Zondag 14 - de Menswording van Gods Zoon - ds. A.H. Hilbers

Zondag 14

De Menswording van de Zone Gods

  1. A.H. Hilbers

Ps 98:1

Ps 40:4

Lofzang Zach 1,4

Ps 72:7

Ps 25:3

Romeinen 1:1-23

Geliefde Gemeente,

De geschiedenis van Jozef, die door zijn vader zo teer bemind werd, is om meer dan één reden van bijzondere betekenis. Welk een wonderlijke weg heeft God met deze vrome jongeling gehouden. Doet het uw hart geen pijn, als u leest hoe eigen broers, door haat gedreven, eerst plannen maken om hem te doden, en daarna, als dat ternauwernood verijdeld werd, hem als slaaf te verkopen? Dat ziet u de dierbare, meest geliefde zoon van Jakob, die in godsvrucht wandelt, door de Midianieten naar Egypte meegevoerd. Alwaar hij bij Potifar slavendienst moet verrichten.

Jozef, de vrije zoon van de grote patriarch Jakob, is vernederd tot het werk van de slavernij. En straks gaat de weg nog dieper. Hoewel hij geheel onschuldig is, wordt hij door Potifars huisvrouw van grote misdaden beticht. En wordt hij in Egypte in de gevangenis geworpen. Zou zij leven niet kwijnend verteerd zijn, als God niet met hem geweest was?

En dat, terwijl deze Jozef zulke veelzeggende dromen gedroomd heeft, die hem een heerlijke en grote toekomst voorspelden. Wie zou nu niet zeggen dat dit alles slechts ijdele fantasie geweest is, opkomend uit het dwaze jongelingshart?  En toch zien we een machtige wending komen. Op de door God bepaalde tijd worden de deuren van de gevangenis voor Jozef geopend. En hij krijgt de hoogste plaats van macht en eer onder Farao, de koning van Egypte. Wat een verhoging valt Jozef te beurt. Wordt hij niet de bestuurder van het machtige Egypte en weet hij niet straks in bange tijden van hongersnood een groot volk in het leven te behouden? Wondervolle wegen! Hoe spreekt dit van Gods voorzienigheid, die langs wegen kan leiden die wij niet kunnen doorgronden.

Maar, geliefden, Jozefs weg van vernedering en verhoging leert ons meer. Mogen wij Jozef juist daarom niet een type noemen van onze Heere Jezus Christus? Ja, onze Heere Jezus Christus was reeds van eeuwigheid bestemd om Koning te zijn over Sion, de berg van Gods heiligheid. Om in eer en heerlijkheid te zitten aan de rechterhand van de Vader. En om dan tevens in de hoogste zin van het woord een groot volk in het leven te behouden. Maar, eer Hij tot die hoge heerlijkheid geklommen was, moest Hij een weg van diepe vernedering gaan. Naar waarheid wordt daarom door onze gereformeerde vaderen gezegd, dat wij bij de Middelaar van het nieuwe Verbond twee staten hebben te onderscheiden. Namelijk, de staat van vernedering en de staat van verhoging. En dit niet alleen om daarmee te onderstrepen dat de Heere Jezus eerst een weg van moeite en smarten moest gaan, om daarna tot heerlijkheid te komen. Maar deze uitdrukkingen geven uitnemend weer de rechtspositie, waarin de Christus bij de volvoering van Zijn Middelaarsbediening gesteld is tegenover de heilige God.

De Middelaar komt als de Plaatsbekleder van Zijn volk in de staat van de vernedering, omdat Hem de schuld van de zonde wordt toegerekend. Is niet om de zonde van Zijn volk de plaag op Hem geweest! Hij moet hun straf dragen, om tevens aan Gods recht voldoening te schenken. Maar, als dit dan ook geschied is, wordt de Middelaar in de staat van de verhoging gesteld, omdat Hij die heerlijkheid naar recht verworven heeft.

Tevens zien wij hierin, dat de Heere Jezus als Middelaar in de staat van de vernedering de zaligheid moest verdienen. En in de staat van de verhoging de zaligheid moet tóepassen!

Hoe duidelijk leert de apostel Paulus deze twee staten in Christus’ Middelaarswerk. Wijst hij niet op de eerste staat, als hij schrijft in de brief aan de Filippensen: “Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gods even gelijk te zijn, maar Zichzelf heeft vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende en is de mensen gelijk geworden. En in de gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelf vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja, de dood des kruises”.

Doch vervolgens toont hij ook de staat der verhoging aan, als hij zegt: “Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd. En heeft Hem een naam gegeven, welke boven alle naam is, opdat in de naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn. En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders”.

Welk een tegenstelling toch in het werk van de Middelaar Gods! Enerzijds een diepe vernedering, anderzijds een ongekende verhoging in heerlijkheid. Dit wordt nog duidelijker als wij Christus langs een vijftal trappen zien afdalen in de diepten van de vernedering. Het zijn: Zijn nederige geboorte, Zijn lijden, Zijn dood, Zijn begrafenis en Zijn nederdaling ter hel. Maar evenzeer is Hij langs een viertal trappen tot het toppunt van Zijn heerlijkheid geklommen, namelijk Zijn opstanding, Zijn hemelvaart, Zijn zitten aan Gods rechterhand, en Zijn wederkomst ten oordeel.

Ook onze Heidelbergse Catechismus onderwijst ons in dit grote Middelaarswerk van onze Heere Jezus Christus. Al deze trappen van vernedering en verhoging worden stuk voor stuk behandeld.

De eerste trap van Christus’ vernedering wordt in Zondag 14 behandeld, die thans aan de orde is. De menswording van Gods eniggeboren Zoon wensen wij dan met u te overdenken. Met het gebed, dat de Heere onze zal bestralen met Zijn licht.

Galaten 4:4

Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet.

 

Zondag 14

 

Vraag 35. Wat is dat gezegd: Die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maag Maria?

Antwoord: Dat de eeuwige Zone Gods, Die waarachtig en eeuwig God is en blijft, de ware menselijke natuur uit het vlees en bloed van de maagd Maria, door de werking van de Heilige Geest, aangenomen heeft, opdat Hij ook het ware zaad Davids zij, Zijn broederen in alles gelijk, uitgenomen de zonde.

 

Vraag 36. Wat nuttigheid verkrijgt gij door de heilige ontvangenis en geboorte van Christus?

Antwoord: Dat Hij onze Middelaar is, en met Zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt.

In het onderwijs van onze Catechismus hebben wij aangaande de Middelaar Gods en der mensen reeds zeer heerlijke dingen vernomen.

De naam Jezus deed ons Hem kennen als de enige en algenoegzame Zaligmaker van zondaren.

De naam Christus zegt ons, dat Hij de Gezalfde van de Vader is, om voor ons te zijn de hoogste Profeet, de enige Hogepriester, en de eeuwige Koning.

Hij wordt Gods eniggeboren Zoon genoemd, omdat Hij alleen de eeuwige, natuurlijke Zoon van God is. En wij belijden Hem als onze Heere, omdat Hij ons kocht met Zijn eigen dierbaar bloed en Zich tot een eigendom gemaakt heeft.

Voorwaar, wat een schat van heil en genade is ons reeds aangaan de Middelaar bekend gemaakt.

Maar nu worden nog verder de rijkdommen van Zijn Middelaarsheerlijkheid ontsloten. Thans komen wij tot de staten, die Christus Jezus doorwandeld heeft. En wij maken nu een aanvang met de staat van Zijn vernedering. Immers wordt in onze 14e Zondagsafdeling DE MENSWORDING VAN DE ZONE GODS behandeld.

Welnu, naar de inhoud van deze Zondag wijzen wij u:

  1. Op de verheven Persoon
  2. Op het ondoorgrondelijke wonder
  3. Op de volkomen waarheid
  4. Op het troostvol heil

1.      Op de verheven Persoon

Zo zijn wij dan nu genaderd tot de bespreking van de wondervolle ontvangenis en geboorte van onze Zaligmaker Jezus Christus. Het moet ons allereerst opvallen, dat in deze Zondag zo sterk de nadruk wordt gelegd op Hem, die mens werd. Er wordt gezegd dat de eeuwige Zone Gods, Die waarachtig en eeuwig God is en blijft, de ware menselijke natuur heeft aangenomen. Hiermee wordt dus van stonde aan de Goddelijke natuur van de Zaligmaker onwrikbaar vast beleden. Hij is de Zoon van God. Hij is dat waarachtig en blijft dit, al wordt Hij mens.

Wij worden dus gewezen op de tweede Persoon van het Goddelijke Wezen. Wij belijden toch dat het Goddelijke Wezen bestaat in drie Personen, Vader, Zoon en Heilige Geest. Deze zijn enerzijds volkomen gelijk aan elkaar, maar anderzijds ook door hun personele eigenschappen van elkaar onderscheiden. De Vader wordt zo genoemd, omdat Hij het leven heeft in Zichzelf. De tweede Persoon wordt Zoon genaamd, omdat Hij gegenereerd wordt van de Vader. En de Heilige Geest is de derde Persoon, omdat Hij uitgaat van de Vader en de Zoon.

Nu is niet het drie-enige Wezen Gods mens geworden. Maar één van de drie Personen, en wel de tweede Persoon, de Zoon. Hij, Die het afschijnsel van Gods heerlijkheid is en het uitgedrukte Beeld van Gods zelfstandigheid. Hij, Die het Woord is waardoor alle dingen gemaakt zijn, is mens geworden. Hoe treffend leert Johannes ons dit in het begin van zijn Evangelie. “In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. En wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid”. En ook Paulus zegt in de brief aan de Galaten: “Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet”.

Het is dus niet de Vader, noch de Heilige Geest, maar de Zoon, de tweede Persoon, die onze menselijke natuur heeft aangenomen. Met eerbied en schuchterheid zou de vraag gesteld kunnen worden, waarom niet de Vader of de Heilige Geest, maar juist de Zoon dit gedaan heeft? En al kunnen we in de geheimen van Gods raad en wegen niet indringen, toch is hiervoor wel enig antwoord te vinden.

Volgens de Goddelijke orde in het Wezen Gods is de Vader de eerste Persoon. Daarom kon Hij wel zenden, maar niet gezonden worden om Knecht te worden van de Zoon en de Heilige Geest. De Zoon daarentegen is de tweede Persoon, die daarom wel gezonden kan worden om gezant te zijn van de Vader, en die tevens ook zenden kan, namelijk de Heilige Geest, Die ook van de Zoon uitgaat. Echter moeten wij bij dit alles blijven bedenken, dat de ene Persoon niets meer of minder is dan de andere. Zij zijn volkomen gelijk aan elkaar.

Er kan nog een reden genoemd worden waarom juist de Zoon mens geworden is. Hij wordt genoemd het Beeld van de onzienlijke God, de Eerstgeborene van alle creaturen, door Wie alle dingen gemaakt zijn. Is het dan niet metterdaad Zijn werk om gevallen zondaren naar Gods Beeld te herstellen. Om het ganse werd van de Vader door Zijn herscheppende kracht aan het ware doel weer te laten beantwoorden?

Maar, al is nu ook de Zoon mens geworden, toch moeten we verstaan dat de menswording van de Zoon een werk is van de Drie-enige God. De Vader zond Zijn Zoon uit in de wereld. De Heilige Geest bracht door Zijn kracht de menswording in de maagd Maria tot stand. Zo belijden wij, dat de eeuwige Zoon van God mens geworden is. Maar evenzeer belijden wij, dat Hij waarachtig God gebleven is bij Zijn menswording. Zijn Goddelijke natuur is niet veranderd in de menselijke. Dit toch is onmogelijk, omdat bij het Goddelijke Wezen in geen enkel opzicht van verandering sprake kan zijn. Daarom was èn bleef Hij waarachtig en eeuwig God, toen Hij ontvangen en geboren werd uit de maagd Maria. Al ligt Hij in de kribbe van Bethlehem als een hulpbehoevend kindeke, of hangt Hij ook straks aan het vervloekte kruis van Golgotha, toch is en blijft Hij de eeuwige, geliefde Zoon van de Vader, in Wie de Vader al Zijn welbehagen heeft.

Vraagt u nu wellicht of deze menswording geen vernedering was voor de Zoon van God, dan is het antwoord bevestigend. Gewis was de daad van de Zoon een vernedering. Bidt Hij Zelf niet in het Hogepriesterlijk gebed om de heerlijkheid te ontvangen, die Hij bij de Vader had, eer de wereld was? Zegt Paulus niet, dat Hij Zichzelf vernietigd heeft, de gestaltenis van een dienstknecht, d.w.z. een slaaf,  aangenomen hebbende?

Voorwaar een diepe vernedering, ofschoon Hij onveranderlijk God was en bleef. Misschien kan het volgende beeld dit enigszins duidelijk maken. Stel u eens voor dat een prins zijn koninklijke omgeving vaarwel zei, en zichzelf stak in een arme bedelaarsplunje, om nu te verkeren temidden van arme en misdadige mensen. Was dat geen vernedering? Maar toch bleef hij een zoon van koninklijke bloede, zijn wezen veranderde daardoor niet. Welnu, zo bleef de Zoon van God die Hij was, toen Hij de hemel verliet en als dienstknecht op aarde rondwandelde, om het grote werk van Zijn lijden te volbrengen, tot zaliging van Zijn volk.

Als wij nu zo de Middelaar Gods aanschouwen als de eeuwige Zoon van God, die mens is geworden, moet ons dat niet reeds doen belijden wat een grootheid van genade deze daad openbaart! Hij, Die God was, werd mens. Hij, Die de Zoon des Vaders was, werd een dienstknecht. Hij, Die in de heerlijkheid van de Vader deelde,  daalde neer tot deze zondige wereld, om smaadheid en verachting te dragen. Hij, Die rijk was en alles bezat, werd arm. En dat, opdat wij door Zijn armoede rijk gemaakt zouden worden.

Ja, kinderen van God, dat deed de Zoon van God voor u, opdat u gered, gezaligd zou kunnen worden. In Zichzelf, door liefde bewogen, gaf de Zoon van God Zich tot zulk een diepe vernedering, opdat u door Hem behouden zou kunnen worden. Die daad moet ons stemmen tot dankbare aanbidding en heilige bewondering. Om ootmoedig te belijden: “Wat, o Zoon van God, heeft U kunnen bewegen om Uw Goddelijke heerlijkheid te verlaten en om mens te worden?” Hoe is Hij om die daad het waard om eeuwig te worden gediend en verheerlijkt.

Maar hierdoor zullen wij nog meer gedrongen worden, als wij in de tweede plaats de menswording zelf bezien als een ondoorgrondelijk wonder.

2.      Op het ondoorgrondelijke wonder.

Wij lezen in onze Zondagsafdeling dat de Zone Gods onze ware menselijke natuur uit het vlees en bloed van de maagd Maria, door de werking van de Heilige Geest, heeft aangenomen.

Het mag allereerst niet onze aandacht ontgaan, dat hier wordt gezegd dat Christus Jezus onze menselijke natuur áángenomen heeft.  Dit toch geldt van geen van de mensenkinderen. Een ieder van ons heeft zijn leven, zijn menselijk bestaan, ontvangen, omdat wij geboren worden zonder eigen toedoen. Maar bij onze Heere Jezus Christus is het geheel anders. Van Hem ging een daad uit, om mens te worden. Hij neemt onze natuur áán. Dat is alleen mogelijk, omdat Hij van tevoren bestond. Hij kon zeggen: “Eer Abraham was, ben Ik”. Het is dus van de Zoon van God een eigen wilsdaad geweest om mens te worden. Echter moeten wij dit niet zo verstaan, alsof deze menselijke natuur volkomen gereed was, toen de Zoon van God kwam, om zich met haar te verenigen. Dan zou die menselijke natuur al bestaan hebben, vóór zij door Hem werd aangenomen. Zo is het niet. Maar vanaf het eerste ogenblik van haar wording had ze haar bestaan in de Persoon van de Zoon van God. Daarom zegt onze Catechismus, dat Hij haar aangenomen heeft uit de maagd Maria, door de werking van de Heilige Geest. Hier worden wij voor het onbegrijpelijke wonder van Christus’ menswording geplaatst.

Al was de geboorte zelf uit de maagd Maria op natuurlijke wijze, toch is Hij niet geboren uit de wil des mans. Christus Jezus had een moeder, namelijk Maria, maar als zodanig bezat Hij geen vader. God was Zijn Vader. Zijn ontvangenis was bovennatuurlijk. Werd dit niet aan Maria aldus verklaard, dat de Heilige Geest over haar zou komen, en de kracht des Allerhoogsten haar zou overschaduwen? Daarom zou dat Heilige, dat uit haar geboren zou worden, Gods Zoon genaamd worden. Dit woord van de hemelse boodschapper doet ons tenminste verstaan, dat de Geest van God door Zijn almachtige kracht de menselijke natuur voor de Zoon van God toebereidde, en wel op zodanige wijze, dat ze geheel van de smet der zonde bevrijd bleef.

Deze wondervolle menswording van onze Middelaar belijdt Gods Kerk op grond van de Heilige Schrift, die deze waarheid ondubbelzinnig leert. Echter verwerpen wij dienaangaande twee dwalingen.

Allereerst de dwaling van de Wederdopers of Anabaptisten, die beweren dat Christus Zijn menselijke natuur uit de hemel mee had gebracht, als een nieuw geschapene. Deze menselijke natuur was, als het ware, door de maagd Maria slechts heengegaan, als de stralen van de zon door het glas. En zo had Gods Zoon deze dus niet uit Maria’s eigen vlees en bloed aangenomen. Dit wordt door Gods Woord duidelijk weersproken. Er wordt gezegd “dat Hij is geworden uit een vrouw”.  In Hebreeën lezen we: “Overmits dan de kinderen des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks deelachtig geworden, opdat Hij, die heiligt en zij die geheiligd worden allen uit één zijn, namelijk uit één natuur. Waarom Christus Zich niet schaamt hen broeders te noemen”. En, zou het ook niet in strijd zijn met de ware bedoeling van Christus’ menswording? Het was toch niet Zijn doel iets nieuws te scheppen, maar om hetgeen er was te redden. Hij werd mens om verloren, verdorven mensenkinderen te herscheppen en te vernieuwen. Voor zulke ellendige schepselen moet Hij Zaligmaker zijn, om die te behouden. Dat kon niet anders, of Hij moest hun eigen menselijke natuur deelachtig zijn. Hij moest, hoewel volkomen vrij van alle smet en schuld der zonde, toch waarachtig mens zijn, om als onze Plaatsbekleder, als onze Borg en Middelaar bij God op te treden. Daarom heeft Hij als Zoon van God onze eigen natuur uit de maagd Maria aangenomen. En dus niet uit de hemel meegebracht.

We verwerpen ook de dwaling van de Roomse kerk, die leert dat Maria zondeloos was en zelf onbevlekt was ontvangen. Zij meent dit te moeten leren om de onbevlekte ontvangenis en geboorte van de Zaligmaker te kunnen handhaven. Doch dat is geenszins nodig. O, zeker, Christus’ menselijke natuur was zonder zonde. Maar dan omdat Hij uit de Heilige Geest ontvangen en geboren was. Maar de Heilige Schrift leert in geen enkel opzicht iets dergelijk over de maagd Maria. Zij was een mensenkind gelijk wij allen. En al was zij de bevoorrechte vrouw, die de moeder van de Heere mocht worden, toch was zij in zichzelf een zondares, die in haar eerstgeboren Zoon haar eigen Zaligmaker aanschouwde. Tot welk een afgodische verering heeft deze leer de Roomse kerk gevoerd. Wordt daardoor geen goddelijke hulde van aanbidding aan de ‘moeder Gods’ gebracht. En dat ten koste van haar Zoon, Die alleen de enige Zaligmaker is?

Nee, geliefden, wij spreken in die zin niet van de heilige maagd Maria. Alsof zij zonder zonde was geweest, en daardoor de moeder zou kunnen zijn van de zondeloze Jezus. Maar wij belijden dat Gods Zoon, door de werking van de Heilige Geest, uit een mensenkind van gelijke bewegingen als alle Adamskinderen, onze menselijke natuur heeft aangenomen. En door dit bovennatuurlijke werk van de Geest was Hij zonder zonde. Daardoor was Hij heilige, onnozel, onbesmet en afgescheiden van de zondaren. Hoe Jezus ons allen gelijk geworden is zullen wij nader inzien, als wij gaan wijzen op de volkomen waarheid van Zijn menselijke natuur.

3.      Op de volkomen waarheid.

Er wordt vervolgens in onze Catechismus gezegd, dat de Zone Gods alzo het ware zaad van David is en Zijn broederen in alles gelijk geworden is, uitgenomen de zonde.

Dit leert ons dus met nadruk dat Christus Jezus waarachtig en rechtvaardig mens geworden is. Deze belijdenis heeft de Christelijke Kerk altijd hoog gehouden. Zo goed als wij in de vorige Zondagsafdeling de Goddelijke natuur van Christus hebben beleden, zo wordt nu ten volle gehandhaafd Zijn waarachtige menselijke natuur.

Reeds bij het begin van de Christelijke Kerk kwam een richting op die aan Christus’ mensheid te kort deed. Het waren de Doceten. Zij leerden dat de Zoon van God slechts een schijnlichaam had aangenomen. Moet men daaruit niet noodzakelijkerwijs de gevolgtrekking maken, dat dan al het werk, het lijden, ja ook het sterven van Christus slechts schijnvertoon is geweest? De apostel Johannes keert zich tegen deze richting in zijn brieven. Hij ziet daarin een openbaring van de antichrist tegen Christus’ gemeente. Schrijft hij niet: “Hieraan kent gij de Geest van God: alle geest die belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God. En alle geest die niet belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God niet; maar is de geest van de antichrist, welke geest gij gehoord hebt dat komen zal en is nu alrede in de wereld”.

Niet lang daarna trad Apollinaris op, met de leer dat de Goddelijke natuur bij Christus de plaats had ingenomen van onze menselijke geest. Zo had dus Christus wel een menselijk lichaam, maar geen menselijke ziel. Ook deze dwaling werd verworpen door Christus’ Kerk. Immers, wij mensenkinderen hebben naar ziel en lichaam beide gezondigd. Wij moeten ook naar beide zijden verlost en gered worden. Zal de Borg en Plaatsbekleder Christus dit kunnen doen, dan moet Hij volkomen mens zijn, en ziel en lichaam bezitten. Dit heeft Hij ook duidelijk in Zijn omwandeling op aarde bewezen. Hij was volkomen mens, Wie niets menselijks vreemd was.

Als wij echter vragen hoe en op welke wijze dat nu was, dat Christus Jezus in énigheid des Persoons zowel de Goddelijke als de menselijke natuur volkomen deelachtig was, dan zullen wij zeker immer daarop het antwoord schuldig blijven. Het zal ons niet gegeven worden om het wondere mysterie van de eenheid van die beide naturen te verklaren. Al snel offert men dan de zelfstandigheid van de ene natuur op aan de andere, en doet men daardoor tekort aan òf de Goddelijke òf de menselijke natuur. Evenzeer dreigt het gevaar, dat men de beide naturen teveel scheidt, waardoor de eenheid van de persoon in gevaar komt. Daarom heeft de Christelijke Kerk aangaande de verhouding van die beide naturen beleden: ze zijn onvermengd en onveranderd. En toch ook: ze zijn ongescheiden en ongedeeld.

Nu wordt ons hier ook geleerd, dat Christus uit de maagd Maria de menselijke natuur heeft aangenomen, opdat Hij ook het ware zaad van David zou zijn. Immers, Maria is een wettige dochter uit het huis van David. Dat wordt met nadruk aangetoond door de Evangelisten in de geslachtsregisters. Ook daarom moest zij naar Bethlehem reizen, ten tijd van de volkstelling, omdat zij uit het huis en geslacht van David was. Het was immers door God aan David beloofd, dat uit hem de Christus zou voortkomen. Zingt hij daarvan niet in Psalm 89?

Algemeen was dat ook het gevoelen onder het volk Israël, dat de Messias uit Davids geslacht zou voortkomen. De priester Zacharias zingt in zijn loflied dan ook “En heeft een hoorn der zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht”. Straks roepen de blinden en ellendigen tot Hem: “Gij Zone Davids, ontferm U onzer”. En bij Zijn Koninklijke intocht in Jeruzalem juicht de schare: “Hosanna! Gezegend is Hij, Die komt in de Naam des Heeren, Hij Die is de Koning Israëls”.

O zeker, Israël wilde Christus wel als de Zoon van David erkennen, indien Hij maar met het zwaard in de hand de vijanden verjaagd had. Maar nu Zijn Koninkrijk van geestelijke aard was, erkende men Hem niet, maar sloeg men Hem aan het kruis.

Tevens valt op te merken, dat Jezus Christus naar Zijn menselijke natuur ons volkomen gelijk was, uitgenomen de zonde. Hij is in alles de broederen gelijk. Mens was Hij, gelijk wij allen. Wie Hem aanschouwde zag geen bijzonderheden van grootheid en heerlijkheid. Hij was ons gelijk in onze verzwakte menselijke natuur, als gevolg van onze zonden. Hij stond niet in die mate van volmaaktheid, die eenmaal Adam had in de staat der rechtheid. Daarom kende de Heere Jezus honger in de woestijn van de verzoeking, smachtte Hij aan het kruis van dorst, zat Hij vermoeid bij de Jakobsput van Samaria. Hij had behoefte aan slaap, in het schip van Zijn discipelen. Hij leed armoede in Zijn leven, en weende zowel bij Lazarus’ graf als over Jeruzalems muren. Niet slechts leed Hij lichaamssmarten, maar ook klaagde Hij, dat Zijn ziel tot de dood toe bedroefd was. Echter was bij al deze droefheid één groot wezenlijk onderscheid. Jezus Christus was mens zonder zonde. Al droeg Hij ook het leed van de zonde, de wortel van de zonde, met al haar bittere vruchten, werd bij Hem niet gevonden. Geen erfschuld rustte op Hem, omdat Hij niet in Adam begrepen was. Geen erfsmet kleefde Hem aan, omdat Hij uit de Heilige Geest ontvangen en geboren was. Daarom zondigde Hij nooit. Hij is de Reine, de Heilige. Wie kan Hem overtuigen van zonde?

Maar, o wonder van genade! Nu kan Hij zonde voor òns gemaakt worden. En kon onze schuld op dit schuldeloos Lam worden neergelegd, opdat Hij ze voor ons zou wegdragen en een eeuwige verzoening teweegbrengen. Zo wordt Hij de schoonste van alle mensenkinderen, van Wie Gods kinderen alle heil en genade mogen verwachten. Waarom we ook zingen mogen, Psalm 72 vers 7:

Nooddruftigen zal Hij verschonen;
Aan armen, uit genâ,
Zijn hulpe ter verlossing tonen;
Hij slaat hun zielen gâ.
Als hen geweld en list bestrijden,
Al gaat het nog zo hoog;
Hun bloed, hun tranen en hun lijden
Zijn dierbaar in Zijn oog.

4.      Op het troostvolle heil.

Tenslotte stelt de Catechismus, na de uiteenzetting van de betekenisvolle waarheid, een zeer praktische vraag, ‘waardoor wij het troostvolle heil van Christus’ menswording leren verstaan’. Er wordt gevraagd: “Wat nuttigheid verkrijgt gij door de heilige ontvangenis en geboorte van Christus?”

Deze vraag laat terstond gevoelen, dat de bespreking van de menswording van Christus meer is dan een wetenschappelijke betoog, zonder enige betekenis voor het leven van de gelovigen. Integendeel. Dit wondervolle feit houdt een schat van troost en zaligheid voor Gods kinderen in. Die dit meer leren kennen, naarmate zij zichzelf in hun ellendestaat dieper leren kennen.

Leest het antwoord maar, dat nu gegeven wordt. In dit antwoord verstaat u dat Christus’ menswording volkomen bewijst, dat Hij onze enige, waarachtige Middelaar is. Ja, Hij is onze enige Middelaar, omdat Hij alleen in staat is, voor een snood, alles verbeurd hebbend en schuldig volk, bij een heilig en rechtvaardig God op te treden. Want om Middelaar te kunnen zijn, moest Hij waarachtig God en tevens waarachtig, rechtvaardig mens zijn. Wat we in Zondag 5 en 6 geleerd hebben.

En zie nu, we hebben ten volle vernomen dat de Zoon van God onze eigen natuur uit de maagd Maria heeft aangenomen, doch zonder zonde. Het is, alsof hier jubelend wordt uitgeroepen door de gelovigen die antwoord geeft: “Dat Hij onze Middelaar is!” Ja, Jezus Christus is de Middelaar, Die in de bres treden kan. Om ons met God te verzoenen, zodat wij in eeuwige gemeenschap met Hem gesteld worden.

Maar, geliefden, wie zal blijdschap kennen over een Middelaar, dan die metterdaad weet zulk Één nodig te hebben tot zijn eeuwig behoud? Alleen hij, die ootmoedig heeft leren belijden dat hij vanwege zijn zonden en ongerechtigheid voor God niet kan bestaan. Die zichzelf nimmer kan redden, mag het tot zalige blijdschap vernemen, dat er een Middelaar is Die voor hem kan optreden.

Als er geen ware zondekennis bij de mens aanwezig is, dan heeft hij geen behoefte aan een Borg en Middelaar. En zo leven wij toch allen van nature? Wij zijn blind voor eigen wanbedrijf, wij zien de bron van onze eigen zonden niet. De mens acht zich rein in eigen oog. Inzonderheid als wij ons nog bij de godsdienstigen en deugdzamen rekenen. Ach, dan horen en weten wij wel dat Jezus de Middelaar voor zondaren is, maar voor eigen leven hebben wij niet de minste behoefte aan Hem. Het is, omdat wij rijk en verrijkt zijn in eigen oog, terwijl we niet weten dat wij van onze onreinigheden niet gewassen zijn.

Hoe gevaarlijk is dan toch onze toestand! Misschien rekenen wij gewis op een zalig ingaan in de vreugde des Heeren, terwijl Jezus Christus dan tot ons moet zeggen: “Ga weg van Mij, Ik ken u niet”. Onze eigen gerechtigheid en vroomheid, waarop wij heimelijk steunen, ontvalt ons dan in het gericht van God. Wees daarom gewaarschuwd, gij vrome kerkganger, maar die nog geen behoefte kent aan de Middelaar Jezus Christus. Leer God smeken om ontdekkend licht, dat u met uzelf bekend maakt en u als een arm, schuldig zondaar aan de voeten van de Heere brengt.

Of leeft u wellicht in de overtuiging een overtreder te zijn van Gods geboden? Getuigt uw consciëntie tegen u? Toch hebt u misschien geen behoefte aan een Borg en Middelaar, Die uw zonde van u wegneemt. Immers doet u al het mogelijke om wat zonden te laten en wat deugden te beoefenen. En, wanneer u meent voldaan te hebben, stilt u daarmee de stem van uw geweten. Och, zo zoekt ook u dan nog niet de enige Middelaar, Die u met God verzoenen kan.

Dit wordt het, geliefden, alleen, als we waarlijk niet slechts onze zonden zien en belijden, maar tevens ervan overtuigd zijn dat wij onmogelijk ons zelf kunnen verlossen. Dan zoeken wij het buiten onszelf. En zalig is het dan te vernemen, dat er een volkomen Zaligmaker en Middelaar is, Die onze zonden voor Zijn rekening neemt en voor ons het eeuwige leven verwerft. Hoe zalig is het dan Gods Zoon te aanschouwen in de kribbe van Bethlehem. Om Hem te zien als het Lam dat de zonde der wereld wegdraagt. Dan verstaan wij, waarom Maria, Zacharias en Simeon zingen moesten, toen deze Middelaar in het vlees verscheen. En ook onze ziel leert stamelen: “Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven en de heerschappij is op Zijn schouders”.

Maar er is nog meer. Vergeet niet wat er nog volgt in het antwoord. Namelijk ‘en met Zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt’. Wie zo spreekt, bewijst een diep inzicht ontvangen te hebben in eigen ellendestaat. Hij beweent niet slechts zijn zondige daden, die hij wellicht in veelheid kent, maar er is iets anders dat hem zo diep verootmoedigt voor de Heere. Geleid door de Geest van God heeft hij steeds dieper leren graven. Hij heeft de bron leren zien van de boosheid die hem altijd aankleeft. Zodat hij ootmoedig belijden moet met David: “Zie, in ben in ongerechtigheid geboren en in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen”. Vanaf de oorsprong van zijn leven, vanaf zijn eerste levensbegin, was hij reeds bedorven en vanwege de zonde geheel onrein. Daarom kan uit hem nooit iets goeds voortkomen. Zijn hart is een bron van vuile wanbedrijven. Ook na ontvangen genade openbaart zich die boze, verdorven natuur. Zo is er dan niets goeds aan hem te vinden. Geheel melaats. En geen tijd is er te bedenken dat hij in zichzelf niet doemwaardig was voor God. Met de erfschuld van Adam trad hij het leven in. En de erfsmet bezoedelde zijn levensbestaan vanaf het eerste begin.

O, hoe diep vernederend is het voor de mens als hij zichzelf zo leert kennen. Dat geeft aan alle eigengerechtigheid de doodsteek. Dat doet hem diep buiten voor de hoge God en biddend smeken:

Uit diepten van ellenden

Roep ik met mond en hart,’

Tot U, Die heil kunt zenden.

O Heer, aanschouw mijn smart.

En, is er voor zo iemand nog genade? Ja, gewis! Voor zo’n melaatse is er volkomen genade. Hoort wat de Catechismus nu zegt. Dat Hij onze Middelaar is, en met Zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt. Wat een heerlijke troost wordt ons hier aangewezen. Jezus Christus kan ook als Middelaar de verdorven oorsprong van uw leven reinigen en heiligen.

Wij zijn in zonden ontvangen en in ongerechtigheid geboren. Jezus Christus is in heiligheid ontvangen en in gerechtigheid geboren. Daarom treedt Hij van het begin van Zijn menswording als Middelaar op, om met Zijn gerechtigheid Zijn volk te bedekken. Zijn Middelaarswerk der verzoening begint reeds bij de aanneming van onze menselijke natuur. En dat gaat zo door, tot Hij het voleindigt in de vervloekte dood des kruises. Maar alzo kan Hij ook vanaf het eerste begin tot de laatste snik ons ganse leven bedekken met Zijn gerechtigheid. O, zalige weldaad als wij Jezus Christus, de enige Middelaar, zo door het geloof mogen bezitten. Laten dan onze zonden vele zijn. Ja, laat onze oorsprong van het leven reeds gans bezoedeld wezen. Geen nood, geliefden, als onze ziel mag betuigen, dat Christus alleen onze gerechtigheid is. Wie zal dan beschuldiging tegen ons kunnen inbrengen? Neen, dan is er geen verdoemenis meer voor hen, die in Christus zijn.

O, hoe heerlijk schijnt deze genade u toe, zuchtende kinderen van Sion! Wellicht smeekt u: “Heere, mocht dit heil ook eens aan mij geschonken worden”. Houd moed, ongetrooste! De Heere heeft een lust in het zaligen van zondaren. Misschien acht u zichzelf te zondig om genade bij God te ontvangen? Maar, zo is het niet! Gans melaatsen, gans verlorenen worden gered en behouden in Jezus Christus, onze Heere, Die met Zijn volkomen onschuld en heiligheid dezulken bedekken kan.

Daarom:

Hoopt op den HEER, gij vromen;
Is Israël in nood,
Er zal verlossing komen;
Zijn goedheid is zeer groot.
Hij maakt, op hun gebeden,
Gans Israël eens vrij
Van ongerechtigheden;
Zo doe Hij ook aan mij.

AMEN