Preek Filippensen 4: 6-7 door ds AC Uitslag
ORDE VAN DIENST
1. Votum en groet
2. Zingen Psalm 62: 1, 4
3. Schriftlezing Filippensen 4: 1-9
4. Geloofsbelijdenis met Zondag 9
5. Zingen Psalm 25: 8
6. Gebed
7. Zingen Psalm 55: 1, 10, 13
8. Verkondiging n.a.v. Filippensen 4: 6-7
9. Zingen Psalm 3: 3
10. Gebed
11. Zingen Psalm 17: 4
12. Zegen
Geliefde gemeente,
Morgen …
Morgen is voor ons verborgen.
Morgen dat weet God alleen.
Morgen is voor ons verborgen.
Is het vreugde of ongeval?
Ach, wij weten het niet met al
Wat de dag van morgen geven of nemen zal?
Wat kan morgen daarom een zorgen geven!
Er kunnen zoveel zorgen op ons levenspad komen, dat we het soms niet meer zien zitten. Het geldt voor jong en oud.
Al op jonge leeftijd kunnen we onze zorgen hebben. Op school kom je misschien niet zo goed mee. Het kan ook zijn, dat je wordt gepest. Misschien ben je wel vaak ziek en heb je niet zo’n goede gezondheid.
Bij het ouder worden nemen de zorgen alleen maar toe. Je maakt je druk over de vraag welke vervolgopleiding jij moet kiezen. Jij vreest dat jij jouw leven lang alleen moet blijven. De reorganisatie op jouw werk zet jouw baan op de tocht. Je bent bang dan nergens meer aan de bak te kunnen komen. De verhalen over de verharding van de samenleving en de vluchtelingenproblematiek baren jou zorgen.
Ook binnen het huwelijk kunnen er veel zorgen zijn. Soms weet u niet, hoe het verder moet tussen u beiden. Een verslaving geeft zorg binnen het huwelijk. Kinderen geven zorgen. De één kan niet goed meekomen op school. De ander dreigt het verkeerde pad op te gaan. Het huwelijk van een ander kind loopt op de klippen. Kleinkinderen zien de kerk niet meer van binnen. U maakt zich zorgen over hun levenswandel.
Wat kunnen er niet een zorgen zijn. Ook als we denken aan ons land en ons volk. Er is zoveel, dat verandert. Steeds feller en scherper wordt er afgezet tegen de godsdienst. Hoe houden onze kinderen in zo’n samenleving stand?
Kerkelijk kunnen we ook zo onze zorgen hebben. Het geestelijke leven verschraalt. De kennis van de leer neemt af. Allerlei dwalingen dringen de kerken in. Wereldgelijkvormigheid dringt ook steeds meer de huizen van kerkleden binnen.
Wie zou niet bezorgd zijn?
Wie zou niet beangst wezen?
Wie zou geen zorgen hebben voor morgen?
Er is alle reden voor bezorgdheid!
Wat dat betreft lijkt de oproep vanuit onze tekst zo vreemd: “wees in geen ding bezorgd …” (Fil. 4: 6a).
Hoe is dat nu mogelijk?
In onze tijd ….. ?
In onze samenleving …. ?
In onze kerken …. ?
Paulus zou eens moeten weten, hoe de vlag erbij hing.
Toch wil de Heere ons dit woord meegeven. Het is een les, die geldt voor alle tijden en voor alle plaatsen.
We willen naar onze tekst luisteren onder het thema:
Thema: Morgen is voor ons verborgen
1. Soms knelt mij onzekerheid
2. Toch is er Eén, Die mij leidt
1. Soms knelt mij onzekerheid
Paulus richt zich in deze brief op de Filippenzen. Hij heeft met deze gemeente een sterke band. Op zijn tweede zendingsreis was hij door de Heilige Geest naar deze stad op het Europese continent geleid. Filippi was een Romeinse kolonie gelegen op het knooppunt voor het handelsverkeer tussen Italië en Klein Azië. Met name pensioengerechtigde veteranen kwamen er wonen. De hele uitstraling van de stad gaf het beeld van een stukje Rome in Macedonië.
Paulus heeft er met zegen mogen arbeiden. Natuurlijk, ook daar kwam ook tegenstand en verzet tegen zijn prediking. Waar God Zijn dienstknechten heenzendt daar zal de duivel alles in het werk stellen om dat werk af te breken. Maar we lezen in het boek Handelingen hoe er in Filippi heidenen tot het geloof in Christus worden gebracht. De Heere heeft het hart geopend van Lydia. De stokbewaarder kwam tot bekering.
Deze twee bekeringen stonden aan het begin van het ontstaan van de kerk in Filippi. Er kwam een christelijke gemeente in Europa. Paulus kent de gemeente door en door. Tijdens de derde zendingsreis is hij er opnieuw geweest (Hand. 20: 6). Nu schrijft hij hen vanuit de gevangenis in Rome een brief ter bemoediging. De Filippenzen maakten zich namelijk grote zorgen over hun apostel, die in de gevangenis zat. Bovendien dreigde de gemeente door onderlinge verdeeldheid uit elkaar te vallen. Daarom schrijft Paulus deze bemoedigingsbrief.
Er zou veel te zeggen zijn over het voorafgaande van deze brief. Vele onderwerpen passeren de revue. We doen dat nu niet.
Het gaat in onze tekst om die specifieke vermaning: “Wees in geen ding bezorgd.”
Kortom: geen zorgen voor morgen.
Dat geeft Paulus de Filippenzen mee. En hij weet echt wel, waarover hij spreekt. Hij zit immers in de gevangenis. Dat geeft toch alle reden tot bezorgdheid. Hij is van zijn vrijheid beroofd. Zijn levensweg is vaker door diepe dalen heengegaan. Vele kruizen zijn op zijn levenspad geplaatst. Het zijn geen woorden van iemand zonder levenservaring.
Deze vermaning is blijkbaar nodig. In Filippi heerst die verkeerde gesteldheid van overbezorgdheid. Ze maken zich te druk! Paulus moet hen daarom corrigeren. Maar die vermaning heeft ons vandaag ook heel wat te zeggen. Want wat is er niet een verkeerde bezorgdheid! Wat kunnen we ons ontzettend druk maken om veel zaken. Het kan ons zo verlammen, dat we aan bijna niets anders meer kunnen. Dat ene houdt ons volledig in de greep.
Uiteindelijk heeft dat echter geen nut. De Heere Jezus had dat ook al gezegd: “Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte toedoen?” (Math. 6: 27). Bezorgdheid verandert aan de omstandigheden niets. De pijn gaat er niet van over. Integendeel dikwijls. Het huwelijk wordt er niet beter op. De omzet neemt er niet door toe. De situatie verandert er niet door. De bezorgdheid verlamt een mens alleen maar.
Die bezorgdheid zal velen niet vreemd zijn. Wat kunnen we piekeren. Het kan ons nachten uit de slaap houden. Er zijn zoveel onzekerheden in het leven, waar we vragen bij hebben. Soms knelt die onzekerheid. De spanningen op het wereldtoneel roepen de vraag op hoe het zal aflopen. Een knobbeltje, voortdurende pijn of aanhoudende klachten maken ons bezorgd over onze gezondheid. De onderzoeken van de dokter worden met intense spanning afgewacht.
We kunnen ook denken aan de arbeid. Hoe zal het dit jaar gaan in de visserij? Hoe zal het gaan op het land? Van het weer hangt veel af. We vragen ons af, hoe het dit jaar zal lopen met de prijzen. Hoe zal het gaan in uw bedrijfssector? Het wordt hoog tijd weer eens een echt goed jaar te draaien. U vreest uiteindelijk het onderspit te moeten delven in deze moordende concurrentiestrijd.
Er kunnen zoveel vragen leven.
Soms knelt zoveel onzekerheid!
En dan komt de apostel met deze vermaning ….
Paulus: snap jij dat dan niet? Paulus: je kan wel merken dat jij geen gezin hebt? Paulus: je zou zelf maar eens een bedrijf hebben met een paar man personeel. Dan zou jij wel anders praten. Het lijkt wel alsof Paulus van een hele andere planeet komt. Wie kan nu onbezorgd door het leven gaan? Misschien hebt u wat meewarig naar de tekst gekeken en bij uzelf gedacht: “Het staat er mooi, maar de praktijk is zo anders”.
Noden en zorgen zijn er immers velen. Er zijn stoffelijke noden. Er moet brood op de plank komen. We hebben kleding nodig om te dragen. De huur of de hypotheek moet betaald worden. Die lening moet worden afbetaald. De spanningen in de wereld houden ons bezig. De vluchtelingenstroom kan maar zo een stroom aan terroristen in zich bergen.
Er zijn toch ook zaken, waar we ons wel druk over hebben te maken. Denk maar aan die ziekte. Wat is het nodig om een weg tot genezing te zoeken. Thuis zullen er aanpassingen moeten plaatsvinden, opdat iemand zo lang mogelijk thuis kan blijven. Of de zorgen om één van de kinderen, waarmee het niet goed gaat. Hij dreigt een totaal verkeerde weg in te slaan. In die omstandigheden is het zelfs nodig om u zorgen over te maken.
Bovendien zijn daar toch ook de geestelijke noden. We komen allen ter wereld als gevallen mensen, zonder God en zonder hoop. Wat kan die nood ons aangrijpen, wanneer de Heilige Geest ontdekkend komt te werken. Dan wordt dat de grootste zorg voor uw leven: hoe kan ik rechtvaardig verschijnen voor God? U hebt uzelf als zondaar leren kennen. Jij verstaat, dat jij de Heere zo nooit onder ogen kan zien.
Die zorg houdt u in de greep. Nachtenlang ligt u er wakker van. Het maalt maar door jouw hoofd. Die zondelast drukt u naar beneden. U weet zich onderworpen aan allerhande ellende, ja aan de verdoemenis zelf. Dat kan zoveel zorgen geven. De vloek van Gods toorn ligt over jouw leven. Je hebt de dood verdiend, de eeuwige dood. Met een openstaande schuld loopt u over de aarde. Hoe komt u daar ooit van af?
Oh nee, die bezorgdheid wijst Paulus beslist niet af. Het is een vrucht van genade als een mens indrukken krijgt van dood en eeuwigheid. Het is een zegen, wanneer u zich druk gaat maken om uw staat voor God. Want in dat opzicht is er ook zoveel zorgeloosheid. Mensen, die zich werkelijk nergens druk om maken. Ze kunnen niet bezorgd zijn om tijdelijke zaken, maar ook niet met het oog op de eeuwigheid.
Misschien ben jij er zo’n één. Op school laat jij alles maar sloffen. Je vindt het wel best. Op het werk loop je geen stap harder. Het zal allemaal wel loslopen. Als jij maar kan eten, drinken en vrolijk zijn dan vind je verder alles best. Verantwoordelijkheidsbesef heb jij niet. Je hebt geen zin om te beginnen aan een nieuwe opleiding. Een baan is jou niet besteed. En als er dan al één op je afkomt dan mag het niet te ver weg zijn en moet je er niet teveel voor doen. Je leeft alleen maar voor de lol.
Maar zeker met het oog op de eeuwigheid lopen er vele zorgeloze mensen rond. Mensen, die zich niet druk kunnen maken om hun onbekeerde staat en om hun openstaande schuld voor God. Vanaf de kansel kunnen de liefelijkste nodigingen uitgaan of de scherpste bedreigingen worden voorgehouden. Maar de hemel kan niet verkwikken en de hel kan niet verschrikken. U zit in de kerk. U luistert naar de preek. Jij komt nog wel op de vereniging, maar verder raakt het je niet.
Ik vrees wel eens, dat er velen zo in de kerk zitten. Alleen nog voor de vorm … voor de traditie … omdat ze het zo gewoon waren. Maar ondertussen gaat het Woord van God langs hen heen. U slaapt in de kerk. Jij bent in gedachten met andere zaken bezig. Nooit gaat het hart eens verlangend uit naar de Heere en Zijn dienst. Nooit leeft er de stille begeerte of de Heere onder de prediking wil overkomen en de Heere Jezus en al Zijn weldaden wil toepassen aan uw hart.
U zit er maar te zitten. Maar als de kerk uit is, maakt u zich geen tel meer druk om de eeuwigheid. Zo zijn er velen, die in zorgeloosheid op weg gaan naar de eeuwige verlorenheid. Wat zou je zulke mensen graag door elkaar willen schudden en willen wijzen op Gods Woord. Daarin staat het toch: zonder het waarachtige geloof gaat een mens verloren. Eeuwig zonder God. Eeuwig door God verlaten.
Soms kom ik ze tegen. Mensen, die eerlijk zeggen onbekeerd te zijn. Ze staan er nog buiten. Ze leven nog voor eigen rekening. Maar ze hebben er nog geen traan om gelaten. Het heeft hen nog nooit in de nood gebracht. Ze gaan nog gewoon naar hun werk. Ze zijn nog gewoon bezig om zoveel mogelijk geld te verdienen. Ze zijn nog steeds uit op een feestje hier en een gezellig samenzijn daar. Maar nog nooit zijn we werkelijk verontrust geraakt over hun ziel.
Zo’n zorgeloosheid heeft Paulus beslist niet hoog in het vaandel staan. Daar spoort hij de gemeente van Filippi ook niet toe aan. Hij wijst hier echter wel de verkeerde bezorgdheid af, waarin geen rekening wordt gehouden met Gods voorzienigheid. Dat is een bezorgdheid, waardoor een mens wordt verlamd en zijn taak niet meer kan verrichten. Aan zulke bezorgdheid mag een christen zich niet schuldig maken. Dan is er slechts die knellende onzekerheid.
Dus geen bezorgdheid, die begint en eindigt met aardse dingen. Geen bezorgdheid, waarin we ons alleen maar druk maken om eten, drinken en kleding. Paulus wijst hier een levenspraktijk af, waarin vrees en angst heerst zonder dat er wordt opgezien tot God. Er wordt geleefd bij de zorgen en de noden van de dag, maar de Heere wordt in dat alles niet betrokken. Al die nood wordt niet op God geworpen.
Dan is er een veel betere weg.
Daar wijst Paulus zijn lezers ook op.
Dat brengt ons bij onze tweede gedachte.
2. Toch is er Eén, Die mij leidt
De apostel walst zeker niet over de zorgen en de noden van het leven heen. Die neemt hij serieus. Dat kan ook niet anders, want die zijn er. Maar hij veroordeelt wel het bezorgd zijn!
Over bezorgdheid is, zo las ik ergens, een gemis aan Gods vertrouwen. Daarom is bezorgdheid ook zonde. De bezorgdheid, waarmee we alleen rekenen met de noden van het leven en God buiten beschouwing laten, is een uiting van ongeloof.
We komen dat in heel de Schrift tegen. David had het al geleerd om alle zorgen te werpen op de Heere (Ps. 55: 23). De Heere Jezus heeft dat op een kinderlijk eenvoudige wijze duidelijk proberen te maken. Hij heeft gewezen op de vogeltjes in de lucht. Ze vliegen rustig rond. Ze zaaien niet. Ze maaien niet. Maar God, de hemelse Vader, zorgt ervoor dat ze niets tekort komen. Hij wees op de bloemen op het veld. In het voorjaar bloeien ze.
De Heere zorgt voor de vogels in de lucht en de gewassen op het veld. Wat hebben wij ons dan nog druk te maken, zo hield de Heere Jezus de mensen voor (Math. 6: 25-34). De Heere zorgt voor dat alles. Daarom is het veel beter om al uw bekommernis op Hem te werpen in het geloof, dat Hij voor u zorgt (1 Petr. 5: 7). Het geeft alleen een onbezorgd leven, wanneer u met de nood van uw leven voor het aangezicht van God staat.
Er is immers een God in de hemel, Die wil zorgen. Als er zorgen zijn, als er spanningen leven, als u het leven niet meer aan kunt, als de vragen jou teveel worden … weet dan … er is een God in de hemel, Die zorgen wil. Hij weet precies wat u nodig hebt. Hij weet dat volmaakt. Geef het dan maar in Zijn hand over. Vertrouw Hem de zorg van uw leven toe. Hij vergist Zich nooit. Hij weet wat ieder nodig heeft. Hij weet, welke weg goed voor hem is.
Bezorgd zijn lost niets op. Bezorgd zijn neemt de problemen en de spanningen niet weg. Er is een betere weg: in alles ermee tot God gaan. Dat houdt Paulus de Filippensen nu voor: “Maar laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God”. Als er bezorgdheid is, is het de enigste juiste weg om alles voor God neer te leggen in de gebeden. Daar dient u met de zorgen van het leven uit te komen.
De beste plaats om het met de Heere eens te worden is de plaats van het gebed. Daar ligt een mens op zijn knieën. Daar wordt afhankelijkheid aan God betoond. Daar wordt beleefd, dat wij niets hebben verdiend dan alleen de eeuwige dood. Waar zo als een rechteloze en in zichzelf verloren zondaar de toevlucht mag worden genomen tot de troon van Gods genade daar wordt ook beleefd, dat God recht is in al Zijn weg en werk.
Die God weet wat ik nodig heb. Als gij in nood gezeten geen uitkomst ziet, wil dan nooit vergeten God verlaat u niet! Daar is de Schrift vol van. Het volk Israël werd droogvoets door de Rode Zee geleid. Jakob mocht in het verre Haran zijn vrouw vinden. David werd gered, toen de vijand hem dreigde te verslaan. Elia werd bij de beek gevoed. Zo zijn er vele voorbeelden te noemen, waaruit blijkt dat God werkelijk in alles voorziet.
De Heere wil, dat wij onze nood Hem zouden voorleggen en bekendmaken, opdat we het daar mogen kwijtraken. Al onze begeerten kwijtraken aan God. Wat kan een mens veel begeren! Er zijn ook verkeerde begeerten. Begeertes die indruisen tegen Gods Woord en tegen Gods wil. Ze komen voort uit een verdorven hart. Paulus doelt hier echter op die begeerten, die dienen tot ons lichamelijk en geestelijk welzijn.
Hij zegt het: “Laat uw begeerten in alles bekend worden bij God”.
In alles!
Dat gaat over alles. Ook over de kleine dingen van het leven. We zijn zo geneigd bepaalde zaken zelf te willen oplossen. Maar met alles mogen we tot God gaan. De begeerte om een goede vangst of oogst te mogen ontvangen mogen we bij God neerleggen. De avond voorafgaande aan een repetitie mag jij God om een zegen vragen. Je verlangen naar een vriend mag je bij God neerleggen.
De wens voor een andere baan mag jij uitspreken in jouw gebeden. De zoektocht naar een andere woning mag een plaats krijgen in het gebed. Alles wat je bezighoudt en alles wat je wenst mag in het gebed voor God worden neergelegd. In alles gaat het immers om Gods zegen. Maar de grootste begeerte dient toch verder te reiken dan de dingen van dit leven. Boven alles dient het te gaan om ons eeuwig behoud.
Soms zie je het wel eens staan in die vriendenboekjes, waarmee kinderen al op jonge leeftijd beginnen. Bij hun grootste wens staat dan geschreven, dat ze een nieuw hartje mogen ontvangen. Dat dient inderdaad de grootste begeerte te zijn. Dat mag ook in het gebed voor God worden neergelegd. De bede om met God verzoend te worden. De bede, waarin u het bloed van Christus Jezus inroept over uw leven.
Als dat nu eens uw grootste begeerte zou zijn ….
Dan heeft de Heere u van uzelf afgebracht. Jij bent bepaald geworden bij de ongerechtigheid, die er leeft in jouw hart. De schuld voor God staat u voor de ogen. U bent gedaagd voor het gericht van God. Jij hebt verstaan wat het is om de eeuwige dood waardig te zijn. Waar de Heere dat werkt daar komt ook de begeerte naar een middel om die welverdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen.
Leg het dan maar bij de Heere neer. Voor Hem is niets te wonderlijk. Hij kan uithelpen uit de meest moeilijke omstandigheden. Hij kan in alle opzichten het wel maken. Om Christus’ wil is God een verhoorder der gebeden. We mogen met alles wat ons bezighoudt in de gebeden uitkomen bij deze God. Paulus wijst er dan echter ook op, hoe wij bidden moeten. Hij spreekt dan over bidden en smeken.
Eerst is daar het bidden. Een bekende Engelse prediker heeft het gebed wel vergeleken met een rivier, die in een rustige loop naar de zee vloeit. Het water van die rivier stroomt voortdurend naar de zee. Bidden is nu het voortdurend uitstorten van het hart voor de Heere om aan Hem alle noden bekend te maken. Dit gebed is ook de Heere Jezus niet vreemd geweest. Hij zonderde Zich dikwijls af om alleen te zijn in Zijn gebeden met Zijn Vader.
Het tweede is het smeken. Diezelfde Engelse prediker vergelijkt dit met een waterstroom in bergachtige streken, die zich omlaag stort. Dit gaat veel heftiger dan bij die rivier. Hier komt meer de nood naar voren, de ernst van de omstandigheden, de ellende van het ogenblik. Dat heeft de Heere Jezus Zelf ook gekend. Denk maar aan Zijn gebeden in de hof van Gethsémané. Daar heeft Hij geworsteld met de weg van Zijn Vader. Daar zag Hij Gods toorn op Hem afkomen.
We kunnen die twee niet los van elkaar zien.
Bidden en smeken horen bij elkaar.
Enerzijds is daar de houding van de ziel, waardoor alles aan God bekend wordt gemaakt. Alle noden en zorgen van het leven worden met God besproken. Maar juist waar een diepe nood op het levenspad komt of de zonden gaan wegen op uw hart daar wordt het bidden een smeken. Daar komt die worsteling met God. De nood drijft u tot het smeekgebed.
Het is aangenaam voor God, wanneer een mens tot Hem komt met bidden en smeking. Want daaruit blijkt dat iemand Hem nodig heeft. Hij kan niet meer buiten de Heere leven. Hij is in alle dingen afhankelijk van God. Vergelijk het maar met een kind. Dikwijls probeert zo’n kind dingen zelf te doen. Hij wil niet geholpen worden. Maar hoe vaak blijkt dan niet, dat hij toch de hulp van vader of moeder nodig heeft.
Dan gaat hij roepen en vragen om hun hulp. Het is een heerlijk geluid in de oren van een ouder, wanneer daar een kind is die belijdt vader nodig te hebben of om moeders hulp verlegen te zijn.
Zo ligt dat nu ook in geestelijk opzicht. De Heere wil niets liever dat een zondaar tot Hem komt met Zijn noden, zorgen en begeerten. Hij kan en wil die nooddruft vervullen. Hij hoort het geroep van een nooddruftige.
Wie zo met bidden en smeken de toevlucht heeft leren nemen tot de troon van Gods genade die heeft al heel wat afgeleerd. Dan ben jij erachter gekomen, dat je elders geen hulp en heil zult kunnen vinden. Andere mensen kunnen u niet helpen. Op eigen kracht kun je niet bouwen. Om zo te komen tot God met lege handen. De hand ophoudend wetende dat u geen enkele rechten hebt voor die heilige God in de hemel.
Toch blijft u het van de Heere verwachten. Want u weet, dat de Heere het gebed, niettegenstaande dat u het onwaardig bent, om Christus’ wil zeker wil verhoren, zoals Hij in Zijn Woord beloofd heeft (antw. 117 HC). Dat wordt wel aangevochten. Dat gaat dikwijls door het donker. Soms lijkt het alsof het gebed niet verder komt dan de muren van de kamer. Toch mag daar een uitgaan zijn tot God in het gebed vanuit dat besef dat de Heere een verhoorder is van de gebeden.
Daarom hoort die dankzegging er ook altijd bij. In al ons bidden mag het dankgebed niet worden vergeten. In die dankzegging mag de Heere worden erkend voor alle ontvangen weldaden. Er heerst dankbaarheid voor wat Hij ons geschonken heeft. Een gebed zonder dankzegging is als een vogel zonder vleugels. Zo’n gebed kan niet opstijgen naar de hemel en zal door God ook niet worden geaccepteerd.
Dankzegging maakt ook duidelijk, dat alles van God wordt verwacht en wordt ontvangen. Het is een basishouding. Danken is ook altijd weer nodig. Ook al kan de weg zwaar zijn, kruizen moeiten het levenspad, doen zorgen de weg door het donker gaan … er blijft nog zoveel over, waardoor iemand oprecht dankbaar kan zijn. Dat is een les, die we moeten leren. Om ook de zegeningen te blijven tellen, wanneer op de levenszee de stormwind loeit.
Wie de zorgen en noden van het leven voor zichzelf houdt, die komt niet verder. Die blijft maar rondcirkelen in de benauwdheid en de zorgen. Het wordt een vicieuze cirkel, waar je niet uit kan komen. De moeiten houden u uit de slaap. De zorgen stapelen zich op. Het werk kan niet meer worden verricht. Alles is in de greep van die overbezorgdheid, waardoor u niet meer nuchter tegen de dingen aan kan zien.
Paulus heeft echter die betere weg gewezen. Wie met alles tot God mag gaan die zal ook gezegend worden. Dat blijkt wel uit die woorden uit vers 7: “En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw zinnen bewaren in Christus Jezus”. Wie zijn nood aan de Heere bekendmaakt die raakt die nood niet alleen maar kwijt, maar die ontvang er ook de vrede van God voor in de plaats. God geeft er de vrede voor terug.
Het is niet zo, dat alle begeerten worden vervuld. Bij Paulus bleef de doorn in het vlees. David moest zijn kind aan de dood afstaan. En de Heere Jezus moest de drinkbeker tot de laatste druppel leegdrinken. Niet alles wordt ontvangen wat wordt gevraagd. God weet immers als beste wat Zijn kinderen nodig hebben. Maar wat wel wordt ontvangen is de vrede van God.
De zorgen van de mensen kwamen uit hun hart.
De vrede, die op het gebed wordt ontvangen komt uit Gods hart.
Paulus trekt die vrede van God in het verband met het werk van Christus. Daar mag de bazuin van het Evangelie in alle helderheid klinken. De vrede Gods is de vrucht van het werk van Christus. Hij is naar deze aarde gezonden. Hij heeft aan Gods gerechtigheid volkomen genoeg gedaan. Hij heeft gedaan wat de eerste Adam heeft verzuimd. Zo hing Hij plaatsbekledend voor de Zijnen aan het kruis. Hij heeft de straf gedragen, de zonden verzoend en de schuld betaald.
Van nature zijn wij vijanden van God. We zijn kinderen des toorns. Buiten Christus is er ook geen vrede Gods, maar ligt de mens onder het oordeel van God. Maar door het werk van Christus kan God Zich weer met een schuldig volk inlaten. Het gaat hier om de genadeweldaad van God, waardoor Hij het hart rust schenkt en bemoedigt. Deze vrede van God is de rust, die is verworven door Christus na de storm van Golgotha.
Wil een onrustige ziel en een bekommerd hart werkelijk rust vinden dan gaat dat nooit buiten de Heere Jezus om. Augustinus zei het al: onrustig is ons hart totdat het rust vindt in U, oh God! Een werkelijk bezorgd hart heeft Christus nodig. Daarvoor is nodig het werk van de Heilige Geest, waardoor een bekommerde ziel mag gaan opzien tot Christus. De Heilige Geest, die een onrustige zondaar aan de hand neemt en tot Christus leidt.
Dat is de wezenlijke les. Wie werkelijk geen zorgen voor morgen wil hebben die kan dat alleen vinden in Christus Jezus. Want Hij is onder Gods toorn doorgegaan. Hij heeft de straf van Gods toorn gedragen onder dewelke wij voor eeuwig hadden moeten wegzinken. Op Hem is de vloek gelegd. Hij moest de dood in. Alle ongerechtigheden van de Zijnen heeft God op Hem doen aanlopen. Belast en beladen met hun zware schuld is Hij gestorven.
Daarom: zoek het bij Christus. Daar alleen vindt u vrede. In Zijn wonden, in Zijn striemen is er genezing. Hij is onze Vrede. Hij is het, Die vrede heeft teweeggebracht tussen een zondaar en die heilige en rechtvaardige God in de hemel. Onbezorgd kunt u alleen leven en sterven, als u mag weten geborgen te zijn achter het bloed van het Lam. Daar mag u alle noden – en in het bijzonder de grootste nood van uw verdorven zondaarsbestaan – kwijtraken.
Die vrede zal dan al uw harten en uw zinnen – dat wil zeggen: uw hart en uw gedachten – bewaren in Christus Jezus. Die vrede zal het hart en de gedachten bewaren in Christus, Die de vrede heeft verworven door Zijn lijden en sterven. Iemand heeft dat eens vergeleken met een soldaat. We weten allemaal wel, dat een soldaat de wacht moet houden. Bij de poort van de stad staat een soldaat om te voorkomen, dat ongewenste bezoekers de stad binnengaan.
Nu zegt Paulus dat die vrede Gods de wacht gaat betrekken aan de poort van het hart en van de gedachten. Het hart wordt wel gezien als de klokhuis van ons bestaan. Daar wordt alles voorgekookt. Daar zijn de uitgangen van het leven. In het hart kunnen vele gedachten leven. Dikwijls kunnen angstige gedachten ons aangrijpen. Nu staat bij het hart de vrede als een soort schildwacht, zodat bezorgdheid en onrust niet kunnen binnensluipen.
In het hart werkt en woelt de zonde. Daar is het dikwijls compleet oorlog. Daar leeft vijandschap tegen God. Daar liggen de trekkingen naar de wereld. Maar bij dat hart vol vijanden gaat de vrede Gods nu de wacht houden door Jezus Christus. In Hem wordt de vrede Gods geschonken. Allen in Zijn gemeenschap mag het hart vrede vinden. Door Hem worden al die vijanden in en rondom ons het zwijgen opgelegd.
Het is waar: die driekoppige vijand kan het Gods volk nog zo lastig maken. Het kan nog zoveel onrust geven, als ze zien hoe de zonde nog vat op hen heeft. Daardoor kan de weg nog wel eens door het donker moeten gaan. De vrees kan wel eens opsteken alsnog de eindstreep niet te halen. Maar dit mag vast staan: de vrede Gods in Jezus Christus overwint. Hij heeft overwinnen. Hij zal Zijn volk ook laten delen in die overwinning.
De vrede Gods door Christus Jezus brengt de ware rust, diepe blijdschap en echte vreugde. Dat mag nu worden ontvangen op het gebed. Wie de toevlucht mag nemen tot de Heere, die mag zich sterken in Hem. Daar wordt de ziel stil gemaakt en is het goed nabij God te zijn. Het grootste is om met alle zorgen bij Hem te komen. Alle begeerten aan God bekend te maken. Want langs die weg wil Hij de vrede Gods in het hart wegschenken.
De Heere wil een biddend volk, een behoeftig volk, een arm volk, een afhankelijk volk bedienen uit de volheid van Christus. Hij wil alle nooddruft vervullen. Daarom: doe uw mond maar wijd open. Roep Hem maar aan. Smeek tot Hem. Alles wat u ontbreekt, zal Hij u dan schenken. Maar bovenal mag daar dan zijn die vrede Gods verworven door de kruisdood van Christus. Die vrede die alle verstand te boven gaat.
Een vrede, die hier nog wel eens aangevochten en bestreden is. Een vrede, die hier nog dikwijls zo getemperd is door de onvolmaaktheid. Een vrede, die hier nog wel eens ruw wordt verstoord door de moeiten en zorgen van het leven. Maar deze vrede zal eens ten volle doorbreken als het nieuwe Jeruzalem, die stad van vrede, zal neerdalen uit de hemel. Dan mag het altijd vrede zijn. Een vrede, die is verworven door het Lam van God.
Daarom:
Morgen zal voor ’t zijne zorgen
Armoe is misschien mijn deel,
Maar de Heer’, Die voedt de mussen
Zal ook zorgen voor mijn ziel.
Morgen is voor mij verborgen
Maar ik weet Wie zorgt voor morgen
En Wiens hand mij steeds geleidt.
Amen.