukzaligheid nodig is. Aan dat alles hebben Gods kinderen deel. Hij zegt tot de Zijnen in veel heerlijker zin dan de vader van die oudsten zoon: “Al het Mijne is het uwe”. Daarom kunnen Gods kinderen elkaar ook zo goed verstaan. Zij hebben allen uit Christus en in gemeenschap met Hem: geloof en liefde, troost en genade. Eén Heere, één geloof, één doop, één God en Vader en één en denzelfde Geest, die ze toebereidt voor de zaligheid.

Die rijkdom van geestelijke gaven uit Christus die in hun harten vloeien, die armoede des geestes, dat hongeren naar de gerechtigheid - want dat zijn ook gaven van hun dierbare Koning - moeten hen ook te nader en te nauwer aan elkaar verbinden. Daarom moeten zij zich ook schuldig weten die gaven ten nutte en tot zaligheid van de andere lidmaten aan te wenden.

Geestelijke gaven ontvangen, dat verplicht weer tot uitgeven. “Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet”, zegt de Heere. Het kind des Heeren is niet alleen verplicht, maar moet zich ook schuldig weten dat hij een dure roeping heeft. Hij is niet alleen gezegend in Christus, maar tot hem komt ook de eis: “Wees een zegen”. Nee, niet allen hebben dezelfde gaven. Er zijn er aan wie tien, maar ook aan wie vijf of zelfs één talent is toebetrouwd. Naar de man is, is zijn kracht. De Heere eist van de leraar, die Hij riep, meer dan van een eenvoudig kind des Heeren, dat slechts kan stamelen van de goedertierenheden des Heeren. De één heeft meer licht in Gods Woord en de verborgenheden des Heeren, dan de ander, Maar toch is ieder schuldig voor zijn medegelovigen een hand en een voet te zijn op de weg des levens. Wij mogen het geestelijk talent, dat de Heere gaf, niet in de aarde begraven. Een ieder, gelijk hij gaven ontvangen heeft, dele dezelve uit tot opbouw van het lichaam van Christus. De hand mag tot de voet niet zeggen: “lk heb u niet van node, en de minst sierlijke leden wordt de overvloedigste versiering aangedaan”. Ten nutte en tot zaligheid, gewillig en met vreugde. Het is geen geringe taak! Maar is er heerlijker werk, dan te arbeiden aan de uitbreiding van het Koninkrijk Gods? Ieder zijn gaven, naar dat hij gezegend is. Dat geringe Israëlitische dienstmeisje bij de huisvrouw van Naäman, gebruikte haar gaven om haar heer, die melaats was, te wijzen op de profeet in Israël en de almacht van Israëls God om ellendigen te genezen. En hoeveel meer gaven had de schone Esther ontvangen! Maar ook zij was schuldig ze aan te wenden ten nutte van Jacobs geslacht, dat in doodsnood verkeerde. Hoe hachelijk het er ook voorstond, zij moest tot de Koning van Perzië gaan en werkzaam zijn tot levensbehoud van haar volk. Neen de Heere maakt van Zijn volk geen egoïsten, die alleen maar vragen naar eigen heil. Rome acht hen de beste christenen, die zich afzonderen van de wereld in de kloosters, maar de Heere zegt: “O, Sion, gij verkondigster van goede boodschap! Klim op een hogen berg, o Jeruzalem, hef uw stem op met macht, hef ze op, vrees niet. Zeg de steden van Juda: Zie hier is uw God!”

Wie moet hier niet schaamrood worden, als hij ziet op zijn dure roeping? Ouders, u hebt uw gaven aan te wenden tot zaligheid van uw kinderen. Christenen, u hebt te arbeiden voor Gods koninkrijk in Kerk en maatschappij. Zelfs al bent u gesteld onder de macht van anderen, gewillig en met vreugde hebt u te buigen onder de ordinantiën van God om elkaar door de liefde te dienen. Het is zo gemakkelijk om te zeggen: ‘lk heb geen vrijmoedigheid’, of te verklaren dat de gaven voor het een of ander u ontbreken. Gods Woord stelt u schuldig en roept u toe: “Al wat uw hand vindt om te doen, ook te doen in huis, in Kerk, in school, ook in de wereld ten nutte van uw medereizigers naar de eeuwigheid, doe dat met al uw macht”. De gelijkenis van de dienstknecht die het ene talent in een zweetdoek wikkelde en verborg in de aarde, is hier zulk een waarschuwende roepstem. Als de Heere roept om in Zijn Kerk te arbeiden, hetzij als leraar, als ouderling of als diaken, dan wil Hij zien, dat wij met vreugde gehoorzamen, al moet ook de belijdenis voor Hem worden uitgesproken: “Heere, wie is tot die dingen bekwaam?”

De Heere wil in Zijn dienst wel in zichzelf onbekwame, maar geen luie dienstknechten. En niemand, die een levend lidmaat is van Gods Kerk, hetzij dan in het ambt of daarbuiten, mag zich onttrekken aan hetgeen de Heere hem heeft opgelegd. De zwakste christen kan werkzaam zijn tot heil van anderen door raadgevingen, door vermaningen of zelfs door liefderijke bestraffingen. En zou hij het beste zijn gaven niet kunnen aanwenden door het verborgen gebed of door een godzalig leven tot beschaming van anderen? Maar, hoor ik zeggen: ‘ik heb zoveel gebreken, ik ben onbekwaam tot enig goed, hoe zal ik dat alles verrichten?’ Ik heb zo'n bedorven hart en al mijn werk is nog bezoedeld voor het aangezicht van de Heere. Het is waar, maar daarom heeft de kerk nog een tweede weldaad in dit leven en belijdt zij: “Ik geloof de vergeving der zonden”. Eer wij hierover nog iets zeggen, zingen wij eerst van die tweede weldaad, zoals zij luidt in Ps. 32 : 1:   Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven; enz.

3.      Zij bezit een onuitsprekelijk voorrecht.

De Kerk bezit een onuitsprekelijk voorrecht, zij belijdt en gelooft dat God haar zonden nimmermeer zal gedenken. Hoe groot is dan toch het voorrecht van de kinderen van God. Al mijn zonden, mijn erf- en dadelijke zonden vergeven, zo mag Gods volk roemen. De zonden van de jonkheid, welke David deden klagen: “Sla de zonden nimmer ga, die mijn jonkheid heeft bedreven”. De zonden van elke dag, van elke nacht, door woorden, werken en gedachten bedreven, geen enkele uitgezonderd, want het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonden.

God zal ze nimmermeer gedenken. Zeker, hier hebben de zonden wrange vruchten voor Gods kinderen. Jakob heeft het ervaren, dat God zijn zonden bezocht. David moest om zijn zonde met Bathseba viervoudig boeten. Maar toch mag de Kerk bij al haar struikelen en vallen belijden: “Gij waart hun een vergevend God, hoewel wraak doende over hunne daden”. Hoe schuldig des Heeren volk zich ook bevindt, God roept hun toe, waar zij in 't stof gebogen liggen, belijdende hun schulden: “Ik, Ik ben het, die uw overtredingen uitdelg als een nevel en Ik gedenk uw zonden niet meer”. Niet gedenken! Het wil niet zeggen, dat ze uit Gods gedachten wegvallen, want Hij is een alwetend God en het zou een gebrek zijn in de Alwetende, als wij meenden dat er iets uit Zijn volmaakt verstand verloren gaat. Maar de Heere ziet ze niet meer aan in Zijn volk. Hij ziet hen aan in Christus hun Borg en dan ziet Hij ze aan, bekleed met Christus' gerechtigheid. Het is dan ook alleen om het genoegdoen van Christus, dat God ze niet gedenkt. God stelt steeds dat volmaakte werk van de Middelaar voor Zijn aangezicht en dan valt al hun schuld weg. Dat werk is zó genoegdoende, zó volmaakt, zó alles bedekkend, dat een doemschuldig zondaar daar achter geheel verborgen is.

Zó verborgen, dat God zelfs de zondige aard, waartegen ik al mijn leven lang te strijden heb, niet meer wil gedenken. De Catechismus leert geen perfectionisme, als zou een kind van God hier op aarde reeds geheel vlekkeloos kunnen leven. Nee, de zondige aard blijft, ook na de wedergeboorte. Dan is wel het verstand verlicht, door de Heiligen Geest, en het hart is omgezet en zó vernieuwd dat het zich keert tot al de geboden des Heeren. Maar de aard, de zondige aard wordt niet bekeerd. Die aard is een gevolg van de oude verdorven natuur. Ons vlees wordt niet veranderd in de wedergeboorte. Die oude mens onderwerpt zich aan de Wet van God niet en kan het ook niet. Het bedenken des vleses is vijandschap tegen God en werkt op onzen zondigen aard. Zonden die een wedergeborene in zijn onbekeerde staat het meest heeft gekoesterd en geleefd, zijn voor hem de grootste kwelling op de weg der genade. O, wat al gebeden en zuchten gaan er op om er van verlost te worden, althans om kracht te ontvangen om er tegen te strijden.

En dat blijft zo, het leven lang. Gods kinderen zijn geen geestelijke renteniers, die op hun lauweren kunnen rusten. Het blijft strijd tot het einde en heel het leven door moet de les worden geleerd, die Paulus in Rom. 7 uitsprak als conclusie op zijn innerlijke zieleworsteling tegen de oude mens: “Zo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de Wet Gods, maar met het vlees de Wet der zonde”. Wat zou iedere gelovige graag de overwinning behalen over die zondige aard, maar het blijft hier op aarde: “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods!”

De zondige aard sterft eerst af aan het einde van de pelgrimsreis, maar al is de pelgrimsweg nog niet beëindigd, God wil die aard niet meer gedenken. Daarom kan tot de bruidskerk worden gezegd: Geheel zijt gij schoon, mijn vriendin. Zwart door haar zondige aard, maar toch lieflijk in de ogen des Heeren om het genoegdoen van Christus. Nu hoor ik hier een vraag: Mag dan het kind van God zijn zondige aard nog wel gedenken, als God die niet meer gedenken wil? Ja en neen, moet hier het antwoord luiden. Nee, als hij die gedenkt om te roemen in zijn zonde. Het is een gebrek onder Gods kinderen, althans onder sommigen, dat zij zo graag spreken van hun zondige aard. Zij roemen er in, dat zij zulke slechte mensen zijn. De zondige aard wordt dan hun Kroon in plaats van hun Kruis. En in plaats van diepe ootmoed over hun ellende, die ze al meer en meer leren kennen, rijst de hoogmoed van het arglistige hart. Zij maken dan in zekere zin reclame met de zonde en achten zich diep ingeleiden, omdat zij weten hoe slecht zij zijn. Al het spreken over onze zonden en zondige aard, waarmee wij groot in plaats van klein worden en onszelf uitnemender achten dan andere kinderen des Heeren, is een gedenken dat God mishaagt. Anderzijds zeggen wij echter ja, God wil dat wij die zondige aard zullen gedenken, als het ons brengt tot de Heere, zoals David, om dan te smeken: “Sla de zonden nimmer ga, Die mijn jonkheid heeft bedreven”.

Dat gedenken maakt de ziel klein voor God, en verwekt in de ziel een verwondering over zoveel genade aan zulk een onwaardige bewezen. Dan brengt het tot een roemen in het kruis van Christus als de enige grond voor de schuldvergeving. Dan rijst het bloed van de Heere Jezus te hoger voor het geestelijk oog van de ziel, als de dure losprijs, waarvoor de Heere de Zijnen gekocht heeft.

Zondevergeving is wegneming van de schuld, doch dat is alleen de negatieve zijde. Het wijst op hetgeen de Heere de Zijnen afneemt. Maar het heeft ook een positieve zijde, n.l. hetgeen de Heere hem  schenkt uit genade, namelijk de gerechtigheid van Christus, opdat ik   nimmermeer in het gericht van God kome. Waar de Heere de schuld wegneemt, geeft Hij er ook wat voor in de plaats. Toen Jozua, de onreine Hogepriester, ontdaan werd van zijn vuile klederen, sprak de Heere niet alleen: “Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen”. Maar ook: “Ik zal u wisselklederen aandoen”. De Heere laat de rein gewassen zondaar niet naakt staan, maar kleedt hem tevens met de klederen van de door Christus aangebrachte gerechtigheid. De Middelaar heeft niet alleen door Zijn lijden en sterven de zonden uitgedelgd, maar ook door Zijn volmaakte Wetsvervulling een volkomen  gerechtigheid verworven. Christus heeft een lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid volbracht, en als vrucht van de laatste heeft Hij aan het recht Gods voldaan en geeft Hij aan al Gods uitverkorenen een recht op het eeuwige leven. Werd alleen de schuld weggenomen, dan waren Gods kinderen nog onnutte dienstknechten en stonden zij nog voor de eis om Gods Wet te volbrengen. Maar ook dit heeft Christus gedaan. Dat deed Hij niet voor Zichzelf maar voor zijn ellendig volk, dat geen tittel of jota van de Wet kan volbrengen. Gods volk heeft dus een geschonken gerechtigheid.

De verloren zoon, die tot zichzelf kwam en naar het ouderlijk huis terugkeerde, ontving van zijn vader niet alleen vergeving, maar aan die doorbrenger werd ook een nieuw kleed geschonken, terwijl aan zijn vinger een ring en aan zijn voeten nieuwe schoenen werden gedaan. Welk een groot en onuitsprekelijk voorrecht ontvangt dus de Kerk in dit  leven. Als de gereinigde en met gerechtigheid beklede bruid van Christus, komt zij nimmermeer in het gericht van God. In dat gericht is haar Borg in haar plaats gekomen. Zo zag de profeet Jesaja het reeds toen hij uitriep: “Ja, waarlijk, Hij heeft al onze ongerechtigheden op Zich genomen en onze zonden heeft Hij gedragen”. In dat gericht kan geen zondaar bestaan. Dan moet hij uitroepen: “Zo Gij in 't gericht wilt treden, Heere, wie zal bestaan?” De door de Heilige Geest ontdekte zondaar maakt kennis met dat gericht. Levendig overtuigd van zijn zondeschuld ziet hij hoe God een verterend vuur en een eeuwige gloed is, die het vonnis van de eeuwige dood over hem moet uitspreken.

Maar neen, al overtuigt de Heilige Geest hem van zijn verloren toestand, al ziet hij dat hij voor dat gericht niet kan bestaan, in het gericht zal hij niet komen. God richt niet tweemaal maar eens, en in dat gericht is Christus voor al de Zijnen geweest. Gethsémané’s hof en Golgotha’s kruis doen ons dat gericht aanschouwen. In dat gericht klaagde de Borg zelfs dat God Hem verlaten had en gingen al Gods golven en baren van recht en toorn over Hem. Omdat Hij tevens God was, kwam Hij niet om. Welk een voorrecht, dat alles is geschied, mag het kind des Heeren zeggen: “opdat ik nimmermeer in het gericht Gods kome”. Aan 't einde van de levensbaan staat voor hem niet de troon des gerichts, maar de troon der genade en de strijdende en vaak ook lijdende kerk zal dan eeuwig triomferen en de kroon neerleggen voor Hem, die Sion door recht heeft verlost.

In die weldaden van de Kerk deelt ieder die een levend lidmaat daarvan is. Dat woord ‘levend’ duidt aan, dat er ook dode leden van de Kerk zijn. Eigenlijk of in de diepste grond staan zij buiten de Kerk. Zij zijn er volgens onze belijdenis slechts met het lichaam in. Met hun hart zijn ze in de wereld. In plaats van gemeenschap met Christus en de heiligen, hebben zij gemeenschap met de duivel en met de zondaren. Zij kennen geen schuldvergeving, maar gaan met hun grote zondeschuld naar het gericht van Gods. Waarin zij het vonnis zullen vernemen: “Gaat weg van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, dat de duivel en zijn engelen bereid is”. O, wat zijn de zodanigen diep te beklagen. Zij hebben een uitwendig lidmaatschap van de Kerk en delen in de uitwendige zegening van de Kerk, en dat alles zal nog tegen hen getuigen in de oordeelsdag. Wat dan te doen? Uiterlijk dan ook maar breken met het lidmaatschap van de Kerk? Maar dan gaat u het verderf tegemoet. Nee, zoek een levend lidmaat van Christus te worden.

Dat is nog verkrijgbaar. Immers, Christus vergadert nog Zijn Kerk en Hij gaat daarmee door tot de laatste van des Vaders uitverkorenen is toegebracht. Het is nu nog het heden der genade. Nog roept Christus zondaren door Zijn Woord toe: “Wendt u tot Mij en wordt behouden”. U bent leden van de Kerk des Heeren, gelijk de Israëlieten dat waren van de Kerk van het oude verbond. U bent geboren in de Kerk, die de zuivere belijdenis van de waarheid heeft en de kenmerken draagt van de ware Kerk. En dan toch straks gaan sterven, zonder vergeving van zonden? O, wees toch gewaarschuwd om van een uitwendig lidmaatschap een grond van zaligheid te maken. “lk ben de ware wijnstok, zegt de Heere Jezus tot Zijn discipelen, en gij zijt de ranken, maar iedere rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg en men vergadert ze en men werpt ze in het vuur en zij worden verbrand”. Men kan dus een rank zijn van de ware wijnstok en toch niet in waarheid in Christus zijn. Ranken zonder vrucht zijn de dode belijders, die verbondsgewijze in Christus zijn en in Zijn Kerk en toch niet leven uit Hem. Vraag u zelf eens af: waarin zoekt gij uw leven? In de dingen die boven zijn, waar Christus is, of in de dingen die beneden zijn, in de dingen die vergaan? Nog roept de Heere: “Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Neigt uw oor en komt tot Mij, hoort en uw ziel zal leven”.

Gelooft u één heilige, algemene Christelijke Kerk? Gelooft u dat er zulk een Kerk is van geroepen heiligen in Christus Jezus? Gelooft u  dat er ook in uw vergadering zulk een Kerk is en dat u daar nog buiten staat, omdat u het leven mist? O, verlaat dan die Kerk nimmer, maar rust niet totdat gij door het geloof haar wordt toegevoegd. Waar die ware Kerk is, woont de Heere met Zijn Geest en worden zondaren tot God bekeerd. Ja, de Heere staat niets in de weg. Hij kan in de kroeg en op de kermis wel een zondaar in het hart grijpen, maar Hij werkt naar de regel van Zijn Woord toch inzonderheid in Zijn Kerk. Wij leven in een tijd van onkerkelijkheid. Zovelen zeggen: ‘Wat betekent het bij de Kerk te behoren’? Waarom een kerkelijke band gezocht? Maar wilt u dan denken dat de Heere een God van wanorde is en dat een bandeloos kerkelijk leven Hem kan behagen? Velen beschouwen de Kerk als een kosthuis, waarin men slechts vertoeft, zolang de opgediste spijze ons smaakt, en wegloopt als men meent het elders beter te zullen vinden. Eigen wil en zin wordt dan de maatstaf in plaats van het Woord des Heeren, dat beveelt onze onderlinge bijeenkomsten niet na te laten.

Levende leden van Christus' Kerk! Hoe groot zijn uw weldaden reeds in dit leven! U deelt in de vergeving der zonden. Van u getuigt de dichter als hij zingt: “Welgelukzalig is de mens wiens zonden vergeven, wiens ongerechtigheden verzoend zijn”. U geldt het woord van de Apostel: “Zo is er dan geen verdoemenis meer voor degenen die in Christus Jezus zijn”. U hebt dubbel ontvangen voor al uwe zonden. Heel de levende Kerk heeft vergeving der zonden. Geen enkel levend lid zal zonder Christus' gerechtigheid voor God verschijnen. Gelooft u in die vergeving van uw schuld? Is het uw persoonlijke toe-eigening reeds dat u zeggen mag: “God zal mijn zondige aard nimmer gedenken?” Och, er is zoveel klein en zwak geloof onder Gods kinderen. Daarom wordt ook het Avondmaalsformulier zo dikwijls niet verstaan als daar gevraagd wordt of u gelooft dat al uw zonden u om Christus' wil vergeven zijn. Dan zegt het klein geloof: nee. Maar toch het beginsel van het geloof zegt: Ja. Of zou er één kind van God op aarde zijn, die gelooft dat zijn zonden hem op een andere grond, dan om Christus' wil ver geven zijn? Nee, roepen ze dan uit, er is geen andere grond dan Christus alleen, als ik er nog één zucht moest bij doen, dan was het verloren. 

Wij zoeken zo dikwijls de grond van de vergeving buiten Hem. Maar het geloof zegt: ‘Wij hebben de verzoening door Zijn bloed, dat alleen reinigt van alle zonden’. Zoekt die verzekering in dat bloed. Zij is verkrijgbaar voor degenen, die Hem zoeken. Zij is onmisbaar voor de vastheid van het leven des geloofs en zij is onschatbaar in haar heerlijke rijkdom en doet in heiligmaking wandelen, daar zij leidt tot de begeerte om godzalig te leven in ootmoed, voor de uitdelging van deze grote zondeschuld.

Oefent dan ook voortdurend de gemeenschap der heiligen.  Hoe zwak u ook in uzelf bent, in Christus is een volheid en Hij geeft daaruit genade voor genade. Die gaven der genade zijn verschillend, doch ijvert naar de beste gaven. Gebruikt wat u uit genade hebt ontvangen ten nutte van anderen.

Een godvruchtig leraar in de Schotse Kerk deelt mee in zijn geschriften, dat vier kinderen uit hetzelfde gezin wandelden aan de waterkant. Eén van de kinderen viel in het water en het tweede greep nog bijtijds de kleding en hield zodoende het hoofdje boven water. Het derde kind greep de hand van het tweede opdat dit niet in het water zou glijden bij het vasthouden van de klederen van de drenkeling. Na de redding door lieden die te hulp kwamen, vroeg de vader van de kinderen aan de tweede en derde wat zij gedaan hadden tot hulp. Eindelijk vroeg hij  de vierde, de jongste van de kinderen,  en jij, wat heb jij gedaan? Ach, zei de kleine, ik had geen kracht om mee te trekken, maar ik heb zo hard geschreeuwd, dat van alle kanten hulp daagde. Zo kan de kleinste in Gods Kerk zijn gaven ten nutte van anderen aanwenden en soms nog het meeste van allen doen. Het penningske van de weduwe was groot in 's Heilands ogen. Beoefening van de gemeenschap der heiligen is in het bijzonder een praktisch werk en strekt zich uit over zo’n ruim gebied in het Koninkrijk Gods. Het is een weldaad van de Kerk in dit  leven gemeenschap der heiligen te beoefenen, ieder lid op zijn plaats en elk ten behoeve van het gehele lichaam. Zo wast dan de Kerk op tot een heiligen Tempel in de Heere en wordt in haar midden gezien: Ziet hoe goed en hoe lieflijk is het, dat broeders van hetzelfde huis samenwonen. Ps. 133 : 1

AMEN.