Preek over Openb. 3: 1-6 van ds. P. den Butter
Liturgie:
Ps. 119: 80, 88
Wet des Heeren/ Geloofsbelijdenis
Schriftlezing: Openb. 3: 1-6
Ps. 63: 2
Ps. 95: 5,6,7
Ps. 81: 9,12
Ps. 77: 7
‘En schrijf aan de engel der gemeente, die te Sardis is: Dit zegt Die de zeven geesten Gods heeft en de zeven sterren….’. (Openb. 3: 1-6).
Christus’ brief aan de gemeente van Sardis
Daarin lezen we:
1. Hoe Christus die gemeente ziet;
2. Wat Christus die gemeente opdraagt,
3. Wat Christus die gemeente belooft.
1.Hoe Christus de gemeente van Sardis ziet
In het verleden was Sardis een stad van betekenis. Het was ooit de hoofdstad van het rijk van de fabelachtig rijke koning Croesus. Die rijkdom straalde ook op de stad af en Sardis stond bekend als zeer welvarend.
Ook in die stad heeft Christus een gemeente gesticht. Hoe Hij dat deed wordt ons niet verteld. Uiteraard gebeurde dat in Sardis ook door Woord en Geest. Zo werkt de Heere immers altijd. En Hij gebruikt ook altijd mensen, die Hij in Zijn dienst neemt om Zijn Woord te brengen. Hun prediking doet Hij gepaard gaan met het werk van de Heilige Geest, waardoor het Woord in het leven van hen die het horen een kracht tot zaligheid wordt. Zo zal het ook in Sardis gegaan zijn.
Wie daar de boodschap gebracht hebben? Blijkbaar hoeven we dat niet te weten. De persoon van de boodschapper is ook niet zo belangrijk. Hij is maar een mensenkind: een stem. De boodschap is veel belangrijker. En de Heilige Geest Die het gepredikte woord toepast is eveneens veel belangrijker.
De door de Heere gestichte gemeente in Sardis staat wel in een gevaarlijke omgeving. De rijkdom en het welvaren daar vormen een strik. De strik van het materialisme. Die strik is al voor velen funest gebleken. Dat heeft de geschiedenis van de kerk wel laten zien. Trouwens, ook onze tijd laat zien dat aardse welvaart en het goede leven hier op aarde gemakkelijk verstikkend werken, waardoor de omgang met de Heere verschrompelt en het vertrouwen op de Heere verdwijnt. De gemeente van Sardis is aan die strik niet ontkomen, zoals uit de brief duidelijk wordt.
Welnu, hoe ziet de Heere die gemeente? Hij ziet haar precies zoals zij is. Hij wordt niet door de uiterlijke schijn verblind. Hij ziet dwars door de buitenkant heen en peilt het hart van mensen. Wat ziet Hij daar?
Omdat Hij de gemeente ziet tot in haar binnenste, maakt Hij Zichzelf in de aanhef van de brief op een bepaalde manier bekend. Hij zegt van Zichzelf dat Hij de zeven geesten Gods heeft. Met die uitdrukking wil gezegd zijn, dat de Heere beschikt over de Heilige Geest in Zijn volheid. Alles wat de Geest is en doet staat Hem ter beschikking en kan Hij gebruiken. En dat hebben ze in Sardis nu juist zo hard nodig. Het werk van de Geest – daar is in Sardis helaas maar weinig meer van te bespeuren. Tot die trieste constatering moest de Heere Jezus komen en dat laat Hij via deze brief ook weten.
De gemeente daar staat goed bekend. Zij heeft de naam van een levende gemeente te zijn. Een gemeente waar de dingen goed georganiseerd zijn. Een gemeente ook waar de leden actief zijn, waar de offervaardigheid goed is, waar de mensen met elkaar meeleven, waar de kerkdiensten goed bezocht worden en waar de sacramenten getrouw bediend worden. Voor de gemeenten in de omtrek is Sardis een voorbeeld-gemeente. En in Sardis zelf zijn ze trots op de goede naam die van haar uitgaat. Ze voelen zich knap tevreden met het niveau waarop ze staan. Ze zijn ook gaan geloven dat God wel tevreden met hun gemeente is.
Het moet dan ook wel een hele ontnuchtering voor Sardis zijn als op een gegeven moment de engel van de gemeente moet aankondigen dat er een brief ontvangen is van de apostel Johannes en dat daarin dingen staan die een heel ander beeld te zien geven. Als de voorganger deze brief gaat voorlezen blijft de gemeente niet lang in onzekerheid ten aanzien van de bedoeling ervan. En hoewel het pijn doet en waarschijnlijk ook wel op verzet zal stuiten moet hij toch lezen wat er staat: Gij hebt de naam dat gij leeft, en gij zijt dood.
Staat dat er echt? Ja, dat staat er echt. De voorganger kan er niets anders van maken. Maar dan vergist de apostel Johannes zich wel heel erg. Zou het? Is het trouwens wel een brief van Johannes? Nee, Johanns is alleen de schrijver, maar de afzender is Hij Die de zeven geesten Gods heeft, Christus Zelf. Hij zegt het. Hij is van mening, dat de gemeente dood is. Zo heeft Hij haar leren kennen. Dwars door alle uiterlijke schijn heen heeft Hij naar binnen gekeken en toen zag Hij….niets. Ik heb uw werken niet vol bevonden voor God.
Ja, er zijn wel werken. Die ziet Christus ook wel. Goede werken. Ze zien er echt wel veelbelovend uit. Ze glanzen en glimmen en de mensen zeggen: Wat een bloeiende gemeente. Maar die Heere heeft de vrucht van wat dichterbij bekeken en toen ontdekte Hij dat de vrucht voos is. Net als een noot, die onder een glanzende bast leeg blijkt te zijn. Niet vol, maar leeg dus. Als de buitenkant er van afgepeld is, blijkt er niets te zijn. Ze hebben wel de naam dat ze leven, maar God ontvangt niets van Sardis. Geen liefde. Geen eer. Geen gehoorzaamheid. Niets.
Erger nog is het. Sardis is dood. Er was een tijd dat de gemeente leefde, maar dat is niet meer zo. Dat is voorbij. Langzaam maar zeker is het leven verdwenen en nu is er alleen nog de dood. Zo ziet Christus de gemeente van Sardis. Dat is wat Hij er waarneemt. De mensen mogen zeggen wat ze willen, maar dit is wat Christus zegt.
Denk nu niet dat dit een kille constatering van de Heere is. Nee, deze woorden kan Hij Johannes alleen maar in de pen geven terwijl Zijn hart vervuld is van droefheid. De Heere beleeft er pijn aan als Hij ziet dat Zijn werk teniet gedaan wordt. Hij heeft in Sardis gewerkt. Hij heeft zondaren tot bekering gebracht. Hij heeft mensen aan de greep van Satan ontrukt en hen gebracht binnen de kring van Zijn gemeente. Toen leefde het. Toen zong men Zijn lof. Toen was er ook vreugde in de hemel over hen die zich in Sardis bekeerd hadden.
Maar die vreugde is verstild. Ja, in Sardis bleven ze wel zingen, maar de engelen zongen niet meer mee. Er was dan eigenlijk ook niets meer om over te zingen. En met pijn in Zijn hart moet de Koning der kerk Johannes deze ernstige beschuldiging laten opschrijven. Want ze moeten het in Sardis wel weten, ook al zullen ze ervan schrikken.
Is het eigenlijk geen groot wonder, dat de Heere deze brief aan Sardis laat sturen? Als de Heere niet anders kan constateren dat de gemeente dood is, want verwachten we dan? Wat moet er gedaan worden met een dode? Precies, die moet worden begraven. Aan een dode schrijf je toch geen brief meer. Voor een dode is slechts een plaats geschikt: het graf. Zal dat het einde zijn van Sardis?
Nee, de Heere spreekt wel van dood, maar Hij zegt niets over het graf. Nog niet! Waarom niet? Omdat Hij, ondanks de grote teleurstellingen die Hij van de kant van Sardis ondervindt, toch nog aan Zijn ontferming gedenkt. Ja, als het niet anders wordt in Sardis zal het er op den duur wel van moeten komen, dat de dode gemeente begraven wordt, maar dat wil de Heere nu nog niet doen. Nu krijgt die gemeente nog een gelegenheid om zich te bekeren. En het is met die bekering voor ogen, dat de Heere de gemeente deze brief stuurt. Hij zoekt haar behoud. Een behoud, dat bereikt kan worden in de weg van bekering. Maar in die weg alleen.
Zo kan het dus gaan met een gemeente. En zo is het na Sardis met zoveel christelijke gemeenten gegaan. Wat zijn er al veel gemeenten langzaam gestorven en omdat de bekering uitbleef, ook begraven. Helemaal van de aarde verdwenen. We hoeven niet eens ver in het verleden terug te gaan, maar kunnen in onze eigen tijd blijven. Hoeveel kerkgebouwen konden er al worden afgebroken, omdat er geen gemeenten meer waren? Het ging wel niet van de ene dag op de andere, maar het gebeurde wel.
Eerst bleef er nog wat vorm over. Het leek nog steeds wat. Mensen verkeken zich echter op de situatie. De morgendiensten werd nog wel trouw bezocht. Maar over het vasthouden aan een tweede dienst ging men verschillend denken. O ja, men bleef actief. In plaats van de tweede dienst kwamen de bijbelkringen op een avond in de week: een mooi alternatief. En zo waren er nog meer activiteiten, waardoor de schijn bewaard bleef. Maar wat vindt de Heere ervan? Is Hij er ook van onder de indruk? Proeft Hij in de activiteiten de liefde tot God? Is dit de eer en de toewijding, die Hij verwachten mag van Zijn kerk?
Hoe ziet de Heere onze gemeente? Stel, dat de Heere aan ons een brief zou schrijven – wat zou er dan in staan? Hetzelfde? Dat we de naam hebben dat we leven, maar dat we dood zijn? En als we van de gemeente afdalen tot de leden van de gemeente afzonderlijk – wat zouden we lezen in een brief door Hem aan ons heel persoonlijk gericht? Bent u misschien iemand, die wel bekend staat als iemand die de Heere vreest en leeft uit het geloof? Kijken anderen zo naar u en ziet u zichzelf misschien ook zo? Maar wat vindt de Heere van u? Weet u dat? Luistert u eerlijk naar het Woord, ook als het ons ontdekken wil aan wie we zijn?
Hoor ik iemand nu zeggen: Dat is nu juist datgene waar ik vaak zo bang voor ben? Ik denk wel, dat de Heere in mijn leven begonnen is, maar soms vrees ik, dat er niets van de Heere bij is, maar dat het allemaal mijn eigen werk is? Of zegt een ander misschien: Ja, dat ontdekkend element moet van tijd tot tijd in de prediking meeklinken, maar ik laat mezelf niets afnemen en ik laat me niet bang maken? Ja, zulke mensen zijn er ook.
Inderdaad, waarschuwingen zoals die van de brief aan Sardis moeten van tijd tot tijd in de prediking terugkeren. De Heere wil ons immers eerlijk behandelen en ons niets op de mouw spelden. En Hij wil ook dat we eerlijk naar Hem luisteren. Want zelfs als Hij ons dingen moet zeggen waar we van schrikken dan bedoelt Hij dat met het oog op ons welzijn. Hij wil niet dat we verloren gaan. Daarom gaat Zijn ontdekkende boodschap aan het adres van de gemeente van Sardis gepaard met een opdracht. En straks zelfs ook nog met een belofte.
2. Wat Christus de gemeente van Sardis opdraagt
In Zijn brief aan de gemeente van Sardis heeft de Heere Jezus haar laten zien wat haar probleem is. Niet levend, maar dood is zij. Het is wel een groot probleem. Maar er is nog doen aan. Het kan nog anders worden. Hoe dan? Wel, de Heere heeft er direct aan het begin van Zijn brief al op gewezen, dat Hij de zeven geesten Gods bezit: de Geest in Zijn volheid. Welnu, die Geest hebben ze in Sardis hard nodig. Want door die Geest kunnen de dingen nog anders worden. Die Geest is immers de levendmakende Geest. Hij weet zelfs raad als de dood heeft toegeslagen.
Omdat Christus over die Geest beschikt kan Hij de gemeente van Sardis ook bepaalde dingen opdragen. En dat doet Hij. Hij roept hen op tot waken. Hij roept hen er eveneens toe op, dat ze zullen versterken datgene wat sterven zou. Hij dringt er bij hen ook op aan terug te denken aan die tijd toen de gemeente gesticht werd. En Hij dringt er op aan, dat ze vooruit zullen kijken en zich realiseren, dat Christus straks zal terugkomen en dat ze dan rekenschap zullen moeten afleggen.
Waken. Waakzaam zijn. Letten op de gevaren die de gemeente bedreigen. Niet in zorgeloosheid voortleven en dromen dat het toch wel goed gaat, maar alles doen om de gemeente te wapenen. De gemeente leren bij de Heere te schuilen en in het besef van eigen zwakheid tot Hem vluchten.
Versterken wat sterven zou. Dat laat zien, dat niet alles in de gemeente dood is. Dat zouden we denken als we de Heere alleen zouden horen zeggen: maar gij zijt dood. Nu blijkt evenwel, dat er ook nog mensen zijn, die weliswaar stervende zijn, maar die toch nog niet helemaal in de greep van de dood zijn. En die mensen – die stervenden – moeten versterkt worden.
Ook terugkijken en nog eens overdenken hoe het was toen ze in Sardis Gods Evangelie voor het eerst ontvingen. Wat was dat een goede tijd! In die tijd werkte de Geest Gods nog krachtig. Toen werden mensen bekeerd. Toen schonk de Heilige Geest geloof en werden mensen in staat gesteld om gelovig de boodschap van Gods genade aan te nemen. Toen werden blinde ogen geopend. Toen was er grote vreugde in Sardis.
Laten ze er toch aan terugdenken. Zien ze dan het verschil niet tussen toen en nu? Was het toen niet veel beter? Veel warmer? Veel geestelijker? Missen ze dan niet het leven van toen? Hoe kunnen ze dan tevreden zijn met wat ze nu hebben? Dat steekt toch wel erg armoedig af tegen dat verleden?
En waar ze ook goed aan moeten denken is dat de Heere straks terugkomt. Heeft Hij dat niet Zelf bij herhaling gezegd? En als Hij dan straks terugkomt zullen ze rekenschap moeten geven. Wat hebben ze met Gods Woord gedaan? En met Zijn genade? Heeft de Heere van hen ontvangen de dank die zij Hem verschuldigd zijn? Kunnen ze met een gerust hart die grote dag tegemoet reizen? Zijn ze ervan overtuigd, dat de Heere dan zal zeggen, dat Hij voldaan is over hun werken? Als Hij van die werken nu zegt, dat ze leeg en voos zijn, zal Hij datzelfde dan niet moeten zeggen bij Zijn wederkomst? Hoe kan men dan zo gerust zijn?
Dat is de opdracht die de Heere de gemeente van Sardis geeft. Een opdracht die met één woord kan worden samengevat. Dat ene woord is: Bekeert u! Ja, dat is het wat er moet gebeuren. De weg die ze nu gaan is een weg die uitkomt in het verderf. Een weg hoe langer hoe verder bij de Heere vandaan. Daarom plaatst de Heere diverse waarschuwingsborden langs die weg. Ga zo niet verder. Zie toch eindelijk eens in, dat het verkeerd gaat. En bekeer u. Keer terug. Verlaat deze weg. Vraag weer naar God en Zijn genade. Wees niet langer tevreden met wat godsdienst en wat eigengerechtigheid. Sla toch acht op Gods lankmoedigheid. Al hebt u verdiend, dat de Heere u prijs zou geven, Hij doet dat niet. Nog niet! Nog steeds niet! Maar dan moet er wel bekering komen.
Deze opdracht van de Heere aan de gemeente van Sardis is een opdracht, die iedereen aangaat. Iedereen is verantwoordelijk voor zichzelf en samen zijn ze verantwoordelijk voor heel de gemeente. Waken – dat is ieders taak. Versterken wat sterven zou – ook dat is iets wat ieder zich moet aantrekken. Dat terugdenken aan vroeger tijden en dat vooruitzien naar de dag van Christus’ wederkomst – dat is ook voor allen hard nodig. Ja, niemand mag denken dat hij zich niet hoeft te bekeren. Laat iedereen er dan ook ernst mee maken.
Maar terwijl de opdracht elk lid van de gemeente aangaat heeft de Heere toch het oog op hen die in de gemeente geroepen zijn tot leidinggeven. Let nog maar even op het begin van de brief. Schrijf aan de engel der gemeente… De engel – dat is de voorganger. De man die van Godswege de opdracht heeft gekregen om de gemeente te besturen en te leiden. Dat de Heere die engel met name bedoelt kan ook afgelezen worden uit het feit, dat Hij Zichzelf juist in deze brief bekend maakt als Degene die de zeven sterren heeft. Met die sterren worden immers de engelen der gemeente bedoeld. Een zeer bevoorrechte positie. Maar juist daarom ook zo’n verantwoordelijke positie.
Samen met de engel bedoelt de Heere ook de anderen, die mede leiding geven aan het leven der gemeente: de ouderlingen en diakenen. Ook zij delen in die bijzondere taak. Zij samen zijn het, die moeten waken. Zij hebben een opdracht om zorg te dragen voor die leden die anders sterven zouden. Zij moeten de gemeente keer op keer terugroepen tot de zuivere dienst des Heeren. Zij dienen op te roepen om Christus uit de hemel te verwachten en er op toe te zien dat hun kleren dan niet bezoedeld zullen zijn. Ja, hier horen we wat de Heere verwacht van hen die Hij aan de gemeente gegeven heeft om haar te dienen en over haar welzijn te waken. Een grootse taak. Een verantwoordelijke taak evenzeer. Laten ze zich dan ook aan die taak geven. Niet door heerschappij te voeren en de baas te spelen, maar in dienende liefde, met bewogenheid, met het oog op het welzijn van de aan hun zorgen toevertrouwde schapen en vooral ook met het oog op de eer die de Heere toekomt.
Richt de Heere Zich met deze opdracht ook tot onze gemeente? Dat zou ik denken. Er is verschil tussen de ene gemeente en de andere. Dat blijkt wel als we de zeven brieven in Openb. 2 en 3 met elkaar vergelijken. De gemeente van Sardis is anders dan die van Filadelfia en die is weer anders dan die van Laodicea. Maar bekering is altijd en overal nodig. Keer op keer. Waken eveneens. Terugdenken aan wat God in het verleden deed ook en vooruitzien niet minder. Zijn er onder ons ook, die stervende zijn? Of leden, die wel denken dat het met hen in orde is, terwijl er niets van hen uitgaat?
Maar hoe zijn deze dingen mogelijk? Gaan deze taken niet ieders krachten te boven? Ach ja, van dit alles zal niet veel terecht komen als het van onze inspanningen alleen af zou hangen. Zo getrouw zijn we niet. Zo waakzaam ook niet. Ook niet zo bewogen met elkaars welzijn. Als de leden van de gemeente van Sardis het moeten doen of als het van de kerkenraad daar zou moeten komen, dan komt er niet veel van terecht. Dat weet de Heere ook. Hij weet wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn. Daarom laat Hij het niet bij een opdracht, maar die opdracht doet Hij vergezeld gaan met beloften.
3.Wat Christus aan de gemeente van Sardis belooft
We zagen dat er in de gemeente van Sardis toch ook nog mensen zijn, die weliswaar dichtbij de dood zijn, maar die evenwel toch nog leven. Zij moeten door de liefderijke zorg van anderen versterkt worden om zo voor de dood bewaard te blijven. Er zijn dus nog hoopgevende dingen in Sardis.
Dat blijkt ook uit wat de Heere verder zegt. Het was diep ernstig wat Hij zei. Gij zijt dood! Zo luidde Zijn oordeel. Maar nu laat de Heere weten, dat er, ondanks de ernst van de toestand, nog meer hoopgevende dingen zijn. Er zijn ook nog levenden in Sardis. Leden der gemeente, die nog wel geestelijk levend zijn. Het zijn er niet veel. De Heere moet helaas zeggen dat het er maar weinigen zijn, maar die zijn er dan toch nog. Leden die de Heere typeert als mensen, die hun kleren niet bevlekt hebben.
Zij hebben voorzichtig geleefd tot nog toe. Ook in de gevaarlijke en verleidelijke samenleving in Sardis zijn ze niet meegesleept met de daar heersende cultuur. Ze hebben afstand bewaard. Ze hebben geprobeerd uit de buurt van de zonde te blijven en dicht bij de Heere te leven. Het dienen van de Heere hebben ze niet goedkoop opgevat. Integendeel, zij hebben ingezien, dat de Heere het waard is om gediend te worden met heel het hart en met alle krachten. En hun liefde tot de Heere heeft hun gedrag gestempeld.
Daarmee waren ze natuurlijk wel uitzonderingen in Sardis. Door hun voorzichtige levenswandel vielen ze op. Anderen in de gemeente hebben kunnen constateren dat er toch wel een verschil is tussen hen en de grote massa van de gemeente. Maar daar zullen ze wel hun eigen conclusies aan verbonden hebben. Zo gaat dat nu eenmaal. Mensen, die het zo precies nemen zijn meestal niet erg populair in een gemeente. Zeker niet in een gemeente waar velen het niet zo nauw nemen en al spoedig tevreden zijn met hun werken. Mensen die er zo angstvallig op letten, dat hun kleren niet bevlekt worden, worden al gauw bekeken als al te precies en wettisch. En als die mensen dan juist door hun vrees voor de zonde, ook nog wel eens in twijfel verkeren of zij waarlijk deel hebben aan Gods genade in Christus, dan worden zij al heel gemakkelijk dompers en sombere lieden genoemd.
In actieve en vaak ook oppervlakkige gemeenten weet men met zulke mensen geen raad. Daar blijft men hen het liefst maar wat uit de buurt. Je wordt er een beetje naar van. En als dan soms hier of daar de gedachte opkomt, of die mensen misschien toch wel eens gelijk zouden kunnen hebben, zijn er al snel anderen bij de hand, die je uit de droom helpen en je vragen of jij dan misschien ook zo bekrompen door het leven zou willen gaan.
Het kon best wel eens zo zijn, dat dat handjevol mensen het niet gemakkelijk heeft gehad in Sardis. En intussen had niemand in Sardis in de gaten, dat die weinigen rechtvaardigen juist wel eens de verklaring kunnen zijn waarom de Heere de gemeente als geheel nog niet heeft afgeschreven. Is het vanwege die ware vromen dat de Heere nu aan de gemeente deze brief schrijft in plaats dat Hij voor haar een begrafenis regelt? Ja, het is vaker gebleken, dat Gods kinderen de kurken zijn waarop de wereld nog blijft drijven. Vallen zij weg, dan zinkt de rest ook. Ze kunnen in Sardis wel meewarig naar hen kijken en hen in hun hart verachten, maar laten ze wel beseffen dat de Heere heel anders over hen denkt.
Ze moeten het wel weten, dat de Heere op zulke mensen in ontferming neerziet. Zij zin Hem dierbaar. Hun nauwgezette wandel en hun verlangen naar een heilig leven waardeert Hij. Daarin herkent Hij Zijn eigen werk. Dat bewijst dat zij geleid worden door de vreze des Heeren. En omdat Hij aan zo’n wandel Zijn goedkeuring hecht, zal Hij de vlijt van die Hem zoeken gaan vergelden. Hij belooft hun, dat zij met Hem zullen wandelen in witte klederen. Nu hebben ze hun kleren onbevlekt bewaard en straks zullen ze in de witte kleren van reinheid en overwinning wandelen, samen met Hem in Wie zij meer dan overwinnaars zijn. Die eer zijn ze waardig.
Wat zegt u? Zijn ze die eer waardig? Ja, dat staat er. Maar is dat wel juist vertaald? Ja, het is wel juist vertaald. Maar hoe kan dat dan? Ja, ze zijn het waardig. Maar dat is geen waardigheid, die zij aan zichzelf of aan hun getrouwe wandel te danken hebben. Hun waardigheid is een toegerekende waardigheid, net zoals hun gerechtigheid een toegerekende gerechtigheid is. De waardigheid van Christus wordt hun toegerekend. Daar is niets van henzelf bij. En nochtans is het honderd procent hun waardigheid geworden. Alles uit Christus.
Dat zijn ze zichzelf ook heel goed bewust. Kijk maar wat ze doen als ze straks in witte klederen met Christus mogen wandelen. Dan dragen ze ook allemaal een kroon. Nog een teken van de overwinning die ze behaald hebben. Ook die kroon hebben ze verdiend. Wat doen ze met die kroon? Die leggen ze neer voor de troon en op die troon zit hun Heere en Heiland. Ze spreken met dat gebaar uit, dat zij die kroon alleen aan Hem te danken hebben en dat Hij het waard is om eeuwig gekroond te worden.
Een heerlijke belofte dus voor hen die in Sardis getrouw gebleven zijn. Maar dit is niet de enige belofte, die de Heere aan de gemeente van Sardis doet horen. Er zullen er straks nog meer zijn, die in witte klederen zullen wandelen. Niet alleen die weinigen, die hier zo nauwgezet geleefd hebben, zullen in dit voorrecht delen. Ook anderen kunnen er deelgenoot van worden. Wie? Zij die overwinnen. Zij die acht leren slaan op de opdracht die de Heere in deze brief geeft. Dat zijn dus zij, die waken, die zich bekeren, die weer ernst maken met een eerbiedige wandel voor Gods aangezicht en die het met het dienen van de Heere weer ernstig nemen.
Wat ziet de Heere daarnaar uit. Wat zal Hem dat vreugde geven als Hij de gemeente van Sardis weer ziet terugkeren in Zijn wegen. Als ze in Sardis de zeven geesten Gods weer nodig krijgen om waarlijk te leven. Dat ze dit kwijt waren verdroot Hem zeer. Het zal Hem opnieuw vreugde geven als Hij dat tere leven weer zal hersteld zien. Niet alleen zal Hij hen dan die witte klederen schenken. Hij zal nog meer doen. Hun namen zal Hij niet uitdoen uit het boek des levens. Integendeel, hun namen blijven daar staan en de Heiland zal die namen ook belijden voor Zijn Vader en voor Zijn engelen.
Met andere woorden: Christus zal tegenover Zijn Vader en ten aanhoren van de engelen belijden, dat deze mensen door Hem gekocht zijn. Hij heeft ze verlost. Ze zijn Zijn eigendom. Met Zijn bloed heeft Hij hen tot Zijn eigendom gemaakt. Daarom wil Hij dat zij bij Hem zullen zijn in alle eeuwigheid. Door hem hebben ze toegang gekregen in de hemel. En wat zal de Vader dan doen? Dat kan maar één ding zijn. Hij zal Zijn Zoon geven, dat zij, die door Hem gekocht zijn, eeuwig bij Hem zullen zijn. De Vader kent hen trouwens Zelf ook. Hij heeft hen van eeuwigheid af al liefgehad en verkoren. Hij heeft hen indertijd aan Zijn Zoon toevertrouwd en heeft gezien dat Zijn Zoon hen gekocht en betaald en bewaard heeft. Zo zal er vreugde zijn in de hemel. Bij de drieënige God en bij Gods verloste volk.
Dat is het vooruitzicht dat de Heere de Zijnen voor ogen stelt. Die heerlijkheid wacht allen, die van Zijn genade mochten leren leven en die zich gedurig weer in de weg der bekering tot Hem hebben gewend. Wat dunkt u van deze boodschap? Hebt u hem gehoord? Is het tot u doorgedrongen, wat de Heere u wilde zeggen? De boodschap gaat toch niet het ene oor in en het andere weer uit? De vogels zullen toch niet komen om het gestrooide zaad weg te pikken, zodat alle dingen blijven zoals ze zijn? Hoor dan nog één keer hoe de Heere uw aandacht vraagt. Die een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt.
Amen.