Hebreeën 13:9-10 'Wij hebben een Altaar' ds. M.A. Kempeneers

Prediking over Hebreeën 13:9-10 door M.A. Kempeneers te Katwijk aan Zee

Bij de liturgie is gebruik gemaakt van de Statenvertaling (GBS) en de psalmberijming 1773
75:1, 4, 17:3, lezen Hebreeën 13:1-17, 51:8, 9, 10, 118:13, 132:10
Wellicht bent u en jij - bijvoorbeeld tijdens een vakantie - weleens een Rooms kerkgebouw binnengegaan. Die kerkgebouwen zijn altijd open en nodigen uit om even binnen te kijken.
En als je daar rondkijkt, dan vallen altijd de verschillen op met een protestants kerkgebouw.
De vele beelden en kleurrijke versieringen, de knielbanken, de biechthokjes.
Die zijn in onze kerkgebouwen allemaal niet te vinden.
En wat vooral opvalt is: wij hebben geen altaar.

In het Roomse kerkgebouw staat dat altaar op de centrale plaats en is alles gericht op dat altaar.
En het staat er niet als decoratie, maar het wordt elke dienst gebruikt om het misoffer op te brengen. Het altaar staat centraal in het Roomse kerkgebouw en in de Roomse eredienst.

Maar wij hebben geen altaar. In de protestantse eredienst is alles gericht op de preekstoel.
Wij kennen geen misoffer, wij hebben geen priester.
Bij ons gaat het om de verkondiging van het Woord door de dienaar van het Woord.
En ja, wij kennen wel het Heilig Avondmaal, maar dat zichtbare teken is wezenlijk anders dan het Roomse avondmaal, de eucharistie.
Daar wordt eerst het misoffer gebracht op het altaar.
Maar wij hebben geen altaar, ook niet tijdens het Avondmaal.

Maar nu lezen we in de tekst: wij hebben een altaar.
En we vragen ons af: wat bedoelt de apostel daarmee?
Laten we naar de verkondiging van deze woorden gaan luisteren.

Wij hebben een altaar
1 het altaar van de tabernakel
2 het altaar van de kerk

1 het altaar van de tabernakel
De brief aan de Hebreeën is niet het makkelijkste boek uit de Bijbel.
Allerlei vragen zijn te stellen over de schrijver, de geadresseerden en de inhoud.
Daar kunnen we nu allemaal niet op ingaan, maar voor het verstaan van de tekst is wel belangrijk dat wij weten aan wie de brief gericht is en met welk doel de brief geschreven is.

De brief is gericht aan de Hebreeën. Het woord Hebreeër komt van de naam Heber. En dat was de zoon van Sem, de kleinzoon van Noach, zo lezen we in Genesis 10.
Abraham wordt in Genesis 14 een Hebreeër genoemd, en Jona zegt tegen de zeelieden: ik ben een Hebreeër en ik vrees de HEERE. En we lezen het ook in Filippenzen 3 dat de apostel Paulus zich noemt: een Hebreeër uit de Hebreeën.
De aanduiding Hebreeën wordt in de Bijbel dus gebruikt voor het volk Israël. En hun taal wordt Hebreeuws genoemd.

Hoewel het opschrift ‘de brief aan de Hebreeën’ er later boven is gezet en de aanduiding ‘Hebreeën’ in de hele brief niet voorkomt, is het wel zo dat de mensen aan wie de Hebreeënbrief is geschreven Joden zijn geweest. Maar dan wel Joden die christen zijn geworden. En deze Joodse christenen, aan wie de brief geschreven is, woonden hoogstwaarschijnlijk in Jeruzalem.
Dat de geadresseerden een Joodse achtergrond hebben, wordt duidelijk uit de vele verwijzingen van de schrijver naar de Joodse religie. Hij heeft het over de priesters, de offers, de feesten enzovoorts. In onze tekst wijst hij op de plaats waar de Joodse eredienst tijdens de woestijnreis plaatsvond, de tabernakel. Die was ten tijde van de Hebreeënbrief allang vervangen door de tempel. Maar de tabernakel is hier symbool voor de hele oudtestamentische eredienst.

En wat was er nu met deze Hebreeën aan de hand? En met welk doel heeft de apostel deze brief geschreven? Wel, deze Joodse christenen dreigden terug te vallen in de Joodse godsdienst.
Er waren allerlei dwaalleraren die beweerden dat ze de oude Joodse wetten moesten blijven onderhouden. De wetten over het eten, over de kleding enzovoorts. En dat ze moesten blijven offeren op de altaren en de Joodse feesten moesten blijven houden.
Natuurlijk, Christus en Zijn offer waren wel belangrijk, maar daarnaast moest je toch echt aan de Joodse wetten blijven vasthouden, want anders werden je zonden niet vergeven en kon je het eeuwige leven niet verkrijgen.
En dat sloot aan op de sentimenten van de Joodse christenen, die er moeite mee hadden om al die gebruiken en gewoonten waarmee ze waren opgegroeid, achter zich te laten.
En zo dreigden ze terug te vallen in de oudtestamentische dienst van de tabernakel.

Bovendien, de Hebreeën leefden in een tijd van vervolgingen. Het was gevaarlijk om het christelijke geloof te belijden. En zij werden bang en vermoeid vanwege al die gevaren. Ook daarom dreigden ze terug te vallen in het oude Joodse geloof, om zodoende de vervolging en de verdrukking te ontgaan.

En daar gaat de apostel in zijn brief tegen waarschuwen. En hij wil de Hebreeën ook onderwijzen en bemoedigen. Hij roept ze op tot standvastigheid en volharding. Op elke bladzijde van zijn brief maakt hij duidelijk dat de oude Joodse eredienst in de oudtestamentische tijd wel betekenis had, maar dat al die elementen vervuld zijn in Christus. En dat het een groot kwaad is als ze toch blijven vasthouden aan de oudtestamentische eredienst.

Hij noemt allerlei personen en ceremonies op en vergelijkt die met Christus.
Hij heeft het over Mozes, over Aäron, over de offers, en telkens weer zegt hij: maar Christus is hoger en beter. Christus is hoger dan Mozes, en hoger dan Aäron. En de offers van de tabernakeldienst waren onvolmaakt, want het is onmogelijk dat het bloed van stieren en bokken de zonden kan wegnemen, hoe vaak het ook wordt gebracht.
Maar het éne offer van Christus is genoeg om alle zonde weg te nemen.

Een laatste relevante achtergrond voor het verstaan van de tekst, is de verdrietige werkelijkheid dat de apostelen en de eerste voorgangers nagenoeg allemaal waren weggevallen. Zij die de Heere Jezus persoonlijk gekend hadden en onderwijs van Hem hadden gekregen en de gemeente hadden gesticht en gediend, waren bijna allemaal gestorven. En daarmee liep de gemeente nog een extra gevaar om hun onderwijs te vergeten. Daarom roept de apostel in vers 7 op om die voorgangers te gedenken en hun geloof na te volgen.

In vers 9 waarschuwt hij voor ‘verscheidene en vreemde leringen’.
En hij brengt die leerstellingen in verband met voedsel. En dan gaat het om het voedsel in relatie tot de oudtestamentische eredienst. We kunnen dan denken aan de offermaaltijden waarvan men mocht eten, zoals het lofoffer in Leviticus 7. Of aan wat er geschreven staat over het onderscheid tussen rein en onrein voedsel in Leviticus 11.
De Hebreeën werden door die leer omgevoerd, dat wil zeggen, heen en weer geslingerd. Ze wisten niet meer wat ze moesten geloven en ze dreigden afvallig te worden. Moesten ze nou alleen in Christus geloven, of moesten ze ook vasthouden aan al die spijswetten?

Misschien zegt u: ja maar dat was toch te begrijpen? Die leer kwam toch uit de boeken van Mozes?
Jawel, maar al die wetten rondom de offers en het voedsel waren in Christus vervuld. Dat hebben de gestorven apostelen en andere voorgangers altijd verkondigd. Zij hebben nooit gezegd dat de Hebreeën zich moesten houden aan de spijswetten en dat ze geen onrein voedsel mochten eten. En daarom noemt de Hebreeënschrijver dat ‘vreemde leringen’. Ze zijn vreemd aan de apostolische verkondiging.

En hij voegt eraan toe dat al die spijswetten van de wet en de traditie wel het lichaam hebben versterkt, maar voor de geest niet nuttig waren. Het voedsel zelf had geen bijzondere kracht. Door het eten van het lofoffer werd men niet bekeerd en kreeg men geen genade.
Het was geen ‘gratia infusa’, zoals de Roomsen dat leren. Die zeggen dat alleen al het eten van het misoffer genoeg is. Daarmee krijg je als het ware een geestelijk infuus. Het misoffer geeft deel aan de genade. Maar dat is een vreemde leer, zo zegt de apostel in onze tekst. Het hart wordt gesterkt door genade en niet door spijze.
Dat is hetzelfde als wat de apostel Paulus schrijft in Romeinen 14:17, dat het koninkrijk Gods niet is in spijze of drank, maar in rechtvaardigheid en vrede en blijdschap door de Heilige Geest.

De apostel stelt het hier heel scherp: iemand die vast wil houden aan de oudtestamentische eredienst en die het altaar van de tabernakel in stand wil houden, die heeft geen deel aan de genade van Christus. Hij zegt in vers 10: wij hebben een Altaar van Hetwelk geen macht hebben te eten die de tabernakel dienen.

En dan denkt hij aan wat er op de Grote Verzoendag gebeurde. In Leviticus 16 lezen we van die twee bokken die daarvoor werden gebruikt. Op de ene bok legde de hogepriester zijn handen en symbolisch werden dan de zonden van het gehele volk op hem overgedragen. En met die zonden beladen werd de bok in de woestijn gebracht en zo werden de zonden van het volk weggedragen.
De andere bok werd gedood en dan lezen we in Leviticus 16:27 dat het vlees van dat dier niet mocht worden gegeten, maar dat het verbrand moest worden. Want dat zondoffer was één met de zonde geworden en dat eet je toch niet? Dat moest buiten de legerplaats worden gebracht en worden verbrand.

En de apostel maakt de toepassing voor de Hebreeën dat degenen die de tabernakel willen blijven dienen, en die willen blijven vasthouden aan de oudtestamentische wetten, die hebben geen macht, dat wil zeggen: geen bevoegdheid, geen recht om van het Altaar te eten.
Wij hebben een Altaar van Hetwelk geen macht hebben te eten die de tabernakel dienen.

En wat bedoelt hij dan als hij zegt: wij hebben een Altaar?
Wel bij een altaar denken we dus aan een offer. En een Bijbels offer houdt verband met zonde en schuld. De Heere heeft zondaren de weg gewezen naar het altaar. Daarop werd het offer van de verzoening gebracht. Het zondoffer.
Het offerdier nam de zonden van de zondaar over.
Het offerdier nam de plaats in van de zondaar.
Het offerdier stierf in plaats van de zondaar.

En al die oudtestamentische offers zijn vlees en bloed geworden in de Heere Jezus Christus.
Hij is het Altaar waar de apostel het in vers 9 over heeft. En Hij is ook het offer op het Altaar.
Het Altaar wijst dus op het lijden en sterven aan het kruis op de heuvel Golgotha, waar het grote Zondoffer, de Heere Jezus Christus tot verzoening van de zonden is geofferd.

En nu komen we bij de vraag waar het in de Hebreeënbrief uiteindelijk om gaat. En waar het in heel de Bijbel om gaat. Namelijk: hoe kunnen mijn zonden worden verzoend? Hoe krijg ik deel aan de vergeving van mijn schuld? Wat moet ik doen om zalig te worden? Hoe kan ik het eeuwige leven binnengaan?
Dat kan alleen als je eet van het Altaar, zo zegt de apostel.
Als je eet van het zondoffer tot verzoening van de schuld.

De Joodse wet verbiedt het om te eten van het zondoffer, zo lezen we in Leviticus 16.
Dus zo zegt de apostel, wie vast wil houden aan de Joodse wetten en eredienst, die heeft geen deel aan Christus. Want om deel te krijgen aan Christus moet je eten van Zijn zondoffer.
En daarmee grijpt de apostel terug op het onderwijs van de Heere Jezus Zelf.
Hij heeft gezegd in Johannes 6:54 Die Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven.

Zo wordt beschreven wat het ware geloof doet. Dat eet als een hongerig mens van het vlees van Christus. Niet letterlijk, want het Koninkrijk Gods bestaat niet in spijze en drank.
Het gaat om het geestelijk eten en drinken van Christus. Anders gezegd: om het geloof in Hem.
Mijn vlees is waarlijk spijs, en Mijn bloed is waarlijk drank, zo heeft de Heere Jezus gezegd.
Voor een geestelijk hongerige ziel ligt er voedsel en kracht in het lijden en sterven van Christus.

De Joden die vast willen houden aan de spijs- en offerwetten, hebben daar geen deel aan.
Het wordt hen zelfs verboden om van het Altaar te eten. Hun wetten verbieden hen om zondoffers te eten. En daarom hebben zij geen deel aan Christus. Zij kunnen en willen niet van genade alleen leven, maar zij menen ook zelf een bijdrage te moeten doen door de spijs- en offerwetten te houden.

En als wij nu naar de toepassing van dit onderwijs zoeken voor onszelf, dan moeten wij de vraag stellen: hoe denkt u straks voor God te kunnen verschijnen? Wat is de grond voor de rust van uw ziel? Waar hoopt u op, als de eeuwigheid aanbreekt? Hoe denkt u zalig te kunnen worden?
Als uw geweten spreekt, hoe krijgt u dat dan rustig?
Als u gezondigd hebt, hoe wilt u dat compenseren?

Natuurlijk weten wij van het offer van Christus. Daar zijn we bij opgevoed. Dat alleen het bloed van Christus reinigt van alle zonde. En dat we daar alleen door het geloof deel aan kunnen krijgen.
En natuurlijk weten we ook dat de Roomse kerk dwaalt als er op het altaar een misoffer wordt gebracht. We zijn er door de Catechismus in onderwezen dat dit een vervloekte afgoderij is.
En natuurlijk zullen wij nooit de oude Joodse wetten in ere herstellen. Wij blijven verre van de besnijdenis en van het houden van de sabbat enzovoorts.

Maar betekent dit dan dat wij niet vallen onder de categorie mensen die de tabernakel dienen?
Zoals gezegd, die tabernakel was allang verdwenen toen de apostel de Hebreeënbrief schreef. Maar hij gebruikt dit als symbool voor de godsdienst die niet genoeg heeft aan het offer van Christus. En die daarnaast of in plaats daarvan steunt op eigengerechtigheden. En die het ook nog verwacht van eigen offers, en van allerlei wetten, tradities en gewoonten.
Wie van ons heeft genoeg aan godsdienstige plichten? Kijkt u dat eens eerlijk na. Bent u of jij er tevreden mee als je op zondag weer twee keer naar de kerk bent geweest en misschien nog wel een stukje uit een stichtelijk boek hebt gelezen? Ben je er tevreden mee als je bij het opstaan en naar bed gaan en bij de maaltijden je handen vouwt en een gebed opzegt?
Jonge mensen, ik hoop dat je dagelijks uit je dagboekje leest en dat je probeert te leven zoals de Heere dat van je vraagt. Dat zijn allemaal goede dingen, begrijp mij goed. Maar is daarmee je schuld verdwenen? Zijn daarmee je zonden verzoend?
Ontleen je aan je godsdienst je geestelijke rust? En denk je bij al die godsdienstige dingen misschien wel dat de Heere daar blij van wordt?
En natuurlijk, je bent wel een zondaar, maar toch niet zo erg als die buurjongen die alles doet wat God verboden heeft. En als u al jarenlang verschillende kostuums en jurken glimmend hebt gezeten in de kerk, dan zult u toch wel een streepje voor hebben bij de Heere?

Als we zo denken, misschien wel heel heimelijk, dan zijn we in wezen bezig om het altaar van de tabernakel te dienen.
En weet u wat de diepste oorzaak is? We zijn niet overtuigd van onze verlorenheid. We zijn niet overtuigd van onze zonden. En van onze totale verdorvenheid.
We menen onze zonden te kunnen compenseren met ons christelijke leven.
We menen onze schulden te kunnen bedekken met onze reformatorische vormen.
En we hopen dat het straks wel mee zal vallen, want we waren toch ernstig en we bedoelden het goed.

Wat is het nodig dat we door de Heilige Geest ontdekt worden aan wie we zijn. Aan de diepte van onze schuld en de ernst van onze zonde.
Want alleen zo komt er plaats voor Christus.
En als wij niet eten van Zijn zondoffer. Als we niet hongerig zijn naar Zijn vlees en als we nooit geestelijk hebben geproefd en gesmaakt dat God goed is voor een slecht mens, dan moeten we eeuwig honger lijden.

Maar als je het begint te verstaan hoe groot je zonden en ellenden zijn, dan leert de Heilige Geest je ook vragen naar het middel om van die zonden en ellenden verlost te worden.
En wat is dan het antwoord en wat is dan de boodschap?
Wij hebben een Altaar!

2 het altaar van de kerk
Dat mogen wij in de kerk zeggen. Wij hebben een Altaar.
Geen altaar zoals dat in de Roomse kerkgebouwen staat. En geen priester en ook geen misoffer en geen eucharistie.
Maar wij hebben een Altaar, dat wil zeggen: wij hebben Christus! Wij hebben Zijn offer.
En dat is een onuitsprekelijk rijke boodschap.

Of vindt u het te algemeen als dat zo wordt gepredikt? Wij hebben een Altaar. Wij hebben Christus!
U denkt misschien: dat kan toch zomaar niet tegen iedereen in de kerk worden gezegd?
Niet iedereen heeft Christus toch? Dat geldt toch alleen van Zijn volk?
Gemeente, ik begrijp wat u bedoelt. Maar toch laat ik het staan. Wij hebben een Altaar. Wij hebben Christus.

Wie van u heeft er geen huisarts? Wie van u staat niet bij een huisartsenpraktijk ingeschreven?
Ik denk dat dit van niemand van ons geldt.
Wij hebben allemaal een huisarts. Iedereen zal zijn vinger opsteken als ik daarnaar vraag.
Maar als ik vraag: bent u ook allemaal naar die huisarts geweest? Dan gaan er heel wat minder vingers omhoog. Dan zijn dat alleen die mensen die de huisarts om één of andere reden nodig hebben gekregen. Dan zijn dat de mensen die niet meer genoeg hadden aan paracetamol of andere middelen uit de huisapotheek.
Zo is het toch? We hébben allemaal een huisarts. Maar alleen zij gaan naar de huisarts toe, die hem nodig hebben gekregen. Van wie de huisapotheek uitgeput is.

En nu terug naar de tekst.
Wij hebben een Altaar. Wij hébben Christus. Dat wil zeggen: Hij is beschikbaar, en Hij is toegankelijk.
Onze belijdenis zegt dat Hij ons in het Evangelie wordt aangeboden. En dat de belofte dat wie in de gekruisigde Christus gelooft, eeuwig zal leven ons moet worden verkondigd met bevel van bekering en geloof. Wij hébben een Altaar. En we mógen er gebruik van maken.

Maar de vraag is: wie heeft Hem nodig?
Dat is als je ervan overtuigd wordt dat je eigen offers onvolkomen zijn.
Als je ervan overtuigd wordt dat je beste werken met zonde bevlekt zijn en dat je gerechtigheden een wegwerpelijk kleed zijn.
Het oude gezang zegt: Niet het offer dat ik breng en niet de tranen die ik pleng, schoon ik ganse nachten ween, kunnen redden; Gij alleen!
Wie dat leert nastamelen, gaat het woordje ‘genade’ spellen.

De verzoening met God, de vergeving van zonden, het eeuwige leven, dat is allemaal bereikbaar.
Maar daar hangt wel een prijskaartje aan.
Op de ene kant van dat prijskaartje staat geschreven: ‘gratis’. Genade.
Maar op de andere kant staat geschreven: betaald met de dure prijs van het bloed van Christus.

En als ik dat ga verstaan, dan wordt mijn hart door genade gesterkt. De genade van de Heere Jezus Christus. En door het geloof mag ik dan eten van Zijn vlees en drinken van Zijn bloed.
Dan krijg ik deel aan het offer van Christus.
Het zondoffer dat Hij op het altaar van Golgotha heeft gebracht.

En naar dat zondoffer wordt verwezen in het teken van het Heilig Avondmaal.
Dit is Mijn lichaam, zo heeft Christus bij de instelling van die maaltijd gezegd. En dit is Mijn bloed.
Nee, door dat kleine stukje brood en dat ene slokje wijn wordt het lichaam niet gesterkt.
En daar gaat het in het Avondmaal ook niet om.
Maar het hart wordt gesterkt door de genade die daarin wordt verkondigd.

Dan wordt mijn geestelijke honger gestild. Dan wordt mijn leegte vervuld. Dan mag ik rusten in Christus. In Zijn offer. In Zijn verdienste.
Dat is het Altaar, dat is het offer. Zijn vlees is waarlijk spijs en Zijn bloed is waarlijk drank.
Wat een zegen als je als zondaar en verloren mens mag rusten in de genade van God Die Hij in Christus heeft geopenbaard. Hij heeft alles volbracht. En dat je mag rusten in Hem.

Gemeente, wat ons in de Hebreeënbrief wordt gepredikt, is een zaak van leven of dood.
Of het is Christus. Of het zijn uw eigen werken.
Of u eet van dit Altaar, of u eet er niet van.
Of uw hart wordt gesterkt door Zijn genade, of uw hart wordt niet gesterkt en zal eeuwig hongeren.
Of u houdt vast aan uw eigengerechtigheden, of u mag rusten in de gerechtigheid van Christus.
Of u mag eeuwig leven ontvangen uit genade, of u eindigt in de eeuwige dood door eigen schuld.

O zondaars die een altaar zoeken: zie toch het Lam Gods dat de zonden der wereld wegdraagt.
Als uw schuld te groot is om hem zelf te betalen. Als uw zonden te erg zijn om ze te compenseren.
Als er in uzelf geen genezing meer is voor uw verlorenheid en verdorvenheid: bij Hem is er genade om gered te worden. Bij Hem is er kracht voor uw zwakheid.
Wij hebben een Altaar.
Wij hebben Christus.
Er is vergeving.
Er is genade, overvloeiende voor de grootste der zondaren.
Wendt u naar Hem toe en wordt behouden, o alle gij einden der aarde!

Amen