Zondag 12
De naam Christus A.H. Hilbers
Ps 40:8
Ps 133:2
Ps 45:4,5
Ps 118:8
Ps 72:4
Psalm 45
Geliefde Gemeente,
Als de Heere Jezus de leeftijd van dertig jaren heeft bereikt, dan is voor Hem de tijd aangebroken, dat Hij in het midden van Israël zal optreden als leraar van het volk. Na gedoopt te zijn door Johannes in de Jordaan, werd Hij veertig dagen lang in de eenzame woestijn verzocht van de duivel. Maar deze tweede Adam bleef in al de beproevingen getrouw aan Zijn Vader. Daarna ging Hij uit om het huis van Israël de weg der zaligheid te leren. Overal trad Hij in de synagogen op. En we lezen dit bijzondere getuigenis van Hem, dat Hij van allen geprezen werd. Het volk hoorde terstond dat Hij een bijzondere leraar was, die veel schoner, heerlijker en troostvoller sprak, dan enige leraar in Israël. Daarom roemde het volk deze nieuwe leraar, die in Israël was opgestaan.
Maar als vanzelf kwam de vraag op onder de schare, wie toch eigenlijk die Jezus van Nazareth wel was. Wat moest men van Hem geloven? Welnu, de Heere Jezus zal daarop Zelf een antwoord geven, opdat Israël zou weten, wie Hij waarlijk is, en opdat het in Hem geloven zou. Zie op welke wijze Hij dat doet. Jezus vertoeft thans in Nazareth, waar Hij opgegroeid is en tot op heden gewoond heeft. Het is sabbat. Hij gaat op naar de synagoge. Hoe is Hij hier bekend! Heeft Hij er niet van zijn jeugd af aan sabbat op sabbat gezeten, om te horen naar het voorlezen van Wet en Profeten? Maar nu zal Hij niet stil neerzitten om te luisteren naar wat er gelezen en gesproken wordt door de voorganger. Maar Hij Zelf staat op om te lezen. De dienaar van de synagoge geeft Hem één van de rollen van de profeten. Het is de rol van Jesaja. Dit is geen toeval. Hij zal uit deze profetie doen horen, wie Hij waarlijk is. Daartoe leest Hij wat we kunnen vinden in hoofdstuk 61. Daar staat het volgende geschreven: “De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden, om de armen het evangelie te verkondigen, om te genezen die gebroken van hart zijn, om de gevangenen te prediken loslating, en de blinden het gezicht; om de verslagenen heen te zenden in vrijheid, om te prediken het aangename jaar des Heeren.” Hier voert Jesaja de komende Messias sprekend in. Zodat wij als het ware uit Zijn eigen mond horen, dat de Geest des Heeren op Hem rust, omdat de Heere Hem gezalfd heeft. Hij is de Gezalfde des Heeren en daarom is Hij gezonden om de armen het evangelie te prediken, want Hij de hoogste Profeet. Hij is van God gezonden om te verbinden de verbrokenen van hart en daarmee toont Hij de barmhartige Hogepriester te zijn. Hij is ook van God gezonden om de gevangenen vrijheid uit te roepen en de gebondenen opening van de gevangenis, omdat Hij Sions eeuwige Koning genoemd mag worden.
Als de Heere Jezus deze woorden uit de profetie van Jesaja heeft voorgelezen, hoe verklaart Hij dan dit getuigenis? Wel, kort, eenvoudig, maar toch zo ontzaglijk veelzeggend laat Hij erop volgen: “Heden is deze Schrift in uw oren vervuld.” Jezus Zelf is dus de Gezalfde des Heeren. Hij is de Messias, de Christus, Die komen zou. De inwoners van Nazareth horen het nu, wie Jezus waarlijk is. Aanvaarden zij Hem nu ook als de Christus? Ach, nee. O, in ongeloof zeggen zij tegen elkaar: “Is deze niet de zoon van Jozef?” En als de Heere Jezus erop wijst dat zij Hem in ongeloof verwerpen, en daarom Zijn heil niet ontvangen zullen, dan worden zij vertoornd en willen Hem van de steile berg afwerpen. Zo deden de inwoners van Nazareth, zo doet straks heel Israël. En zo doen heden nog duizenden. Zij willen de Heere Jezus niet erkennen als de Christus, Die toch alleen ons verlossen en zaligen kan.
Maar, God zij dank, van het begin af tot op de huidige dag is er een volk, dat van harte gelovig belijdt en erkent, dat de Heere Jezus de enige, waarachtige, van God gezonden Messias is, de Christus Gods, van Wie we alleen alle zaligheid en heil ontvangen kunnen.
Dit wordt ons nader verklaard in Zondag 12 van onze Catechismus, waar gehandeld wordt over de naam Christus. Laten we daar uw aandacht bij mogen bepalen.
Johannes 1 : 42
Deze vond eerst zijn broeder Simon, en zei tot Hem: Wij hebben gevonden de Messias, hetwelk is, overgezet zijnde, de Christus.
Zondag 12
Vraag 31. Waarom is Hij Christus, dat is, een Gezalfde, genaamd?
Antwoord: Omdat Hij van God den Vader verordineerd is, en met de Heilige Geest gezalfd tot onze hoogste Profeet en Leraar, Die ons de verborgen raad en wil Gods van onze verlossing volkomenlijk geopenbaard heeft; tot onze enige Hoogepriester, Die ons met de enige offerande Zijns lichaams verlost heeft, en voor ons met Zijn voorbidding steeds tussentreedt bij den Vader; en tot onze eeuwige Koning, Die ons met Zijn Woord en Geest regeert, en ons bij de verworven verlossing beschut en behoudt.
Vraag 32. Maar waarom wordt gij een christen genaamd?
Antwoord: Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en alzo Zijner zalving deelachtig ben, opdat ik Zijn Naam belijde, en mijzelf tot een levend dankoffer Hem offere, en met een vrije en goede consciëntie in dit leven tegen de zonde en de duivel strijde, en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regere.
In de vorige zondagsafdeling werd ons op schone wijze verklaard, waarom de Zoon van God ‘Jezus’ wordt genoemd. Het is Zijn persoonsnaam, die Hij bij Zijn verschijning in het vlees ontving en waarmee Hij Zich als mens bij Zijn omwandeling op aarde van andere mensen onderscheidde. Maar tevens werd met alle nadruk erop gewezen, dat Hij alleen aan de hoge en heerlijke betekenis van die naam kon beantwoorden, daar Hij metterdaad de geheel enige en volkomen Zaligmaker is!
Echter draagt de Zoon van God als Middelaar nog een andere naam. Het is de Hebreeuwse naam ‘Messias’, die in het Grieks “Christus’ en in onze taal ‘Gezalfde’ betekent.
Deze naam onderscheidt zich van de eerste hierin, dat het een ambtsnaam is en geen persoonsnaam. Zijn er nu bewijzen, dat meer personen onder oud-Israël de naam van Jezus droegen, de naam Christus kan door niemand gedragen worden.
Doch, zijn deze namen van elkaar wel te onderscheiden, anderzijds zijn ze in de persoon van de Middelaar op het allernauwst aan elkaar verbonden. Want Jezus is Zaligmaker, omdat Hij de Christus, de Gezalfde is. En Hij is Gezalfde, omdat Hij Jezus is. Het is dan ook onmogelijk om Jezus als Zaligmaker te erkennen, maar Hem als de Christus te loochenen. En evenzeer staat het onomstotelijk vast, dat allen, voor wie de naam Jezus dierbaar is geworden, omdat zij in Hem hun Zaligmaker aanschouwen, evenzeer van harte met Petrus zullen belijden: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.”
Laten wij dan nader uit onze Catechismus leren, waarom de Zoon van God als Middelaar ‘Christus’ genoemd wordt
Dit geschiedt om drie redenen:
- Omdat Hij een goddelijk recht heeft op die naam.
- Omdat Hij volkomen beantwoordt aan die naam.
- Omdat Hij de vrucht doet genieten van die naam.
1. Omdat Hij een goddelijk recht heeft op die naam.
In het oude Testament wordt gedurig gesproken over het zalven. Zo lezen we van Jacob, dat hij de steen die hij gebruikte als zijn hoofdkussen, bij het ontwaken met olie overgoot. Het noemde die plaats Beth-El, huis van God. Ook gaf de Heere God aan Mozes bevel, dat hij heilige zalfolie, volgens een voorschrift van God Zelf, moest bereiden, naar het werk van een apotheker. En met deze heilige zalfolie, samengesteld uit geurige specerijen, moest hij al de voorwerpen van de tabernakel zalven. De tafel van de toonbroden, de gouden kandelaar, het reukofferaltaar en het brandofferaltaar, met al de gereedschappen. Door deze zalving werden de genoemde dingen tot de dienst van de Heere geheiligd. Van nog meer betekenis is het feit, dat met deze zalfolie ook de hogepriester Aäron en zijn zonen door Mozes gezalfd moesten worden. En daarbij gaf God het strenge verbod, dan niemand deze heilige zalfolie mocht namaken of gebruiken. Wie dat deed zou met de dood gestraft worden.
Dit hoeft ons niet zo zeer te bevreemden. Want de zalving van personen, die op Gods bevel geschiedde, was een heilige, symbolische handeling, met een grote betekenis. Ze hield een dubbele gedachte in.
Indien iemand met heilige zalfolie overgoten werd, dan kreeg hij het zichtbare bewijs, dat de Heere God hem tot een bepaald ambt bestemd en geroepen had. In de naam van de Heere moest hij dan optreden om in het midden van Israël een ambt te vervullen. Zijn zalving bewees dat hij niet zichzelf daartoe opgeworpen had, maar dat hij van de soevereine God, Die over alle dingen met gezag en macht bekleed is, geroepen was. Daarom kon hij ook met gezag optreden. Zo gaf de Heere God aan Israël Zijn gezalfde profeten, priesters en koningen, die allen als ambtsdragers met gezag boven het volk stonden, omdat God hen daartoe geroepen had. En God liet niet ongestraft als het volk de gezalfde van de Heere miskende. Want we lezen in Psalm 105: “Tast Mijn gezalfden niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad.”
Maar ook nog een andere zaak werd met de zalving te kennen gegeven. Ze was het zichtbare beeld, dat de gezalfde door de Heilige Geest ten vollen bekwaam gemaakt zou worden tot het ambt, waartoe hij geroepen was. Zo zou de gezalfde des Heeren ook ten volle in staat zijn om de gewichtvolle bediening, die God hem had toevertrouwd, te kunnen vervullen.
Aldus gaf de Heere God het volk onder het Oude Verbond Zijn gezalfde priesters, die in het heiligdom de Heere met offeranden en voorbiddingen te dienen hadden. Zo gaf hij Zijn gezalfde profeten, die het Woord van God, tot onderwijzing van het volk, hadden te verkondigen. Zo gaf Hij Zijn gezalfde koningen, die Israël naar Gods bevelen moesten regeren.
Nu zien wij dat de Heere Jezus, de Zaligmaker van zondaren, de naam van Christus, Gezalfde des Heeren, draagt. Hij is dus de Gezalfde. Dat wil niet zeggen dat de Heere Jezus naast de zeer vele gezalfde knechten óók als gezalfde een plaats inneemt. Integendeel, de lijn van gezalfden tijdens het Oude Verbond vindt in Hem haar voleinding. Alle profeten, priesters en koningen vinden in Jezus, onze Heere, hun hoogste vervulling. Hij is dé Gezalfde des Heeren in de hoogste betekenis van het woord. En dat is Hij niet, omdat op Hem de heilige zalfolie is uitgegoten, maar omdat Hij, volgens onze Catechismus, van God den Vader verordineerd is en met de Heilige Geest gezalfd, tot onze hoogste Profeet en Leraar, tot onze enige Hogepriester en tot onze eeuwige Koning.
Hier worden onze gedachten naar de stilte van de eeuwigheid geleid, toen in de Raad des Vredes door de Vader de Zoon werd aangesteld tot Borg en Middelaar voor het uitverkoren volk. Toen is de Zoon van God door de Vader bestemd om te zijner tijd als Middelaar op te treden. Dit leert ons dat de Middelaar van God niet eigenmachtig Zichzelf daartoe heeft opgeworpen, maar naar heilige rechtsorde van de Vader daartoe is verordineerd. Dat wordt in de brief aan de Hebreeën zo krachtig verwoord: “En niemand neemt zichzelf die eer aan, maar Die van God geroepen wordt, gelijkerwijs als Aäron. Alzo heeft Christus Zichzelf niet verheerlijkt om Hogepriester te worden, “maar Die tot Hem gesproken heeft: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb ik U gegenereerd.”
Daarom kan de Zoon getuigen: “Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest, van de aanvang van de oudheden der aarde aan”. Naar die eeuwige verordening heeft dus de Middelaar Gods en der mensen het recht de naam van Christus, dit is Gezalfde, te dragen.
Doch er is meer. Is de Heere Jezus naar Zijn Goddelijke natuur van eeuwigheid tot Zijn Middelaarsbediening geroepen, naar Zijn menselijke natuur deelt Hij ook ten volle in de bekwaammaking van de Heilige Geest. Het spreekt vanzelf dat de Goddelijke natuur van de Middelaar daarin niet hoefde te delen, maar alleen Zijn menselijke natuur. Nu werd Hem de Heilige Geest gegeven zonder mate. Reeds van het uur van Zijn ontvangenis af rustte de Geest op Hem. Want de Heilige Geest kwam over de maagd Maria en heeft haar overschaduwd. Maar met name is op Hem de Heilige Geest neergedaald, toen Hij door Johannes gedoopt werd in de Jordaan. Toen werden de hemelen geopend en de Geest van God daalde neder, gelijk een duif, en kwam op Hem. Terwijl de stem van de Vader gehoord werd: “Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in dewelke ik al Mijn welbehagen heb!” En van dat ogenblik af trad Hij op in het midden van Zijn volk, om Zich door woorden en werken als de Christus van God te openbaren. Ja waarlijk, daartoe had Hij het recht. Daarom werd reeds bij Zijn geboorte door de engel tot de herders in Efratha’s velden gezegd: “Ziet, ik verkondig u grote blijdschap, die al de volken wezen zal, namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is ‘Christus, de Heere’, in de stad van David”. Het kindeke in de kribbe van Bethlehem is dus de Christus van God.
Als de eerstelingen door Johannes de Doper tot Hem geleid zijn en zij Hem persoonlijk hebben leren kennen, dan horen wij Andreas zijn broeder Petrus toeroepen: “Wij hebben gevonden de Messias”. Meer dan eens belijden dit de discipelen. En als velen Hem verlaten zegt Jezus tot hen: “Wilt gijlieden ook niet heengaan?” Waarop Petrus uit het diepst van zijn ziel antwoordt: Heere, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens. En wij hebben geloofd en bekend, dat Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God”.
Zo hadden zij Jezus als de Christus leren kennen. En niet alleen de discipelen, maar als de Heere Jezus Samaria door trekt en met de Samaritaanse vrouw spreekt, dan maakt Hij Zich bekend als de Christus Gods. Dat predikt zij aan de inwoners van haar stad, die uitgaan om Jezus te zien en te horen, met de heilrijke vrucht dat zij niet meer geloofden omdat die vrouw zo overtuigend over Hem gesproken had, maar omdat zij Hem zelf gehoord hadden. Daarom wisten zij, dat Hij waarlijk was de Christus, de Zaligmaker der wereld. En om deze belijdenis werd Hij tenslotte door de Joodse Raad ter dood veroordeeld. Immers wilden de Joden Hem niet als de Christus erkennen? Daarom haatten zij Hem en zochten Zijn dood. Toen Kajafas, de hogepriester, in het gericht tegen Jezus geen gronden kon vinden in de valse getuigen, vergde hij dat Jezus onder ede zou verklaren of Hij de Christus was, of niet. En Hij beleed dit met dit ernstige woord: “Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg ulieden, van nu aan zult gij zien de Zoon des mensen, zittende ter rechterhand der kracht Gods en komende op de wolken des hemels”. Dit belijdt Jezus, al weet Hij dat men Hem daarom aan het kruis zal nagelen.
En na Zijn opstanding leert Hij de Emmaüsgangers, dat Hij hierom juist de Christus was, omdat Hij alle dingen geleden had, om daarna tot de heerlijkheid in te gaan.
Zo, geliefden, heeft de Heere Jezus het Goddelijke recht om de naam van Christus te dragen. En zo heeft Hij Zich ook ten volle geopenbaard. Ja, Jezus is de Christus. Deze belijdenis is het enige rotsvaste fundament, waarop de Kerk van Christus rust. En elke gelovige leert Hem zo ook van harte belijden. Want dat is de vrucht van de zaligmakende inwoning van de Heilige Geest in onze harten. Want de Schrift zegt: “Een iegelijk, die gelooft dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren”.
Nu is het waar, dat door alle eeuwen heen een strijd gevoerd wordt om de Kerk des Heeren van dit fundament af te rukken. Daarmee zou zij zelf echter verzinken. Wat zoekt Satan met al zijn macht ook anders, dan de ondergang van Christus’ gemeente? Hoe blijkt dit niet juist ook in onze tijd? In naam van wetenschap en geleerdheid wordt het niet meer houdbaar geacht, om Jezus als de enige Christus te belijden. O zeker, men geeft aan Jezus nog wel allerlei schone en vroom klinkende benamingen, maar dat Hij de enige Christus is, door Wie wij alleen gezaligd kunnen worden, dat wordt miskend. Laten wij wakende zijn tegen zulke helse misleidingen. Met deze belijdenis, dat Jezus is de Christus, staat of valt de Kerk van God. Deze belijdenis beslist over ons eeuwig welzijn. Hoort wat Johannes schrijft. “Hieraan kent gij de Geest van God: alle geest die belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God. En alle geest die niet belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God niet; maar dit is de geest van de antichrist, welke geest gij gehoord hebt dat komen zal, en is nu alrede in de wereld”.
Welnu dan, Sion, belijdt, geleid door de Geest van de Vader, ten spijt van alle vijanden van God, deze heerlijke, waarachtige waarheid van God, dat Jezus, onze Heere, de Christus is en blijft tot in der eeuwigheid. De poorten der hel zullen dan ook Zijn gemeente niet overweldigen.
Dat zien wij vervolgens in onze tweede plaats.
2. Omdat Hij volkomen beantwoordt aan die naam.
Met nadruk worden in onze zondagsafdeling drie ambten onderscheiden en omschreven, waartoe de Heere Jezus gezalfd is. Er wordt gezegd dat Hij onze hoogste Profeet en Leraar, onze enige Hogepriester en onze eeuwige Koning is. Een drievoudig ambt vervult Christus dus als de Gezalfde des Heeren. Door sommigen werd wel eens bezwaar ingebracht tegen dit drievoudige ambt, omdat men meende dat men het ene ambt niet van het andere kan onderscheiden, althans niet kan afscheiden. Nu moeten we toestemmen, dat wat Christus doet nooit tot één ambt beperkt kan worden. Alles wat Hij doet en spreekt, openbaart Zijn drievoudige waardigheid. Waar Hij als profeet optreedt, daar is Hij ook priester en eveneens koning. Wel zal Hij ons bij de ene werkzaamheid meer in Zijn profetische, bij een ander in Zijn priesterlijke of Zijn koninklijke bediening tegemoet treden. Maar in waarheid draagt Hij alle ambten tegelijk. Dit stemmen wij toe. Maar hoewel die drie ambten van Christus in geen enkel opzicht los van elkaar gezien mogen worden, toch worden ze in onze Catechismus terecht onderscheiden van elkaar. Dit is Schriftuurlijk. Ook valt dit te verklaren uit het werk der zaligheid, dat Christus als Middelaar voor en in de zondaar tot stand moet brengen. Immers, als wij vragen wat de mens in oorsprong was, dan moet geantwoord worden dat hij beelddrager van God was. En als zodanig bezat hij kennis, gerechtigheid en heiligheid. De mens had dus van God verstand ontvangen om te kennen, een hart om zich in ware liefde te geven, maar ook een hand om te regeren en te leiden. Zo was hij dus in oorsprong profeet, omdat hij zijn God recht zou kennen, priester om zijn God dankbare liefde te bewijzen, en koning om in gehoorzaamheid onder God te regeren. Maar helaas, door de zonde heeft de mens het beeld van God verloren. En daarmee is hij ook zijn profetisch, priesterlijk en koninklijk ambt kwijt geraakt. En dat zegt zo ontzaglijk veel. Want nu is hij de rechte kennis kwijt en is verduisterd in zijn verstand. Het reine priesterlijke hart is geheel bedorven en onrein. En in plaats van dat hij koninklijk zou regeren, is hij geworden een slaaf van de zonde en een dienstknecht van satan. En er rust een onbetaalbare zondeschuld voor God op zijn ziel.
Hoe zal die mens nu verlost worden door de Middelaar Jezus Christus? Dan moet deze Middelaar allereerst voor de gevallen mens vervullen, wat deze naar zijn oorspronkelijke ambten had moeten volbrengen. Maar ook nog meer. Hij zal de diep gevallen mens uit zijn ellende moeten terugbrengen in de heerlijkheid, die hij bij aanvang bezat. Dus daarom moet de Heere Jezus profeet zijn, om onze onwetendheid te verlichten. En priester om onze schuld voor God te verzoenen en ons hart te reinigen. En ook koning, om ons in ware vrijheid te herstellen.
Zien wij daarom wat de Heere Jezus als hoogste Profeet verricht. Naar waarheid noemt onze Catechismus de Heere Jezus onze hóógste Profeet. Want geen één van de profeten, hoe groot en machtig hij zich in woord en daad getoond heeft, is Hem gelijk. Christus staat boven allen. Wat meer zegt, al wat de profeten gesproken hebben, dat hebben zij gedaan, gedreven en geleid door de Geest van Christus, Die in hen sprak. Zij spraken niet uit zichzelf, maar door de Geest die uit Christus was. Zo was Hij dus niet alleen de Profeet toen Hij rondwandelde op aarde, maar alle eeuwen te voren heeft Hij Zijn profetische bediening vervuld tot zaliging en onderwijzing van Zijn volk. Evenzo is Hij ook nu nog, sinds Hij de heerlijkheid van de Vader is ingegaan, de hoogste Profeet, Die Zijn kerk leert en leidt.
En hoe toonde Hij in Zijn rondwandelen op aarde, dat Hij de hoogste Profeet was? Stond gans Israël niet verwonderd? Moest men niet erkennen, dat nog nooit iemand gesproken had als Deze? Sprak Hij niet als machthebbende? Werd niet van Hem getuigd, dat Hij een profeet was, machtig in woorden en werken voor God en al het volk? Gewis, het was de volle waarheid toen men zei, dat een groot profeet onder hen was opgestaan, en God Zijn volk bezocht had. O, hoevelen werden door Hem getroost, bemoedigd, voor hoevelen ging het licht op in de duisternis, wanneer Hij sprak. Ja, waarlijk, Zijn mond bracht niets dan loutere wijsheid voort. “Want niemand heeft ooit God aanschouwd, maar de Eniggeboren Zoon, Die in de schoot des Vaders was, Die heeft Hem ons verklaard”. Hij leerde het volk de verborgenheden van het koninkrijk der hemelen, de weg der zaligheid. O, hoe heilbegerig zaten de Maria’s aan de voeten van Jezus, om dat Goddelijke onderwijs van de hoogste Profeet te ontvangen. En zo is het nog. Al is Christus Jezus in de hemel, nochtans is Hij onze hoogste Profeet. Nog leert Hij ons. Hij heeft Zijn Woord aan Zijn Kerk geschonken, dat zeer vast is, en gij doet wel, zo gij daar acht op geeft. Daarbij zendt Hij Zijn dienaren, die in Zijn naam met last en macht uitgaan om het Evangelie aan alle creaturen te prediken en Zijn volk daarin te onderwijzen. Bovendien heeft Hij aan Zijn gemeente de gewisse belofte gegeven, dat Hij Zijn Geest zou schenken, Die ons in alle waarheid zou leiden. Zo onderwijst Hij nu zondaren ter zaligheid, door Zijn Woord en Geest. Hoe heerlijk gaat dan het licht op in de duisternis. Door Woord en Geest bearbeid, ontvangt de zondaar verlichte ogen des verstands, waardoor hij de enige en waarachtige God in Zijn deugden van rechtvaardigheid, heiligheid en genade en liefde leert kennen. Maar ook zichzelf in zijn snode doemwaardigheid. Ware Godskennis en zelfkennis worden het deel van de mens, zodat hij tot de ontzaglijke waarheid gebracht wordt, dat hij, vanwege zijn zonde en schuld, voor de heilige God niet bestaan kan. Hij leert belijden, dat hij steeds in eigen blindheid heeft voortgeleefd, zodat hij zijn eigen staat van ellende, waarin hij verkeerde, niet zag. Hij was toen blind, maar niet ziet hij. Daarom leert hij nu zijn Rechter om genade bidden. Want zijn schuld is groot, zijn ongerechtigheden zijn vele, en een eeuwige straf heeft hij zich waardig gemaakt. Hoe zal hij van dat alles bevrijd worden en met God worden verzoend? Wie zal hem verlossen? Maar, Gode zij dank, hierop mag en kan een troostvol antwoord gegeven worden. Zoals de Catechismus ons leert, dat de Heere Jezus gezalfd is tot onze enige Hogepriester. Die ons met de enige offerande Zijns lichaams verlost heeft, en voor ons met Zijne voorbidding steeds tussentreedt bij den Vader.
Volkomen naar recht leerde God aan oud-Israel door Zijn eredienst, dat bij Hem voor de zondaar zonder bloedstorting geen vergeving was. Daarom had God het priesterschap van Aäron ingesteld. Die in de tabernakel en tempel voortdurend het altaar had te bedienen, om de schuld van het volk met bloedstorting en offerande weg te nemen. Jaar in, jaar uit, eeuwenlang, volgen Aärons zonen elkaar op, om op de grote verzoendag met het bloed van stieren en bokken in het binnenste heiligdom voor God te verschijnen. Maar hoeveel offeranden ook gebracht werden, hoeveel bloed ook vergoten werd, de waarachtige verzoening werd er niet door tot stand gebracht. Het bloed van stieren en bokken kan God niet behagen. Het was slechts schaduwbeeld, een afbeelding. De ware offerande moest nog geschiede. En dit zou vervuld worden door de enige Hogepriester Jezus Christus, Die gezegd had: “Zie, Ik kom, in de rol des boeks is van Mij geschreven”. Maar nu zou hij geen priester zijn in de ordening van Aäron, maar zoals David zingt in Psalm 110: “De Heere heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek”.
Melchizedek. Is hij niet een wonderbare verschijning, die wij in Abrahams tijd leren kennen? Als koning van Salem was hij tevens priester van de Allerhoogste God. Hij had het priesterambt rechtstreeks van God ontvangen, zonder afstamming van een bepaald geslacht. Alzo is ook onze Heere Jezus Christus alléén Priester en tevens eeuwig Priester. Die niet met bloed van stieren en bokken verzoening aanbracht, maar Die Zichzelf Gode onstraffelijk heeft opgeofferd. In de ganse tijd van Zijn leven op aarde richtte Hij Zijn willen en al Zijn begeerten naar de wil van Zijn Vader en tot Zijn verheerlijking. Volkomen volbracht Hij de wil van de Vader in dadelijke gehoorzaamheid. Zodat Hij kon betuigen: “Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen”. Maar wat oneindig meer zegt, Hij heeft met de enige offerande van Zijn lichaam ons verlost. Zijn lijden en sterven, vol van bitterheden en plagen, onderging Hij niet als martelaar, die voor zijn overtuiging sterven moet, maar was één grote Zelf-offerande tot voldoening van Gods rechtvaardigheid, en tot betaling van de zondeschuld van Zijn volk. Jezus Christus was op het altaar van het kruis, opgericht op de heuvel Golgotha, offeraar en lam tezamen. Daar stortte Hij Zijn rein, schuldeloos bloed uit en ging de dood in om de losprijs aan te brengen voor het in zichzelf verloren Sion. En Hij heeft aan al Gods eisen voldaan, Hij gaf voldoening aan de Vader. Immers, tot een bewijs dat door Christus’ offerande aan het kruis aan alle offeranden een einde was gekomen, scheurde het voorhangsel van de tempel van boven naar beneden. Christus heeft met één offerande in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden. En nu is Jezus Christus als verzoenende Hogepriester met Zijn eigen bloed in het heiligdom van de hemel ingegaan, om daarmee voor God te verschijnen. Daar is Hij nu onze Voorspraak van de Vader, Die biddend pleit voor al de Zijnen. Echter is Zijn voorbede niet een ootmoedig verzoek, dat tenslotte nog geweigerd kan worden, ganselijk niet. Het is een krachtige eis, waarin Hij, op grond van Zijn kruisverdiensten, tot de Vader zegt: “Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij mij gegeven hebt, opdat Zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt, want Gij hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging van de wereld”.
O, wat een heerlijk werk is volbracht door de Gezalfde des Heeren. Nu weten wij, dat er vergeving bij God gevonden kan worden. Om dit volbrachte priesterwerk kan de heilige God nu spreken tot schuldige, verloren zondaren, die zich boetvaardig smekend wenden tot Zijn troon: “Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg om Mijnentwil en Ik gedenk uwer zonden niet”. En bij onze dagelijkse worsteling met onze inklevende zonden mag ons zo troostvol het woord van Johannes tegenklinken: “Mijn kinderkens. Ik schrijf u deze dingen opdat gij niet zondigt. En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige, en Hij is een verzoening voor onze zonden”. Alzo kan het verloste Sion van God om Christus’ priesterlijk werk betuigen bij God vergeving ontvangen te hebben, en mag het met de dichter instemmen:
Zo ver het West verwijderd is van ’t Oosten,
Zo ver heeft Hij om onze ziel te troosten,
Van ons de schuld en zonden weggedaan.
Maar als Gezalfde des Heeren vervult de Heere Jezus nog een derde ambt tot zaliging van Zijn volk. Onze Catechismus zegt daarvan, dat Hij gezalfd is ‘tot onze eeuwige Koning, Die ons met Zijn Woord en Geest regeert, en ons bij de verworven verlossing beschut en behoudt’.
Jezus Christus is eeuwig Koning, Was Hij als zodanig niet eeuwen tevoren beloofd? Ja, de stervende Jakob profeteert van Sions Koning, Die uit Juda zal voortkomen en Wie de volken zullen gehoorzamen. En Davids roem en zaligheid was daarin gelegen, dat God een verbond met hem gemaakt had, en hem beloofd had dat zijn zaad tot in eeuwigheid zou regeren. Hoe zingt hij daarvan als hij, door Gods Geest geleid, betuigen mag: “Ik heb eens gezworen bij Mijn heiligheid, zo Ik aan David lieg! Zijn zaad zal in der eeuwigheid zijn, en zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon. Hij zal eeuwiglijk bevestigd worden, gelijk de maan, en de Getuige in de hemel is getrouw”. De grootheid en de heerlijkheid van die eeuwige Koning, Die uit hem zal voortkomen, bezingt hij in de 72ste psalm. En ook daarna spreken de profeten tot Israël van oordeel en gericht, om de afval van het volk en hun zonden, maar kunnen zij toch niet verzwijgen, dat voor het bedrukte Sion een Koning staat te komen. Hij zal recht en gerechtigheid tonen te midden van de volken. Troostrijk klinkt de belofte: “Zie, uw Koning komt!”
Geen wonder, dat aldus geprofeteerd werd onder oud-Israël, en dat verlangend uitgezien werd naar de komst van die Koning. Want van eeuwigheid was de Zoon van God als Middelaar over Sion gezalfd als Koning. Spreekt de Heere niet: “Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg Mijner heiligheid. Ik zal van het besluit verhalen: de Heere heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd”. Toen dan ook de volheid des tijds was aangebroken, kwam Hij als Koning in de wereld. Het is waar, wel arm, nederig en neergelegd in de kribbe van Bethlehem, maar toch als Koning. Kwamen de wijzen niet uit het Oosten om Hem als Koning te aanbidden? En toen Hij optrad in Israël klonk de tijding: “Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen”. Dat was Christus’ koninkrijk. Niet aards, niet tijdelijk, maar geestelijk en eeuwig van aard. Hij zegt Zelf, dat Zijn koninkrijk niet van deze wereld is. Maar zulk een Koning en koninkrijk wilde het vleselijke Israël niet. Daarom veroordeelde Israël de Christus. Zij bespotten Hem als Koning. Een doornenkroon werd Hem opgezet, het kruis voor Hem opgericht. Maar toch was en bleef Hij Koning, want langs die weg van diepe vernedering verbrak Hij de heerschappij van de satan. En ook de geweldige macht van de zonde en de eeuwig knellende banden van de hel en de dood. Hij verliet als triomferend Koning deze aarde, om plaats te nemen aan de rechterhand van de Vader, in eer en heerlijkheid. Met koninklijke macht had Hij alle vijanden teniet gedaan en Zijn Sion bevrijd. En nu regeert Hij nog als Koning. Hij rijdt voorspoedig op het Woord Zijner waarheid om Zijn koninkrijk uit te breiden. Hij rukt met koninklijke genade zondaren uit de macht van de duisternis en brengt hen over in Zijn koninkrijk. Hij regeert Zijn volk door Zijn Woord en Geest, waardoor zij hoe langer hoe meer leren gewillig te bukken voor de Heere, en Hem dienen naar Zijn wil en welbehagen. Ja, nu verkeren Zijn onderdanen nog voortdurend in grote gevaren, vanwege hun menigvuldige vijanden. Maar geen nood, Zijn machtige arm strekt zich beschermend uit over al Zijn gunstgenoten, zodat er niet één verloren gaat. En de poorten van de hel zullen Zijn gemeente niet overweldigen. O, hoe troostvol is Christus’ Koningschap voor als Gods kinderen. Zeker als zij in geestelijke bestrijdingen en in moeiten verkeren, of als hun oog gericht is op de steeds in kracht toenemende, Gode vijandige, wereldmachten. Het hart van Gods kind begint dan te vrezen, vanwege de grote menigte, die zich tegen Gods Kerk stelt. Maar mag het oog gericht zijn op Sions Koning, dan geen nood (psalm 118:8):
Gods rechterhand is hoog verheven;
Des HEEREN sterke rechterhand
Doet door haar daân de wereld beven,
Houdt door haar kracht Gods volk in stand.
Ik zal door 's vijands zwaard niet sterven,
Maar leven, en des HEEREN daân,
Waardoor wij zoveel heil verwerven,
Elk, tot Zijn eer, doen gadeslaan.
3. Omdat Hij de vrucht doet genieten van die naam.
Zo is dan Jezus Christus als de Gezalfde des Heeren onze hoogste Profeet, onze enige Hogepriester, en onze eeuwige Koning. In zijn drievoudig ambt hebben wij Hem te kennen en als zodanig te belijden. Laten we dan niet vergeten, dat met nimmer op één van deze drie ambten al de nadruk mag leggen ten koste van de andere. Dan zijn we niet getrouw aan de waarheid van God. Zo wij alleen op de profetische bediening van Christus alle nadruk leggen, dan zal dit leiden tot dor intellectualisme of een eenzijdig nadruk op het verstand. Als wij alleen het zwaartepunt op Christus’ priesterlijke werk leggen, dan drijven wij af naar het onvaste mysticisme of de nadruk op het gevoel. En een eenzijdige nadruk op het koningschap van Christus leidt tenslotte tot sektarisch chiliasme, of in het drijven van de leer van het duizendjarig rijk.
Wie enigszins onze tijd kent, zal moeten toestemmen, dat deze drie richtingen te zien zijn. Maar door zulke eenzijdigheden doen wij tekort aan de rijkdom die in Christus is, wat onszelf en Gods Kerk schade zal berokkenen. Wij moeten de Christus in de volheid van Zijn drievoudige ambtelijke bediening recht leren kennen, en de vrucht daarvan ontvangen, opdat wij in waarheid een christen mogen zijn. Ook dit leert ons zo schoon de Catechismus, met de vraag waarom wij een christen genaamd worden. Het antwoord luidt: Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus, en alzo Zijner zalving deelachting ben, en mijzelf tot een levend dankoffer Hem offere, en met een vrije en goede consciëntie in dit leven tegen de zonde en de duivel strijde, en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regere.
Het is bekend, dat de gelovigen in Antiochië het eerst christenen genoemd werden. De heidenen beschouwden hen als volgelingen van Christus, en daarom noemden zij hen zo. Misschien werd het meer als een scheldnaam bedoeld dan als een eretitel. Maar voor de gelovigen werd het metterdaad een eer naar Christus genoemd te worden. Zij zijn immers christen, omdat zij door het geloof met Christus in gemeenschap delen en Zijn zalving deelachtig zijn. En zo zijn zij ook gezalfden met de Heilige Geest.
O, wat is waarlijk christen-zijn een grote genade, een zalige weldaad. Maar helaas, wat wordt dit snood miskend. Duizenden dragen nog de naam van christen of worden bij de christenvolken gerekend, maar die niet het minste begrip meer hebben van de rijke betekenis van de naam die zij dragen. Het evangelie van Christus verwerpt men, de Kerk van Christus veracht men, het merk- en veldteken van Christus versmaadt men. De ware discipelen van Christus bespot men, de naam van Christus belastert men, ziedaar het moderne christendom, dat geen christendom meer is. Maakt men niet heel duidelijk dat men met het christendom gebroken heeft? Ja, men maakt zich op, om al wat nog christelijk heet, op elk gebied van het leven krachtig te bestrijden, Met voert krijg tegen God en Zijn Gezalfde. Het zijn de onmiskenbare tekenen van de ‘afval van de laatste dagen’. Wie van ons ziet ze niet wegvallen onder zijn bekenden, familieleden en betrekkingen, vooral in de grote steden? Om met God en Zijn dienst geheel te breken? Ontzaglijk zal eenmaal het oordeel wezen, dat God over dat afgevallen christendom zal doen komen. Het zal Tyrus en Sidon, heidenen en mohammedanen, verdraaglijker zijn, dan hen die de kennis van de Christus Gods versmaad hebben.
Maar wij, die ons van zullen vreselijke openbaringen nog afkeren, beantwoorden wij aan de naam van christen? Ja, wij zijn gedoopt, wij hebben belijdenis afgelegd, ook gaan wij misschien aan het Avondmaal. En wij ijveren misschien op menig gebied voor de christelijke beweging. Gewis, op zichzelf uitnemend, hoewel de vraag overwogen mag worden, of soms de naam christelijk niet al te zeer als etiket dienst moet doen. Bovendien hebben wij bij het genoemde ons ook af te vragen, of wij nu niet slechts de vorm, maar ook het wezen bezitten. Wij kunnen immers schijnen een christen te zijn, terwijl wij het niet in waarheid zijn. Wij kunnen de naam hebben, dat wij leven, en dat nochtans de Koning van de Kerk van ons moet zeggen, dat wij dood zijn.
Is naam-christendom niet een groot gevaar, dat ons als belijders van Christus’ naam bedreigt? Vreest u daar ook wel eens voor? Och, de mens stelt zichzelf zo graag gerust en meent soms, dat, als hij aan de vorm van de christelijke levenswandel voldoet, hij dan tevens mag denken het ook in waarheid te zijn. Maar zo is het niet. Schijn kan ons bedriegen, En zo zouden wij ons ook voor de onherroepelijke eeuwigheid kunnen bedriegen. Onderzoekt u zelf daarom zeer nauw. Of is dit nu juist uw voortdurend vrees? Maakt deze vraag, of u slechts in naam en niet in waarheid een christen zijt, uw hart bekommerd? Welnu, luister dan wat de Catechismus hierover zegt. Om een waar christen te zijn moeten wij door het geloof met Christus verenigd zijn, en alzo Zijn zalving deelachtig zijn.
Allereerst moet er dus een verborgen gemeenschapsleven met Christus en ons tot stand gebracht zijn. Door het zaligmakend geloof moeten zij zodanig met Hem verenigd zijn, dat wij lidmaten van Zijn lichaam zijn. Dan is Christus ons hoofd, en wij Zijn leden. Dat geschiedt alleen door de werking van de Heilige Geest, Die ons wederbaart en door het geloof met Christus verenigt. Maar dan delen wij ook in Zijn zalving. Op Christus, ons hoofd, rust de Heilige Geest zonder mate. Vanuit Hem daalt de Geest neder op al Zijn leden. Gelijk de heilige zalfolie van Aärons hoofd nederdaalde op zijn klederen en zelfs de zoom doortrok, alzo daalt de Geest Gods van Christus af op al Zijn gelovigen, die met Hem één lichaam vormen. Zo delen allen klein en groot, jong en oud, man en vrouw, rijk of arm, in de zalving van Christus en worden daardoor alleen in waarheid christen. Zegt Johannes ons niet: “Gij hebt de zalving van de Heilige Geest en weet alle dingen?” En zo maakt Christus weer Zijn volk tot profeten, priesters en koningen, gelijk zij in oorsprong geweest zijn.
Een waar christen is een profeet, die naar onze Catechismus, Gods naam belijdt. Het is waar, hij is geen profeet als onder het Oude Verbond, toen de godsmannen door de Geest geleid en verlicht werden en nieuwe openbaringen van God verkondigden. Aan de geschonken Godsopenbaringen in de Heilige Schrift worden geen nieuwe meer toegevoegd. Maar Gods kinderen hebben een levende, zaligmakende kennis van de waarheid van God ontvangen, en deze kennis dringt tot het belijden van Gods naam. Zij hebben leren geloven van ganser harte, daarom moeten zij spreken. Omdat zij de enige en waarachtige God en Jezus Christus zaligmakend hebben leren kennen, daarom moeten zij Zijn lof vermelden, en Zijn deugden verkondigen. Niet alleen met het woord hebben zij hun Heere te belijden, maar evenzeer door hun christelijke levenswandel in de wereld. De belijdenis van de mond moet bevestigd worden door de wandel. Ja, wij behoren christen te zijn in woord en daad. Waar we ook zijn, wat wij ook doen, overal moet de lichtende glans van Christus’ zalving van ons uitstralen, opdat de wereld bekenne, dat wij uit God geboren zijn.
Beantwoorden wij hieraan? Misschien moet schaamte ons aangezicht bedekken. Zelfs Paulus belijdt: Wij kennen ten dele en wij profeteren ten dele. Wij zullen wij dan? Toch moet er iets van gekend worden, zullen wij een waar christen zijn.
Evenzeer moeten wij priesters geworden zijn, die, volgens onze Catechismus, onszelf tot een levend dankoffer Hem offeren. Noemt de Heilige Schrift de gelovigen niet: “Een koninklijk priesterdom?” En priesters zijn in de eerste plaats tot offeren geroepen. Gode zij dank, geen zoenoffers meer, dat heeft Christus volbracht, maar wel offers van lof en dank tot eer van God. En wat hebben wij dan als een dankoffer te offeren? Onszelf! De gelovige heeft niet slechts een enkele gave tot een dankoffer te wijden, maar heeft zichzelf geheel en al met alles wat hij is en wat hij heeft, aan God tot een levend dankoffer te wijden. Zijn zielsvermogens, zijn lichaamskracht, zijn geestelijke, zijn natuurlijke krachten en gaven heeft hij in de dienst van zijn Heere te stellen, uit dankbare liefde. De liefdegloed moet immers brandend zijn op het altaar van zijn hart. Zijn priesterlijk kleed moet altijd onbesmet bewaard blijven. En zijn hand moet gevuld zijn om de Heere te dienen. Maar ook moet de christen als priester dagelijks biddend neerknielen voor zijn God, om uit een verbroken en verslagen geest de Heere ootmoedig te danken en te loven. Ja, als priester moet hij een voorbidder zijn voor de zijnen, voor Gods Kerk en koninkrijk, voor land en volk. Zijn wij zulke priesters? Laten wij ons dit afvragen opdat het ons ernst mag zijn, een waar christen te zijn.
Ook dit is nodig te kennen, zij het in beginsel, zo goed als wij tenslotte de koninklijke bediening hebben te beoefenen. Deze bestaat, volgens onze Catechismus, hierin dat wij met een vrije en goede consciëntie in dit leven tegen de zonde en de duivel strijden, om hiernamaals in eeuwigheid met Christus over alle schepselen te regeren.
Omdat de gelovigen door Christus zijn vrijgemaakt uit de dienstbaarheid van de zonde en de satan, zijn ze weer koningen in beginsel geworden. Daarom moeten zij in dit leven de koninklijke strijd voeren tegen de zonde, die in en buiten hen woelt. En ook tegen de duivel, die hen zoekt te verleiden. Daartoe moeten zij strijden in de wapenrusting van God. Dragende de helm der godzaligheid, het schild des geloofs, het borstwapen der gerechtigheid, de gordel der waarheid, en de voeten geschoeid met de bereidwilligheid van het Evangelie. Zij moeten alzo strijden de strijd des geloofs, grijpende naar het eeuwige leven.
Als trouwe dienstknechten moeten zij met een vrije en goede consciëntie de strijd des Heeren voeren, zodat ze met niet één zonde heimelijk heulen. Onvoorwaardelijk moeten zij als koninklijke strijders aller zonde vijand zijn. En in nieuwigheid des geestes wandelen, hun ogen gericht op de toekomst waarin zij met Christus zullen heersen als koningen, in een nieuwe hemel en op een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont.
Ook nu de vraag: Zijn wij als christenen zulke koninklijke strijders? Zijn wij wakende en strijdende, van dag tot dag? Zijn wij aller zonden vijand? O, wie zal ook ditmaal niet zichzelf te veroordelen hebben? Ja, meer nog. Als wij naar de maatstaf van onze Catechismus het hedendaagse christendom beoordelen, moet dan niet de klacht van Jeremia herhaald worden, als hij zegt: “Hoe is het goud zo verdonkerd, het goede fijne goud zo veranderd? Hoe zijn de stenen van het heiligdom vooraan op alle straten geworpen! De kostelijke kinderen Sions, tegen fijn goud geschat, hoe zijn ze nu gelijk geworden aan de aarden flessen, het werk van de handen van een pottenbakker?”
Ach, hoe weinig wordt de heerlijkheid van de kinderen van God aanschouwd. Het moet erkend worden, dat het ware christendom heden ten dage hoe langer hoe meer verwereldlijkt.
Voor allen, die het welzijn van Sion beogen en de eer van Christus zoeken, moet dit stemmen tot diepe droefheid. Maar dit niet alleen. Het moet ons tevens dringen tot een ootmoedig, smekend gebed, tot de Koning van de Kerk. Dat Hij Zijn Geest in ruime mate over Zijn Sion zal uitstorten, opdat Zijn volk mag zijn een profetisch volk, dat de liefelijkheden des Heeren verkondigt. En een priesterlijk volk, dat met heil en gerechtigheid bekleed is. En een koninklijk volk, dat in heilig krijgssieraad wandelt in het midden van de wereld. En Gods kinderen zij het in deze levensstrijd tot een zalige vertroosting, dat zij om Christus’ wil eenmaal volkomen als profeten, priesters en koningen de enige en Drie-enige God dienen en verheerlijken zullen. En dit tot in der eeuwen eeuwigheid.
AMEN