Zondag 5 Verlossing alleen door een Middelaar - prof Lengkeek

Zondag 5

Verlossing alleen door een Middelaar

prof. F. Lengeek (1871-1932)

Ps 42:3

Ps 65:2

Ps 130:1,2

Ps 40:4

Ps 70:3

Psalm 49

Geliefde Gemeente,

Onder ontzettende tekenen van Zijn goddelijke majesteit gaf de Heere Zijn wet. De schrijver van de brief aan de Hebreeën wijst er op, dat het oude Israël in de woestijn gekomen is tot de tastelijke berg, en het brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en onweder, en tot het geklank der bazuin, en de stem der woorden, welke die ze hoorden, baden dat het woord tot hen niet meer gedaan zou worden; en Mozes, zo vreselijk was het gezicht, zeide: Ik ben gans bevreesd en bevende. De ganse berg waarop de Heere neerkwam, schudde en dreunde, en het volk vluchtte verschrikte weg van de berg. Wie zou ook Gods majesteit ontmoeten en staande blijven? Zelfs wanneer een engel verschijnt, één van de gedienstige geesten door God uitgezonden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen, zulk een door God verkorene,  dan is er vrees. Want Gods licht straalt van Zijn dienaar af, en de mens, de zondaar, kan dat licht niet verdragen. Hoeveel te minder dan, als God Zelf verschijnt, als Hij afdaalt tot de mens, en het recht van Zijn heiligheid, en de heiligheid van Zijn recht de mens voor ogen komt.

Wij kunnen God niet ontmoeten, en toch zal dat eenmaal geschieden dat wij voor de Heilige verschijnen. Zal dat wat anders voor ons kunnen betekenen dat de dood, de eeuwige dood met al de verschikkingen, waarmee deze komt?

Als de Heere echter op de Sinaï nederdaalt, dan mag het volk sidderen en beven, maar de Heere komt niet om te verderven, door over het volk de verdiende straf van hun overtredingen te brengen.

Het eerste woord dat van de lippen van de Heere uitgaat, is een woord dat van ontferming, van genade en liefde, spreekt. “Ik ben de Heere, uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb”.

Daarmee wijst de Heere op de grote weldaad aan Israël bewezen. Op de trouw aan Zijn verbond en belofte. En ieder die een oor ontving om te horen, en een hart om op te merken en te verstaan, kon er het woord in beluisteren dat honderden jaren later door de profeet Ezechiël namens de Heere wordt gesproken: ”Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in de dood van de goddeloze! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg, en leve”.

Wat zou het zijn, indien wij bij de wet en dus bij het stuk van de ellende, bij onze verdoemenis voor God, moesten blijven staan? Indien er niet van iets anders gesproken kon worden dan van gerechtigheid en heiligheid?

Dan bleef er niets over dan te klagen, en het uur van onze geboorte te bewenen. Van duisternis tot duisternis zou het voortgaan, van droefenis tot droefenis. Tot de buitenste duisternis ons opnam, en de worm die niet sterft ons tot in eeuwigheid smartte.

Maar zoals God kwam tot Israël met recht en genade, zo is het nog. Er is vergeving bij God. Er is uitkomst mogelijk voor de verloren zondaar, verlossing van het dreigende gevaar, ontheffing van het drukkende leed. Er is plaats voor een nieuwe gemeenschap met God, de Heilige, voor een verzoende betrekking met God.

God heeft, Zijn Naam zij geprezen, geen punt gezet achter de val van de mens! Er is een goddelijk “Maar”.

Tot nu toe heeft de Heidelberger gehandeld over het stuk van de ellende. Daarin is de totale doodstaat en verdoemelijkheid van de mens, zoals hij van nature is, aangetoond. Van en door de mens is voor de mens niets te hopen.

Maar nu mogen wij verder gaan. Want het moet eerst worden: niets uit ons en door ons. Opdat het zal kunnen worden: alles uit God door Christus. Hier gaat de Catechismus nu toe over. Boven de zondagsafdeling die nu onze aandacht vraagt, lezen wij: Van des mensen verlossing.

Allereerst komt de grote vraag aan de orde, waar de mogelijkheid tot verlossing ligt. Later wordt ons die mogelijkheid, vervuld in Christus, voor ogen gesteld. Laat ons, moge het zijn tot verdieping van ons geloofsleven, of tot ontdekking aan ons gemis, dan nu stil mogen staan bij de mogelijkheid tot verlossing. Zegene ons de Heere met Zijn Heilige Geest, met het gebed om Zijn genade.

Psalm 40, vers 8 en 9.

Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen. Hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven, want de verlossing van hun ziel is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden.

Zondag 5

Vraag 12: Aangezien wij dan naar het rechtvaardig oordeel Godstijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, is er enig middel, waardoor wijdeze straf zouden kunnen ontgaan en wederom tot genade komen?

Antwoord: God wil, dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede ; daarom moeten wij aan haar, òf door onszelf, òf door een ander, volkomenlijk betalen.


Vraag 13: Maar kunnen wij door onszelf betalen?

Antwoord: In generlei wijze, maar wij maken ook de schuld nog dagelijks meerder.


Vraag 14: Kan ook ergens een bloot schepsel gevonden worden, dat voor ons betale?

Antwoord: Neen; want ten eerste wil God aan geen ander schepsel de schuldstraffen, die de mens gemaakt heeft ; ten andere zo kan ook geen blootschepsel den last van den eeuwige toorn GODS tegen de zonde dragen en andere schepselen daarvan verlossen.

Vraag 15: Wat moeten wij dan voor een Middelaar en Verlosser zoeken?
Antwoord 15: Zulk een, die waarachtig en rechtvaardig mens is, en nochtans ook sterker dan alle schepselen, dat is, die ook tegelijk waarachtig God is.

 

Dood door de zonden en de misdaden! Het eeuwige oordeel waardig! Zo staat het met de mens, met ons, zoals wij van nature zijn. Onmachtig zijn wij tot enig geestelijk goed, geneigd tot alle kwaad. Uit ons geen vrucht meer in der eeuwigheid. En dat door eigen schuld, door vrijwillige en moedwillige overtreding. Waarbij nog komt, dat wij zolang wij het onderwerp van Gods genade niet zijn, in onze dwaasheid menen dat het toch niet zó erg met ons is. Dat er nog wel redenen te vinden zijn waarom, als het gericht over ons komen moet, wij de terechte straf zullen kunnen ontgaan. In onze dwaasheid, zeiden we, want buiten de genade van God kennen wij God niet, en kennen wij ook onze schuld en straf niet. Buiten de genade hebben wij nog wel enige verwachting, of moeten we zeggen verbeelding, dat wij òf om onze deugden, òf  door Gods barmhartigheid vanwege onze ellende, nog wel vrij zullen komen. De Heidelberger heeft evenwel de gedachte aan barmhartigheid van God, afgescheiden van Zijn rechtvaardigheid, afgesneden. En dit geheel in overeenstemming met de Heilige Schrift, die ons God niet doet kennen in een menselijke barmhartigheid, die uit medelijden het recht buigt. Zal er sprake zijn van behoud van ons, dan zal het moeten wezen in een weg van recht.

Daarop legt zondag 5 nog eens sterk de nadruk, maar geeft tevens aan dat, hoewel het aan onze kant een totaal verloren zaak is, er bij de Heere nog uitkomsten zijn tegen de dood.

Geen zaligheid voor ons, zo leert de Catechismus, zo de Heere met ons in het gericht gaat.

VERLOSSING IS ALLEEN MOGELIJK DOOR EEN MIDDELAAR>

Om dit aan te tonen worden wij er op gewezen:

I              Dat het recht van God voldoening moet ontvangen

II             Dat het ons onmogelijk is aan die eis te voldoen

III            Dat ook geen ander schepsel het voor ons doen kan

IV           Dat wij dus een bijzondere Middelaar nodig hebben

I              Dat het recht van God voldoening moet ontvangen

Naar het rechtvaardig oordeel van God hebben wij tijdelijke een eeuwige straf verdiend. Iets anders hebben wij niet verdiend. Geen enkele stoffelijke of geestelijke gave komt ons toe. Geen enkele verademing, geen enkele verheuging, geen enkele verzachting. Wat wij dan ook nog ontvangen aan liefde, levensvreugde, aan gezondheid en kracht, aan vrijheid, het is omdat de Heere Zijn toorn nog over ons inhoudt. Hij doet ons nog delen in Zijn lankmoedigheid en goedertierenheid! Spijs en drank, kleding en huisvesting, verwarming tegen de kou, verkwikking in dagen van hitte, verzorging in ziekte, troost van vriendschap in ons leed, het is alles verbeurde weldaad! Wat vergeten wij dat veel. Wat denken wij hier weinig aan! Als kinderen des toorns hebben wij niets verdiend van wat God nog geeft in het natuurlijke leven.

Zolang wij nog in het heden zijn, houdt de Heere niet op met zegenen, al is het ook dat Zijn hand de mensenkinderen bezoekt. En in de bezoeking is altijd nog wel iets te vinden dat, enigszins, de scherpte er van matigt, in het algemeen gesproken.

Was de staf op de zonde slechts tijdelijk, dan zou het dus nog te dragen zijn. Wij zouden ons dan kunnen troosten met de troost van de wereld, dat er eenmaal een einde aan komt.

Maar de mens is niet alleen geschapen voor deze tijd! Hij is voor de eeuwigheid geschapen. En is het dat de tijdelijke straf gematigd en verzacht wordt, de eeuwige straf kent geen verzachting of matiging. De eeuwige straf is het onafgebroken, in steeds sterkere mate, ondervinden van de heilige toorn van God. Het eeuwige lijden, waar lichaam en ziel en geest de heiligheid en rechtvaardigheid van God zullen ervaren. En dat zonder enig lichtpunt in de duisternis, zonder dat ook maar één ogenblik van verademing verkwikken zal.

Dat hebben wij ons waardig gemaakt. En zo de Heere het niet genadig van ons afwendt, zal dat eeuwige smartlijden ons deel zijn.

Geloven wij dat? Naar de letter, ja! Waarom zouden wij het niet geloven, opgevoed als we zijn in de waarheid. De bijbel is immers Gods Woord, en dat Woord is waar. Dat is juist, maar toch, gelóven wij dat? Er is toch verschil tussen geloven en geloven? Er is een geloven dat de waarheid toestemt, maar waardoor wij niet gebogen en gebroken worden, dat is het zogenaamde historisch geloof. Het zaligmakende geloof is maar niet een toestemmen zonder meer, het is een kracht, want het is leven! Door het zaligmakende geloof worden wij het onderwerp van de waarheid.

Zolang dat zaligmakende geloof in ons niet gevonden wordt, stemmen we o zo gemakkelijke toe, dat het Woord de waarheid is. Wij kunnen dat wel doen, want het Woord heeft eigenlijk geen vat op ons. En dan belijden wij dat er een God is, zonder naar die God te vragen. Dan belijden we zondaren te zijn, zonder als echt als zondaren te kennen. Dan belijden we dat er een eeuwigheid is, maar die eeuwigheid verontrust ons niet, behalve mogelijk in tijden van levensgevaar door ziekte. Dan belijden wij dat er een hemel is en een hel, maar de hel verschrikt ons niet en de hemel bekoort ons niet. En we leven voort met de waarheid en ook wel voor de waarheid, en toch zonder de waarheid. Dan zijn wij nog niet meer dan natuurlijke, vleselijke mensen, die de Geest niet hebben.

Levensvragen worden alleen door levenden gesteld. Ik stem toe dat de dode die vragen ook wel eens stellen kan, maar zij hebben voor hem slechts theoretisch belang. Aangezien hij er persoonlijk niet bij en in betrokken is, beroeren zij mogelijk zijn verstand en gemoed, maar zijn hart blijft onbewogen. Worden zij evenwel er het onderwerp van, dan gaat het in die levensvragen om leven en dood, om ons leven en onze dood.

Dat is het geval als de God van alle genade Zijn gekenden door Zijn  Woord en Geest overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel. Dan wordt God, dan wordt de zonde, dan wordt het oordeel, dan wordt de eeuwigheid, dan worden hemel en hel werkelijkheid voor ons. En dat zal ons zoekend en vragend maken, zo zoekend en vragend dat er voor ons een bevredigend antwoord moet komen. Wie over de werkelijkheid van de straf op de zonde kan spreken en klagen, zonder dat het hem uitdrijft om aan die straf te ontkomen, bewijst daarmee dat het geloof niet in hem gevonden wordt.

Juist in dat opzicht is de vraag van de Heidelberger zo te verstaan: Is er enig middel, waardoor wij deze straf zouden kunnen ontgaan en wederom tot genade komen? 

De Catechismus spreekt niet terstond over het middel, maar legt in zijn antwoord nogmaals de nadruk op het recht van God, dat voldoening moet ontvangen. God wil, zo zegt hij, dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede.

Als dat zo, en het is zo, dan kan er geen zaligheid, geen verzoening zijn zonder voldoening. Dat is recht! De tegenstander van God mag dit hard vinden, zelfs van onbillijkheid spreken, en vinden dat God onbarmhartig oordeelt. Maar hij die werkelijk met zijn zonde en schuld te doen gekregen heeft, omdat hij met God te doen kreeg, hij zal de gerechtigheid toevallen, Want het eerste dat kenbaar wordt in het werk van de Heilige Geest is, dat de zondaar verzoend wordt met het recht van God. Daar is in dat recht van God voor hem geen hardheid, geen onbillijkheid, geen onbarmhartigheid. Dat recht is recht voor hem. En in plaats dat hij het recht zou miskennen, verwondert hij zich er over, dat het recht in de volle zwaarte van zijn vergelding nog niet over hem kwam.

Dat verzoend zijn met het recht voert niet tot lijdelijkheid, Het spoort juist aan tot onderzoek, het onderzoek van zijn hele persoonlijkheid, of er toch nog een mogelijkheid zou kunnen bestaan. En als God dan wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede, dan wenst hij er niets van af te doen. Maar, is er dan toch geen mogelijkheid dat, met behoud van Gods recht, de zondaar toch eens vrij mocht uitgaan, en God ook vrij uitgaat?

Gods gerechtigheid moet genoeg geschieden, zegt de Catechismus. En hij laat erop volgen: Daarom moeten wij aan haar, òf door onszelf, òf door een ander, volkomen betalen.

De Heere staat als schuldeiser tegenover de mens, die niet alleen schuldig is maar zich ook schuldenaar kent, en de Heere eist: Betaal Mij, wat gij schuldig zijt, volkomen! Geen kwadrantpenning mag achter blijven. Betaal Mij, of zelf, of door een ander! Slechts door boeting van de schuld kan er vrijstelling van straf zijn!

In het òf door een ander in het antwoord straalt reeds het licht vooruit, dat er zo’n ander is. De vraag zou gesteld kunnen worden, of dat niet in strijd zou met het recht van God, dat een ander de schuld betaalt? Wij kunnen hierbij opmerken dat het recht van God het niet verbiedt, indien die ander maar volkomen aan al Gods eisen beantwoordt, en God voor de Borg, de Middelaar, ook een plaats gelaten heeft in Zijn recht.

Doch laten wij niet vooruitlopen. Een mens van karakter, en zo iemand worden wij door de bearbeiding van de Geest, een mens van karakter zal niet licht gebruik maken van een borg, indien hij niet eerst alles in het werk gesteld heeft om zelf te betalen.

II             Dat het ons onmogelijk is aan die eis te voldoen

Daarom stelt de Heidelberger in de tweede plaats de vraag: Maar kunnen wij door onszelf betalen?

Door onszelf! Dat is zeker het eerste waaraan een mens, door Gods Geest ontdekt aan zijn zonden en schuld, denkt. Wij zijn er niet zo spoedig aan toe om te roepen om genade! Wij mogen het woord genade misschien spoedig en veel gebruiken, maar dan doen wij het toch niet in de rechte zin en betekenis. Genade is toch slechts voor een uitgewerkte zondaar genade. Zolang wij niet uitgewerkt zijn mogen wij het woord genade bezigen, wij bedoelen er dan hulp en toegeeflijkheid mee. Genade is echter meer. Genade is in haar wezen rechtvaardigen van doemschuldigen, die niets kunnen inbrengen tot vermindering van hun doemwaardigheid. Voor wie er dus maar één weg ter verlossing kan zijn, namelijk dat hun Rechter Zich in alles over hen ontfermt.

Voor het tot dat werkelijk om genade roepen komt, zal de levendgemaakte ziel alles doen wat zij kan, om zichzelf te redden. Weten zij dan niet uit het Woord dat het genade, en genade alleen moet zijn? Zeker, maar, wat wij weten moet ook toegepast worden, het moet werkelijkheid voor ons worden. Met redeneren komt de ziel er niet. Bevinding van de waarheid moet haar de waarheid doen kennen.

Daarbij, is de levendgemaakte ziel in de eerste tijd niet aan een kind gelijk, dat moet leren zien, leren horen, leren verstaan, leren geloven, leren vluchten om genade tot God? Duidt het de levendgemaakte ziel dan ook niet euvel, als zij niet terstond de juiste weg weet, als zij verschillende wegen inslaat waarvan zij denkt dat die naar het ware doel leiden! Als u dat toch doet, dan bewijst u hiermee weinig zelfkennis te bezitten!

Hierbij dienen wij ook op te merken, dat zelfs in dat verkeerde zoeken toch het verheerlijken van God ligt. Immers, de zoeker mag dwalen in het kiezen van het goede pad, in het overschatten van de eigen krachten, maar hij dwaalt niet in het erkennen van Gods gerechtigheid en eis. De eis, dat aan de goddelijke gerechtigheid genoegdoening moet geschieden, wordt door hem ten volle onderschreven.

Hoe ver brengt zo iemand het echter? Zal het hem werkelijk lukken om ook maar iets af te doen van de zware schuld, die hij heeft bij de Heere?

De Heidelberger snijdt terstond alle gedachte daaraan af. Het antwoord op de vraag, of wij door onszelf kunnen betalen, luidt kort en bondig: Op generlei wijze, maar wij maken ook de schuld nog dagelijks meerder.

Het is met schuld dat wij geboren worden, de naar het recht van God toegerekende erfschuld. En dagelijks zondigen wij, ook al is het genadeleven ons deel. De apostel Jacobus schrijft terecht: Wij struikelen allen in vele. Overtreders van de geboden van de Heere zijn wij, overtreders in gedachten, woorden en werken. Overtreders in het nalaten van hetgeen wij moeten doen, en in het doen van wat wij moeten laten. Ieder kind des Heeren leert het door het onderwijs van de Geest bij bevinding, dat hij van nature tegenover het recht en de heiligheid en de liefde van God staat. Van volmaakt houden van de wet is dan ook hier op aarde geen sprake. Het woord van de wijze Prediker zegt: Voorwaar, er is geen mens rechtvaardig op aarde, die goed doet en niet zondigt. Dit is een woord voor alle eeuwen, voor alle geslachten, geen tijd en niemand uitgezonderd. De genade leert de mens dat erkennen, wie genade ten deel viel.

Laat hij zich stellen voor de wet, als hij opstaat, als hij werkt of rust, als hij eet of drinkt, spreekt of zwijgt. Als hij gaat slapen ook, is het niet tijdens dan na de slaap. Wat een gewoel van de begeerlijkheden tegen die wet! Wat een zonden! En hoe komt die zondigheid aan het licht, ook al ontbreken de zondige daden! Het is goed dat wij ’s morgens bij het ontwaken ons eens trachten te herinneren wat voor een beelden er in onze dromen gespookt hebben. Daarin vooral wordt duidelijk wat er diep in het zondige mensenhart leeft.

Laten we eens een moment ons voorstellen, dat wij een punt konden zetten achter wat er tot dan gebeurd is, en dat we daarna volmaakt verder konden leven. Het kan niet, maar, zo het kon, zou het dan goed zijn? Zouden wij dan misschien aan het recht van God kunnen voldoen? Zou het dan misschien mogelijk zijn om door, wat men noemt overtollige goede werken, de schuld waaronder wij liggen te betalen? U weet, allen die in het stuk van de goede werken dwalen, willen deze kant uit.

Bezien wij eerst eens het geen zonde meer doen. Denk eens in, dat ik u ontzaglijke schade had berokkend. Zou het nu in orde zijn als ik u verder geen schade deed? Nee, zegt u, en terecht, want de aangebrachte schade is hiermee niet verholpen. Of denk eens in, dat ik bij u veel goederen op krediet gekocht had en dus diep bij u in de schuld sta, zoudt u er genoegen mee nemen als ik u voorstel de rekening als vereffend te beschouwen omdat ik voortaan alles contant zal betalen? U zegt: dat is geen zaken doen! Inderdaad! En klinkt het mogelijk wat bot, maar vergeten wij toch nooit dat er tussen God en ons een schuldzaak ligt. En die zaak moet vereffend worden! Al mijn verder betalen van wat ik telkens schuldig ben, kan nooit de vorige schuld wegnemen.

Maar nu de goede werken. Als wij die doen, is er dan in dat doen geen verdienstelijkheid? Nee, nooit! Onze beste werken zijn een wegwerpelijk kleed bij God, en Zijn oordeel beslist. Kunnen wij wel iets doen dat uitgaat boven wat wij behoren te doen? Wilt u een antwoord op deze vraag, luister dan naar het woord van Christus. Hij zegt: Wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zo zegt: Wij zijn onnutte dienstknechten, want wij hebben maar gedaan, hetgeen wij schuldig waren te doen. Zou het mogelijk zijn heiliger dan heilig, rechtvaardiger dan rechtvaardig te leven? Al wat schijnbaar boven heilig en rechtvaardig is, is uit de mens, is zonde, en kan God niet behagen. Hoe zal het dan iets tot aflossing van de schuld kunnen opleveren.

Geen jaren, geen leven van onzondig, van naar eigen schatting goed leven, kan ook maar één zonde uitwissen. Wij maken de schuld dagelijks meerder! Geen voldoening door onszelf! Zo baten geen vroomheid, geen gebod op gebod en regel op regel. Geen onthouding, geen kastijding, geen opgelegde gebedenplicht. Niets door onszelf kan helpen!

III            Dat ook geen ander schepsel het voor ons doen kan

Is het uitgesloten dat wij door onszelf de zware schuld zouden vereffenen, omdat wij in plaats daarvan de schuld nog dagelijks meerder maken, dan is zeker de vraag op haar plaats die de Catechismus vervolgens stelt: Kan er ook ergens een bloot schepsel gevonden worden dat voor ons betaalt?

Het antwoord op deze vraag luidt: Nee, want ten eerste wil God aan geen ander schepsel de schuld straffen die de mens gemaakt heeft. Ten andere kan ook geen bloot schepsel de last van de eeuwige toorn van God tegen de zonde dragen en andere schepselen daarvan verlossen.

Onder een bloot schepsel verstaat de Heidelberger, wat niet meer dan schepsel, dus alleen schepsel is. Wij hebben dan vooral te denken aan de voorwerpen van de almacht van de schepping, die wij rekenen tot de bezielde schepping, de levende schepselen. Daartoe behoren de dieren, de mensen en de engelen. Is er nu onder deze drie soorten geen enkel schepsel te vinden, dat voor de zonde betalen kan?

Het lijkt alsof de ceremoniële wet het dier stelt in de plaats van de mens. Wat een offeranden, in het bijzonder bloedige, werden er niet gebracht onder de Oude Bedeling! Deze bedeling wat echter een bedeling van de schaduwen. Zo was ook het offerdier niet de zaak zelf, maar het beeld ervan. God Zelf heeft, reeds vóór de wetgeving op de Sinaï, het dierenoffer ingesteld. Waarschijnlijk zijn de rokken van vellen, voor Adam en Eva, afkomstig van de eerste offerdieren. Het dier kan echter nooit de plaats van de mens innemen, het staat er naast of, beter gezegd, eronder. Al schaduw wijst het offer in lam, bok, kalf en rund, heen naar het enige Offer, dat voldoening kon schenken aan de eis van God, het Offer van het Lam Gods. De offers moesten gebracht worden, en zij verkondigden de gelovige Israëliet zijn doemschuldigheid en doemwaardigheid. Tevens wezen ze heen naar de waarheid, dat er zonder bloedstorting geen vergeving is. Daarom ook moest de gelovige van de Oude dag de hand op de kop van het offerdier leggen, om daarmee uit te spreken dat, wat het dier had te ondergaan, eigenlijk door hemzelf geleden moest worden. Nimmer heeft echter één oprechte van hart in het offerdier de betaling van zijn schuld gezien, wel de afschaduwing ervan. Wanneer Israël het geestelijk karakter en ook het profeterend karakter van de offerdienst uit het oog verliest en opgaat in het offer, in de plechtigheid, en dus in het offerdier een voldoening voor zijn schuld zoekt, dan waarschuwt God bij monde van zijn profeten zeer ernstig tegen deze ontheiliging van Zijn instelling. Denk aan de 40ste psalm, waar zo helder wordt uitgesproken: Gij hebt geen lust, dit is ter voldoening, gehad aan slachtoffer en spijsoffer, brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geëist, namelijk zo dat zij voldoening zouden hebben gegeven. David, als hij gebukt ligt onder zijn schuld, grijpt niet naar een menigte offerdieren, om daarmee zijn schuld af te doen. Gij hebt, zo zegt hij, geen lust tot offeranden, anders zou ik ze geven; in brandofferen hebt Gij geen behagen. En hij laat erop volgen:  De offeranden Gods zijn een verbroken geest, een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God, niet verachten. Geen dier kan voor de mens voldoen. Trouwens, het recht heeft maar niet een vergeldende, het heeft ook een eisende kant. En hoe zal het redeloze dier de eis van de rechtvaardigheid van God behartigen?

Uit hetgeen wij bij de bespreking van vraag en antwoord 13 gezegd hebben, volgt terstond, dat ook geen van ons voor één van ons verzoening zal kunnen doen. Is het niet zo dat wij, zoals wij van nature zijn, allen verloren liggen in Adam, en dus schuldig zijn, en allen de schuld nog dagelijks meerder maken. Zeker, wij spreken van “heiligen”, door God de Heere bijzonder afgezonderde en gezegende mensen.  Is er echter onder hen één, die geen zonde had of zonde deed? De “heilige” Johannes, de apostel der liefde, schrijft met insluiting van zichzelf: Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij onszelf en de waarheid is niet in ons. Zal dan een zondig mens een zondig mens kunnen verlossen? In psalm 49 zegt de dichter: Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven. Waarom niet? De verlossing hunner ziel is te kostelijk, te kostbaar, te duur, en zal in eeuwigheid ophouden.

Aangezien eeuwig straflijden in de hel als straf op de zonde bedreigd is, en naar Gods rechtvaardigheid ook komen moet, zal er nooit een ogenblik kunnen aanbreken waarop de schuldbrief verscheurd zal kunnen worden. Wat Rome bazelt over overtollige goede werken van zogenaamde heiligen, overtollige goede werken die de Kerk zou beheren als kapitaal om daaruit de zonden te vergeven, is niet alleen in strijd met de Schrift, maar is zelfs onredelijk en daarom ook onzedelijk.

Geen dier, geen louter mens in plaats van de zondaar. Maar dan, er is nog een derde soort, een engel? Zou een engel niet kunnen komen in de plaats van de mens, om de straf te dragen en zo Gods gerechtigheid voor de mens te vervullen?

De Heidelberger vestigt onze aandacht er op, dat God aan geen ander schepsel de zonde straffen wil dan aan de mens. Ook van een engel geldt, dat hij niet behoort tot het menselijk geslacht. Hij staat er naast, er buiten, er boven of onder, dat ligt eraan wat God met de mens doet. De engel behoort niet tot de mensheid. En in de mensheid moet de straf vallen. In de mensheid moet het recht van God ook weer dadelijk tot zijn recht komen. Daarbij moet in het oog gehouden worden dat, zal een borg werkelijk borg zijn, niet alleen nodig is dat hij niet in de schuld staat bij de schuldeiser, maar hij moet ook kapitaalkrachtig zijn en een kapitaal hebben, groot of klein, waarover hij de beschikking heeft.

Dat heeft de engel niet. Hij staat niet in dezelfde verhouding tot God als de mens in de staat der rechtheid. Adam had staande kunnen blijven, als hij gewild had. En als hij staande gebleven was had hij het loon van zijn gehoorzaamheid ontvangen. De engelen staan niet op eigen kracht. Zij die staande zijn gebleven, zijn bewaard gebleven, zij hebben zichzelf niet bewaard. Beschikt nu zo’n bewaard gebleven engel over eigen middelen om te kunnen voldoen? Nee!

Tot het borgwerk, dat voor de zondige mens moet worden verricht, behoort dat de straf op de zonde volkomen gedragen en doordragen wordt. Die als Borg zal optreden behoort in het uur van de verzoeking alleen te staan en toch staande te blijven, ook als Hij losgelaten moet worden door God.

En wat geschiedt er met de engel die door God wordt losgelaten? U weet het en ziet voor u de verschrikking van de satan en de zijnen. Zou ook een engel één kunnen worden met de menselijke natuur? Nee!

Aan alle kanten is de mogelijkheid uitgesloten, dat uit ons of een ander bloot schepsel, dat dus buiten God, er sprake zou kunnen zijn van de verlossing van de mens.

IV           Dat wij dus een bijzondere Middelaar nodig hebben

Wat moeten wij dan voor een Middelaar en Verlosser zoeken? Zulk één, antwoordt de Catechismus, die een waarachtig en rechtvaardig mens is, en nochtans ook sterker dan alle schepselen, dat is, die ook waarachtig God is.

Wat in het antwoord geleerd wordt, vloeit noodzakelijk voort uit wat we zoeven behandelden. Door onszelf kan nooit de verlossing zijn. Ook niet door een ander schepsel. En toch vraagt Gods eis om voldoening. Wie zal die voldoening dan kunnen aanbrengen?

Het is, geliefden, een voorrecht dat wij de vraag wel kunnen en mogen stellen, maar dat God Zelf er een antwoord op gegeven heeft. De beste mens, indien wij in dit verband van ‘best’ mogen spreken, is nog een zondig schepsel. Maar de Heere heeft in Zijn genade Zelf de Mens beschikt,  Die geen zonde heeft gekend. De machtigste onder de mensenkinderen staat machteloos tegenover de machten van de hel. De Heere heeft in Zijn ontferming de Held beschikt, de sterke Held, Die satans kop vertreedt en zijn werken verbreekt. Welk mens die zou indalen in de verdoemenis, zal daaruit ooit kunnen opkomen? Niemand!

Maar de Heere heeft naar de grootheid van Zijn welbehagen, de Mens gegeven. Hij zal voor mensen ingaan in de verdoemenis, om er als Triomfator uit terug te komen, als Overwinnaar van dood en hel.

U kent Zijn Naam en weet ook wel veel van Zijn leven en werk. God geve dat u Hem zelf mag kennen!

Aangezien in de volgende zondagen dieper op de vereisten van de Middelaar en Verlosser wordt ingegaan, hoeven we over deze eisen hier niet verder te spreken.

Laat ons het lied van de Middelaar op de lippen mogen nemen, om daarna een meer persoonlijk woord naar aanleiding van het behandelde te beluisteren.

Zingen wij dan uit de veertigste psalm:

Brandofferen, noch offer voor de schuld,
Voldeden aan Uw eis, noch eer.
Toen zeid' ik: "Zie, ik kom, o HEER;
De rol des boeks is met Mijn naam vervuld.
Mijn ziel, U opgedragen,
Wil U alleen behagen;
Mijn liefd' en ijver brandt:
Ik draag Uw heil'ge wet,
Die Gij den sterv'ling zet,
In 't binnenst' ingewand."

De laatste vraag luidde: Wat moeten wij dan voor een Middelaar en Verlosser zoeken?

Deze vraag stelt voorop, dat wij een Middelaar nodig hebben. Wij liggen, zoals wij van nature zijn, onder het oordeel van God. Wij zijn kinderen des toorns. En tenzij onze schuld wordt geboet en onze verplichting jegens de heilige en rechtvaardige God vervuld wordt, tenzij dus door dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid de goddelijke gerechtigheid genoegdoening ontvangt, zal er voor ons geen dageraad zijn. Zelf kunnen wij die genoegdoening niet geven. Zal die genoegdoening aangebracht worden, dan zal het moeten gebeuren door een Borg, die aan de eisen van het borgschap beantwoordt. En zal dan die genoegdoening ons ten goede komen, dan zal zij voor ons moeten geschieden! Wij staan achter de komst van die volmaakte Borg in het vlees. En wij weten dat Hij waarachtig en rechtvaardig Mens is, en nochtans ook sterker dan alle schepselen, namelijk ook waarachtig God. Jezus Christus is de tweede Adam, met Wie God, mag ik het zo zeggen, afgerekend heeft ten behoeve van allen die in Hem gerekend worden.

Hoe staan wij echter persoonlijk tegenover deze dingen? Hebben wij een Borg en Middelaar nodig? U begrijpt dat we met deze vraag niet bedoelen of wij de leer van de noodzakelijkheid van een Borg toestemmen. Dat zullen we allemaal wel doen. Maar daarmee zijn wij niet geholpen, indien in dit verband van geholpen worden gesproken moet worden. Mensen met een rechtzinnige opvatting van de waarheid, die toch de kracht van die waarheid aan eigen ziel niet kennen, hebben genoeg aan wat zij zijn en doen. Werkelijk met God rekenen, met Zijn recht en oordeel, doen zij niet. Zij dienen God, naar zijn menen, en brengen Hem wat Hem toekomt. Zijn ze niet ‘gezond in de leer’ en ‘onberispelijk in de wandel’, zoals een kerkelijke attestatie voorwerpelijk en formeel luidt? Komen zij niet trouw naar de kerk en luisteren zij niet met aandacht naar de prediking van het Woord? Zijn ze geen voorbeelden zelfs voor anderen, in hun trouwe plichtsbetrachting en offervaardigheid? En in nog meer voortreffelijke zaken. O, nee, zij zullen niet zeggen dat zij voor God kunnen bestaan, dat niet. Maar ach, het mensenhart is zo bedrieglijk, zelfs die belijdenis behoort tot de stutbalken van hun bestaan. En of deze mensen nu, naar de aard van hun karakter, meer vallen op de ellende of op de verlossing, of op de dankbaarheid, of ze nu ‘zwaar’ of minder ‘zwaar’ zijn, ze hebben geen Borg nodig. Zelfs niet al hebben ze bijna voortdurend de Borg in hun mond!

Wat vreselijk is het, dat men tot de gemeente van Jezus Christus kan behoren, en dat men toch zichzelf kan redden! Laat het toch tot ons doordringen, dat geen enkele zogenaamde deugd, ook geen godsdienstige of vrome, ons kan behouden. Wij zijn zondaren. En tenzij u zich bekeert, voortreffelijke man, aangename vrouw, voorbeeldige jongen of bescheiden meisje, lief gehoorzaam kind, u blijft onder de toorn van God. Gods recht blijft eisen en tot in eeuwigheid zult u niet kunnen voldoen aan dat recht! Waarom blijft u op dat pad van zelfgenoegzaamheid? U, die toch weet dat de beste werken van de allerheiligste onder alle mensen nog zijn een wegwerpelijk kleed? Leer uw ellende kennen, uw totale onmacht tot het goede! Bidt God, opdat Hij Zich aan u zal openbaren. Zo u de achterste delen van Zijn gerechtigheid en heiligheid mag zien, het zal u in het stof doen bukken. Het zal al uw zelfgenoegzaamheid wegvagen. Het zal u zondaar maken voor God. Het zal u leren dat u een Borg nodig hebt. U zult bevinden dat niet door u aan het recht van God ook maar voor het geringste deel voldaan kan worden.

We zijn niet rooms, helemaal niet! Zouden er onder het Christelijke Gereformeerde volk nog roomsen kunnen zijn? Wij houden er toch geen heiligen op na? Nee, zoals Rome dat doet, doen wij het niet. Maar, wat betekent dat altijd weer heenwijzen naar een vrome vader en een godvrezende moeder? Wat betekent de verering van mensen, die wij bijzonder ‘doorgeleid’ achten? Waarom zoekt men soms bij hen in de gunst te komen? Valt dat ook niet onder het stellen van vlees tot onze arm? Bedenkt dat, als u het van mensen, hoe godzalig ook, verwacht. Zij kunnen u niet meenemen. Zij komen alleen voor God te staan, en u komt ook eenmaal alleen te staan voor God. De Heere geve, dat  u persoonlijk met Hem te doen mag krijgen. Dan zal de hulp van mensen, ook van God kinderen, ijdel voor u worden en u zult leren omzien naar zulk een Middelaar, Die verzoening kan aanbrengen tussen God en uw ziel.

Gelukkig de mens, die een Middelaar nodig mag krijgen. Al is het, dat hij zichzelf niet gelukkig kan achten, dat is niet erg. Als de grond van de zaligheid er maar is. En nu is er geen zaligheid dan voor een verloren zondaar. Verloren in Adam, verloren door zijn eigen ongerechtigheden en zonden, verloren door alle mislukte pogingen om het in orde te krijgen. Zolang dit laatste nog niet het geval is, zal de behoefte aan een Middelaar nog niet sterk gevoeld worden. Men zal mogelijk hulp nodig hebben, maar nog geen Middelaar. We willen daarmee niet zeggen dat dan het werk van de Heere niet aan hem verheerlijkt kan zijn. Zo echter wat wij genadewerk noemen niet uitloopt op de levende behoefte, al is het maar in het gemis, aan een Borg, dan hebben we  er voor te wachten om het als werk van genade aan te nemen. Wie door God Geest wedergeboren en geleid wordt, hij zal heengeleid worden naar de Middelaar van God en mensen, de mens Jezus Christus. Hij zal geleid worden tot de Middelaar. Langs welke weg? Langs de weg van steeds diepere ontdekking aan de verlorenheid van zijn bestaan. Langs de weg van het steeds afsnijden, door de Geest, van de paden waarop hij zelf zoekt om verzoening met God te krijgen en vrede voor zijn ziel. Pijnlijke gewaarwordingen voor hem, die zich toch op het pad des levens mag bevinden. Pijnlijk, maar hoogst nuttig. Uitgewerkt moeten wij zijn, willen wij een Helper nodig hebben.

We denken aan de bekende geschiedenis van de bloedvloeiende vrouw in Kapernaüm. Wat denkt u, zou zij naar Jezus gevlucht zijn met haar verborgen kwaal, als zij nog geld had overgehouden om de hulp van een dokter in te roepen? Maar ze had alles opgeofferd aan de medicijnmeesters en het was erger en erger geworden. Tenslotte gaat ze naar de Heiland. En, Hij redt haar!

Er zijn er, die de Heere Jezus in het leven van de Zijnen een plaats geven aan het begin van hun weg. Dat Hij daar voorwerpelijk gesproken heeft is, dat is zeker. Zij zouden de Zijne niet zijn, zo zij niet in Hem door de wondere daad van de wedergeboorte, in engere zin, waren ingeplant. Maar wat voorwerpelijk is, wordt niet terstond onderwerpelijk beleefd. Al wat de Vader Mij geeft, zegt Jezus, zal tot Mij komen. Dat wordt vervuld, maar dikwijls na veel strijd en moeite, soms na jaren en jaren. Hoeveel bekommerden vanwege hun staat gaan met moeite en zorg hun weg! Hoeveel bekommerden vanwege hun zonden zoeken eigenlijk nog op verkeerde wegen, wat alleen in Hem, Die de Weg, de Waarheid en het Leven is, kan worden gevonden? Karakter, opvoeding, de wijze van toebrenging, de kring waarin de wedergeborene leeft, het zet alles zijn stempel op het leven. Soms een droevig en pijnlijk stempel. Maar hoe het ook mag zijn, die waarlijk mag leven, ingeplant in Christus, zal op des Heeren tijd tot Christus uitgaan, zij het in begeerte.

Staat allen naar de kennis van die Borg, bekommerden!

Is het niet, dat u met een heilige jaloersheid vervuld wordt, als u hoort hoe Hij anderen genas en vrijmaakte van de dood? Houdt aan in het zoeken van die Middelaar!

Dat het mag leven in uw hart:

Geef mij Jezus, of ik sterf.

Want buiten Jezus is geen leven

Maar een eeuwig zielsverderf.

AMEN