Zondag 8 - Het geloof in de drie-enige God - ds. J. Jongeleen

Zondag 8

Het geloof in de Drie-enige God

Ps 97:1

Ps 33:11

Ps 65:1,3

Ps 68:10

Ps 119:65

Efeze 5

Geliefde Gemeente,

U hebt wellicht wel eens gehoord van de grote Koning Croesus, die in het jaar 560 voor Christus koning werd van Lydië. Deze man was onnoemelijk rijk en werd grotelijks vereerd. Het is die koning, die eenmaal uit de mond van de wijsgeer Solon moest horen, dat niemand gelukkig kan worden genoemd vóór zijn dood. Nu, deze Croesus heeft eenmaal een vraag gesteld aan één van de Griekse wijzen, namelijk Thales. Deze vraag kan ook vandaag nog tot lering zijn.

“Thales”, zo sprak Croesus, “Gij moet mij duidelijk maken wat of het Wezen Gods is.” De Griekse wijsgeer, die op verschillende vragen al wel een antwoord had gegeven, voelde direct dat zo’n vraag maar niet dadelijk te beantwoorden was. Nee, daar moest hij eerst eens rustig over denken, en daarom vroeg hij of hij één dag hierover na mocht denken, en dat hij dan een antwoord zou geven.

Croesus stond dit toe, en Thales begon na te denken. Maar ach, hij die zoveel wijsheid bezat en al zoveel problemen had opgelost, deze zaak viel hem tegen. Hoe meer en dieper hij nadacht, des de duisterder werd het hem. Nee, één dag was hier te kort voor, nog één dag en dan nog één dag, het werd een week, en nog vindt Thales geen antwoord op de vraag van de koning. Hij kon geen tijd meer noemen, een onbepaalde tijd had hij nodig. De koning was hierover zeer verwonderd en sprak: “Thales, waarom moet u als een wijs man daarover zo lang nadenken?” En wat kreeg hij van de wijsgeer te horen? “O, koning, hoe meer ik denk over het Wezen van God, des te onbegrijpelijker wordt het voor mij.”

Nu, deze woorden sprak een heiden, maar zouden wij ook niet hetzelfde moeten zeggen? Nee, God is groot, zo groot, dat wij Hem niet kunnen begrijpen. Maar wat hebben wij nu een voorrecht boven Thales, dat wij Gods Woord hebben, én dat wij het geloof hebben. Het is God, Die het geloof als een gave geeft, en in het hart van de zondaar werkt. En het is God, Die Zijn openbaring gegeven heeft, en die twee, namelijk het geloof en de openbaring, zijn op elkaar aangewezen. Uit het Woord kan een mens God leren kennen, voor zover God Zich heeft geopenbaard. Die kennis, al is zij nooit volledig, is evenwel een ware kennis. Dit kennen is nu weer iets heel anders dan het begrijpen. Denk bijvoorbeeld aan het leven van de planten en de dieren, dat leven kennen wij, maar ook dat leven begrijpen wij niet. Nee, God kunnen wij niet begrijpen, nee, alleen het geloof heeft licht, en kent en vertrouwt God.

Nu, wat de gemeente van Christus gelooft en belijdt, dat staat of valt met wat beleden wordt in Zondag 8. Immers het geloof is uit de Vader, is in Christus Verlossingswerk gegrond, en wordt door de Heilige Geest gewerkt. Het is het geloof in de Drie-enige God. Hierover spreekt Zondag 8.

Mattheus 28 : 19

Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes..

Zondag 8

Vraag 24: Hoe worden deze Artikelen gedeeld?

Antwoord: In drie delen. Het eerste is van God den Vader en onze schepping. Het andere, van God den Zoon en onze verlossing. Het derde, van God den Heiligen Geest en onze heiligmaking.


Vraag 25: Aangezien er maar één enig Goddelijk Wezen is, waarom noemt gij den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest?

Antwoord: Omdat God Zich alzo in Zijn Woord geopenbaard heeft, dat deze onderscheidene Personen de enige, waarachtige en eeuwige God zijn.


Met Zondag 8 maakt de Catechismus een begin aan de verklaring van de twaalf Artikelen van ons algemeen, ongetwijfeld Christelijk geloof, waarvan in Zondag 7 reeds is gesproken.

Bij de verklaring van Zondag 7 is ons reeds heel duidelijk gebleken, dat in de twaalf Artikelen de waarheden begrepen zijn, die het een christen nodig zijn te geloven. Zondag 8 begint direct met een onderzoek met de vraag hoe die twaalf Artikelen verdeeld zijn, om dan verder naar aanleiding van die verdeling over de Heilige Drie-eenheid te handelen. Het antwoord wat nu gegeven wordt op de vraag, hoe de twaalf Artikelen worden verdeeld, is van bijzondere betekenis en moeten we grondig verstaan. En blijkt duidelijk uit, dat de schepping aan de Vader, de verlossing aan de Zoon en de heiligmaking aan de Heilige Geest moet worden toegeschreven.

Dit moet, laten we dat direct zeggen, natuurlijk niet zó worden verstaan, dat de Vader eerst zou scheppen, de Zoon daarna zou verlossen en de Heilige Geest uiteindelijk zou heiligen. Evenmin mag u deze zaak zo voorstellen, alsof de Vader het werk van de schepping zou hebben verricht buiten de Zoon en de Heilige Geest om. Of dat de Zoon het werk van de verlossing zou hebben teweeggebracht buiten de Vader en de Heilige Geest om. En dat de Heilige Geest zondaren zou heiligen zonder de Vader en de Zoon. Nee, zowel de schepping als de verlossing en ook de heiligmaking zijn werken van de drie Personen in het Goddelijke Wezen.

Wanneer de Catechismus de schepping toekent aan de Vader, moeten wij niet vergeten, dat wij daarmee zijn gekomen op het terrein van de werken van God. Deze worden in het algemeen onderscheiden in de werken van God naar binnen, en de werken van God naar buiten. Onder de werken van God naar binnen moeten die werken verstaan worden, die betrekking hebben op de onderlinge verhouding in het Goddelijke Wezen. Zoals bijvoorbeeld de generatie van de Zoon en de uitgang of inspiratie van de Heilige Geest. Dit zijn de inblijvende daden van God.

Met de werken van God naar buiten worden de uitgaande daden van God bedoeld, zoals bijvoorbeeld de schepping, de voorzienigheid en de herschepping. Wij moeten goed in het oog houden, dat die uitgaande daden van God altijd werkingen zijn van de drie Personen gezamenlijk, maar dan zo dat hier enig onderscheid gemaakt moet worden. In het werk van de schepping, een uitgaande daad van God en dan wel van de drie Personen gemeenschappelijk, treedt de Vader op de voorgrond. Immers, Hij is de oorsprong van het Goddelijke Wezen, en daarom wordt ook aan Hem toegeschreven wat tot de oorsprong van alle dingen behoort. Hij is de fontein aller goeden, Hij is de Werkmeester van het tijdelijke en van het geestelijke leven. En van Hem gaat de kracht uit van de onderhouding, maar dan zo, dat de andere personen niet worden uitgesloten, want de Vader werkt door de Zoon en de Heilige Geest.

Spreekt dus de Catechismus met het oog op de verdeling van de twaalf Artikelen eerst over God de Vader en onze schepping, in de tweede plaats wordt er gesproken van God de Zoon en onze verlossing. God de Zoon, dat is de tweede Persoon in het Goddelijke Wezen, die Zoon wordt genoemd, omdat de Vader van eeuwigheid tot eeuwigheid het Goddelijke Wezen aan Hem mededeelt. En die Zoon treedt in het werk der verlossing op de voorgrond. Ook hier zullen we dadelijk weer beseffen, dat onze verlossing in de diepste grond een werk is van God Drie-enig. Wat weer niet weg neemt dat niet de Vader of de Heilige Geest, maar de Zoon Middelaar is. Het is de Zoon die een volkomen verlossing voor anderen teweegbrengt, en dat doet Hij van de Vader door de Heilige Geest. De Zoon is mens geworden. De Zoon heeft ons vlees en bloed aangenomen. De Zoon heeft geleden en Zijn bloed gestort tot verzoening van de zonden. De Zoon heeft de gemeente gekocht. Ja, “het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond, en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als des Eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid”, zo heeft Johannes uitgeroepen in zijn Evangelie.

En dan, als wij verstaan waarom in het werk van de verlossing de Zoon op de voorgrond treedt, wijst de Catechismus ons erop, dat het derde deel van de twaalf Artikelen over God de Heilige Geest en onze heiligmaking handelt. De derde Persoon in de Goddelijke Drie-eenheid heet ‘Geest’. En het woord ‘Geest’ doet denken aan een adem of aanblazing, die van een persoon uitgaat. De derde Persoon wordt Geest genoemd vanwege de aard van Zijn werkingen. Aan Hem wordt het derde werk van God naar buiten in de tijd, de heiligmaking, toegewezen. In dit werk treedt de Heilige Geest als Hoofdpersoon en Hoofdwerker op. Nu moeten wij helder voor ogen houden, dat de Heilige Geest dat alles doet als Gezondene door de Vader en van de Zoon. De Heilige Geest voegt dan ook niets toe aan het werk der verlossing, door de Zoon teweeggebracht, maar alles nemende uit de Vader en de Zoon, past Hij de verworven verlossing aan de zondaar toe. De Heilige Geest herschept de zondaar. De Heilige Geest vernieuwt de zondaar. De Heilige Geest heiligt de zondaar en maakt hem bekwaam, om eenmaal deel te hebben aan de erfenis van de heiligen in het licht.

Ziedaar de toelichting van de eerste vraag en het antwoord van deze zondag. “Hoe worden deze Artikelen gedeeld? In drie delen. Het eerste is van God de Vader en onze schepping. Het andere van God de Zoon en onze verlossing. Het derde van God de Heilige Geest en onze heiligmaking.”

Na deze onderscheiding gaat de Catechismus hier dadelijk ter sprake brengen de verborgenheid van de Heilige Drie-eenheid, het leerstuk van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, als drie Personen in het Goddelijke Wezen. In vraag 25 vraagt de onderwijzer: “Aangezien er maar een enig Goddelijk Wezen is, waarom noemt gij de Vader, de Zoon en de Heilige Geest?” En het antwoord is kort, maar toch veelzeggend: “Omdat God Zich alzo in Zijn Woord geopenbaard heeft, dat deze drie onderscheiden Personen de enige, waarachtige en eeuwige God zijn.”

Wanneer wij alleen nog maar de vraag bezien, dan valt op dat de Catechismus direct een feit constateert, en wel, dat God bestaat! Vergeten we niet, dat er ook in onze dagen duizenden door de twijfel bestormd worden, of God wel zou bestaan. En zo ja, is dit dan te bewijzen? Begint de Catechismus een poging te wagen om zulke vragers een antwoord te geven? Nee, want de Catechismus weet dat het nooit lukt om het bestaan van God te bewijzen. Waarom niet? Omdat het begrip ‘God’ dit bewijzen juist uitsluit. Het behoort tot de natuur, tot het Wezen van God, het is het goddelijke van zijn God-zijn, dat Hij Geest is, onzichtbaar en niet te bevatten voor een menselijk verstand. Nu zijn er geweest, en zijn er nog, die menen dat als het Godsbestaan bewezen kon worden, de zaak veel vaster zou staan. Tot zulke mensen zeg ik dat de vastheid die zou berusten op bedoelde bewijsvoering, juist onvastheid zou zijn, wat al blijkt uit het feit dat het bewijzen nodig zou zijn. Nee, niemand kan ons overtuigen van Gods bestaan, dan God Zelf, door Zijn Woord en Geest. En er is een weg, namelijk die van wedergeboorte en geloof, waardoor deze zaak vaster komt te staan dan ooit. Daarom is het zo, dat niet wij bewijzen dat God bestaat, nee, juist andersom. God Zelf bewijst en toont ons dat Hij er is. God maakt Zich kenbaar, Hij openbaart Zich, zowel in de natuur als in de Heilige Schrift.  En het Woord van de Heere is geen wetenschappelijke betoog aangaande het bestaan van God, het gaat, net als de Catechismus, eenvoudig van deze waarheid uit.

Heeft de Catechismus dus geconstateerd, naar de Heilige Schrift, dat God bestaat, hij gaat nu verder van de gedachte uit dat God is een enig God. Hierdoor wordt het veelgodendom, dat door verbastering uit het één-godendom is voortgekomen, als  een ongerijmdheid afgewezen, en terecht. Wanneer wij de Heilige Schrift openen en met aandacht en met een bidden hart naspeuren, dat vinden we dat de Heere reeds van het begin af aan Zijn volk Israël deze waarheid heeft ingescherpt. “Hoor, Israël, de Heere onze God is een enig Heere. Er is niemand meer dan Hij alleen!” Al de goden der volken zijn afgoden, het werk van mensenhanden. Maar de Heere heeft de hemelen gemaakt. Laten wij in het oog houden dat, wanneer Israël daar tegen zondigde door andere goden na te gaan, deze zonde door de Heere het zwaarst werd gestraft en dat dit uiteindelijk de oorzaak is geworden van de wegvoering naar Babel.

Nu is de waarheid, dat er maar één God is, niet alleen naar de Heilige Schrift, maar deze waarheid is ook tevens geheel redelijk, want in de diepste grond kan er maar één God zijn. Die eenheid ligt in de natuur van het Goddelijke Wezen opgesloten. God is alom tegenwoordig, nu, waar is er dan plaats voor een tweede God? God is almachtig, juist, maar hoe bestaan dan de mogelijkheid dat er nog meer goden zijn? Ja, er is maar één God, er kan maar één hoogste Wezen zijn, doch dan behoeft deze éénheid niet te zijn zoals Jood en Mohammedaan het stellen, namelijk een starre eenheid, waar geen plaats is voor meerdere personen.

Neen, de Heilige Schrift leert ons een volle, levende eenheid van God, waardoor meerdere Personen niet worden uitgesloten. God is beslist één in Wezen, maar ook weer even beslist drie in Personen. Daarop wijst de Catechismus dan ook verder in de vraag: “Waarom noemt gij de Vader, de Zoon en de Heilige Geest?” De waarheid, dat God één in Wezen en drie in Personen is, brengt ons op het terrein van de verborgenheden. Zeker, in de dingen die tot onze zaligheid nodig zijn, is de Heilige Schrift zeer klaar en duidelijk. Maar dat neemt niet weg, dat zij ook verborgenheden kent, waarvan de Drie-eenheid van God er één is.

Begrijpen kunnen wij deze waarheid dan ook onmogelijk, want zij gaat ver boven ons verstand uit. Is dat dan geen bezwaar? Nee, helemaal niet, er zijn immers heel veel dingen die boven ons verstand uitgaan, die wij nimmer zullen begrijpen. Het zou een onoverkomelijk bezwaar zijn, wanneer deze waarheid tegen ons verstand was, en als iets ongerijmds moest worden bestempeld. Als een ongerijmdheid hebben de vijanden deze waarheid behandeld, maar het was niet anders dan vuile laster en mannen als Athanasius en Augustinus hebben deze laster meesterlijk weerlegd. Nee, de Heilige Schrift leert ons in geen geval, dat er één God is en dan weer dat er drie goden zijn, want dat zou ongerijmd wezen. Maar God heeft Zich in Zijn Woord geopenbaard, dat Hij is één in Wezen en drie in Personen.

Laten wij ons oor een ogenblik te luisteren leggen bij dat onfeilbaar Woord des Heeren, dat eeuwig zeker is en slechten wijsheid leert. Al in het begin, op de eerste bladzijden, vinden wij deze woorden: “En God zeide, laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis”. En verder: “Toen zei de Heere God: ziet de mens is geworden als Onzer een”. Geven deze woorden al niet duidelijk te kennen dat er meer personen zijn? Doch dat niet alleen, laten wij ook denken aan de zegen die door de Hogepriester, op last van de Heere, op het volk van Israël werd gelegd. Als het einde van de dienst in het heiligdom was gekomen, dan keerde de Hogepriester zijn aangezicht naar het volk en zegenend breidde hij dan zijn handen uit over het volk, met de woorden: “De Heere zegene u en Hij behoede U”. En plechtig antwoordde het volk hierop met ‘amen’. Moeten we bij deze eerste woorden niet denken aan de zegen van God de Vader, Die Zijn volk van goed verzorgt en alle kwaad van hun weert en hun alles, wat hen in dit jammerdal overkomt, ten beste keren doet?

Daarna sprak de Hogepriester: “De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig”. En weer klonk dan het amen van het volk. Moeten we hier niet denken aan de zegen van God de Zoon, Die Zijn gemeente wast in Zijn bloed van al hun zonden?

En tenslotte sprak de Hogepriester: “De Heere verheffe Zijn aangezicht over u en geve u vrede”. Ook hierop antwoordde het volk met het ‘amen’. Hier denken we aan de zegen van God de Heilige Geest, Die woont in de harten van de kinderen des Heeren.

Maar er is meer. Wij willen ook denken aan wat de profeet Jesaja schrijft, waar hij de engelen hoorde zingen: “Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen”. Driemaal wordt het ‘heilig’ gezongen, kennelijk doelend op God Drie-enig. Ook mogen wij niet voorbijgaan aan de verschijningen van de Zoon van God onder het oude verbond, zoals aan Abraham, Mozes, Jozua, enz. En nog meer licht geeft wat wij lezen in Psalm 33:6 “Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt, en door de Geest Zijns monds al hun heir”.

Maar het is ook waar wat de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt in artikel 9, “maar hetgeen voor ons wat duister is in het Oude Testament, dat is zeer klaar in het Nieuwe”. Als Maria, de begenadigde onder de vrouwen, de boodschap van Gabriël ontvangt, dan klinkt het: “De Heilige Geest zal over u komen en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen, daarom ook, dat Heilige dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.”

Als de Heiland door Johannes wordt gedoopt, dan daalt de Heilige Geest op Jezus neer in de gedaante van een duif, en de Vader spreekt: “Gij zijt Mijn geliefde Zoon, in dewelken Ik mijn welbehagen heb.” Als Jezus in het Evangelie aan Zijn discipelen het doopbevel geeft, dan luidt het: “Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes. En in de Apostolische zegenbede wordt gesproken van de genade van de Heere Jezus Christus, van de liefde Gods en van de gemeenschap van de Heilige Geest.

Er zouden nog meer bewijzen aangevoerd kunnen worden, maar dit is voldoende om de waarheid van onze Catechismus te onderbouwen, dat God Zich alzó in Zijn Woord geopenbaard heeft, dat deze drie onderscheiden Personen de enige, waarachtige en eeuwige God zijn.

Laten wij er nu nog even bij stilstaan, dat de Kerk des Heeren aanvankelijk nog geen duidelijk gezicht had in deze fundamentele waarheid. Langzamerhand is zij door de Geest des Heeren opgevoed. Haar geestelijk verstand is tot het vatten van deze waarheid, in de loop der eeuwen gerijpt. Er is veel gestreden en niet zonder vrucht. Denk bijvoorbeeld aan de bekende Arius. Hij was een man, die met hart en ziel de éénheid van God wilde handhaven, en meende dat niet anders te kunnen doen dan door de Godheid van Christus te loochenen. Ook kunnen we de minder bekende Sabellius noemen. Ook hij mag een handhaver van de eenheid van God genoemd worden, en ook hij meende dat niet anders te kunnen doen, dan de drie Goddelijke Personen te beschouwen als drie achtereenvolgende openbaringen van één Goddelijk Persoon. God verscheen of openbaarde Zich dan als Vader, dan als Zoon, en dan weer als Heilige Geest.

Deze oude ketterijen werden de eeuwen door telkens weer vernieuwd, en dan vergeten we ook de moderne theologen van onze dagen niet.

Doch God gaf licht en waarheid. God bekwaamde mannen, die zich biddend op de Heilige Schrift wierpen, en hun arbeid is niet ijdel geweest. Wij plukken daar tot vandaag de vruchten van. De waarheid, dat God één in Wezen is en drie in Personen, is in onze drie formulieren van enigheid kostelijk vastgelegd.

Nu is het verder voor ons nodig te begrijpen, dat deze drie Personen, wat heerlijkheid, majesteit en macht aangaat, elkaar volkomen gelijk zijn en dat elk van de drie Personen, het gehele Goddelijke Wezen heeft. Gescheiden mogen zij nimmer worden, alleen maar onderscheiden, wat hun namen, werken en personele eigenschappen aangaat.

Wat is het nu een onuitsprekelijk voorrecht met deze kostbare waarheid van onze jeugd aan bekend te zijn gemaakt. Miljoenen kennen Hem zo niet, zij hebben zichzelf een god gemaakt, of goden, waarvoor zij zich buigen. Zij hebben het Woord niet, waarin God Zich alzo heeft geopenbaard, zij leven in het donkerste heidendom. Laten wij dan toch dat Woord liefhebben met ons ganse hart en laten wij het meer en meer biddend onderzoeken. Dit goede pand moet door de Kerk des Heeren bewaard worden, dieper worden ingedacht, laat er meer kracht uit geput worden. Ook in onze dagen zijn er zoveel dwalingen in verband met Gods Drie-eenheid. De éne dwaling is fijner en andere weer grover, maar het zijn dwalingen die zeer gevaarlijk zijn en blijven. Daarom is het zo goed om deze parel van grote waarde als een goddelijk pand te bewaren.

Laten we nooit zeggen, dat de voorwerpelijke kennis maar heel weinig betekent, nee, zij is dringend nodig. Maar laten we niet vergeten dat de voorwerpelijke kennis van de Drie-enige God niet genoegzaam tot onze zaligheid is. Wij mogen niet vergeten, dat, wat de Heere daarvan in Zijn Woord geopenbaard heeft, onderwerpelijk, bevindelijk, door ons gekend moet worden.

Wanneer wij gedoopt zijn in de naam des Vaders en des Zoon en des Heiligen Geestes, dan is dat een onuitsprekelijk voorrecht. Maar nimmer mag ons ontgaan dat het komen moet tot de persoonlijke inwilliging van het genadeverbond. Daarvan is de doop een teken en zegel. Tot die verbondsinwilliging worden al de bondelingen door de Heere vermaand en ook verplicht. Daar moet het komen, en als het daartoe waarlijk komt, wat dan?

Dit, dat zo’n mens, die zich als arm en ellendig zondaar keert kennen, in zich gaat gevoelen de werkingen van de drie Goddelijke Personen. Zo moet het, zullen wij zalig worden. Zo gaat het ook met een ieder, die zalig wordt.

In de weg van de verbondsinwilliging leren we deze Personen kennen, aanroepen, liefhebben, met geheel het hart en met geheel het verstand en met al de krachten.  

Het kan zeer tot lering zijn, wanneer wij even in het kort nagaan, hoe dit nu gaat in het leven van de uitverkoren zondaar, hoe hij of zij dit nu ervaart.

Op de voorgrond staat dan, dat een mens maar niet zo tot de heerlijke geloofskennis van God Drie-enig komt. Wanneer de Heere deze gaan uitwerken, dan is het in de eerste plaats God de Vader, Die Zich in het hart van de zondaar gaat ontdekken.

Hoe doet God de Vader dit? In de eerste plaats ontdekt Hij Zich als een heilig en toornend God, en maakt Hij Zich in Zijn rechterlijke kwaliteiten bekend. Door deze kennis gaat de zondaar niet in de eerste plaats zingen, nee, maar beven. En vol van verschrikking gevoelt hij zich. Deze kennis brengt hem zo in beweging, dat hij gaat uitroepen: “Tegen U, U alleen heb ik gezondigd en gedaan dat kwaad is in uw ogen.” Die ziel is bedroefd, maar Gode zij dank, het is geen droefheid van de wereld, die de dood werkt, maar het is een droefheid naar God die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid. Als een diep ongelukkige, als verloren voelt hij zich, en hij vreest met duizend vrezen. O, hoe zal hij ooit met God worden verzoend? Hoe zal hij ooit zijn zonden kwijtraken? En toch, hij zoekt, hij klopt, hij roept, en het woord ‘genade’ leert hij spellen. Vergeten wij nu niet, dat zo’n ontdekte zondaar maar niet direct deelt in de heerlijke verlossing. Nee, zo’n ziel heeft vaak eerst een langdurige strijd te strijden en doolt menigmaal in donkerheid om. O, hij voelt zich zo ongelukkig en steeds maar weer slaakt hij de bede: “Gena, o God, gena, hoor mijn gebed”. Zo’n mens hongert en dorst naar een andere kennis, en wel naar de kennis van de verlossing.

De tweede Persoon in de Goddelijke Drie-eenheid wordt hem hoe langer hoe noodzakelijker. Die Christus, Die de belofte heeft geschonken van de afwassing van de zonde door Zijn bloed, begint hij in het oog te krijgen en zeer hartelijk te begeren. Naar Hem strekt het zielsverlangen zich uit. Hem te mogen kennen als de schuld-overnemende Borg, als de schuld-uitdelgende Borg, wordt het verlangen van het hart. Dat verlangen blijft, als het gewerkt is door de Heere Zelf, niet onvervuld. Op des Heeren tijd gaan de ogen er heerlijk voor open en leert de ziel Hem kennen, als de hoogste Profeet, als de enige Hogepriester en als de eeuwige Koning. En leert het hart bij Hem schuiling te zoeken.

Maar dan komt er nog een diepere inleiding in het grote geheim des Heeren, en de ziel ontmoet de Heilige Geest. Heerlijk is het, als die mens gaat verstaan, dat het de Heilige Geest was, die de eerste verslagenheid reeds werkte in het hart. Dat het de Heilige Geest was, die de droefheid naar God werkte en de ziel tot Christus leidde. Heerlijk, wanneer er in deze dingen een gestadig toenemen ervaren mag worden. Dan wordt het geloof beleden in God de Vader, en de Zoon, en de Heilige Geest. Dan leert het hart zingen:

Geen vader sloeg met groter mededogen
Op teder kroost ooit zijn ontfermend' ogen,
Dan Isrels HEER op ieder, die Hem vreest;
Hij weet, wat van Zijn maaksel zij te wachten,
Hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten,
En dat wij stof, van jongs af, zijn geweest.

Weer komt tot ons de ernstige levensvraag, hoe wij persoonlijk tegenover deze waarheid staan. Hoevelen zullen er zijn, die geheel vreemd zijn van de ware bevindelijke kennis van God. O, zondaar, wil hier eens denken aan uw doop, waarin alle drie Personen voorkomen. Door uw ouders bent u ingedragen in het huis van de Heere. En daar is over u uitgeroepen: “Ik doop u in de naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes.” Wanneer u nu onbekend zou blijven met deze grote verborgenheid, dan kunt u nimmer tot de Heere naderen. Hij is Rechter, voor zondaren een verterend vuur, maar in Christus, de Zoon van Zijn welbehagen, wil Hij een genadig Vader zijn. En om Hem wil Hij de Heilige Geest schenken, waardoor men leert zeggen: “Abba, Vader.”

O, weerstaat de Heilige Geest toch niet, die in het Woord van de Heere of door Zijn dienaren tot u spreekt. U moet leren staan naar de zaligmakende werkingen van de Heilige Geest, want “indien iemand de Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe. Wat een toestand, om Christus niet toe te komen, tot Zijn gemeenschap niet te horen. In die staat blijft een mens voor eeuwig rampzalig.

Daarom waarschuwen wij u zeer ernstig. Blijf niet voortleven zoals u geboren bent, weet dat dit eenmaal verschrikkelijk zal zijn. Nu is het nog de tijd van genade. Nu roept de Heere nog en gaat de welmenende nodiging uit tot zondaren, om deel te krijgen aan de verlossing die in Christus is. Eenmaal wordt de deur gesloten, en dan is het te laat, voor eeuwig te laat. Huppel dan niet langer het leven zo door. Kom tot uzelf, want het zal u niet baten, al zoudt u de gehele wereld winnen, en schade lijden aan uw ziel. Bid om bekering, om kennis van God, van Christus, van uzelf. In die weg wil God Zich aan arme zondaren wegschenken.

Maar er zullen er ook zijn, die op de Drie-enige God een zalige betrekking gekregen hebben. Wat een weldaad, erfgenamen van God te zijn en erfgenamen van Christus. Om de Heilige Geest deelachtig te zijn, Die in het hart woont en werkt, en het zegel verstrekt waardoor men van de natuurlijke mens onderscheiden is. Hier de rijke troost. De Vader zal het goede werk, dat Hij begonnen heeft, niet laten varen, maar voleindigen tot op de dag van Jezus Christus. De Zoon, als Verlosser, zal al de Zijnen beschermen en bewaren en, als de goede Herder van Zijn schapen, zelfs de zwakste niet verloren laten gaan. De Heilige Geest zal blijven troosten en bijblijven tot in eeuwigheid.

Kinderen des Heeren, kleinen en groten, van verre staanden en naderbij gekomenen. Hier is lering nodig. Blijf rusteloos smeken om de gave van de Heilige Geest, steeds pleitend op Jezus’ belofte, dat die de Vader om de Geest bidt, Hij Hem ook zal geven. Strijdt om in te gaan door de enge poort.

De Drie-enige Verbonds-God openbare Zich meer en meer in uw harten, want dit is het eeuwige leven, dat zij God kennen en Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft.

AMEN