Zondag 3
Ellendig door eigen schuld
prof. F. Lengeek (1871-1932)
Ps 105:3
Ps 32:5
Ps 119:83, 88
Ps 51:1
Ps 138:14
Romeinen 5
Geliefde Gemeente,
In zijn geheel kunnen we spreken over vijf staten waarin de mens heeft verkeerd, waarin hij gekomen is, of nog komen zal. Het hele mensdom is in Adam, zijn bondshoofd, geschapen in de staat der rechtheid. Het is ook gevallen in de staat der ellende. Zij, die behoren tot de gekenden des Heeren, gaan in het uur-der-minne over in de staat der genade, terwijl de anderen in de staat der ellende blijven, zolang zij in dit leven zijn. Die overgaat in de staat der genade, zal straks die staat verwisseld zien in de staat der heerlijkheid. Die in de staat der ellende blijven, gaan bij het scheiden uit dit leven over in die van de rampzaligheid.
Dat die vijf staten er zijn, ligt ten diepste gegrond in het welbehagen van God. Hij schiep de mens in de staat der rechtheid. Hij deed vanwege Zijn rechtvaardigheid de mensen verzinken in de staat der ellende vanwege de val van de mens. En door het stellen van de Borg Jezus Christus trekt Hij een scheidslijn. Die door genade geloven in Hem zijn in de staat der genade, die niet in Hem geloven blijven in de staat van de ellende. En hieruit volgende de staten van heerlijkheid of rampzaligheid.
Van de christen mag gezegd worden dat hij is in de staat van de genade. Hij is dus nog niet verheerlijkt in die zin, dat hij helemaal verlost zou zijn van de werkingen van de zonde en de ongerechtigheid. Maar toch, omdat hij in de staat der genade mag zijn, en de genadige God de Getrouwe is en blijft, is de zonde in hem wel een macht tot verduistering en belemmering van het leven, in hem uitgestort, doch zal zij nooit bij machte zijn het leven, uit genade geschonken, te verderven.
Eigenlijk staat het zo, dat hij naast de staat van de genade ook die van de ellende, en naast de staat van de ellende ook die van de genade voortdurend in zich opmerkt. Hoeveel jaren de gelovige ook onder de genade geleefd heeft, en hoe rijk de zegeningen van de aan hem geschonken genade ook zijn, nooit zal hij kunnen zeggen dat hij de ellende te boven is. Dat zal alleen zijn in de momenten waarin hij kennelijk de vrede mag smaken in het hart. En dan nog is hij de ellende niet te boven in die zin, dat de ellende voorgoed zou zijn geweken.
Daarom heeft Gods volk dan ook wel degelijk met de staat van de ellende te rekenen, omdat deze zijn invloed laat gelden tot het laatste moment. Dat dit zo is, is voor de gelovige een voortdurende smart. Hij kan zich niet behelpen met de schrale troost van “zo ben ik nu eenmaal”. De ongelijkvormigheid in zijn wezen zal hem doen kennen de waarheid van het woord van de apostel, dat de gelovige nauwelijks zalig wordt. Maar dit zal hem ook te meer de genade van de Heere doen waarderen, die hij niet alleen nodig heeft tot vergeving van zijn zonden en de uitdelging van zijn ongerechtigheden. Maar ook tot rechtvaardiging, tot het ontvangen van het recht tot het eeuwige leven, en ook tot heiliging. Opdat hij verlost worde van de zonde.
En nu zal het niet zijn dat hij er wellust in heeft dat hij spreekt over de ellende en de openbaring van de ellende. Wie dat doet, bewijst dat hij God niet kent en erkent, en ook zichzelf niet kent gelijk hij zichzelf moet kennen. Niet om er een zeker vermaak in te scheppen, maar opdat God verheerlijkt worde en opdat de genade meer en meer genade worde, is het dat de christen zijn ellende erkent. En het is er verre van dat de schuld verdoezeld mag worden. Hij schrijft de Heere recht en gerechtigheid toe en prijst en roemt in die weg Gods genade.
Wanneer dan ook de Catechismus in deze zondag wat dieper ingaat op de staat van de ellende, waarin wij allen van nature liggen, dan is dat tot rechtvaardiging van God. En tot diepere vernedering van de mens. En tot hogere waardering van de genade, aan de ware christen verleend.
Moge dit onderwijs vrucht afwerpen!
Romeinen 5:12
…..”Gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood, en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken (beter: nademaal) allen gezondigd hebben”.
Zondag 3
Vraag 6: Heeft dan God de mens alzo boos en verkeerd geschapen?
Antwoord: Neen Hij; maar God heeft de mens goed en naar Zijn evenbeeld geschapen, dat is in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God zijn Schepper recht kennen, Hem van harte liefhebben en met Hem in eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen.
Vraag 7: Vanwaar komt dan zulk een verdorven aard des mensen?
Antwoord: Uit de val en ongehoorzaamheid van onze eerste voorouders Adam en Eva, in het paradijs, waar onze natuur alzo verdorven is, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden.
Vraag 8: Maar zijn wij alzo verdorven, dat wij ganselijk onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad?
Antwoord: Ja wij, tenzij wij door de Geest van God wedergeboren worden.
“Van nature geneigd God en mijn naaste te haten!”
Met deze vreselijke uitspraak sloot de vorige zondagsafdeling van de Heidelberger. In ons leeft dus, gelijk wij van nature zijn, niet dat zachte, dat goede, waarop de mens zich wel wil verheffen en waarvan hij wèl een grond wil maken voor de eeuwigheid. Integendeel: God onterend, de naaste niet tot stichting, tot waarachtig heil, maar tot verderf, dat is eigenlijk ons leven van nature.
Wat een verschil met wat het wezen moest! Moest het niet zo zijn: alles in de vreze des Heeren en tot verheerlijking van Zijn Naam? Moest het niet wezen: alles ook tot welzijn en zegen van de naaste? En in plaats daarvan zijn wij zelfzoekers, dienen wij ons eigen ik. En slechts wat wij menen, dat ons ik niet in de weg staat, dat dulden wij. Waar wij van denken dat het ons ik ten goede zal kunnen komen, dat ontzien wij. Wat ons ik zou kunnen schaden, dat verloochenen en verwerpen wij. Zelfs in de meest tere dingen bedoelen wij onszelf. Zouden wij God liefhebben? Zouden wij ons buigen voor Hem? Ja, als het moet, als wij er voordeel in zien voor onszelf. Maar liefhebben, onszelf Hem ten offer brengen, nee, dat ligt niet in onze natuur, het druist er juist tegenin. De waarheid van God spreekt luid in ons, dat wij voor Zijn aangezicht niet kunnen bestaan. En daarom ontvluchten wij Hem. Wij trachten Hem te vergeten, of vervormen Hem zo dat er van God als God niets overblijft, dat er een wezen overblijft waarmee wij kunnen doen wat wij willen.
Van nature geneigd, erop aangelegd, helemaal daarop ingesteld. Het is zo waar wat de Heiland zegt van het hart van de mens: Uit het hart komen voort boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen.
Vanwaar komt dit toch? Hoe komt het dat ons hart zo verdorven is? Is het dat het kwaad komt door navolging of uit gebrek aan voldoende ontwikkeling? Door dit te stellen wil de mens de schuldvraag omzeilen. Maar de Heilige Schrift, Gods Woord, leert het ons anders. En in overeenstemming met het Woord en door het Woord doet de Heilige Geest aan allen verstaan dat wij schuldig zijn. Dat wij zonde doen en zonde zijn!
Over de toerekenbaarheid van de zonde aan de mens handelt deze zondag van de Catechismus. Is de zonde niet toerekenbaar, dan zal er geen genade nodig zijn. God mist dan eigenlijk het recht om in die weg tot de mens te komen. Maar daarmee vervalt ook de mogelijkheid van genade voor de mens. Juist om de genade gaat het, want zonder genade zal er van zaligheid geen sprake zijn. Door genade alleen is er behoud! De Heidelberger stelt ons, in overeenstemming met de Heilige Schrift, aansprakelijk voor hetgeen wij zijn en doen.
In deze zondag worden wij geplaatst voor de waarheid, dat wij zijn:
“Ellendig door eigen schuld”.
De Catechismus wijst ons op:
I Dat de oorzaak van de ellende niet ligt in God
II Dat de oorzaak van de ellende ligt in de mens
III Dat de ellende slechts in de weg van wedergeboorte wordt weggenomen
I Dat de oorzaak van de ellende niet ligt in God.
God is er niet de oorzaak van dat wij van nature ellendig zijn.
Op de vraag of God de mens als boos en verkeerd geschapen heeft is het besliste antwoord: “Neen Hij”.
Dit is geheel naar wat ons de Heilige Schrift leert over de schepping van de mens, en ook naar wat zij ons zegt over het Wezen van God.
God toch is de Heilige en Rechtvaardige, Die met de zonde geen gemeenschap houden kan. God kent geen zonde in de zin, dat Hij zonde zou doen, of dat er ongerechtigheid in Hem gevonden zou worden. Hij is een Licht en er is gans geen duisternis in Hem. Wat dan ook door Hem wordt voortgebracht kan niet anders zijn dan heilig en rechtvaardig, volmaakt in zijn soort en wezen. En dat op de plaats die de Heere ervoor bestemde. Als dan ook na de schepping van de hemel en de aarde de Schepper alles ziet wat Hij gemaakt heeft, dat ziet Hij dat het alles zeer goed is, zonder feil, zonder gebrek. Aarde, water, licht, lucht, hemellichamen, planten, dieren, het beantwoordt allemaal aan het voornemen en de wil van God. En zo stond het in de hoogste mate, mogen wij wel zeggen, met de mens, het enige redelijke zedelijke wezen dat God op de aarde gesteld heeft. Op bijzondere wijze heeft de Heere Zich gegeven aan Zijn schepping.
Dier en plant, beide levende schepselen, hebben dat leven ontvangen uit de aarde. Voor de schepping van de mens is het leven dat er in de aarde was, door de werking van de Heilige Geest, niet genoeg. De mens is van hoger orde dan plant of dier. Als hij geschapen wordt lezen we van een overleg in het Goddelijke Wezen. Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, en naar Onze gelijkenis, zo lezen we. God Zelf boetseert als het ware, uit het stof van de aarde, het lichaam van de mens. Maar die mens leeft niet, omdat hij uit de aarde is. God Zelf blaast in zijn neusgaten de adem van het leven. En alzo werd de mens tot een levende ziel.
Die bijzonder schepping wijst op de bijzondere plaats die de mens onder al het geschapene inneemt. Hij is de kroon van de schepping, hij is het schepsel waardoor God als Schepper de eer zou ontvangen die Hij van Zijn hele schepping moest ontvangen.
God heeft de mens goed en naar Zijn evenbeeld geschapen. En lichamelijk en geestelijk was er niets op de mens aan te merken. In de werkingen van het lichaam en de ziel was er niets dat niet zou beantwoorden aan de eer van de Schepper. Met bewustheid van de plaats die de Heere hem gegeven had stond hij daar. Dat vloeit voort uit zijn geschapen zijn naar Gods evenbeeld. Dat evenbeeld moet vanzelf niet gezocht worden in de vorm van het lichaam, al heeft dat lichaam er zeker de invloed van getoond, zoals het licht doorstraalt door een fijne albasten omhulsel. God is de Drie-enige, bestaande in drie Personen. We vinden in de Heilige Schrift op veel plaatsen lichamelijke uitdrukkingen, als gesproken wordt van Gods rechterhand en Zijn machtige arm, enzovoorts. Maar wat wij over het bestaan van God beschreven vinden wijst ons niet naar een lichamelijk maar naar een geestelijk zijn.
Daarom heeft het evenbeeld van God, waarvan de Heidelberger spreekt, betrekking op de geestelijke staat van de mens. Dat geestelijke woont in het stoffelijke en openbaart zich door dat stoffelijke. Naar de orde in de schepping heeft dan ook het vlees de geest te dienen. En dat doet het nu ook, maar dan anders dan toen de mens stond in de staat van de rechtheid.
Zoals de Heere de mens schiep was hij zonder zonde, en stond hij rein tegenover zijn naaste. Dat hij geschapen is naar het evenbeeld van God wil zeggen dat hij in ware gerechtigheid en heiligheid geschapen is.
Zoals God rechtvaardig en heilig is, zo was dus ook de mens oorspronkelijke rechtvaardig en heilig. De Catechismus voegt er nog het woordje “waar” aan toe. Want er kan toch zoveel zijn dat de schijn en de vorm van rechtvaardigheid en heiligheid heeft, en dat het toch niet is. Als we onszelf op dit punt eens nauwkeurig onderzoeken, dan zullen bij onszelf wel de bewijzen daarvan vinden. “Waar” betekent volkomen, zuiver, zonder berekening. Wij dienen vaak de gerechtigheid uit overleg, en wij prijzen onszelf heilig vanwege eigenbelang. Zo was het met ons niet in de staat der rechtheid. Wij waren niet rechtvaardig en heilig met een doel voor onszelf!
Wat wil het eigenlijk zeggen, dat wij rechtvaardig en heilig waren? Vaak worden deze begrippen wat verward, vooral als we bij heiligheid denken aan het zonder zonden zijn. Rechtvaardig en heilig wijzen ons op de twee zijden van de verhouding, waarin wij staan tot God en de naaste.
II Dat de oorzaak van de ellende ligt in de mens
Niet uit God en niet door God is de ellende waarin de mens van nature ligt. Ook zou niets zonder toelaten van de mens in staat zijn geweest om hem in de ellende te storten. Laat ons dit wel opmerken en vasthouden. Wij zijn er zo spoedig bij om de oorzaak wat buiten onszelf te zoeken, en onszelf dus te ontslaan van de verantwoordelijkheid ervan.
De oorzaak van onze ellende zullen we, aangezien God de oorzaak niet kan zijn en we onszelf niet schuldig willen kennen, toeschrijven aan de satan! En voorwaar, de satan heeft in de geschiedenis van onze val geen onbeduidende plaats. Maar zeker ook niet de meest betekende. Als de eis van God door ons gehandhaafd was gebleven, wat onze roeping was, en wij de verzoeking hadden afgewezen, waartoe wij de macht bezaten, dan was de satan niet bij machte geweest om ook maar de geringste ellende over ons te brengen. Wij zouden triomferend uit de verzoeking gekomen zijn, en gerechtigheid en heiligheid hadden des te sterker geschitterd tot verheerlijking van de Heere!
Maar, dit is juist niet het geval geweest!
Niet God, niet de satan, maar de mens zelf is de oorzaak van zijn ellende. Op de vraag vanwaar de verdorven aard van de mens komt, luidt het antwoord van de Catechismus: Uit de val en de ongehoorzaamheid van onze eerste voorouders, Adam en Eva, in het paradijs, waar onze natuur alzo verdorven is geworden, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden.
U kent de geschiedenis. U weet hoe de mensenmoordenaar van den beginne, de vijand van God en van al Zijn werken, het erop aangelegd heeft om de staat te verstoren waarin God de mens rein en heilig geschapen had. Het is daarom niet nodig er lang bij stil te staan. Mocht een enkele bijzonderheid u minder duidelijk zijn, welnu u bent gelukkig in het bezit van een Bijbel. Lees thuis Genesis 3 er nog maar eens op na.
Waar het hier om gaat is niet de vraag hoe het gebeurd is, al heeft deze vraag volkomen recht van bestaan en mag zij ons niet onverschillig zijn. Aangezien het in de Catechismus niet gaat om de geschiedenis, maar meer om wat deze als vrucht heeft voortgebracht, kunnen wij die vraag laten rusten. Toch zullen wij haar niet helemaal voorbij kunnen gaan.
Wat de ongehoorzaamheid is, waaraan onze eerste voorouders zich hebben schuldig gemaakt, is ieder van ons duidelijk. Zij is de overtreding van het gebod, door de Heere de mens als een proefgebod gegeven, dat hij niet zou eten van de boom van de kennis van goed en kwaad. Als hij van die boom zou eten, hij zou de dood zeker sterven. Hieruit volgt dat als hij daarvan niet at, zijn staat bestendigd zou worden.
Wat de Heere geboden of verboden had kende de mens goed. Daar hoeft geen twijfel over te bestaan. Al is het dat de dood in zijn werkingen op de mens hem niet bekend was, toch kon hij uit de tegenstelling met het leven dat hij genoot opmaken wat de dood moest zijn. Hij wist dat de zonde van de overtreding hem, krachtens Gods heiligheid en rechtvaardigheid, de vrede zou ontnemen. Dat het een verwerping zou betekenen van het liefelijk aangezicht van de Heere, een omdolen in duisternis met al zijn verschrikkingen daaraan verbonden. Dat hij God en Zijn gemeenschap zou moeten missen. Hij wist dat èn voor de ziel èn voor het lichaam hem niets anders wachten kon dan ellende op ellende. In plaats van de uitlatingen van liefde van zijn hemelse Vader zou hij moeten zuchten onder de zwaarte van Zijn toorn en wraak. Hij wist dat wroeging van de ziel zijn deel zou moeten zijn. Dat zijn hele bestaan door de overtreding van Gods gebod het verderf onderworpen zou zijn. Hij wist wat hem wachtte. En toch, het heeft hem niet goed gedacht God in gedachten te houden.
En had het hem nu aan de gaven en krachten ontbroken om de verleiding van de satan te weerstaan, er zou nog een schijn van verontschuldiging voor hem overgebleven zijn. Maar dit is zo immers niet? Hij bezat de macht om de satan te weerstaan. Hij had maar te spreken en de satan was het paradijs uitgevlucht! Of hij had de satan kunnen ontvluchten en schuiling kunnen zoeken bij de Heere. Dat had hij kunnen doen!
De geschiedenis leert ons dat hij zijn gaven en krachten, zo geschikt en voldoende om de satan te weerstaan, niet heeft gebruikt. Hij heeft de hem van God geschonken gaven aangewend tegen zijn Schepper. Verstand en krachten heeft hij onttrokken aan de dienst van de Heere. Daarmee heeft hij zijn heiligheid verloochend. En daardoor is hij in overtreding gekomen.
Die verloochening van zijn heiligheid is zijn val. De zonde van het eten van de verboden vrucht is zijn ongehoorzaamheid. Is hij in heiligheid en rechtvaardigheid geschapen, de ongehoorzaamheid heeft èn heiligheid èn rechtvaardigheid teniet gedaan!
Vraag mij niet hoe het mogelijk was dat de reine mens, de heilige en rechtvaardige, tot zo’n val kon komen. Dat hij de dood verkoos boven het leven. Er zijn zielkundige diepten, die niet te peilen zijn, in de geschiedenis van de val. Alleen uit de manier waarop de satan tot de mens gekomen is en hoe hij gesproken heeft, is niet afdoende te verklaren dat de mens gevallen is, tenzij dan wij stellen dat de mens toen was gelijk wij nu zijn. Maar dit is niet het geval geweest. Adam en Eva waren rein en heilig. Wij zijn dat niet. Dezelfde diepte vinden wij echter ook als wij vragen naar de oorsprong van de zonde die, zoals wij weten, in de hemel gezocht moet worden, waar de satan en zijn engelen hun beginsel niet hebben bewaard.
Is het echter wel nodig dat wij alles begrijpen, indien wij tenminste van begrijpen spreken willen? Als wij dan denken, dan kon het wel eens zo wezen dat wij zo diep op de dingen ingaan, dat wij tenslotte vergeten dat zij niet beschreven zijn opdat wij een oplossing voor hun ontstaan en bestaan zouden vinden. Deze zijn beschreven opdat wij door de kennis ervan zouden worden opgeleid tot de levensvraag van genade en zaligheid.
De zonde is er, en daarmee hebben wij te rekenen!
De zonde is er gekomen zoals de Schrift het ons beschrijft! En dan zien we de mens in vrijwillige en moedwillige overtreding van het gebod, dat juist ten leven was.
Vrijwillig heeft hij zijn Schepper en Formeerder en Vader verlaten. Niemand dwong hem! Moedwillig, want geen gebrek noodzaakte hem buiten het gebod van de Heere te zoeken wat hij nodig had!
Maar, onze Catechismus zegt dat onze eerste voorouders gezondigd hebben. Kunnen wij helpen wat Adam deed, of Eva? Nee, evenmin kunt u het helpen als uw vader door zijn toedoen onder schulden is gekomen, en gestorven is zonder de schulden te hebben afbetaald. Gij kunt dat niet helpen, het is waar. Maar zegt uw rechtsgevoel niet dat op u nu de verplichting rust om zoveel mogelijk die schulden af te doen? Die verplichting komt voort uit de bijzondere verhouding tot uw vader. Uws vaders schuld is uw schuld! Dat gaat ook in het zedelijke op. Want indien uw vader als moordenaar in de gevangenis zou zitten, of daarin gestorven zou zijn, zult u dan uw hele verdere leven niet de blaam voelen van uw vader, ook al spreekt niemand daar nog over? Het is omdat uw vader uw vader is! Alleen een onverschillige zal, met de verloochening van zijn vader, zich van schulden of blaam niets aantrekken.
En nu nog iets anders in dit verband. Door schulden en blaam wordt het leven in de bezittingen geraakt. Maar het kan ook in zijn wezen worden aangerand. Ik bedoel hier het natuurlijke leven. Stel dat er een vader is wiens lichaam door zijn zedeloos gedrag vergiftigd is, en dat daardoor zijn kinderen ook geïnfecteerd zijn door een slopende ziekte. Neemt de schuld van de vader nu de ziekte van het kind weg? Het kan gebeuren dat zo’n aangetast kind, wanneer het de oorzaak van zijn zwakte en ziekte leert kennen, zijn vader vervloekt. Dan kan, maar er zal in het rechtgeaarde kind ook nog iets anders opkomen dan vloek. De liefde zal de hand op de mond doen leggen. De band van gemeenschap aan de vader zal zich laten gelden. En het kind zal zeggen: “Omdat mijn vader zo geleefd heeft, daarom ben ik zo”. Meer als een feit dan als een verwijt.
We moeten in het oog houden dat de Heere de God van het Verbond is, Die in de eerste mens het ganse menselijke geslacht geschapen heeft. Dus staan wij niet los van Adam en Eva. Vanwege het verbond is hun schuld onze schuld, hun blaam onze blaam, hun verderf ons verderf!
Lichamelijk en geestelijk draagt het hele mensdom het beeld van de eerste mens, die het beeld van God waar hij naar geschapen is, door moedwillige en vrijwillige overtreding verbroken heeft. En nu ligt de eerste mens onder de schuld van zijn overtreding. Onder diezelfde schuld, die door hem niet geboet kon worden dan door eeuwig straflijden in de hel, ligt ook ieder van zijn nakomelingen. In de staat der ellende verwekt de gevallen mens kinderen, en zo liggen ook die kinderen in de staat der ellende van nature. Lichamelijk en geestelijk is de eerste mens verdorven. Lichamelijk en geestelijk is ook verdorven wat uit zijn lendenen voortkomt.
De maakt Adams overtreding tot zo’n vreselijke zonde. Hij zondigt niet alleen op eigen kosten, maar op die van zijn hele nageslacht. En goedbeschouwd is het met alle andere zonden niet anders. Niemand zondigt alleen voor zichzelf. De verhouding waarin in de mens tot de naaste staat maakt elke zonde tot een aantasting van het welzijn van de naaste.
Naar het verbond waarin God de mens stelde met Hem, waarin de eerste mens de vertegenwoordiger is van het ganse mensengeslacht, komt de schuld en de smet van de zonde over alle mensen, zonder onderscheid.
Romeinen 5 wijst daar zeer duidelijk op, alleen al wat in de verzen 12-14 staat:
“Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben. Want tot de wet was de zonde in de wereld; maar de zonde wordt niet toegerekend, als er geen wet is. Maar de dood heeft geheerst van Adam tot Mozes toe, ook over degenen, die niet gezondigd hadden in de gelijkheid der overtreding van Adam..”
En verder in vers 17: “Door de misdaad van één heeft de dood geheerst door die ene. En vers 18: Gelijk door één misdaad de schuld gekomen is over alle mensen, tot verdoemenis.”
Wanneer wij Romeinen 5 in zijn verband lezen, kunnen wij niet ontkomen aan de leer van de erfschuld en erfsmet, die krachtens het verbreken van het verbond der werken ons deel zijn. De erfschuld door de toerekening naar het verbond, de erfsmet door ons één zijn met het hoofd van het menselijke geslacht, Adam.
Dit nu juist leer de christen niet maar als dogma, als leerstelling, toestemmen. Nee, hij leert het zo dat alle gedachten aan ontkenning van de schuld hem begeeft. Hij erkent door het onderwijs van de Heilige Geest dat het Woord de waarheid is, en dat dit hem vonnist. Want juist omdat hij zijn zonde niet los van Adams zonde ziet, maar in verbinding met die zonde als een herhaling van Adams zonde, valt hij het recht van God als de God van het verbond toe. Adams schuld is de zijne. Adams blaam rust op hem. Adams verdorvenheid is zijn verdorvenheid!
Hoe dieper hij daarin mag neerblikken, het groter zijn deelgenootschap aan Adams val. Hoe groter ook het wonder dat er voor zo iemand, van moeders lijf aan verdorven, nog redding en zaligheid mogelijk is.
Het kind van God, de wedergeborene, verstaat Paulus als hij zegt dat in hem, in zijn vlees, geen goed woont. Zijn zonden staan niet los van elkaar, zij hebben één bodem, waardoor de mens van nature onmachtig en onwillig is onder de ongerechtigheid. Die bodem is de verdorven aard van de mens.
Hoe leert de oprechte treuren en klagen dat hij van nature is, die hij is. Nee, hij kan dat niet afdoen met een “zo ben ik nou eenmaal”. Tegenover zijn boosheid en verdorvenheid staat de staat waar God hem in schiep. En in de erkentenis van het recht van God op hem en in de erkentenis van eigen onwaardigheid belijdt hij zijn overtredingen. Wanneer hij dat dan met woorden uit de psalmen mag doen, dan zal hij de 51ste psalm opslaan. Om met een verbroken hart het derde vers aan te heffen:
’t Is niet alleen dit kwaad dat roept om straf; nee, ik ben in ongerechtigheid geboren, enzovoorts.
III Dat de ellende slechts in de weg van wedergeboorte wordt weggenomen
Wij hebben tot nu toe gezien dat de mens ellendig is door eigen schuld. De gelovige erkent dit van harte. En hij schrikt er niet voor terug te belijden, dat hij van nature geneigd is God en zijn naaste te haten. Dat weet hij door bevinding en ervaring. Door de openbaring van God aan zijn ziel verstaat hij in welke mate hij verdorven is.
Is er echter niet meer te zeggen? Wijst het van nature nog niet op iets anders? Zeker, daar doelt het antwoord op vraag 8.
De vraag luidt: Maar zijn wij alzo verdorven dat wij ganselijk onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad? Ja wij, antwoordt de gelovige. En door dit antwoord stelt hij zich als tegen zichzelf, gelijk hij van nature is. De mens van nature gelooft niet dat hij ganselijk onbekwaam is tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Zolang wij onbekeerd onze weg door dit leven gaan zullen wij, ook al getuigen onze daden tegen ons, toch menen dat er nog wel wat goeds is ons woont. Dat goede hebben wij maar aan te kweken en te bevorderen. En als wij dat willen dan leven we zoals het behoort, denken wij. Een onbekeerd mens is geen slecht mens! De rijke jongeling uit het Evangelie meent beslist dat hem niets ontbreekt, dat God met hem tevreden kan en moet zijn. En hoevelen zijn er ook in onze dagen die vragen, misschien met een gereformeerde belijdenis op de lippen en in het hoofd: “Wat ontbreekt mij nog?” Als wij echter het nieuwe leven ontvangen, dan wordt het anders. Dan zijn wij niet meer goed en recht, dan zijn wij verkeerd en slecht. Dan leren wij dat er in ons, in onze vlees, geen goed woont.
Ganselijk onbekwaam tot enig goed dat voor God zou kunnen bestaan en in overeenstemming is met Zijn heilige wil, en geneigd tot alle kwaad! Zo leert de gelovige zich kennen. Wat een voorrecht acht hij het als hij voor de uitbarsting van de ongerechtigheid bewaart bleef!
Hoe langer hoe meer krijgt hij een mishagen aan zichzelf. De verdorvenheid wordt steeds dieper gekend. Wat hij over zijn natuur belijdt verandert niet in zijn leven. Het afkeuren van de eigen natuur wordt steeds sterker naarmate hij meer van Gods gerechtigheid en heiligheid, liefde en ontfermende genade leert kennen.
Indien hij echter niet méér zou zeggen dan dat hij van nature onbekwaam is, geheel onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad, als zou er in hem niets anders gevonden worden, zou dat niet tekort doen aan wat óók in hem gevonden wordt?
Daarom blijft het in het antwoord niet bij het: Ja wij. Er volgt een tenzij op!
Dat duidt op het andere dat in de gelovige gevonden wordt. Dat andere is dat wij wedergeboren worden door de Heilige Geest. Heeft dit plaats, dan zal er nog iets anders van ons gezegd kunnen en moeten worden, al blijven we wat onze natuur betreft onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad.
Wanneer wij over wedergeboorte spreken kan dat gedaan worden in tweeërlei zin, in engere en ruimere zin. Wedergeboorte in engere zin is de daad van de levendmaking door Geest en Woord. Die daad is in elke gelovige af, zodat hij niet meer wedergeboren hoeft te worden. In ruimere zin kan van wedergeboren worden gesproken bij hem of haar, die reeds wedergeboren is. En dan verstaan wij daaronder de dagelijkse bekering, de dagelijkse vernieuwing van het hart. Zo spreekt ook de Nederlandse Geloofsbelijdenis over de wedergeboorte. In artikel 24 lezen we: Wij geloven dat dit waarachtige geloof, in de mens gewrocht zijnde door het gehoor van het Woord van God en de werking van de Heilige Geest, hem wederbaart en maakt tot een nieuwe mens. De wedergeboorte bloeit hier op uit het geloof, zij is er de vrucht van. Hier gaat het niet over de daad van de levendmaking, maar over wat wij, met Zondag 33, noemen de waarachtige bekering des mensen. Dan hebben we het dus niet over een afgedane zaak, maar gaat de wedergeboorte door, tot het ganselijk-onbekwaam-tot-enig-goed en het ganselijk-geneigd-tot-alle-kwaad in ons niet meer gevonden wordt. Zal dit hier zijn, aan deze zijde van het graf? Zal er dus toch een tijd in deze tijd aanbreken waarop de vrome, verlost van de zonde en de ongerechtigheid, voor de Heere leven zal en voor Hem alleen? Nee, zo’n tijd zal er hier in deze tijd niet komen! Daarom heeft Gods volk behoefte aan nog een andere verlossing dan die in de wedergeboorte een feit geworden is. Het heeft behoefte, en zal die behoefte als het goed is hoe langer hoe meer gevoelen, aan verlossing van zijn onbekwaamheid tot enig goed en zijn geneigdheid tot alle kwaad, omdat dit in zijn natuur onverwoestbaar is. Dat is de verlossing die wij óók wedergeboorte zouden kunnen noemen! De verlossing uit het lichaam der zonde en des doods. De verlossing waar de apostel om bidt als hij, ziende op zijn natuurlijke ellende, roept: Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? En dan hoeft hij niet te blijven staan bij zijn ellende, maar mag hij door het geloof in Christus Jezus, zijn Heere, weten dat die verlossing eenmaal komt. En hij dankt God, Die hem verlossen zal door Christus.
Wij moeten wedergeboren zijn om wedergeboren te worden. En wij moeten wedergeboren zijn om eenmaal bij de scheiding uit dit leven wedergeboren te zijn. Alle drie, de wedergeboorte in engere zin, de wedergeboorte in ruimere zijn, en de wedergeboorte in uiteindelijke zin, zijn Gods werk in Christus Jezus, door de Heilige Geest. De eerste geboorte legt de grond, de tweede bouwt hierop verder. De derde is de kroon der volmaking.
Wanneer nu in een mens de wedergeboorte gevonden wordt, dan zal er in hem dus ook meer gevonden worden dan wat hij uit kracht van zijn geboorte uit Adam is en heeft. Het ganselijk onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad mag van kracht blijven, maar door de kracht van de Heilige Geest, door het nieuwe leven dat in hem is, zal er toch ook gevonden worden wat getuigt van dat leven. Het leven door en uit de Geest kan niet onvruchtbaar blijven. Ook onze Nederlandse Geloofsbelijdenis drukt dat in het aangehaalde artikel als volgt uit: Zo is het dan onmogelijk dat dit heilig geloof ledig zij in de mens…., het geloof dat door de liefde werkt, die God in Zijn Woord geboden heeft. Welke werken, als zij voortkomen uit de goede wortel van het geloof, goed en Gode aangenaam zijn, overmits zij alle door Zijn genade geheiligd zijn.
Wie wedergeboren wordt staat anders tegenover de Heere, dan die deze weldaad mist. Hij staat anders, omdat hij een kind van God is. Maar ook omdat dit met zich meebrengt een leven, dat zijn roeping tegenover de Heere en Zijn heilige wet verstaat. Daarom zal die wedergeboren wordt ook kennis hebben aan zijn ellende. In hem zal schuldgevoel en schuldbesef gevonden worden. En hij zal uit de behoefte van zijn hart tot God roepen om genade voor genade, hij, die door genade dat nieuwe leven bezit.
Het is voor ons de grote, gewichtige vraag, of wij wedergeboren worden!
Of wij wedergeboren zijn is op zichzelf niet zo gemakkelijk te beantwoorden. Maar als wij het wedergeboren worden in verband brengen met het wedergeboren zijn, waartoe alle reden is, dan zal het beantwoorden van de vraag of wij mogen leven in de staat der genade voor ons mogelijk zijn. Uit de vrucht toch wordt de boom gekend. En het wedergeboren worden komt, naar Goddelijk bestel dat het eens begonnen werk niet laat varen, uit het wedergeboren zijn voort.
Mogen wij dus in ons bevinden dat wij wedergeboren worden, dan mogen wij daaruit ook besluiten dat wij wedergeboren zijn, en dus de hope des levens de onze wezen mag. Laat het dan zijn dat wij niet in staat zijn het uur van en de wijze waarop van onze levendmaking aan te geven. Wat nood, in het wedergeboren worden zet God een stempel op Zijn eigen werk. Velen zoeken de zekerheid van hun staat voor de eeuwigheid in hetgeen zij wel eens hebben ondervonden. Dit brengt met zich mee dat er velen zijn die alleen aan een verschrikkelijke (lees: bijzondere) bekeringsgeschiedenis waarde hechten, en daaraan zichzelf en anderen afmeten.
Maar de vraag is niet: wanneer en hoe ben ik wedergeboren? De vraag is of ik het ben! En dat moet blijken uit het wedergeboren worden, uit de dagelijkse bekering.
Hoe menigmaal is het voortgekomen dat mensen met een klinkende bekering, waarvan ze met ophef rekenschap konden afleggen, later bleken zich vergist te hebben. Zijn hadden, afgaande op uiterlijkheden en gemoedsaandoeningen, zich de zaligheid toegeëigend. En telkens moest die bekeringsgeschiedenis dienst doen om zich op de been te houden. Wat zal het vreselijk zijn voor zulke mensen, als ze straks moeten ervaren dat wat zij als het werk van God hebben aangezien, niet anders is geweest dan vrucht van eigen akker! Onderzoekt uzelf toch nauw! Het gaat erom of u in het geloof bent, of u in dat geloof voor de Heere leeft en door dat geloof de werken van het vlees doodt. Daar is zoveel praten zonder doen! Daar is zoveel spreken over de dingen zonder dat men er in leeft. Is dat zo bij u, dan zult u meer behoefte hebben dat mensen u zalig spreken dat dat God het doet!
De oprechte kent echter een andere begeerte. Nee, het is hem niet onverschillig wat mensen, in het bijzonder dan de kinderen van God die hij kent, over hem oordelen. Maar boven alles gaat voor hem het oordeel dat de Heere in Zijn Woord over hem niet vellen zal, maar velt.
Het kent zich naar zijn natuur in alle opzichten schuldig, Hij leert het in de weg van de bevinding, dat hij onbekwaam is tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Maar dit is niet het enige dat hij leert. Hij leert met de dag de noodzakelijkheid van de wedergeboorte, want hij is er niet, hij moet worden.
Zijn wij het in onze eigen schatting, dan kan het waar zijn, maar dan zal ook gekend worden het leven voor God, al is het met de belijdenis van de smart dat in ons, in ons vlees, geen goed woont. Maar het kan ook niet waar zijn. Dat wij misschien op de kennis van de ellende, niet onze eigen ellende, onze zaligheid gronden. Nooit echter zal de kennis van de ellende de grond kunnen zijn van de zaligheid. Dat wordt door ieder kind van God verstaan. Die kennis doet, als zij waarachtig is, niet anders dan veroordelen. Maar het kind des Heeren zoekt en jaagt naar de gemeenschap van de Heere, en uit die gemeenschap vloeit de zekerheid voor het kind van God.
Ganselijk onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Wij zullen er ons nooit mee kunnen dekken. Alleen de borggerechtigheid van de Heere Jezus Christus moet de onze zijn, en dán is het wel!
Dat wij ganselijk onbekwaam zijn, het staat ons in de weg. De Heere staat het niet in de weg. Hij wil onmachtigen verlossen door Zijn grote kracht en genade. Daarop zij ons aller oog gevestigd, opdat Zijn Naam verheerlijkt worde!
Aan onze zijde niets dan schuld. Ook de onmacht waaronder wij liggen is schuld, want zij is er vanwege onze zonde.
Aan God zijde niets dan recht en gerechtigheid, in Christus Jezus echter ook genade voor genade voor allen, die Hem vrezen. Voor allen die tot Hem roepen, die Hem zoeken, die Hem liefhebben, ook al zouden zij het niet durven uitspreken. Genade voor genade, tot wedergeboren zijn en wedergeboren worden. Tot de uiteindelijke verlossing van alle schuld en zonde, en ook van het ganselijk-onbekwaam-tot-enig-goed en het geneigd-tot-alle-kwaad!
Amen