Zondag 7 - Het oprecht geloof - ds. J. Jongeleen

Zondag 7

Het oprecht geloof

  1. J. Jongeleen

Ps 43:3

Ps 89:7

Ps 17:3,4

Ps 33:6

Ps 27:7

1 Johannes 5

Geliefde Gemeente,

Eens toen Jezus op aarde wandelde, kwam iemand tot Hem met een vraag, met een vraag die stond in het teken van zalig worden.

Was die man bekommerd over eigen zaligheid? Kwam hij, zoals eenmaal de stokbewaarder tot Paulus en Silas kwam, met de vraag: “Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?” Het ware te wensen geweest, doch hij kwam heel anders. Zeker, hij scheen bekommerd, maar het was over het lot van anderen. Zodoende legde hij aan Jezus de vraag voor: “zijn er ook weinigen die zalig worden?”

De man begreep het niet en toch, door dit te vragen had hij zich op een heel gevaarlijk standpunt geplaatst. Hij liep gevaar om zelf te zaligheid te ontgaan. Hij begon vast te zitten op een zeer gevaarlijke klip in de zee van het geestelijke leven, namelijk op de klip van de ijdele vragen.

Zo zijn er nog heel veel. Zeer druk maken zij zich over de zaligheid van anderen, en daarmee onttrekken zij zich meer en meer aan de eis van de persoonlijke bekering, waar het juist zo op aankomt.

Dit moet voor een mens de vraag worden: zal ik zalig worden? Zal ik eenmaal God in Zijn gunst kunnen ontmoeten? Daarover moet de mens het meest bekommerd zijn, want zalig worden is een strikt persoonlijke zaak. Daarop heeft Jezus altijd gewezen en dat zal Hij ook aan die man laten voelen. Jezus gaat met hem spreken, maar niet over de zaligheid van anderen, maar over zijn eigen zaligheid. En daarom klinken aanstonds de woorden: “Strijd gij om in te gaan”. Dat moet hij leren, hij moet zelf ingaan door de enge poort, om zodoende op de smalle weg die ten leven leidt te komen. Wedergeboren moet hij worden. Met een bekommerd hart moet hij leren vragen: “Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde.” En dan, als hij zo komt, dan zal een kostelijk antwoord hem niet ontgaan. Dan zal ook hem als een hemelse muziek in de oren klinken: “Geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden.”

Juist om zalig te worden hebben wij geloof nodig, en zolang wij dat missen, kan er van zalig worden geen sprake zijn. Het is dan ook op die waarheid dat Zondag 7 ons wijst. Om dan tevens ons een leidraad te geven in verband met het zalig worden.

Deze kostelijke waarheid willen wij beluisteren, en de Heere bidden om de Geest des geloofs en der aanneming tot kinderen.

Johannes 3 : 36

Die in de Zoon gelooft heeft het eeuwige leven; maar die de Zoon ongehoorzaam is zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.

Zondag 7

Vraag 20: Worden dan alle mensen wederom door Christus zalig, gelijk zij door Adam zijn verdoemd geworden?

Antwoord: Neen zij, maar alleen degenen, die Hem door een waar geloof worden ingelijfd en al Zijn weldaden aannemen.


Vraag 21: Wat is een waar geloof?

Antwoord: Een waar geloof is niet alleen een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houdt, dat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit loutere genade, alleen om de verdienste van Christus wille.


Vraag 22: Wat is dan een Christen nodig te geloven?

Antwoord: Al wat ons in het Evangelie beloofd wordt, hetwelk ons de Artikelen van ons algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof in een hoofdsom leren.


Vraag 23:  Hoe luiden die Artikelen?

Antwoord: 

  1. Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.   
    2.En in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, onze Heere;   
    3. Die ontvangen is van den  Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria; 
    4. Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle;   
    5. ten derden dagen wederom opgestaan van de doden; 
    6. opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods des almachtige Vaders; 
    7. vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden.   
    8. Ik geloof in de Heilige Geest.   
    9. Ik geloof een heilige, algemene, Christelijk Kerk, de gemeenschap der heiligen; 
    10. vergeving der zonden; 
    11. wederopstanding des vleses;   
    12. en een eeuwig leven.

Duidelijk heeft de Catechismus uiteengezet, dat de mens, doe door God goed en naar Zijn evenbeeld geschapen was, boos en verkeerd geworden is, zo, dat de mens van nature geneigd is God en zijn naaste te haten.

Na dit uiteen gezet te hebben is ook de vraag aan de orde gesteld, wat of daar nu toch we de oorzaak van is geweest. Of de oorzaak bij God moest of mocht worden gezocht? En daarop was het antwoord kort en krachtig: neen. God heeft Zijn schepsel goed geschapen, geheel bekwaam om aan zijn bestemming te beantwoorden, God heeft Zijn schepsel naar Zijn evenbeeld geschapen, in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God zijn Schepper recht kennen, Hem van harte liefhebben en met Hem in eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen.

En toen kwam de vraag: “Vanwaar komt dan zulk een verdorven aard des mensen”? En daarop was het antwoord: “Uit de val en de ongehoorzaamheid van onze eerste voorouders, Adam en Eva, in het paradijs, waar ons natuur alzo is verdorven, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren zijn.”

“Allen”, niemand uitgezonderd, in Adam door zijn overtreding dood en doem onderworpen. Allen door Adam verdoemd, ja, daarop heeft de Heidelberger krachtig gewezen. Dat is naar het Woord van de Heere, want Paulus laat deze waarheid zeer duidelijk horen door deze woorden: “gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welke allen gezondigd hebben”. (Rom 5:12).

Daarna heeft de Catechismus gesproken van de Middelaar en Verlosser Christus Jezus. En zeer duidelijk is verkondigd dat er in de weg van verzoening door voldoening, verlossing was bereid voor de dood- en doemschuldige zondaar. O, hoe treffend is naar voren gebracht, dat Christus de enige, gepaste, algenoegzame Middelaar Gods en der mensen is, en dat niemand daaraan ooit mocht twijfelen, want dit alles blijkt uit het heilig Evangelie.

Omdat onze Catechismus ook hierin zo heerlijk ruim is, zijn er geweest en zijn er nog, die beweren dat niemand van de in Adam gevallenen de zaligheid zal ontgaan. Zij misbruiken Romeinen 5 en willen er uithalen, dat de zaligmakende genade zich evenzeer over alle mensen uitstrekt als het dood en doemvonnis vanwege de overtreding van de mensen. Zij gaan uit van de gedachte dat de genade niet particulier maar algemeen is. Is dat waar? Is de verzoening voor allen?

Worden dan alle mensen door de Middelaar zalig, alzo zij allen door Adam zijn verdoemd geworden? Ziet, dat is de vraag die in de eerste plaats in Zondag 7 naar voren wordt gebracht, en dan natuurlijk met het doel om daar een gemotiveerd antwoord op te geven.

Dit antwoord laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Zeker, de Catechismus wil in geen geval ontkennen dat de verdienste van Christus ook genoegzaam zou zijn en waarde genoeg zou hebben, om alle mensen zalig te kunnen maken. Christus had dan niets meer behoeven te doen. Maar toch is het antwoord op de bewuste vraag: Neen. Niet alle mensen worden zalig.

Dit antwoord wordt zonder aarzeling gegeven, en dat is dan ook geheel naar het Woord des Heeren. Zegt de Heere in Zijn Woord het niet duidelijk, dat die de Zoon ongehoorzaam is, het leven niet zal zien? (Joh 3:36). Zegt Jezus Zelf het niet, “dat niet een iegelijk die tot Hem zei: Heere, Heere, zou ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar alle zij die daar deden de wil Zijn Vaders.” En sprak Hij niet tot Nicodemus: “Tenzij iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien?”

Nee, alle mensen worden niet zalig. En nimmer mogen wij vergeten dat de oorzaak daarvan niet ligt in de ongenoegzaamheid van de verdienste van Christus, maar wel in de ongelovigheid van de mensen, die de aangeboden weldaden van Christus, in het Evangelie, verwerpen. Zo gaan zij dan niet door Christus’ schuld, maar door eigen schuld verloren.

Bent U door deze waarheid, dat alle mensen niet zalig worden, dat er wel velen geroepen zijn, maar weinigen uitverkoren, al geschokt geworden? Bent u daarover al werkelijk verontrust geworden? Zo ja, dan geeft het stellige antwoord u al direct enige verademing. Immers, wel niet allen, maar dan toch sommigen! Er worden mensen zalig en dat moet bij ons direct de vraag ontlokken, wie dat dan toch wel zijn. En op die vraag geeft onze Catechismus het volgende antwoord: “Alleen diegenen die Hem door een oprecht geloof worden ingelijfd en al Zijn weldaden aannemen”.

Door dit antwoord worden we gewezen op hoe noodzakelijk dan ook dat oprechte geloof is. Om zalig te worden, om wederom tot genade te komen, moet een mens Christus ingelijfd worden. Er moet een nadere betrekking tussen Christus en de zondaar tot stand worden gebracht. Er moet een vereniging met Christus worden geboren, de gemeenschap met Adam moet worden verbroken en een inenting in Christus moet er plaats hebben. Deze belangrijke zaak moet zeer duidelijk voor ons worden, daarvan moeten wij een helder begrip hebben. Er moet een inlijving plaats hebben,  en die inlijving bewerkt de mens niet zelf. Nee, de mens moet ingelijfd worden, en is daarin geheel lijdelijk. Helder heeft wijlen prof. Wielinga dit verduidelijkt. Hij schrijft: “Zou het ook niet al te dwaas zijn te beweren dat ze zichzelf inlijfden, zij die dood zijn in zonden en misdaden?” Welke planten zichzelf in in de stam die haar draagt? Is dat niet het werk van de hovenier? De oorzaak van die inlijving moet dus alleen gezocht worden in de Enige en Drie-enige God, in de verkiezende liefde van de Vader, in de verlossende liefde van de Zoon en in de wederbarende liefde van de Heilige Geest.

Toch geschiedt ze naar Gods wijs bestel en de aard van het genadeleven niet onmiddellijk. Wij worden Christus ingelijfd door het geloof. Door het geloof wat de Heilige Geest Zelf in het hart werkt, waar Hij de zondaar een nieuw leven instort. Oppervlakkig gezien klinkt het vreemd, dat die inlijving geschiedt door het geloof. Als er gezegd zou zijn ‘door de Heilige Geest’, dan zou het direct voor ieder duidelijk zijn. Nu zou men kunnen vragen, wordt het dan een daad, een werkzaamheid van de menselijk ziel, zij het dan ook een levendgemaakte ziel? Wat toch volgens de Schrift alleen door de Heilige Geest tot stand wordt gebracht? Sommigen beweren het, en hier schijnt dan toch enige grond voor te zijn?

Als met het geloof hier niets anders dan een daad en werkzaamheid van de ziel bedoeld zou zijn, dan zou deze bewering waar kunnen zijn. Maar volgens de Heilige Schrift is het geloof iets meer dan dat, daarmee vervalt terstond de grond hiervoor. Tussen oorzaak en middel moeten we goed onderscheiden. Het geloof is het middel, waardoor de inlijving geschiedt en dat geloof is een ‘nieuwe schepping van God in het hart, het is het orgaan van de nieuwe mens, dat ja, werkzaam is naar zijn aard en natuur, maar in die werkzaamheden niet opgaat. Zijn bestaan gaat zelfs aan die werkzaamheden vooraf. Om te kunnen zien moet er een oog zijn, om te kunnen spreken moet er een spraakorgaan zijn. Zo moeten wij ook het onderscheid tussen de gave van het geloof, als een door de Heilige Geest in het hart gewerkt nieuw levensbeginsel, en tussen de werkzaamheden van het geloof die als vanzelf daaruit voortvloeien, niet uit het oog verliezen. In hun taal drukten onze ouden op grond van de Schrift dat onderscheid eigenaardig uit door te spreken van de ‘hebbelijkheid’ en de ‘werkzaamheden’ van het geloof. Niet van elkaar te scheiden, zijn deze wel degelijk van elkaar te onderscheiden. In die zin worden wij zowel door het geloof Christus ingelijfd, en daarin zijn we lijdelijk, als we ook door datzelfde geloof Christus en al Zijn weldaden aannemen. En dit alles in de gemeenschap van de Heilige Geest.

Zo ontvangt God al de eer voor dat wonderwerk van de genade, waardoor wij uit de eerste in de tweede Adam worden overgeplant. De Heilige Geest is daarvan de werkende oorzaak en het geloof is het middel waardoor het geschiedt.

Verstaan wij deze uitleg? Zo ja, dan begrijpen wij, dat eigenlijk aan dat inlijven de zaligheid hangt. En o, wat is het dan toch noodzakelijk te weten, of wij dat geloof deelachtig zijn. Wat is het dan nodig, dat wij een vragende ziel in ons omdragen, met het oog op dat geloof. Gaat uw hart daar naar uit? Vraagt u hoe dit te weten? Zo ja, let dan nauwkeurig op hetgeen volgt, namelijk op het aannemen van Christus en al Zijn weldaden.

Vast staat, dat het geloof een aannemend karakter heeft. Het neemt in de eerste plaats Christus aan, maar dan ook al de weldaden, die door Christus verworven zijn. Zoals de Heilige Schrift getuigt: “Zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven, welken niet uit den bloede, noch uit de wil des vleses, noch uit de wil des mans, maar uit God geboren zijn.”

Ja, dit is de toets of wij in Christus ingelijfd zijn. Wie door een oprecht geloof Christus ingelijfd is, die wordt uit kracht daarvan werkzaam, die leert Christus en al Zijn weldaden aannemen.

Het is zeer nodig, dat wij de volgorde van onze Catechismus goed in het oog houden. Nimmer mag die worden omgekeerd. Nee, de Persoon van de Middelaar moet het eerste en voornaamste voorwerp zijn, dat het geloof omhelst, aanneemt, en boven alles bemint.

Zeer terecht zegt Alexander Comrie in zijn verklaring van Zondag 7 daar het volgende van: “Al wat dezulken beogen die de goederen zonder de Persoon zelf begeren, is vrede voor hun consciëntie, vertroostingen tegen de verschrikkingen des doods, en een hoop op de gelukzaligheid in de derde hemel. Als zij dit mogen hebben, dan zijn zij zonder de Persoon tevreden. Maar, mijn geliefden, in hoe hoge mate met zich inbeeldt dit alles te hebben zonder de Persoon, zo is alles toch bedrog en inbeelding. De vrede is gestolen en de hoop zal beschaamd maken, wanneer die weggevaagd zal worden als een huis der spinnenkoppen.”

Waar het echte geloof is, daar zal men dan ook staan naar de Persoon. Zij zullen in de Heere Jezus alles leren zien, de beminnelijkheid en de gepastheid, en zij zullen naar Hem leren reikhalzen en kunnen nimmer rusten buiten Hem.

Wanneer wij dit in het oog houden, dan begrijpen wij waarom de Catechismus nu verder een onderzoek wil instellen, wat of toch wel het oprecht geloof is, waarin dan toch wel het wezen van dat geloof bestaat. Dat geloof wordt ‘oprecht’ genoemd. En dat is omdat er nog van drie stemmingen of aandoeningen wordt gesproken, die in meer of mindere mate lijken op dat oprechte geloof, maar er terdege van onderscheiden moeten worden.

Hier denken we in de eerste plaats aan het historische geloof, dat soms zo bedrieglijk veel lijkt op het oprechte geloof. Gewoonlijk omschrijft men het als ‘een verstandelijk voor waar houden van Gods Woord’. Dat geloof stemt dus met het verstand de waarheid toe. Maar de waarheid zelf raakt zo’n historisch gelovige niet. Hij ontvangt er geen boodschap in, en beseft ook niet dat hem iets wordt aangeboden. Nee, het geloof van een koning Agrippa, waarmee hij de Schriften geloofde, is niet genoeg tot zaligheid. Bijna werd hij bewogen, maar met Christus verenigd werd hij niet. Zijn hart was onveranderd gebleven en zijn zogenaamde geloof zetelde alleen in het verstand.

Hierin moeten we onszelf onderzoeken. Een mens kan zich zo makkelijk bedriegen. Hij kan menen een gelovige te zijn en toch het oprechte geloof geheel missen. Er is zoveel schijn zonder wezen.

Nog bedrieglijker is het tijdgeloof, dat men over het algemeen omschrijft als ‘een toestemmen voor langere of kortere tijd van de waarheid, en tevens een belijden daarvan met opgewektheid’. Hier vindt men dat verstand én hart in beweging gebracht worden, maar toch wortelt dit geloof niet in het hart, maar alleen in verstand en gevoel. Een tijdgelovige is niet zo gemakkelijk te onderkennen, en wij mogen gerust zeggen dat hij soms zeer nabij komt. Wel valt op dat zo iemand in het algemeen de waarheid Gods aanvaardt van de belovende zijde, en dat hij geheel vreemd is aan de ware droefheid over de zonde, en dat hij ook geen droefheid naar God kent. Arm van geest zijn is hem vreemd. En in Christus Zelf ziet hij geen beminnelijkheid, Die kan hij aan Zijn plaats laten. De tijdgelovigen beminnen de goederen, maar niet de weg van nauwe godzaligheid. De Persoon van Jezus bekoort niet, maar zij bedoelen de hemel. Hemelzoekers zijn zij, maar geen Godzoekers.

Het zijn de oprechten van hart, die dan ook menigmaal vrezen dat alles wat zij ervaren hebben nog vrucht is van henzelf. De tijdgelovige wil van zelfonderzoek niets weten, en wordt ook vaak kwaad als hij tot verantwoording wordt geroepen. Welgelukzalig die dan als een verslagene leert uitroepen: “Ach, ik moet Jezus hebben, want niets anders kan mijn ziel voldoen.”

Er is ook nog het wondergeloof, die innerlijke overtuiging dat er door of aan hem of haar een wonder kan, of zal, geschieden. Dit geloof geeft God in tijden wanneer Hij wonderen doet. Dit wondergeloof ging vaak gepaard met het zaligmakend geloof, maar is ook beoefend zonder dat.

Doch genoeg, laten we ons nu bezig gaan houden met het ware, oprechte geloof. Als wij dat gaan doen aan de hand van Zondag 7, doen wij er goed aan om er op te letten waar het in Zondag 7 niet over gaat. Het gaat niet over de werkzaamheden van het geloof. Ook niet over de genietingen en evenmin over de verschillende trappen van het geloof. In één woord, het gaat niet over het ‘welwezen’, maar over het ‘wezen’ van het geloof.

Dit in het oog houdend worden wij erop gewezen, dat als eerste element naar voren komt de kennis. Het wezen van het geloof bestaat daarin in de eerste plaats. En dat is heel duidelijk, want wat geloofd moet worden, moet in de eerste plaats worden gekend. En die kennis is geen verstandelijke, maar een bevindelijke, geheiligde kennis, is vrucht van de Heilige Geest. Dat noemt de Catechismus een zeker weten of kennis. Hierin komt uit dat die kennis dus een gewisse, een secure kennis is. Het is een zeker weten, van hetgeen God in Zijn Woord geopenbaard heeft.

Door dit te stellen is positie gekozen tegen Rome, dat maar eenvoudig leert om onverstaan, onbegrepen, en ongekend, aan te nemen wat de Kerk leert. Nee, het geloof is geen blind geloof, het is kennis, het is een zeker weten, en daardoor wordt alles voor waarachtig gehouden dat God in Zijn Woord heeft geopenbaard. En hiermee benaderen wij het tweede element in het oprechte geloof, namelijk de toestemming.

Dat deze toestemming maar niet alleen in beschouwing bestaat, maar een beoefende moet zijn, is ons natuurlijk wel duidelijk. En het zal nog duidelijker worden, wanneer wij gaan zien op welke wijze het hart werkzaam is in die beoefende toestemming.

Laat ik daar iets van zeggen. Als bijvoorbeeld de Heere in Zijn Woord verklaart dat de mens van nature ellendig is en wegens zijn zonde onder het Goddelijk gericht is gekomen, en dat hij Zijn eeuwige toorn onderworpen is, wat doet dan zo’n mens, wanneer hij dat toestemt? Hier kunt u uzelf aan toetsen. Zo’n mens erkent zijn ellende, hij betreurt zijn zonde, hij heeft een innerlijke begeerte om te zonde te haten en te vlieden. Als God in Zijn Woord verklaart, dat niemand voor de zondaar aan de Goddelijke gerechtigheid kan voldoen, dan Christus alleen, en dat alleen in Christus de zaligheid te verkrijgen is, dan doet de hartelijke toestemming aan deze waarheid de zondaar aan eigen kracht wanhopen en alles buiten Christus verloochenen. Als de Heere in Zijn Woord verklaart, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken, dan verwekt de hartelijke toestemming aan deze waarheid in de zondaar een heilig verlangen om de zaligheid door deze Middelaar deelachtig te mogen worden. En wanneer zo’n zondaar tevens mag merken dat die beminnelijke Jezus met alles wat Hij verworven heeft, ook hem wordt aangeboden, en dat indien hij gelooft, hij ook deelgenoot van dat grote heil zal worden, dan leert hij zich overgeven aan die Heiland, met een hartelijk verlangen om voor God te leven.

Hoe staat het nu bij u? We hebben er iets van gezegd. Vindt u hiervan iets bij uzelf? Zo niet, dan bent u van het oprechte geloof nog vreemd. En zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen.

Zo ja, al is uw antwoord nog zo vol schuchterheid, dan wilt u toch verder onderwezen worden in verband met het vertrouwen, waarover de Catechismus nu nog verder handelt. “Een vast vertrouwen, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is uit louter genade, alleen om de verdienste van Christus wil.”

Dat het vanzelf spreekt dat het geloof ook een vast vertrouwen is, hoeven we niet verder uiteen te zetten. Maar wel is van groot belang te weten, wat in Zondag 7 onder dat vaste vertrouwen moet worden verstaan. Daar zijn al heel wat zielen geweest, en zij zijn er nog, die, wanneer zij lezen wat Zondag 7 over dat vertrouwen schrijft, menen dat daar dan gedoeld wordt op de volle verzekering van het geloof. En dat er geen sprake van kan zijn een gelovige te zijn, als men niet met zekerheid weet dat de zonden vergeven zijn. Nu is het natuurlijk waar, dat het een eigenschap van alle ware gelovigen is, om te staan naar die verzekering en om die verzekering hartelijk te bidden en te smeken. Maar toch kan niet gezegd worden dat dit verzekerde vertrouwen in Zondag 7  wordt bedoeld.

Waarom niet? Wel, hoe groot en begeerlijk dit vertrouwen ook is, het behoort tot het welwezen van het geloof, en wij stelden reeds vast dat Zondag 7 niet over het welwezen, maar over het wezen van het geloof handelt. Veel licht kan hier verspreid worden door de onderscheiding, gemaakt door verschillende oude Godgeleerden. Zij spraken, wanneer zij over het vertrouwen des geloofs handelden, van een tweeërlei daad van vertrouwen. In de eerste plaats van een rechtstreekse daad van vertrouwen en in de tweede plaats van een wederkerende daad van vertrouwen.

Onder de rechtstreekse daad van vertrouwen verstonden zij dan de wezenlijke daad van het geloof die zelfs in de allerzwakste gelovige plaats heeft. Zij die deze daad van vertrouwen beoefenen, nemen toevlucht tot Gods genade, en dan met een honger en dorst naar Christus’ gerechtigheid. Let nu goed op, dat zo’n toevlucht nemende gelovige in zijn toevlucht vertrouwen beoefent. Hoe hij dat dan doet? In zijn toevlucht nemen spreekt hij wat uit, en wel zijn vertrouwen, dat niet alleen anderen, maar ook hem, ja hem in het bijzonder, het grote heil van de vergeving der zonde, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is. Om dit vertrouwen goed te begrijpen zal de betekenis van het woord ‘schenken’ ons duidelijk moeten zijn. Comrie en anderen verstaan het woord schenken in de zin van ‘voorstellen’, ‘aanbieden’. In zijn verklaring van Zondag 7 schrijft Comrie daarover het volgende: “Wij verstaan het schenken, aanbieden of geven met deze bepaling, dat de dingen die dus aangeboden zijn, ons waarlijk van God geschonken en gegeven zijn in de belofte van het Evangelie. Wij menen dat deze drie woorden, ofschoon verscheiden in klank, hetzelfde betekenen. In dit opzicht wordt de gehele zaligheid die God schenkt aan ons arme zondaren, die niet dan hel en verdoemenis waardig zijn en die niets hebben of doen kunnen om die zaligheid te verkrijgen, een ‘gave’ genaamd, die ons God in het Evangelie voorstelt, aanbiedt en schenkt uit vrije genade.”

Deze woorden zeggen ons duidelijk, dat Comrie hieronder verstaat de persoonlijke aanbieding van de genadebelofte van het Evangelie, in onderscheiding van de algemene aanbieding. Het vertrouwen waar Zondag 7 over handelt, bestaat dus in een hartelijk vertrouwen in de aanbieding van het heil, zoals die in het Evangelie geschiedt. Zonder dit hartelijk vertrouwen in de schenking is de toe-eigening niet mogelijk. Het vaste vertrouwen, dat tot het wezen van het zaligmakend geloof behoort, bestaat dan ook hierin, dat een door de Heilige Geest ontdekte zondaar vertrouwt, dat God in Christus een God van volkomen zaligheid is, en dat in Jezus ook voor hem gerechtigheden en sterkte zijn.

Aan dit vertrouwen van het geloof, waardoor men toevlucht neemt tot Christus, en waardoor men zich op Christus alleen leert verlaten, wordt de zaligheid vastgemaakt. “Welgelukzalig zijn allen, die op Hem vertrouwen.”

Nu, wat zegt uw hart hierop? Is ook dit vertrouwen door de Heilige Geest in uw hart gewerkt? Bent u, wat de beoefening aangaat, hier geen vreemde van? Hongert en dorst ook uw hart naar de gerechtigheid van de Heere Jezus Christus? Zeker, dan zult u bij uzelf nog wel veel vertwijfelingen ontdekken. En dan zult u menigmaal worden bestreden of de zaak wel echt bij u is. Maar het zal dan toch zo bij u zijn, dat u het toevluchtnemen tot de Heere niet meer missen kunt. Wij roepen u dan ook toe: blijf aanhouden, gaat in vertrouwen uit en worstelt aan de troon der genade, opdat u mag komen tot de wederkerende daad van vertrouwen, tot de volle zekerheid van het geloof, waar alle gelovigen naar moeten staan.

Zo in vertrouwen werkzaam zijn zal u meer en meer doen verstaan, dat alles buiten uzelf ligt en dat de Heilige Geest, van de Vader door Christus gegeven, de Werkmeester is, het dierbaar Evangelie het middel, en dat uiteindelijk alles uit loutere genade geschonken wordt.

Dat zult u ook leren verstaan dat ook het geloof voor u is, “een vaste grond der dingen die men hoopt en een bewijs der zaken die men niet ziet.”

Laten we nu nog gaan vragen, waaraan dat geloof nu zijn kracht ontleent. “Wat is dan een christen nodig te geloven?” vraagt de Catechismus nu verder. En het antwoord is kort en bondig: “Al wat ons in het Evangelie beloofd wordt, hetwelk ons de Artikelen van ons algemeen en ongetwijfeld christelijk geloof in een hoofdsom leren”.

Deze woorden zeggen ons dus wat de inhoud van het geloof is, namelijk de belofte van het Evangelie. En nu worden wij er op gewezen, dat in de twaalf artikelen de hoofdinhoud van het Evangelie te vinden is. Deze artikelen worden gewoonlijk genoemd de Apostolische Geloofsbelijdenis. De vroegere Roomse geleerden namen algemeen aan, dat de Apostelen van de Heere deze artikelen hadden opgesteld, ieder één en Petrus twee artikelen. Dit is echter in geen geval te verdedigen en wij kunnen wel met gerustheid vaststellen, dat de Doopformule de wortel is, waaruit ook dit belijdenisgeschrift is ontstaan. Van grote betekenis is dit geschrift, omdat het de moeder is van alle latere belijdenisgeschriften. De verdere ontwikkeling van de kerk heeft wel grotere symbolen gemaakt, maar toch is het Apostolicum de band van de christelijke kerken. Wie zich tegen deze belijdenis verzet scheurt zich los van het christendom.

Nu, de beloften van het Evangelie die spreken van zonde en genade, van vergeving en gemeenschap met God, moeten worden geloofd. En door dit te benadrukken geeft de Catechismus de grond aan waarop het genoemde vertrouwen kan rusten. Wat is het dan ook heerlijk als wij hier horen, hoe de belijdende gemeente zicht vastklemt aan het eeuwig blijvend Woord van God. Welgelukzalig dan, die ze leert geloven. Hij kan er op bouwen en vertrouwen, en hoeft niet bevreesd te zijn dat hij zich met dat vertrouwen zal bedriegen, zodat hij tenslotte nog kan wegzinken in de afgrond, terwijl hij meende op een rots gebouwd te hebben. Nee, de beloften van het Evangelie zijn hecht en sterk.

Hoe staat het nu? Hebben wij persoonlijk dit hiervoor beschreven geloof? Duizenden leven er voort zonder geloof. Zij zijn diep te betreuren, want zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen. Zonder geloof? En dan leven zonder zo’n ruim aanbod van genade, is dat niet verschrikkelijk? Hier zijn Jezus’ woorden op zijn plaats: “Wee u Chorazin, wee u Bethsaïda, want zo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en as bekeerd hebben! Doch Ik zeg u: het zal Tyrus en Sidon verdraaglijker zijn in de dag des oordeels, dan ulieden.

En gij, Kapernaüm! Die tot in de hemel toe zijt verhoogd, gij zult tot de hel toe nedergestoten worden. Want zo in Sodom die krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden tot op de huidige dag gebleven zijn. Doch Ik zeg u, dat het den lande van Sodom verdraaglijker zal zijn in de dag des oordeels dan u.”

Daarom, onbekeerden, laat u vandaag nog waarschuwen, want het kan vandaag de laatste waarschuwing zijn. Daarom, onbekeerden, komt tot uzelf. Zult u uw ziel verkopen voor een schotel linzenmoes? Aanstonds  komt u alleen voor God en dan zal God u onderzoeken. Zal het dan goed zijn? O nee, dan zal Hij u aanzeggen ‘gaat weg van Mij, Ik heb u nooit gekend’. Bekeert u, bekeert u, waarom zoudt gij sterven! Duizenden leven er voort in de mening het geloof te hebben, maar zij bedriegen zich, want het is niet het oprechte geloof, het is namaak. Daar gaat iemand, die aan zijn historisch geloof genoeg meent te hebben, maar het is tekort. Daar weer één, die op een gevoelige aandoening, eenmaal ervaren, blijft voortbouwen, maar het is tekort, een inlijving in Christus heeft er niet plaatsgehad.

Hier is zelfonderzoek nodig, en in dat zelfonderzoek kan het voor de oprechten soms zo bang worden. Want waarlijk, als een mens gaat geloven: ‘ik moet geloven’, dat is de eis van de Heere, maar dan tevens ziet door Geesteslicht en dat ook gelooft: ‘ik kan niet geloven’, dan wordt het bang. Is dat uw toestand? Voelt u zich onbekwaam, arm, jammerlijk, naakt en blind? Dan roepen wij u toe: zoek het bij de Heere. Hij schenkt alles uit genade, wat Hij eist. Ik moet, en ik kan niet? Dat brenge u aan de voeten van de Heere, en daar zoekt niemand tevergeefs.

Schuchtere zielen, u moet het goed weten, u die zo vaak bestreden wordt met menigvuldige twijfelingen of het geloof u wel geschonken is, dat het wezen van het geloof niet bestaat in de eerste plaats in het geloven een gered mens te zijn, maar juist andersom, dat u een verloren mens bent en als verloren mens tot Jezus de toevlucht neemt. Gaat dan zo met uw zonden en schulden, die u zo drukken, in vertrouwen uit. God kent Zijn tijd. Als Hij vertoeft, blijft u hem dan verbeiden. U snakt naar zekerheid? Nu, dat is een gunstig teken en weet, dat die door u begeerde geloofsverzekering geboren wordt in de weg van geloofsoefening, met God, naar Zijn Woord.

Leeft u, die vroeger in het licht van het geloof mocht wandelen, soms in duisternis? Hoe komt dat? Worden er zonden door u gekoesterd? Bent u van het heilspoor afgegaan? Bent u bezig met het bedroeven van de Heilige Geest?  Keert weder, en verlaat de onzinnigheden, staat weer naar geloofskennis en oefen u in de geloofsgemeenschap. Tracht door genade uw oog op Christus te slaan, Die voor al de Zijnen bidt, dat hun geloof niet zal ophouden. Tracht op te wassen in het aannemen van Christus en al Zijn weldaden, dan zult u in uzelf minder worden, dan zult u meer en meer leren sterven. Zodoende bent u een gepast voorwerp om de Heere te verheerlijken.

Zijt dan met ootmoedigheid bekleed en wast op in de genade en kennis van de Heere Jezus Christus.

AMEN