Zondag 17 - De dood overwonnen - ds. L.H. van der Meiden

Zondag 17

De dood overwonnen L.H. van der Meiden

Ps 123:1

Ps 30:1,2

Ps 115:6,7,9,

Ps 119:47

Ps 56:6

Hosea 6

Hosea had harde boodschappen aan Israël te brengen. Maar Hosea's profetie is vaak als de natuur; als de storm zich neerlegt hebt u het lieflijkste weer. Hosea had ook een boodschap des levens te prediken. Israël zal delen in de geestelijke opstanding. Er is een dag van ellende, van lijden, van smart en dood. Deze dag werd ook door dit volk gekend. Het volk sprak immers: “Laat ons wederkeren tot de Heere, want Hij heeft ons verscheurd, geslagen” (Hosea 6:1). Doch 't geloof, vluchtend tot de Heere, omhelst de belofte Gods. De Heere geneest het ellendige. Met Gods volk gaat het door lijden tot heerlijkheid. “De levensweg naar Eden loopt over Golgotha”. Dit leert ons de Schrift; dit ervaart Gods kind. Het graf is de kiemplaats der glorie, heeft iemand gezegd, en dit is geheel naar het Woord. Het tarwegraan sterft eerst en daarna brengt het vrucht voort. Israël ging door de druk tot het licht. Voor het volk zou een dag aanbreken van levendmaking, levensvernieuwing, verlossing. In die dag zullen ze kennen en ze zullen voortgaan te kennen (vs. 2 en 3). Deze woorden houden een profetie in van Christus en zeggen ons tevens, dat het aan Israël toegezegde heil vrucht is van Christus' sterven en opstaan. Christus ging de dood in, maar Hij is verrezen en heeft de dood verslonden. De vrucht van Zijn opstanding is rijk.  Die vrucht is dat de Zijnen met Hem leven zullen tot in eeuwigheid. Een martelaar stond eens voor zijn rechter. “Offer de goden”, zeide deze, en u zult met ons leven. Met u leven zou sterven zijn, antwoordde hij. Zo is het, leven met de vijanden van Christus, dat is sterven. Sterven, tijdelijk sterven om Christus' wil, dat is leven, eeuwig met Hem leven. Sterven met Christus, dat is sterven aan onszelf, dat is gezaaid worden als het tarwegraan. Maar die aldus sterft zal ook leven.

Welgelukzalig allen, die door de Geest des Heeren, als vrucht van Jezus' opstanding, in het leven delen.  Van de vruchten van Jezus' opstanding, van het grote nut, spreekt onze Heidelberger in kostelijke woorden. In forse trekken wordt de rijkdom van deze vruchten ons getoond. Hier is bron ontsloten voor het naar God dorstende hart. Die treurenden behoeven nooit in zwarte smart voort te trekken. De vrucht van Jezus' opstanding is om alle treurigen te troosten.

Hosea 6 : 2

Hij zal ons na twee dagen levend maken; op de derde dag zal Hij ons doen verrijzen en wij zullen voor Zijn aangezicht leven.

 

Zondag 17

 

Vraag 45. Wat nut ons de opstanding van Christus?

Antwoord. Ten eerste heeft Hij door Zijne opstanding de dood overwonnen, opdat Hij ons de gerechtigheid, die Hij door Zijn dood ons verworven had, kon deelachtig maken. Ten andere worden ook wij door Zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven. Ten derde is ons de opstanding van Christus een zeker pand onzer zalige opstanding.

De Heidelberger sprak allereerst van de staat van Jezus' vernedering. Het grote lijden is ons getekend. Trap na trap daalden we af. Telkens werd klaarder aangetoond, hoe bang, hoe zwaar, hoe ontzaglijk Jezus' lijden was. Hij ging de vloekdood in; leed de helse angsten en smarten. Maar onuitsprekelijke daden heeft Hij in die weg voor Zijn volk verworven. Christus is ook verrezen! Er is ook een staat van verhoging! De eerste trap is de opstanding uit de doden. Het feit van de opstanding wordt niet direct, niet afzonderlijk besproken. Dit heilsfeit ligt natuurlijk aan die dingen ten grondslag. Wie het heilsfeit loochent - er zijn er benauwend veel, die dit doen - kan onmogelijk instemmen met wat de Heidelberger hier noemt.

Wanneer ons boekje spreekt van HET NUT VAN JEZUS’ OPSTANDING, dan spreekt dit van:

  1. LEVENSVERWERVING
  2. LEVENSVERNIEUWING
  3. LEVENSVERWACHTING

1.      Levensverwerving.

Wat nut ons de opstanding van Christus, vraagt onze Heidelberger. Dadelijk wordt over het nut gesproken, en geantwoord: Ten eerste heeft Hij door Zijn opstanding de dood overwonnen, opdat Hij ons de gerechtigheid, die Hij door Zijn dood ons verworven had, kon deelachtig maken.

Dit spreekt van levensverwinning. Christus verslond de dood. De Heidelberger gaat dus uit van het feit van de opstanding. Dit feit is niet van ondergeschikte betekenis, zoals sommige menen. Als Christus niet is opgewekt, dan is de prediking, dan is het geloof ijdel (1 Kor. 15). Maar Christus verwon. De vijand moest al sidderende vluchten. O, als het onvergankelijk Levenslicht de nevelen wegvaagt, als de Doodsverwinnaar de banden van het  ongeloof verbreekt, als de goede Herder de verstrooide schapen vergadert en de Verrezene de tranen droogt en vrede ademt, dan zullen de Zijnen Zijn lof verbreiden.

Neen, de ongeloofsprofeten hebben geen grond voor hun dwaalleer. Christus is opgewekt.

“'t Is geen droom, geen ijdele waan, Hij is waarlijk opgestaan".

Christus is opgewekt. Als een juichkreet klinkt het uit 1 Kor. 15 ons tegen. 't Is een zegezang over dood en graf, die in dit hoofdstuk gehoord wordt. Als Christus niet opgewekt was, dan bleven de uitverkorenen in een jammerkolk van nameloze ellende. Dan was er geen verlossing uit de dood en uit de afgrond van de hel.

Laten we daarom niet alleen alle moderne, maar ook alle ethische theorieën, die meer of minder tornen aan de waarheid van het feit van de opstanding, niet alleen onvoorwaardelijk afwijzen, maar ook met het zwaard des Geestes bestrijden. Als Christus niet is opgewekt, dan is God niet verheerlijkt en aan Zijn recht is niet voldaan. Dan is er geen troost van het heil, dan is de prediking ijdel. Als Christus niet is opgewekt, dan is niet waar:

„Al wie zijn leven niet verliest,

zal 't leven nimmer vinden.

Maar wie de sombre doodsweg kiest,

zal de dood nooit verslinden;

Die hangt de Vorst des levens aan.

Om hier met Hem te sterven,

Met Hem door 't dal des doods te gaan

En daarna 't leven te erven".

Als Christus niet is opgestaan, dan is alles ijdel. Dan kan geen goddeloze gerechtvaardigd worden. Dan is geen vrijspraak van schuld en straf mogelijk, dan blijft de poort van het eeuwig Jeruzalem voor zondaren eeuwig gesloten, dan is er metterdaad nergens uitkomst en dan moet alle hoop ontvallen.

Maar nu, Christus is opgewekt.  De hel is overwonnen, de vijand is beschaamd, de dood is verslonden en het handschrift, dat tegen ons was, is uitgewist. 't Geloof is niet ijdel. De in Christus ontslapenen zijn niet verloren. Het feit van de opstanding is zeker. De zegezang kan worden aangeheven en het arme pelgrimsvolk kan met het optochtlied over de opstanding des vleses optrekken naar de eeuwige Godsstad. Christus is opgewekt.

“'t Onvergankelijke Levenslicht,

rees met gans ontdekte luister,

uit de smaadheid van 't gericht,

uit der graven sombere kluister.

't Nachtuur is voorbijgegaan.

't Licht des heils is opgestaan".

Christus is opgewekt. Christus is de Gezalfde tot Profeet, Priester en Koning. Deze Naam wijst op de volle rijkdom der genade in de Borg aan de levende Gemeente geschonken. Dat drievoudig ambt staat in verband met onze drievoudige ellende. Wij zijn gans verduisterd van verstand, van nature geheel blind in 's hemels wegen. De grote Profeet moet ons zaligmakend door Zijn Woord en Geest onderwijzen. Zalig, die geleerd heeft aan Jezus' voeten te gaan zitten en die daar zijn verschrikkelijke onkunde bekent en in zijn armoede hartelijk en kinderlijk smeekt: “HEERE, ai, maak mij Uwe wegen, door Uw Woord en Geest bekend; leer mij, hoe die zijn gelegen, en waarheen Gij Uw treden wendt”!

Mogen we dit nog al veel beoefenen? O, als Christus niet opgewekt is, dan is deze leerschool niet open. Dan is er geen Profeet, Die ons wijs kan maken tot zaligheid. Christus is de Hogepriester, Die Zichzelf offerde. Hij heeft Gode het rantsoen betaald. Hij is het Lam, dat geslacht werd op Golgotha, overgeleverd om onze zonde. Ware Hij nu niet opgewekt, dan was er geen rantsoen voor ons, dan was er geen gerechtigheid, waarmee we voor God kunnen bestaan. Dan was er geen Voorspraak, geen Borg, geen Pleitbezorger, geen biddende Hoogepriester. Maar nu . . . Christus is opgewekt. Hij is de Koning, Die de sterke overwon,  Die de dood verslond, Die de dood overwint in de Zijnen. Die satan zijn vaten ontrooft. Die de boeien van de zonde slaakt en zondaren, dood in de misdaden en de zonde, levend maakt, vrij maakt, hen zaligt en volkomen verlost. Hij is de Koning, Die eens Zijn stem zal laten horen en allen moeten dan verschijnen voor Zijn rechterstoel. Alle graven zullen geopend worden, alle doden zullen opstaan, alle mensen worden geoordeeld. Hij is de Koning, Die de Zijnen bewaart en eens het eeuwig, zalig en heerlijk Koninkrijk ten volle zal doen beërven. Alles zou ijdel zijn, ware Hij niet verrezen.

Maar nu, Christus is opgewekt. Zeker, Hij is ook opgestaan. Als er sprake is van opwekking, dan wordt gewezen op de daad des Vaders. Die opwekking is het “amen" Gods op Jezus' uitroep “Het is volbracht”. Het staat dus onomstotelijk vast, dat de Vader voldaan, dat het geëiste rantsoen gebracht, dat de verkoren gemeente behouden, de hel voor de gunstgenoten Gods dicht, en het eeuwige Vaderhuis voor het Sion Gods open is. Nu, nu Christus opgewekt is. Christus is opgewekt uit de doden. Wij hebben in Edens hof gezondigd. De bezoldiging der zonde is de dood. Wij zijn allen van nature geestelijk dood. Niemand van ons zal de slaap des doods niet eens slapen en wij hebben de eeuwige dood verdiend. Dat is ons vreselijke bestaan. Maar Christus is gehoorzaam geworden tot de dood des kruises. Hij is gestorven aan het vloekhout. Hij is de diepte van helleangsten, van eeuwigheidsstraffen, van doodsjammer ingegaan. En . . Hij is niet verslonden. Geen doodsgeweld kon Hem houden. Hij is opgestaan. Hij verslond de dood. Zó verwierf Hij het leven. Met Hem zijn en worden de Zijnen levendgemaakt. In Hem gestorven, gaat hun ziel dadelijk naar de eeuwige heerlijkheid en rust hun vlees in hope. Door Hem zijn ze verlost van de eeuwige dood. Kinderen Gods, mocht u de rijkdom van deze dingen inleven en Hem prijzen. In 't stille graf zingen ze niet. Het zielloos lichaam kan Hem geen glorie geven. Maar de tong der Zijnen zal zingen tot in eeuwigheid, Hem prijzen, de Bron van het leven. En tot dat volk behoren wij, wanneer we door Gods Geest aan onze vreselijke doodsstaat ontdekt zijn en onze geestelijke armoede recht, diep gevoelen. En leerden zuchten: “Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn Uw trouwe hulp”.

Christus is opgewekt. Zo is de gerechtigheid verworven. Wie nu, door de Heilige Geest bearbeid, zich leert kennen als een tollenaar, die gaat roepen tot de Heilige God. Zulk een verstaat, dat hij tegen God gruwelijk heeft overtreden, des doods schuldig is en geen gerechtigheid bezit om voor God te bestaan. Hij is de zondaar. Die zondaar bidt om genade. Hij bidt, of God hem in

 
   


 de verzoening wil laten delen. Hij ziet, dat een kloof hem van God scheidt, dat een nameloze schuldrekening open staat. Hoe waagt hij het nu om om verzoening te smeken? Zijn oog is open voor het genadeheil in Christus. En in Christus wordt hem de gerechtigheid toegerekend, de tollenaar ging gerechtvaardigd naar zijn huis. Dat is de eerste vrucht van Jezus' opstanding. Welgelukzalig die dit weten. Zij kunnen blijmoedig optrekken naar het eeuwige Jeruzalem. Verheugd mogen dezulken bij ogenblikken hun optochtslied zingen. 't Is te begrijpen, dat Gods volk vaak vreest. Ze vrezen vaak, dat ze van dat heil vreemdeling zijn. Maar, volk des Heeren, gij zijt toch geen vreemdeling van het oprecht en hartelijk belijden voor het aangezicht van God? Wie door de Heilige Geest geleerd en geleid wordt, aanvankelijk en altijd verder, leert zijn verloren staat diep kennen en God hartelijk liefhebben in Zijn heilige deugden van gerechtigheid en heiligheid. Het is levende ervaring geworden bij hen, dat uit hen geen vrucht is in der eeuwigheid. 't Oor des geloofs gaat meer open voor de belofte des heils; 't oog des geloofs wordt ontsloten voor de weg der verlossing, gaat open voor de Verlosser, voor al wat aan Hem is, voor al wat in Hem is, voor al wat Hij Zelf is en waartoe Hij onmisbaar en volkomen is. Hier weidt hun ziel met een verwonderd oog. Ze kunnen zalig worden in een weg, waarin God op 't hoogst verheerlijkt wordt. O, heerlijk, als die Zaligmaker Zich al meer openbaart. Als het God behaagt Hem in ons al meer te openbaren. Wij erkennen onze schuld en onze doem, we onderschrijven onze doodsbrief. Maar we leren, door Gods Geest in ons, ook aanhouden in het smeken om genade. We weten het, er is geen verzoening voor ons, tenzij Jezus tussentreedt. Zeker. Zijn belofte voor ellendigen is er. De meerdere Jozef getuigt van vergeven. We hebben reeds spijzen van Zijn tafel genoten, toen wij Hem nog niet kenden. Nu ging ons oog voor Zijn heerlijkheid open, nu hoort ons oor Zijn Woord. Maar . . . och, zouden we het goed horen, recht zien? Zalig, als Hij, de meerdere Jozef met de kus der liefde Zijn Woord bezegelt en zo het geloof doet doorbreken. Ja, dan kunnen we blijmoedig tot God naderen. We kunnen juichen: Jezus leeft! In Hem vonden we vergeving. Ik heb het zelf uit Zijne mond gehoord, juichen we, ja, Hij kuste mij met de kussingen van Zijn mond.

En al naderen we dan als schuldigen voor de Vader, Wiens Zoon we uitwierpen. Al zijn wij voor God bedriegers, huichelaars.  Wanneer we voor Zijn aangezicht verschijnen, pleitend op die meerdere Jozef, Die leeft, Wiens heerlijkheid we zagen, Wiens woord we hoorden, Wiens kus we ontvingen, dan zullen we ervaren, dat dit genoeg is. Zo wordt de troost genoten en is de hope der zalige opstanding levendig.

Geliefden, zullen wij iets van dit heil kennen, dan moeten we levend gemaakt zijn met Christus.

De Heidelberger spreekt daarvan in de tweede plaats, als gezegd wordt: Ten andere worden wij door Zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven. Dit spreekt ons van levensvernieuwing.

2.      Levensvernieuwing

Eertijds waren Gods kinderen dood. Lijken, staat er zelfs letterlijk in de Schrift (Efez. 2:1). De macht des doods had hen gevangen. Ze waren dood in de misdaden en de zonden. En dood zijn is gescheiden zijn van God, Die het waarachtige leven is. Onmachtig en onwillig tot enig geestelijk goed, geneigd tot alle kwaad en te verkeren onder de toorn Gods, de vloek der wet en de macht des verderfs. Welke, zo de Heere niet genadig tussenbeide komt, doorwerkt tot in eeuwigheid. Hoe ontzettend is dus de doodsstaat. En, zo min een Moorman zijn huid en een luipaard zijn vlekken kan veranderen, zo min kan de dode zich van deze ellendige staat verlossen. Dit geldt voor elk mens. Elk onbekeerd mens is geestelijk dood, mist het leven Gods. Hij kent God niet, noch Christus, noch zichzelf. Hij is een wandelaar op de weg des verderfs. Geloven we dat? Zo ja, dan zullen we niet kunnen rusten, aleer we weten uit die rampstaat verlost te zijn, Zo nee, dan zullen we, tenzij wij nog tot oprecht geloven komen, eens in de kille armen van de eeuwige dood verzinken.

Zulke doden worden opgewekt tot een nieuw leven. Het is een daad Gods, met de mensen.

De Heere doet dit, volk Gods, niet om uw waardigheid of verdienste, want dat is de eeuwige straf. Niet om uw zuchten of roepen, want dat doen doden niet. Niet om uw voorgezien geloof, want dat bestaat niet, niet omdat Hij afstand deed van Zijn recht, want dat kon de Heere niet. Nee, om zulke dingen deed Hij het niet. Hij deed het, naar het vrije van Zijn welbehagen, naar Zijn grote liefde alleen om Christus' wil. Het welbehagen is de bewegende oorzaak van de weldaden, waarin gij deelt, gunstgenoten Gods. En Jezus Christus, de Borg, is de verdienende Oorzaak. Dit opgewekt worden is vrucht van Zijn opstanding. De Heere wekt op om Zijn verdiensten. Dit opwekken geschiedt door Zijn Woord en Geest. God doet dit uit genade, uit onverdiende ontferming.

Die opwekking geschiedt door de kracht van Christus. Voor die kracht moest de dood het afleggen. Door die kracht wordt de hel voor de Zijnen verteerd. Nu kan een dode zondaar niet uit zijn zondegraf worden opgewekt, of het oordeel des doods moet worden weggenomen. Christus droeg dit oordeel. Hij deed het volkomen; dit bleek duidelijk in Jozefs hof, want de Vader wekte Hem op. Dit was een rechterlijke daad van God. En nu kunnen de uitverkorenen niet in de dood blijven. In de opwekking van de Zoon heeft de Vader uitgesproken, dat al de verkorenen zullen worden opgewekt. De verkorenen hebben het recht ten leven in Hem ontvangen, zij kunnen niet meer verdoemd worden.

Zij komen niet met een levenskiem in de wereld. Zij zijn niet van eeuwigheid gerechtvaardigd. Zij zijn van nature kinderen des toorns, dood in de misdaden, als al de anderen. Maar waar Christus, hun Borg, het oordeel des doods wegdroeg, zullen de uitverkorenen in de tijd worden opgewekt. Wat de uitverkorenen rechtens in Christus hebben, wordt in de tijd geschonken. En dan worden ze feitelijk opgewekt door Jezus' kracht.

Die opwekking bestaat niet daarin, dat de mens een zondig leven verandert in een deugdzame wandel. Dat hij verlicht wordt naar de eeuw dezer wereld. Dat hij gedoopt wordt, ter kerke gaat, belijdenis doet en Avondmaal houdt. Ook niet daarin, dat hij algemene gaven des Geestes ontvangt, hemelse gaven en krachten der toekomende eeuw smaakt. Evenmin als het de Egyptenaren mogelijk was door het balsemen en kruiden van de gestorvenen hun doden het leven weer te geven, evenmin bestaat in het genoemde de opwekking. Wedergeboorte is noodzakelijk. Als het uurtje der minne slaat, gaat de Heere Zijn verkorenen, die dood in zonden en misdaden op de vlakte des velds vertreden liggen in hun bloed, voorbij en spreekt het “Leef, ja, leef” over hen uit. Dan ontvangen zij de Heilige Geest en door Zijn werken en wonen in hen het nieuwe leven. Deze snijdt hen af van de oude Adamswortel en lijft hen Christus in door het geloof. Ze gaan over uit de dood in het leven, uit de duisternis in het licht, uit de klauwen van Satan in de armen des Heeren. Ze worden hersteld in de gemeenschap en gunst van God. God rekent hun toe, wat zij in Christus hebben. God zet hen door de Geest over in Christus en Deze wordt hun als Borg en Zaligmaker, Profeet, Priester en Koning geschonken. Hun schuld en straf wordt hun kwijtgescholden en zij ontvangen het recht ten eeuwigen leven. Hun zonden worden vergeven. Satan is het recht op hen kwijt. De Heere staat voor hun zaligheid in, de hemel der heerlijkheid en de erfenis der heiligen wacht hen. Bij de levendmaking wordt hun toegerekend wat zij in Christus hebben. Welk een weldaad ontvangt dus een zondaar, die levend gemaakt wordt. Zijn Rechter is zijn Vader geworden, Christus zijn  Borg en Zaligmaker, Voorspraak en Leidsman. In de Heilige Geest, Die in hem woont en eeuwig bij hem blijft, heeft hij de Trooster op aarde en een onderpand der eeuwige erfenis. Versta deze dingen nu wel. Zó ligt alles in Christus, in Wiens leven de levendgemaakte zondaar nu deelt. Wie één minuut na zijn wedergeboorte sterft, gaat natuurlijk de eeuwige heerlijkheid in.

Er is rijke stof tot roemen. Maar de door Jezus' kracht opgewekte zondaar wordt een zuchter. Door de geheiligde kennis leert hij verstaan, hoe groot zijn ellende is. Hij ziet zich hopeloos verloren. Banden des doods benauwen hem. Maar in deze toestanden wordt hij een rechte bedelaar aan den troon der genade.

Hij verstaat nu in beginsel, dat hij dood is in de misdaden en zonden. Een gruwel is hij in eigen oog. Hij kent een hartelijk leedwezen over de zonde, waardoor Hij de Heere vertoornd heeft. Hij walgt van zichzelf, haat de zonde als zonde en leert ze ook vlieden. Hij erkent voor de Heere, dat hij verdiend heeft om voor eeuwig verstoten te worden in de hel. Maar tevens smeekt hij, of er voor zulk een monster, zulk een groot beest, nog genade is. Hij zal verstaan, hoe ijdel alle eigen werk is en leren vragen: “Heere, is er nog een weg om de welverdiende straf te ontgaan en weder tot genade te komen”? Zijn deugden zijn dorre doodsbeenderen gelijk en zijn beste werken zal hij als een wegwerpelijk kleed leren kennen. Door de Heilige Geest, Die hem geschonken is, verstaat hij nu, dat in de dorre doodsbeenderen de Geest gemist wordt. Nu is hij niet meer vroom, maar belijdt in geheiligd schuldbesef zijn misdaden. Hij leert nu ook de psalm, die spreekt van: “Ik ben vanwege al mijn zonden, die mij wonden, vol van kommer en verdriet”.

Hoort u, dat is een psalm van een levendgemaakte, een die op den pelgrimsweg zo menigmaal wordt herhaald. O, wie met dezen psalm recht instemt, erkent dat het vonnis rechtvaardig zou kunnen luiden: “Ga weg van Mij, gij werkers der ongerechtigheid”. Duizend zorgen en duizend doden kwellen het angstvallig hart en uit de matte ziel klimt de bede op om genade en vergeving.

Welk een blijdschap wordt gesmaakt, als te midden van die duisternis het licht begint te gloren. Als de weg der verlossing wordt ontsloten en zulk een bange, door schuld verslagen ziel, de nodiging hoort: “Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt en lk zal u rust geven”. Heilbegerig is de ziel ook naar de redelijke en onvervalste melk, Gods Woord, en zij hongert ook naar het Brood des levens. Zo gaat de levendgemaakte zondaar de weg op. Gods Woord is de lamp voor zijn voet en het licht op zijn pad. Hij wordt geen zondeloze, maar blijft tot hinken en zinken elk ogenblik gereed. En de klacht van Paulus : “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods” wordt op de smalle levensweg menigmaal herhaald. De levendgemaakten leren verstaan, dat het kwade hen bij ligt, als zij het goede willen doen en dat in hen, dat is in hun vlees, geen goed woont. Het willen wordt wel gevonden, maar het volbrengen blijft zo ver weg. In die weg wordt de noodzakelijkheid en dierbaarheid van de Borg geleerd en door het geloof leren ze in Hem schuiling zoeken.

Wat een voorrecht, als de Heilige Geest van het eeuwige leven verzekert en ons gewillig en bereid maakt om de Heere te leven. Zij mogen zingen :

'k Ben eeuwiglijk gedachtig aan Uw woord,

Want ik ontving door Uw bevelen 't leven.

'k Ben d' Uwe, Heer; geleid mij ongestoord;

Behoud mij toch, naar 't woord aan mij gegeven;

Ik heb met lust Uw wetten nagespoord,

En die gezocht, door Uwen Geest gedreven.

Ps. 119:47.

3          Levensverwachting.

De Heidelberger wijst ons op een derde vrucht, namelijk dat de opstanding van Christus een zeker pand is van onze zalige optanding. Er is een vaste waarborg.

Christus is opgewekt. In Hem zullen de Zijnen herrijzen. 't Is met het graf niet uit; ook niet voor het lichaam. ’t Laatste woord is niet aan de wormen in de schoot der aarde. Onze, in Christus, ontslapenen rusten en wachten. Hunne ziel is boven in den hemel, bij Christus en God. Zij genieten de volle zaligheid. Zij leven het volle, rijke hemelleven. O, zalig voorrecht. En zij verbeiden de ure, waarin Jezus wederkomt. De ure waarop hun lichamen zullen opstaan, opstaan tot eeuwige heerlijkheid. Zo moogt u staren op de uwen, zo zij in Jezus ontsliepen. Laat dit u troosten, onder uw rouwkleed, laat dit u sterken op uw ziekbed, zo u geen vreemdeling zijt van het heil in Christus. Ook dit woord staat tot lering en troost geschreven. Maar dan moeten we ook tot Gods volk behoren. En we behoren tot dat volk, als we van Christus zijn. Zij zullen eens zalig opstaan, die van Christus zijn. Die Hem zijn gegeven, die zijn door Hem gekocht met Zijn dierbaar bloed, die zijn door Hem uit de macht des doods, der zonde en des satans verlost. En die zullen opstaan tot heerlijkheid. Door de gift des Vaders en door Zijn losprijs en vrijmaking zijn de Zijnen Zijn eigendom. De Heilige Geest lijfde hen door 't geloof Christus in en zo hebben zij deel aan het heerlijk Borgwerk van Hem. Zij zijn Zijn schapen, leden van Zijn lichaam. Eens worden alle graven geopend en allen zullen we staan voor de troon van God om geoordeeld te worden. Dan zullen de in Christus ontslapenen opstaan tot eeuwige heerlijkheid. Zij zullen dan hunne lichamen weder ontvangen. Geen ander lichaam, maar het zal wel anders zijn. Het zal zijn een verheerlijkt lichaam. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid. Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid. Het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht. Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt (1 Kor. 15). Die van Christus zijn, zullen dus opgewekt worden tot heerlijkheid. In hun slaapsteden wachten zij op die heerlijkheid, die zeker komt. Zalig, die door het geloof dit recht verstaat. Treffend zong iemand eens:

“Ik sta bij den grenspaal des tijds en des doods,

Hier toef ik en scherp het gezicht;

En ginder, o, aanblik verheffend en groots,

Daar wand'len de mijnen in ’t licht”.

Zo is het nu reeds naar de zielen. En als Christus wederkomt zullen ook de lichamen delen in de zalige opstanding. Gods kind heeft een levensverwachting. Er wacht een zalige, eeuwige hereniging. Ziel en lichaam worden herenigd. Gods kinderen worden herenigd. De uitverkoren Kerk zal eeuwig in de volmaakte gemeenschap Gods delen. Natuurlijk is die opstanding des vleses ook geloochend. Maar voor spotters en ongelovigen wijkt de waarheid niet.

We hebben een zeker pand onzer zalige opstanding. Niet zonder grond zingen Gods kinderen van hun levensverwachting. Dit wil niet zeggen, dat allen, die de naam van christen dragen, zich in dat heil mogen verblijden. We moeten van Christus zijn, Hem toebehoren, met Hem zijn levend gemaakt. Die niet van Christus zijn en zonder Christus sterven, hebben niet anders te wachten dan de opstanding tot verdoemenis. Dit moet ons dus wel dringen tot nauw zelfonderzoek. In onze tijd spreekt men zo gemakkelijk over 't geloof en zingt men zo spoedig van de eeuwige blijdschap. Maar al staat op een rouwkaart ‘in Christus ontslapen’, daarom is het nog niet waar. Waken we, dat we door de tijdgeest niet naar het verderf gevoerd worden. Wij zijn geen levende lidmaten van Christus omdat we gedoopt zijn, of omdat we belijdenis deden. Er zijn tal van onherboren bondelingen, die straks als kinderen des Koninkrijks buiten geworpen worden. Zij bewijzen in hun leven duidelijk genoeg het leven des Geestes te missen. Er is geen vreze Gods te bespeuren, er is geen rechte lust in de dienst des Heeren. Onderzoek u toch, onherboren bondeling. Hebt u ervaring van het werk van de Geest in uw hart? Werd u ooit schuldenaar als een verloren zoon? Riep u ooit uit de diepten van ellende om genade? Hebt u ooit het Godsgemis leren kennen en bewenen? Hebt u ooit de noodzakelijkheid van de dierbare Borg leren verstaan? Hebt u ooit het verbond der genade leren inwilligen? Immers, neen? U kent het krachtig werk des Heeren in uw hart niet. O, bedenk nog heden uw ellende en vervloeking. U kunt nog in de gemeenschap van Christus komen. Maar daartoe is geloof nodig, door de Heilige Geest gewerkt. Daartoe is nodig de inlijving in Christus. Daartoe is nodig dat u door Zijn kracht opgewekt wordt tot een nieuw leven.

Als de Heilige Geest onze ogen opent, om te kunnen opmerken, zullen we onze verschrikkelijke ellende leren kennen. Hoe ontzettend is voor ons dan de ervaring van in de dood te liggen, van dood te zijn. Hoe groot en heerlijk is Jezus voor het geloofsoog, als dit Hem ziet als Overwinnaar van de dood.

Jezus greep eens de dood aan door Zelf in de dood te gaan. Hij stierf om de Zijnen van de dood te verlossen. Daarom kan Hij ook tot de zondaar treden om hem te verlossen van het geweld des doods. Zulk een Redder heeft de ontdekte zondaar nodig. Die kan niet getroost worden met een beschouwing over Jezus. Die kan niet leven van een dogma over de dood en het leven, maar die heeft de reddende kracht van Jezus nodig. Zulk een zondaar heeft nodig een Borg, Die ons vlees aanneemt, met ons in gemeenschap treedt, onze vloek en doem, onze schuld en straf, onze ongerechtigheid en onheiligheid op Zich neemt, om ons er van te verlossen. Dat is Zijn werk. Wie dit recht verstaat, zucht: “Heere, kom in, kom in en reinig ook mij van al mijn vuile zonden”.

Doch we hebben meer nodig. We moeten weer delen in het leven, zullen wij de rijke troost der zaligheid hier en eeuwig genieten. Dat leven geeft Jezus. Hij laat Zijn levenswoord prediken. Waar het met Zijn levenskracht gepaard gaat, waar Hij het vruchtbaar maakt door de Heilige Geest, daar horen de doden Zijn stem en . . leven. Daar staan ze op, zitten overeind, rijzen op uit het graf der zonde. En openbaren ze het nieuwe leven in het komen, wandelen achter Jezus aan. Dan zien ze de Levensvorst in het vriendelijk aangezicht. Ze aanschouwen hun Redder in Zijn luister en mogen spreken van Zijn triomf over de dood.

Jezus is de Levensvorst. Kennen wij Hem als zodanig? Hebben wij Hem op de weg ontmoet? Sprak Hij tot ons: “Leef”!? Hebben we Zijn stem gehoord, Zijn kracht ondervonden, Zijn aangezicht aanschouwd? Gaan we nu achter Jezus, op de weg des levens naar het graf? Zijn we nu verzekerd van onze zalige opstanding? Dan delen we in de levensverwachting. Wie dit zekere pand heeft, heeft ook een pand, een zeker pand zijner eeuwige erfenis. En de eeuwige erfenis wacht voor allen, die deel hebben aan het opstandingsleven. Spreekt er zulk een opstandingsleven in ons? Dan hebben we niet alleen het levenswoord gehoord, maar ook de levenskracht ervaren. Het levensbewijs wordt geleverd. Anders is onze wandel geworden. Met een nieuwe tong spreken we een nieuwe taal. In 't nieuwe leven verheerlijken we de Heere. De psalm des levens is ons niet vreemd. Achter Koning Jezus trekken wij dan, de levendgemaakten, getroost voorwaarts op de weg naar het graf. Wondere stoet van discipelen en discipelinnen. Zij hebben bij alle verschil, één weldaad gemeen: Zij hebben Jezus ontmoet op hun weg en bij Zijn levenswoord gaf Hij de levensdaad, de opwekking uit den dood. Achter Hem aan gaat het goed. Daar is het licht. Daar drukt het kruis nooit zwaar, daar ontvangen ze hemels onderwijs. Daar zijn ze veilig bewaard tegen de vijand.

Horen wij erbij? Zijn wij metgezellen van die opgewekten, die zulk een heerlijke levensverwachting hebben ?

Zeker, het nieuwe leven is nog gebrekkig. De band wordt ook niet altijd even sterk gevoeld. De vreze Gods is soms zo heel zwak. De allerheiligste heeft nog maar een klein beginsel der nieuwe gehoorzaamheid. Hier is het volmaakte niet, hier is nog de strijd, het tranendal, de pelgrimsweg. Hier is nog veel verdeeldheid onder die volgelingen. Hier worden de liefdebanden ook door de dood verscheurd. Maar in de eeuwige Godsstad zal de zalige hereniging plaats hebben. De verloste schare zal dan eeuwig den Heere voor die levensdaad danken. Dan zullen ze, in God verblijd, aan Hem gewijd, van Zijne wegen zingen. Daar is de smart voor eeuwig voorbij.

Verzadigd met Gods beeld, genieten ze de lieflijkheid van 't eeuwig hemelleven. Blij vooruitzicht voor Gods gunstgenoten. Streelt het ons ook ? Houden we dan moed. In de diepte blijft onze verzuchting :

„O, Gij, Die vrede en vreugd kunt geven,

Daal neer, waar ik aanbiddend kniel.

Gij, Springfontein van 't hemelsch leven,

Giet leven in mijn dorre ziel".

Maar op de hoogte der lieflijke bergen getuigen we toch wel eens: “Ik zal uit mijn vlees God aanschouwen”. Vaak is er strijd en vreze in het hart. 't Graf kan donker zijn, de laatste vijand kan zo benauwen. Ach, zo weinig kunnen we met blijdschap spreken van het zekere pand onzer zalige opstanding. Zal ik, ontwaakt, de Heere in gunst aanschouwen en verzadigd worden met Zijn Goddelijk beeld?

'k Heb eens gelezen, dat een straat in een grote stad heette: “De weg naar de hel”. In die straat stond een kerkgebouw. De weg naar de hel liep dus langs de kerk. O, hoevelen gaan er door de kerk heen naar de hel. Zondaren, bedenken we dit. Opgewekt moeten we worden door de kracht van Christus, zullen we niet eeuwig door Zijn kracht verstoten worden.

Kinderen des Heeren, levendgemaakten, opgewekten door Zijn kracht, van het opstandingsleven bent u geen vreemdeling. Ja, vaak worstelen we dan nog tegen ongeloof, in zwaarmoedigheid, in klein-geloof, in onvolkomen geloof, maar we hebben dan een zeker pand onzer zalige opstanding.

Er is grond, een vaste grond voor de levensverwachting. We zijn roepers uit de diepten. Zo de Heere onze ongerechtigheid gadeslaat, dan kunnen we niet bestaan. Maar onze grond ligt in Christus' gerechtigheid. De levensklacht uit de diepte is een bewijs, dat we de kracht der opstanding kennen. En pleitend op Jezus' werk blijven we verwachten en wachten, meer dan wachters op de morgen, de morgen, ach, wanneer?

Wanneer? Op Gods tijd komt de Heere, zuchtende Sionieten. De ure is niet ver meer. Het volmaakte wacht nog. Echter niet lang meer. Nog een kleine tijd en dan zult u de Koning zien in Zijn schoonheid. Dan zult u opstaan tot heerlijkheid. Dan is uw hart genezen, uw ziel zal met het verrezen lichaam delen in eeuwige heerlijkheid en 't laatste spoor van de vele vuile zonden is voor eeuwig verdwenen.

Laat dit u sterken, troosten, doen hopen en verwachten.

Trek op, Sionieten, met des dichters woord in uw hart:

'k Zal voor Gods oog, naar Zijn bevelen leven;

Zo word' door mij Zijn Naam altoos verheven,

Zo wordt Zijn lof vergroot.

AMEN.