Zondag 10 - De voorzienigheid Gods - ds. J. Jongeleen

Zondag 10

De voorzienigheid Gods

  1. J. Jongeleen

Ps 119:45

Ps 68:3

Ps 73:1,12

Ps 147:4

Ps 131:4

Psalm 36

Geliefde Gemeente,

Wat het betekende, te geloven in God den Vader, de Almachtige, Schepper des hemels er der aarde, dat zagen wij bij de behandeling van Zondag 9.

Om in zo’n God te geloven, Die maar spreekt en het is er, Die gebiedt en het staat er, dat zegt wat! Om in zo’n God te geloven, die om Christus wil de God en Vader wil zijn van arme zondaren, dat zegt nog meer. Dat geloof geeft rust in het onrustige hart. Dat geloof geeft kracht in al de moeilijkheden van het leven, geeft troost daar, waar anders nergens troost te vinden is.

Nu zag we reeds in Zondag 9 dat daar met enkele woorden werd gesproken, niet alleen van de Schepping, maar ook van de Voorzienigheid. Ja, bij de Schepping hoort ook de Voorzienigheid. Deze zijn als een tweeling van Gods werken, zij zijn onafscheidelijk. En daarom heeft onze belijdenis over de Voorzienigheid geen afzonderlijk artikel. Daarom hoorden wij al in Zondag 9 de woorden, dat God, Die de hemel en de aarde, met al wat er in is, geschapen heeft, ook delve door Zijn eeuwige raad en Voorzienigheid onderhoudt en regeert.

In zondag 10 komt de onderwijzer op de Voorzienigheid van God terug, om die dan verder, breder en nog duidelijker te omschrijven. Voor het juiste verband is het nodig, voor wij tot de behandeling van deze zondag overgaan, eerst te letten op de uitdrukking die in Zondag 8 gebezigd werd, namelijk ‘Gods raad, Gods eeuwige raad’. Want deze uitdrukking komt in Zondag 10 niet meer terug.

In de Heilige Schrift wordt ons meerdere keren voorgehouden, dat aan al Gods doen Zijn eeuwige raad vooraf gaat. De Heere doet nooit iets, of het is voor de grondlegging der wereld in het aanbiddelijke Raadsbesluit besloten. Zijn Raad zal dan ook bestaan, en Hij zal al Zijn welbehagen doen. “Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend”. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat God alles ‘bekend’ is. Nee, de bedoeling is, dat het de werken en de daden van God zijn, en dat Zijn Raad aan al Zijn doen voorafgaat. In die raad is dus alles bepaald. Alles is van eeuwigheid besloten. Niets mag daarvan worden uitgesloten. Aan die raad houdt God Zich. Die raad voert Hij uit. Hij werkt alle dingen naar de raad van Zijn wil, doch zo, dat Hij boven alle schepselen hoog verheven is. En alle schepselen met hun wetten en ordinantiën zijn Zijn knechten, doende alles wat Hij hun gebiedt.  Die raad voert God uit. Waardoor? Door Zijn aanbiddelijke Voorzienigheid.

Daar gaan we ons, aan de hand van onze Catechismus, nu verder bij bepalen.

Psalm 36:6-8.

O Heere, Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe. Uw gerechtigheid is als de bergen Gods. Uw oordelen zijn een grote afgrond, Heere! Gij behoudt mensen en beesten.

 

Zondag 10

Vraag 27: Wat verstaat gij door de Voorzienigheid Gods?

Antwoord: De almachtige en alom tegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, gelijk als met Zijn hand nog onderhoudt, en alzo regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, en alle dingen, niet bij geval, maar van Zijn vaderlijke hand ons toekomen.

Vraag 28: Waartoe dient ons dat wij weten, dat God alles geschapen heeft en nog door Zijn Voorzienigheid onderhoudt?

Antwoord: Dat wij in alle tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar zijn mogen, en in alles, dat ons nog toekomen kan, een goed toevoorzicht hebben op onze getrouwe God en Vader, dat ons geen schepsel van Zijn liefde scheiden zal, aangezien alle schepselen alzo in Zijn hand zijn, dat zij tegen Zijn wil zich noch roeren, nog bewegen kunnen.

 

Laten we nu, opdat deze kostelijke waarheid ons zo duidelijk mogelijk zal worden, in de eerste plaats letten op het woord ‘Voorzienigheid’. Wanneer we thuis zijn in onze Bijbel, in het Woord van de levende God, dan zullen wij weten dat dit woord, waarin zo’n troostrijk waarheid ligt, in de Bijbel niet voorkomt. Nu is dat geen enkel bezwaar, want de zaak zelf komt wel duidelijk genoeg naar voren. Het is een woord uit de theologie. Toch mogen we bij het woord ‘Voorzienigheid’ denken aan de woorden die Abraham sprak tot zijn zoon Izaäk: “God zal Zichzelf een lam ten brandoffer voorzien” (Genesis 22:8). Wij weten hoe de Heere dat bij Abraham heeft gedaan, en hoe Abraham daarna de naam van die plaats noemde: “De Heere zal het voorzien”.

Nu kan dit woord twee betekenissen hebben. Wij kunnen het gebruiken in de zin van ‘iets vooruitzien’. Dan denken we aan Handelingen 2:31. Daar spreekt Petrus van David en getuigt van hem, dat hij een profeet was. “Zo heeft hij (David) dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, nog Zijn vlees verderving heeft gezien. Een andere betekenis is, als ergens ‘in wordt voorzien’. Dan denken we aan Paulus, die in Filippenzen 2:23 schrijft “Ik hoop dan wel dezen (Timotheüs) van stonde aan te zenden, zo haast als ik in mijn zaken zal voorzien hebben”. Bij enig nadenken begrijpen we, dat deze twee betekenissen weer heel nauw samenhangen. Wanneer de belijdenis van Gods Voorzienigheid niet meer zou inhouden dan dat God de dingen ‘vooruit ziet’, wat zou zo’n geloof dan arm zijn. Nee, God ziet niet alleen alle dingen vooruit, maar Hij voorziet er ook in.

Als dit ons nu duidelijk is, dan kunnen we verder gaan, en dan vraagt in de eerste plaats de aandacht, dat de Catechismus de Voorzienigheid van God omschrijft als ‘een almachtige en alom tegenwoordige kracht Gods’, door welke God hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, gelijk als met Zijn hand nog onderhoudt en regeert. Dat de Voorzienigheid een kracht van God is, zegt meer dan dat er krachtige werking van God uitgaat. Het is een kracht, welke de Drie-enige God eigen is en die kracht wordt door God in krachtige en machtige daden en werkingen geopenbaard. Die kracht is dus ‘almachtig’, omdat zij de kracht van God is en niet van enig schepsel. Daar is niets dat haar tegen kan houden. Niets kan haar breken, niets kan haar daden stuiten.

Die kracht is ook alom tegenwoordig. Er is geen plaats te vinden waar deze kracht niet is. Deze kracht is de kracht van God en God Zelf is immer alom tegenwoordig. Daar is dus geen plekje, waar ook, te vinden waar deze kracht niet is. Wanneer wij nu de Goddelijke Voorzienigheid belijden, zoals de Catechismus die omschrijft, dan hebben wij daardoor de juiste verhouding van God en wereld uitgesproken. Waren er nu met het oog op het ontstaan van de wereld, zoals wij in Zondag 9 zagen, verschillende wijsgerige verklaringen, deze zijn er ook met het oog op de verhouding van God en wereld. En ook deze moeten we afwijzen.

Er zijn er die buiten Gods Woord een antwoord geven op de vraag hoe we de verhouding van God en wereld moeten zien. En het resultaat is, dat men óf God en wereld met elkaar vereenzelvigt, óf God en wereld van elkaar zo scheidt, dat God Zich met de wereld niet meer bemoeit. Het zogenaamde pantheïsme laat God ondergaan in Zijn schepping. Zeker, het gebruikt vrome termen en zeer gevoelige uitdrukkingen. Maar het resultaat van al dat geknoei, buiten de Heilige Schrift om, is dat zo’n God waar zij van spreken geen ‘Iemand’ is, maar een ‘iets’, niet meer een ‘Hij’, maar een ‘het’. In dat denken is er voor de Bijbelse Voorzienigheid geen plaats is, maar de voorzienigheid valt samen met de loop van de natuur.

Het zogenaamde Deïsme heeft God en de wereld gescheiden. God is wel hoog verheven boven deze wereld, maar Hij bemoeit er Zich niet meer mee. Hij is niet aanwezig in deze wereld. Arm stelsel, koud als marmer. Hierin is geen plaats meer voor het gebed, want tot een God Die Zich met deze wereld niet bemoeit, kan niet gebeden worden. Hierin is geen plaats voor de Goddelijke wonderen, maar ook niet voor de Bijbelse leer van de Voorzienigheid.

Nee, dan belijdt de Heidelberger, naar het Woord van de Heere, iets heerlijkers. Want daarin lezen we: “Want alzo zegt de Hoge en Verhevene, die in de eeuwigheid woont en Wiens naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige”. In deze woorden komt treffend uit, dat God hoog verheven is boven de wereld. Maar daar zet de Heilige Schrift geen punt, nee, dadelijk volgt daarop: “en bij dien, die van een verbrijzelde en nederig geest is, opdat Ik levendmake de geest der nederigen en opdat Ik levendmake het hart der verbrijzelden”.

O, heerlijk voorrecht, nooit genoeg te waarderen weldaad! God is wel hoog verheven, maar Hij is ook vlak bij ons. Zijn stem kan worden gehoord. Zijn hand kan worden gevoeld. Zijn liefde kan worden ervaren. God staat met Zijn wereld in een gestadige betrekking, want God onderhoudt en regeert ‘als met Zijn hand hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen en dat door Zijn almachtige en alomtegenwoordige kracht’.

Die onderhouding en regering zijn vanaf de schepping in werking getreden.

Laten wij die onderhouding in de eerste plaats eens dieper doordenken. Door die onderhouding van God, door de kracht van God, bewaart Hij alle dingen bij hun wezen. Wanneer God een ondeelbaar ogenblik Zijn hand zou terugtrekken van wat Hij geschapen heeft, dat zou de ganse wereld, met al wat er op en in is, weer in ’t niet wegzinken en vergaan. Maar dat doet God niet. Nee, onafgebroken houdt Hij Zijn hand aan al het geschapene, en doet dat voortbestaan. Die onderhouding is in overeenstemming met de verschillende aard van de schepselen. De engelen worden weer anders onderhouden dan de mensen. En de mensen weer anders dan de dieren. Maar vast staat dat God alles wat Hij geschapen heeft bewaart bij hun wezen.

Maar God, Die al Zijn schepselen dus onderhoudt door Zijn Voorzienigheid, Die regeert en bestuurt ze ook. Dat doet God door diezelfde almachtige en alomtegenwoordige kracht. Die regering heeft als doel dat God de bijzondere werkingen en bewegingen van de schepselen doet strekken tot openbaring van Zijn heerlijkheid. Ja, de Heere regeert en Hij doet dat met ondoorgrondelijke wijsheid. Ja God is groot en Hij bestuurt alles zo, dat Hij erdoor verheerlijkt wordt. En dat is het dat de christen met zijn hart gelooft en met zijn mond belijdt.

Nu moeten we nog met een enkel woord reppen over de ‘medewerking’. De Catechismus spreekt daar niet nadrukkelijk over, maar met het oog op de Voorzienigheid van God moeten we er toch niet over zwijgen. Onder die medewerking verstaan wij de kracht van God, waardoor Hij medewerkende invloeit in alle bewegingen van de schepselen. Het is de bijzondere invloed van de almachtige en alomtegenwoordige kracht van God op de levende krachten van al wat adem heeft. En dan in het bijzonder in de mens met al zijn uitingen en verrichtingen. En deze invloed betreft de natuurlijke en de geestelijke levenskrachten.

Heeft Paulus, wat de natuurlijke levenskrachten betreft, niet duidelijk gezegd te Athene: “want in Hem leven we en bewegen wij ons en zijn wij”. Nee, wij mensen leven en bewegen ons niet in onszelf, maar in die God, die hemel en aarde gemaakt heeft. Deze woorden laten ons duidelijk zien, dat wij mensen ook volstrekt afhankelijk zijn van de Heere. Ja, in Hem leven wij, doordat Hij ons het leven geeft. In Hem bewegen wij ons, omdat Hij ons adem geeft en adem is de voorwaarde van alle beweging en van de instandhouding van het leven. Zonder de Heere zouden wij niets wezen.

Maar Paulus heeft, wat het geestelijke aangaat, ook geschreven: “Daar is verscheidenheid der werkingen, doch het is dezelfde God Die alles in allen werkt” (1 Korinthe 12:6). Ja, zoals ieder schepsel door de onderhoudende kracht van God bestaat, zo werkt ook ieder schepsel door de medewerkende kracht van God, zonder welke hij zich niet bewegen zou.

Zeer juist zegt een zekere Gravemeijer in zijn ‘Leesboek over de gereformeerde geloofsleer’ er het volgende van. “Het gereformeerde begrip van de medewerking van God houdt in, dat God met een bijzondere onmiddellijke aanraking ieder schepsel, bij iedere beweging en werkzaamheid, eer het zich beweegt, voorkomt, bepaalt, gaande maakt, in beweging houdt […] tot aan de laatste beweging toe”.

Het is hier de plaats niet te zeggen in welke zin de Voorzienigheid van God over de zonde gaat. Deze dingen zijn moeilijk te begrijpen. Daarom alleen het volgende. God werkt mee in alle bewegingen van de schepselen. En als de mens dan zondigt? Dan gebruikt de mens de van God ontvangen kracht ‘tegen’ God. Dan misbruikt de mens Gods kracht. En daarom is de zonde tegen God zo’n onterend bedrijf. Hier moeten we dan met de oude Godgeleerden wel onderscheid maken tussen de eerste en de tweede oorzaak. De eerste oorzaak van alle daden blijft God. Maar de tweede oorzaak van de vrije daden is de mens, die weet wat hij doet, en daarom is de mens niet te verontschuldigen.

De mens is strafbaar, hoe vaak hij zondigt ,want dit is misbruik maken van de goede kracht die God hem verleent. Laten wij dit ernstig bedenken en dit toch niet gering achten. Telkens als wij zondigen, wijken wij eigenwillig af van de heilige Wet, waaronder God ons heeft gesteld.

Maar nu is dit een voorrecht, dat tenslotte noch de zondaar, noch de duivel, met de zonde kan doen wij zij willen. Nee, God alleen doet met hen wat Hij wil. Zijn wegen zijn niet onze wegen, en Zijn gedachten zijn niet onze gedachten.

Onderhouding, medewerking en regering, daarin onderscheiden wij dus de Voorzienigheid van God. Nu mag hier niet een scheiding gemaakt worden, alleen een onderscheiding. Want het is zo, dat God het één door het ander doet. Het is dus één Voorzienigheid, die zich in deze drie werkingen gelden laat.

Maar nu moeten wij opmerken welk een wijsheid hier in onze Catechismus te vinden is. Waarin die wijsheid bestaat? Hierin, dat wij nu niet op zeer grote en wonderlijke gebeurtenissen worden gewezen, maar op hele gewone dingen. En in die gewone dingen moeten wij de Voorzienigheid van God opmerken, de alles werkende en besturende hand van de Heere. Luister maar. “Alzo, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijs en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede en alle dingen, niet bij geval, maar van Zijn Vaderlijke hand ons toekomen.”

‘Loof en gras’, hoe gewoon en toch moeten wij opmerken dat ook daarin de hand van de Heere is, en dat God het ons doet toekomen. Zegt de psalm het niet met zeer duidelijke woorden? “Gij bezoekt het land, en hebbende het begerig gemaakt, verrijkt Gij het grotelijks. De rivier Gods is vol water, wanneer Gij het alzo bereid hebt, maakt Gij hunlieder koren gereed. Gij maakt zijn opgeploegde aarde dronken. Gij doet ze dalen in zijn voren, Gij maakt het week door de druppelen. Gij zegent zijn uitspruitsel. Gij kroont het jaar Uwer goedheid en Uw voetstappen druipen van vettigheid (Psalm 65).”

En op een andere plaats: “Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen (Psalm 104).”

‘Regen en droogte’, hoe gewoon schijnt ons ook dit te zijn, en toch, ook dat wordt door de Heere beschikt. Tot Israël zegt de Heere, dat, wanneer zij in Zijn inzettingen zullen wandelen, dat Hij hun zal geven regen op zijn tijd. Maar indien zij de stem van de Heere niet zullen gehoorzamen, dan zou de hemel van koper zijn, en de aarde als ijzer. Ook hierin toont God Zijn vrijmacht, dat Hij op het ene stuk land regen geeft en op het andere niet. De profeet Amos spreekt daar zo over: “en heb doen regenen over de ene stad, maar over de andere stad niet doen regenen; het ene stuk land werd beregend, maar het andere stuk land waar het niet op regende verdorde (Amos 5:7).”

‘Vruchtbare en onvruchtbare jaren’. Ook die worden door de Heere gesteld, zodat het land overvloedig voortbrengt en volle garven biedt. Dat de zaaitijd reikt aan de dorstijd, en de dorstijd aan de zaaitijd, en er brood is voor de eter en zaad voor de zaaier. Maar ook het tegenovergestelde. De Heere roept ook som een honger in het land. Bij Amos heet het: “Ik heb ulieden geslagen met brandkoren en honingdauw.” En in de dagen van de richters, denk aan het boek Ruth, was er honger in het land. Zulks is ook van de Heere, want er is geen kwaad in de stad dat de Heere niet doet.

Spijs en drank geeft de Heere, maar Hij zendt ook gezondheid en krankheid. De Heere geneest Hizkia en Ahazia laat Hij aanzeggen, dat hij niet van zijn leger zal verrijzen. Terecht heeft Elifaz gezegd (Job 5:16) “De Heere doet smart aan, en Hij verbindt, Hij doorwondt en Zijn handen helen.”

‘Rijkdom en armoede’, ook die zijn vrucht van Zijn wil. Abraham en Salomo werden door de Heere rijk gemaakt, en Jacob erkende dat hij met zijn staf over de Jordaan was gegaan, en tot twee heiren was geworden. Bartimeus daarentegen moest aan de weg bedelen. Ja, de Heere maakt arm en Hij maakt rijk. Het is God die Job alles ontneemt, maar hem in dubbele maat het ontnomene wedergaf.

In één woord: ‘alle dingen komen niet bij geval, maar……van Zijn Vaderlijke hand’. Niet bij geval, dat mag de lichtzinnige dienaar van het aardse zich laten gezeggen. Maar van Zijn Vaderlijke hand, dat is voor hem, die op zijn lot als een noodlot zich blindstaart. Geen toeval, want dan is God niet de bestuurder van ons lot, maar is het fortuin de meester, en dat is het leven niet anders dan een wisselvallig dobbelspel. Geen noodlot, geen blinde macht, weg met deze heidense gedachten. Zij bieden geen troost en geven geen rust. Arme mensen, die uitroepen “laat ons eten en drinken en vrolijk zijn, want morgen sterven wij”. Arme mensen die trachten zich niets van deze dingen aan te trekken, die menen dat het de hoogste wijsheid is zich van wat hen wedervaart niets aan te trekken, en het beschouwen als het lot.

O, wat is de belijdenis van een christen dan heerlijker. De christen ziet op tot de Vaderhand, Die alles met wijsheid en liefde beschikt. De christen kan en mag zingen:

Ja, waarlijk, God is Israël goed,

voor hen die rein zijn van gemoed.

Hoe donker ooit Gods weg moog wezen,

Hij ziet in gunst op die Hem vrezen.

Ja, de gelovige staat op een onwankelbaar fundament, en dat is van het grootste gewicht voor het leven hier op aarde. Uit Zijn Vaderlijke hand, wat is dat kostelijk. Wat is dat troostrijk en wat geeft dat rust. En dan ‘alle dingen’. Ja, over alle dingen gaat Gods voorzienigheid. Niet alleen over grote, maar ook over kleine dingen, want zelfs de haren van ons hoofd zijn door de Heere geteld. Ook niet alleen over goede, maar ook over kwade dingen. Want de Heere zegt “Ik formeer het licht en schep de duisternis, ik maak de vrede en schep het kwaad, Ik de Heere, doe al deze dingen (Jes.45:7).” Die dit nu met zijn hart gelooft, die is er goed aan toe, en heeft een fundament onder de voeten dat niet bezwijken zal.

Nee, zonder de wil van de Heere kan zich geen schepsel roeren of bewegen, Dat onze ziel dan, al kunnen wij heel veel niet begrijpen, al blijft heel veel ons duister omdat wij hier slechts stukwerk aanschouwen, stil tot God moge zijn. Van Hem zij al onze verwachting. En dat onze ziel hier in dit moeitevolle leven maar veel mag stamelen “Mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen, ik zet mijn betrouwen op de Heere HEERE, om al Uw werken te vertellen.”

Daarom, volk des Heeren, stort ulieder hart maar uit voor Zijn aangezicht. Alles wat u ook overkomt, dat is niet bij geval. De Heere regeert. Hij bestuurt zowel het vallen van een musje op de aarde, als de regering van de ganse wereld. Uw Bewaarder zal niet sluimeren. De mens wikt, maar God beschikt. O, leer deze grondwaarheid vasthouden, ook dan als u staat voor verborgen dingen. Tracht daarin niet in te dringen, want die zijn voor de Heere onze God.

Leer bij alles wat voor u raadselachtig is met kinderlijke eerbied getuigen “O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis van God, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen.” Dit kan u tot troost zijn, zelfs tot troost als God u in de diepte brengt. Dan is er stille onderwerping en met Job leert u zeggen “De Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd.” Dan is ook voor ons van toepassing:

De Vader sprak tot mijne ziel

Toen mij de kruisweg bitter viel:

Mijn kind! Ga rustig aan Mijn hand,

Ge aanschouwt eens in het vaderland.

Dan wordt het heerlijk u verklaard,

Wat ge in het geloven deed op aard.

Wellicht stemt u dit alles toe en vindt u dit alles overheerlijk. En toch zucht u met woorden “O, mocht ik dat voor mijzelf kunnen geloven.” Zeker, het geloof kan zo klein zijn. Het kan ook zo zwak zijn. Daar zijn oprechte zielen, die het voor zichzelf niet geloven durven, en die zich menigmaal afvragen of ze wel genade van God ontvangen hebben. Die bitter klagen vanwege hun zonden, en wier zielen ineenkrimpen onder de druk van het recht van God. Hun ziel schreeuwt naar God, naar de levende God. Nu, die mensen roepen wij toe om aan te blijven houden. De Heere vertoeft soms wel, maar Hij hoort het geklag van Zijn arm en ellendig volk. Hij weet het, dat uw ziel niet kan rusten, zonder de geloofswetenschap dat God ook uw Vader is.

Nu, dat geloof geeft vrucht, en daarop gaat de Catechismus ons verder wijzen. Maar eerst zingen wij Psalm 147 vers 4

Zingt beurtelings, en dankt den HEERE;
Zingt psalmen onzen God ter ere,
Dien God, die, voor het oog der volken,
De heem'len dekt met dikke wolken,
Die d' aarde kroont met gunst en zegen
En haar besproeit met vruchtb'ren regen,
Die 't gras door mild' en frisse droppen,
Doet groeien op de heuveltoppen.

Waartoe dient ons dat wij weten, dat God alles geschapen heeft en nog door Zijn Voorzienigheid onderhoudt?

Dat wij in alle tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar zijn mogen, en in alles, dat ons nog toekomen kan, een goed toevoorzicht hebben op onze getrouwe God en Vader, dat ons geen schepsel van Zijn liefde scheiden zal, aangezien alle schepselen alzo in Zijn hand zijn, dat zij tegen Zijn wil zich noch roeren, nog bewegen kunnen.

Het eerste nut wat de gelovige moet trekken uit de wetenschap, dat God ook door Zijn voorzienigheid de hand heeft in alle tegenspoed, is, dat hij geduldig moet zijn. In tegenspoed. Ja, wij weten het, dat de tegenspoeden van de rechtvaardigen velen zijn. Hun leven is soms zo vol moeilijkheden. Het kruis dat gedragen moet worden is soms zo zwaar. Vaak moeten zij met de dichter zingen:

‘k Heb mijn tranen onder het klagen

Tot mijn spijze, dag en nacht.

Nu, in zulke wegen is geduld zo heerlijk. Geduld, wat is dat? Vaak kwam en kom in bij zieken. Bij mensen die soms jaren op bed doorbrengen. Dan vraag ik of zij nog al geduldig zijn. En vaak is dan het antwoord: “O, dominee, je kunt er toch niets aan veranderen. Het beste is maar om je erin te schikken.” Vaak gaf ik dan een reactie in de zin van: “dus als u er wat aan zou kunnen doen, dan zou het wel anders bij u zijn.” Nee, dit is niet het rechte geduld, daar waar Zondag 10 over spreekt. Het geduld wat daar bedoeld wordt betekent, dat we de tegenspoed voor een zegen houden. Dat is een kunst, die geen mens zonder genade kan leren of beoefenen. Kinderen van God, uw leven hier op aarde is een lijdensschool. En iemand heeft eens geschreven, dat in die school van het lijden vier klassen doorlopen worden. Hij schrijft: “De eerste is die van ‘de onderwerping’, met bijvoorbeeld Handeling 14 vers 22, dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk van God.”

De tweede klas is die van ‘de beradenheid’. ‘Ik wil lijden’, zoals Paulus getuigt, “Ik weet dat het lijden van deze tegenwoordige tijd niet te waarderen is tegen de heerlijkheid die aan ons zal geopenbaard worden (Rom. 8:16).”

De derde is die van ‘de ervaring’. Ik kan lijden. “Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus wil, want als ik zwak ben, dan ben ik machtig (1 Kor.12:10).”

De vierde is dan die van ‘de dankbaarheid’. Ik mag lijden. Want daarin heeft het kind van God het zegel van zijn kindschap. Dan roemt het in de verdrukking.

In tegenspoed geduldig, heerlijk die het beoefenen mag. Dan komen wij tot de erkenning, dat de Heere ons in druk bemoedigt en in de moeilijkheden ondersteunt. Dan worden in de wegen van druk en tegenspoed nog Eben-Haëzers opgericht. Wel blijven er veel waaroms. Maar als de ziel stil tot God is, dan geloven wij, dat al die waaroms eenmaal beantwoord zullen worden. Dan zeggen wij de dichter na:

Mijn Vader, wijl ik op aarde dwaal,

Dat mij Uw vriendelijk licht bestraal.

En steeds mijn hart dit woord herhaal”

“Uw wil geschiede.”

Dan is, als ik ben aangeland

Aan ’t reeds van verre blauwend strand

Mijn eeuwig lied in ’t Vaderland:

“Uw wil geschiede.”

Het tweede nut wat de gelovige moet trekken uit de wetenschap, dat Gods Voorzienigheid over alles gaat is, dat hij in voorspoed dankbaar moet zijn. In voorspoed, want ook die tijden maakt Gods kind hier beneden mee. De zegen van de Heere wordt rijkelijk genoten, alles schijnt mee te lopen, de levensomstandigheden zijn aangenaam. Ik heb mensen ontmoet in dagen van voorspoed en ik vroeg of zij dankbaar waren. En vaak kreeg ik een bevestigend antwoord. Maar, wie zou dat dan ook niet zijn? Laten we hier goed onderscheiden tussen ‘blij’ zijn en dankbaar wezen. Een mens kan onder de weldaden zo verheugd zijn, soms met tranen in de ogen. En toch is het best mogelijk dat dit alles met dankbaarheid niet te maken heeft. Verheugd, waarover? Verblijd, waarmee?  Met de weldaden en anders nergens mee? Dan is er geen oog voor de Weldoener. En zolang een mens daar blijft, dan eindigt hij alleen maar in de weldaden en krijgt God de eer niet.

Dankbaarheid is heel wat anders. De echte dankbaarheid openbaart zich in een diepe onwaardigheid en roept met Jacob uit: “Ik ben geringer dan al deze weldadigheden en dan al deze trouw, die Gij aan uw knecht gedaan hebt.” Het hart is vol ootmoed en keert met de weldaden terug tot God, en geeft Hem de eer.

In voorspoed dankbaar zijn is in de diepste zin moeilijker dan in tegenspoed geduldig zijn. Tegenspoed dringt eerder tot gebed, dan voorspoed dan dankzegging. Dat ligt aan de ondankbaarheid van ons hart. Daarom is het helemaal niet te verwonderen, dat Gods kinderen door zoveel verdrukkingen moeten ingaan. Terecht heeft iemand gezegd dat voor Gods kind de tegenspoed een bepaald soort voorspoed is. Ja, zij die God liefhebben, moeten alle dingen medewerken ten goede. Voorspoed kan soms zo gevaarlijk worden. Als wij vet worden slaan wij menigmaal achteruit, gaan wij menigmaal van het heilspoor af. Het geestelijke kwijnt dan en van een leven met God is geen sprake. Daarom is de bede van Agur: “Armoede of rijkdom geeft mij niet, voedt mij met het brood mijns bescheiden deels.”

Het derde nut zit in het verband met de toekomst. De toekomst is voor ons verborgen. Wij zijn en blijven van gisteren en wij weten niets. Wat kunnen wij, als we aan de toekomst denken, soms benauwd worden. Wat kunnen wij toch in bezorgdheid, met het oog op de toekomst, ons pad gaan. En toch, hij die gelooft dat de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus, Die hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, onderhoudt en regeert, hij die gelooft dat die God om Christus wil zijn God en Vader is, hij kan gerust zijn. De Heere zal het maken.

Heerlijk als een mens met dit vertrouwen zijn weg mag gaan. Die mens komt niet bedrogen uit. Kind van God….

Beveel gerust uw wegen,
Al wat u ’t harte deert,
Der trouwe hoede en zegen
Van Hem, die ’t al regeert:
Die wolken, lucht en winden
Wijst spoor en loop en baan,
Zal ook wel wegen vinden,
Waarlangs uw voet kan gaan.

Gods volk is toch waarlijk een gelukkig volk. Zij hebben de belofte voor dit en voor het toekomende leven. En wat zijn dan de kinderen van de wereld te betreuren. Zij kennen God niet, zij zoeken de Heere niet, zij dienen God niet en hebben Hem ook niet lief. Zij zijn zonder God in de wereld en hebben, wat de toekomst aangaat, geen goed toevoorzicht. Als de tegenspoed komt, dan is het één en al murmureren, of een berusten in het lot omdat er toch niets aan de doen is. Als voorspoed hun deel is, dan gaan zij vaak nog verder van God af, en brengen ze de weldaden in hun wellusten door. Nee, de onbekeerde mens heeft geen vrede. Zijn hoogste ideaal is het hier beneden zo goed mogelijk te hebben. En als doodsgedachten hem kwellen, doet hij alles om die van zich te zetten. De onbekeerde mens kan ook niet met vertrouwen de toekomst tegemoet gaan. Nee, de één wil vooraf de toekomst doorzien en neemt menigmaal ongeoorloofde middelen te baat, om zodoende zijn doel te bereiken. Een ander doet al wat hij kan om zijn geluk onafhankelijk te maken van God, en tracht zijn toekomst in eigen hand te nemen en te verzekeren. Weer een ander doet niets anders dan klagen over alles, wat hem mogelijk in de toekomst overkomen kan, en weer anderen leven zorgeloos voort en denken aan de toekomst niet.

Geliefden, behoort u tot hen? Dan hebben wij u ernstig te waarschuwen en roepen u toe: “bekeert u, bekeert u!” Zo gaat het mis, en eenmaal zal het eeuwig mis zijn, U bent voor een eeuwigheid geschapen, u draagt een onsterfelijke ziel in u. Eenmaal zult u God ontmoeten. Hier stelt u misschien alles in het werk om van verschillende zaken zeker te zijn, maar om de eeuwigheid denkt u niet. En dat is juist het voornaamste. Leert u dan in de eerste plaats vanwege uw zonden zich te schamen voor God. Leert nu nog vergeving en verlossing zoeken in het dierbaar bloed van Christus. Buigt uw knieën en vraagt om ontdekkend licht. Nu kan dat nog. Aanstonds is het eeuwig te laat. Eenmaal komt de tijd, en wie weet hoe spoedig, dat u rekenschap van uw rentmeesterschap zult moeten geven. En dan? Zonder God en zonder Christus? Dat zal zeer verschrikkelijk zijn.

Kind des Heeren, staat er naar om in deze heerlijke troost te delen. Ook voor u is het nog menigmaal zo, dat allerlei twijfelingen uw hart vervullen. Er is nog veel onvrede. En ook dit tijdelijk leven brengt vaak veel zorgen met zich mee. En toch, u hebt geen reden tot klagen. De Heere zorgt voor Zijn kinderen. Is uw leven soms in tegenspoed? Heeft de Heere u soms ontnomen wat u het liefste was? Hangt het rouwkleed om uw schouders? Weet dan, God vergeet u niet. Zijt geduldig in de verdrukking.  Volhardt in het gebed. Boven de sterren, daar zal het eens lichten, daar wordt eens alles ontraadseld, onthuld. Uw verdrukking is maar kort en weet:

Want Gods goedheid zal uw druk

Eens verwisselen in geluk.

Hoop op God, sla het oog naar boven.

Want gij zult Zijn naam nog loven.

Gaat uw pad in voorspoed? Dankt God in alles. Is Hij dat niet waard? Wandelt in nederigheid en in ootmoed en geniet van het grote goed, dat God weggelegd heeft voor allen, die Hem vrezen. Gaat zo in stil vertrouwen voorwaarts. Tracht door Gods genade de vuurkolom bij nacht, en de wolkkolom des daags getrouw in het oog te houden en die te volgen.

Ziet u uw voorwaarts gaan op de wegwijzers door de hand van de Goddelijke Voorzienigheid, op uw weg geplaatst. Gods wegen zijn soms wonderlijk, doch vergeet niet, al de werken des Heeren zijn goed.

Laat dit dan uw ziel vervullen, wat u met deze woorden uitspreekt:

Geduld, mijn ziel, eens komt de tijd

Dat u in het licht der eeuwigheid

Gods grote werken zult verstaan

En zeggen: “Hij heeft welgedaan!”

AMEN