ZONDAG 27
Vraag en antwoord 72, 73 en 74
Psalm 68 : 5
Psalm 106 : 26
Psalm 119 : 17,25
Psalm 105 : 5
Psalm 145 : 4
1 Korinthe 6
Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechismusonderwijs, vindt u in het voorgelezen Schriftgedeelte, 1 Korinthe 6 : 10 - 11
Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beërven.
En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in den Naam van den Heere Jezus, en door den Geest onzes Gods.
Onze catechismus zondag 27, vraag en antwoord 72, 73 en 74
72. Vr. Is dan het uiterlijk waterbad de afwassing der zonden zelve?
Antw. Neen het; want alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigt ons van alle zonden.
73. Vr. Waarom noemt dan de Heilige Geest den Doop het bad der wedergeboorte en de afwassing der zonden?
Antw. God spreekt alzo niet zonder grote oorzaak; namelijk niet alleen om ons daarmede te leren, dat, gelijk de onzuiverheid des lichaams door het water, alzo ook onze zonden door het bloed en den Geest van Jezus Christus weg genomen worden, maar veelmeer, omdat Hij ons door dit Goddelijk pand en waarteken wil verzekeren dat wij zo waarachtiglijk van onze zonden geestelijk gewassen zijn, als wij uitwendig met het water gewassen worden.
74. Vr. Zal men ook de jonge kinderen dopen?
Antw. Ja het; want mitsdien zij alzowel als de volwassenen in het verbond Gods en in Zijn gemeente begrepen zijn, en dat hun door Christus' bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, Die het geloof werkt, niet minder dan den volwassenen toegezegd wordt, zo moeten zij ook door den Doop, als door het teken des verbonds, der Christelijke Kerk ingelijfd en van de kinderen der ongelovigen onderscheiden worden, gelijk in het Oude Verbond of Testament door de Besnijdenis geschied is, voor dewelke in het Nieuwe Verbond de Doop ingezet is.
Vanavond, geliefde gemeente, dus weer een catechismuszondag over de Doop. Het mag wel heel opmerkelijk heten, dat er twee gehele zondagen gesproken wordt over de Doop. Wanneer je zondag 26 gehad hebt, dan denk je bij jezelf dat alles toch eigenlijk wel gezegd is over de Doop. Ook u zult misschien wel denken, dat u nu alles wel weet van de Doop.
Toch schijnt het belangrijk te zijn dat na zondag 26, ook zondag 27 nog als het ware met het doopwater geschreven is.
Ja, waarom dan wel? In zondag 26 is geschreven wat de Doop inhoudt, wat de waarheid, wat het wezen van dat Sacrament is. In zondag 27 worden dan de dwalingen bestreden, de dwalingen ten aanzien van de Heilige Doop.
Gezien in het licht van de tijd, waarin de catechismus geschreven is, zouden wij antwoord kunnen geven op de vraag: tegen wie is zondag 27 dan gericht? In het licht van de geschiedenis is deze zondag gericht tegen de Roomse Sacramentsopvatting, tegen de Luthersen en tegen de Wederdopers.
Misschien zegt u: gaat dat ons ook aan? Ik dacht van wel. Het is bijzonder belangrijk dat er geen onderschatting is van de Sacramenten, maar dat er ook geen overschatting is van de Sacramenten. Een onderschatting van de Sacramenten zoals we dat vonden bij de Wederdopers, en een overschatting zoals we dat vonden bij de Roomse en bij de Lutherse kerk.
Er wordt gevraagd: Is dan het uiterlijk waterbad de afwassing der zonden zelve? Het antwoord mag ons misschien wel duidelijk zijn: Neen het; want alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigt ons van alle zonden. Maar het is toch ook zo dat ons doopformulier een vermaning bevat, dat ook wij de Heilige Doop niet uit bijgelovigheid moeten gebruiken. Daar wordt eigenlijk mee bedoeld, dat wij toch ook wel iets hebben van die ketterijen. Dat wij toch ook wel iets verwachten van het doopwater, alsof er kracht in zou zitten om inderdaad genade aan te brengen.
De Roomse kerk leerde dat het ons vatbaar zou maken voor de hebbelijkheid van de genade en de wedergeboorte. De Lutherse kerk leerde dat wij misschien, zonder het te weten, wedergeboren zouden worden tijdens de ceremonie, wanneer het doopwater over onze hoofden vloeit.
Men leerde dat het doopwater de mens reinigde van zijn erfzonde: van erfschuld en erfsmet. Alsof het doopwater zo grondig reinigde van erfschuld en erfsmet, dat het ook ganselijk reinigde. Vandaar dat in de Nederlandse geloofsbelijdenis gesproken wordt, dat de erfzonde zelfs door den Doop niet ganselijk te niet gedaan wordt, noch geheel uitgeroeid (NGB art.15).
Daaruit is ook weer een misvatting ontstaan. Dat artikel was namelijk geschreven tegen een kerk die leerde, dat wij door dat doopwater ganselijk van onze erfzonde, erfschuld en erfsmet bevrijd zouden worden. Toen heeft de kerk van de Reformatie beleden: niet ganselijk. Daar is weer het misverstand uit ontstaan, dat men toen ging lezen, dat het doopwater onze erfzonde niet ganselijk afwast, maar toch wel een beetje. Daardoor zou het kunnen zijn dat wij de kracht van het doopwater, alsof dat ons ganselijk zou reinigen, ontkennen, maar dat er toch nog iets in ons is, wat iets verwacht van het doopwater op zich.
Luther is zo duidelijk geweest, toen hij gezegd heeft: "Een oceaan van doopwater, wast niet één zonde af!" Ik zou haast zeggen: gelukkig niet. Want anders zou een ongedoopte niet bekeerd, niet wedergeboren kunnen worden.
Wat leert ons de Heilige Schrift? Dat men in de jonge Christengemeente eerst bekeerd moest worden, dat eerst het geloof gewerkt moest worden door de Heilige Geest en dat daarna het Sacrament bediend moest worden. Ik hoef alleen maar te wijzen op Filippus en de Moorman: "Ziedaar water; wat verhindert mij gedoopt te worden? En Filippus zeide: Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd" (Hand.8:36-37).
Het is dus naar de Schrift, wanneer er bij de Doop van volwassenen eerst gevraagd wordt naar hun geloofsbelijdenis. U kent het verschil wel in het formulier voor de Doop van kinderen of van volwassenen.
Hoe zou het dan komen, dat er zoveel misverstanden zijn ten aanzien van de Sacramenten? Ik wil proberen om de kern aan te wijzen gemeente, en dat is dat wij het rechte zicht niet hebben op wat de Sacramenten zijn en op wat de Sacramenten bedoelen. Daar komen veel dwalingen uit voort. Eigenlijk is het merkwaardig dat de dwalingen niet zozeer voortkomen uit het objectiveren van de Sacramenten, maar juist uit het subjectiveren van de Sacramenten.
Wat zijn die Sacramenten eigenlijk? Het is al weer enige tijd geleden dat wij daarin onderwezen werden. De Sacramenten verzegelen en onderstrepen iets. Wat onderstrepen die Sacramenten? Helemaal niet in de eerste plaats, dat ik een gelovige ben. Zelfs het Sacrament van het Heilig Avondmaal onderstreept niet in de eerste plaats mijn aandeel, maar in de eerste plaats onderstreept het Sacrament het Woord van God. De kostelijke beloften van God worden in de eerste plaats verzegeld in de Sacramenten.
Hoewel we die beide Sacramenten niet geheel gelijk kunnen stellen, geldt zowel ten aanzien van het Avondmaal als van de Doop, dat wij deze zullen gebruiken met een gelovig hart. Wat er dan versterkt wordt, dat is niet in de eerste plaats mijn aandeel aan Christus, maar de Sacramenten zijn gericht op de versterking van het geloof in Christus. Waar dat geloof verzekerd wordt door de Sacramenten, daar wordt dat geloof ook verzegeld door de Heilige Geest.
Daarom komen we ook vanavond weer terug bij het eerste wat de catechismus gezegd heeft over de Sacramenten. Hoe wordt het geloof gewerkt? Door Woord en Geest. En hoe wordt het geloof versterkt? Door Sacrament en Geest. En in die weg, gemeente, is er een subjectieve verzekering en wordt het geloof verzegeld door de Heilige Geest. Dat is dus niet verbonden aan de Sacramenten, maar aan het geloof!
Dat heeft Paulus heel duidelijk geleerd in Efeze 1 "In Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte" (Ef.1:13).
Zo onderstreept God in de Sacramenten Zijn eigen Woord en Zijn eigen werk! Zo worden wij ook in deze vragen en antwoorden opnieuw gewezen op het wezen van de Sacramenten. Het zijn panden en waartekenen. Waartekenen, niet in de eerste plaats van mijn aandeel, maar van de beloften Gods. Zoals David daarvan zingt: "Al 't geen Uw mond aan mij had toegezegd, gaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven" (Ps.119:25 ber.).
Zo moeten wij de Sacramenten zien, geliefde gemeente. Is dan het uiterlijk waterbad de afwassing der zonden zelve? Het antwoord kan alleen maar zijn: Neen het; want alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigt ons van alle zonden.
Waarom noemt dan de Heilige Geest den Doop het bad der wedergeboorte en de afwassing der zonden? Dan antwoordt de catechismus: God spreekt alzo niet zonder grote oorzaak; namelijk niet alleen om ons daarmede te leren, dat, gelijk de onzuiverheid des lichaams door het water, alzo ook onze zonden door het bloed en den Geest van Jezus Christus weg genomen worden, maar veelmeer, omdat Hij ons door dit Goddelijk pand en waarteken wil verzekeren dat wij zo waarachtiglijk van onze zonden geestelijk gewassen zijn, als wij uitwendig met het water gewassen worden.
Ik heb gezegd van het doopformulier, maar dat geldt ook van zondag 26 en 27, dat het eigenlijk alleen door het geloof gelezen en verstaan kan worden, in zijn diepte en rijkdom. In de Sacramenten worden de beloften Gods verzekerd door een pand, een zichtbaar teken. O, dan is het toch de kern van het Evangelie, die ons afgebeeld wordt in het Sacrament.
Dan is het in het Heilig Avondmaal maar niet het lichaam van Christus, maar het verbroken lichaam van Christus en Zijn vergoten bloed waarop alleen onze hoop gevestigd kan zijn. In de Doop kan onze hoop alleen gevestigd zijn op het bloed en de Geest van Jezus Christus.
Als er dan troost is, als er dan geloofstroost is in het Sacrament, dan ligt de dierbaarheid toch niet in het water, maar in de levende Christus, Die gestorven is aan het kruis. Wiens zijde men doorstoken heeft "en terstond kwam er bloed en water uit. En die het gezien heeft, die heeft het getuigd, en zijn getuigenis is waarachtig" (Joh.19:34-35).
Er is geloof voor nodig, gemeente, een beetje geloof. En het geloof van Gods kinderen, het geloof van de wedergeboren Kerk is meestal geen brandend haardvuur, het is slechts een vonkje. Dan mogen de Sacramenten weleens de blaasbalg zijn, die de wind des Geestes doet waaien, zodat het vonkje weer eens aan mag wakkeren in onze levens. Zodat het weer een vuur mag worden, zodat er weer warmte en gloed uit mag stralen. Waaruit? Uit Jezus Christus en uit Zijn verdienste.
De ziel kan maar op één plaats rusten, en dat is in het volbrachte werk van Jezus Christus. In Christus' bloed en wonden, heeft mijn ziel genezing gevonden.
Het is zo nodig, geliefde gemeente, dat we die zaak één keer leren kennen in ons leven, om getroost te kunnen sterven. Maar we hebben het vaker nodig, om getroost te kunnen leven. Het is één keer broodnodig om, hoe dan ook, te weten van een geloofsvereniging met Jezus Christus, met Zijn kostelijke bloed en met Zijn Geest. Maar:
Hij weet, wat van Zijn maaksel zij te wachten,
Hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten,
En dat wij stof, van jongs af, zijn geweest (Ps.103:7 ber.).
Daarom is het Gods wijze van doen, om het vuur levend te houden in ons leven en om het aan te blazen door de Sacramenten, door de Heilige Geest.
O, het is zo'n menselijke vergissing gemeente, wanneer we zouden denken dat het doopwater ons wast of dat het avondmaalsbrood ons zalig kan maken. Het gaat niet om de weldaden van Christus, maar om Christus Jezus Zelf. Daar is geloof voor nodig. En geloof, gemeente, dat is maar niet iets wat ìk beoefen. Dat is maar niet: pak het maar, zodat je het hebt.
Geloof is niet op de weldaden, op zichzelf genomen, uit. Geloven dat ik bekeerd ben, dat is niet het geloof. Geloven dat ik zalig word, dat is niet het geloof. Het komt er wel bij, maar het is de kern van het geloof niet. De kern van het geloof is een relatie, een levende relatie. Het is met hart en ziel aan Jezus Christus verbonden te zijn door de Heilige Geest.
Ook hier gaat het op wat de catechismus geleerd heeft in voorgaande zondagen, dat wij verenigd moeten zijn met Jezus Christus. Op een andere plaats wordt het ingelijfd zijn in Jezus Christus genoemd. De apostel noemt het ook wel: "Eén plant met Hem geworden te zijn" (Rom.6:5).
Daarom wordt de Doop in zijn kern ook zo schoon getekend in Romeinen 6:4: "Wij zijn dan met Hem begraven, door den doop in den dood". Dat is een ondergaan gemeente, dat is een ondergaan. Maar het is ook een opstaan, éénmalig in ons leven in de bekering, maar ik zou ook zeggen: dagelijks! Het doopformulier spreekt over de dagelijkse vernieuwing van ons leven.
Daarom wordt er niet alleen gesproken over het bloed van Jezus Christus Gods Zoon, dat reinigt van alle zonden tot rechtvaardigmaking. Maar hier is ook een directe verbinding met de Heilige Geest, de Geest van Christus tot heiligmaking. De Doop is een kostelijke zaak, maar wordt alleen verstaan door het geloof, geliefde gemeente.
Waarom noemt dan de Heilige Geest den Doop het bad der wedergeboorte en de afwassing der zonden? Het gaat hier om een pertinent antwoord, zoals we dat ook vinden in onze tekstwoorden: "maar gij zijt afgewassen". We vinden het ook in de eerste brief van Petrus, dat "de doop ons nu ook behoudt, niet die een aflegging is der vuiligheid des lichaams, maar die een vraag is van een goed geweten tot God" (1 Petr.3:21).
Dan kan de Schrift zo stellig spreken, alsof de zaak het teken is en alsof het teken de zaak zelf is. Wanneer? Als er geloof is, gemeente, als er geloof is dan wordt het geproefd en gesmaakt, dat het bloed van Jezus Christus Gods Zoon reinigt van alle zonden.
Het gaat in de Doop om een geweldige zaak, die wij zuiver moeten houden. Het gaat er om dat er maar één Naam gegeven is om zalig te worden, Jezus Christus en Dien gekruisigd.
Het gaat ook vanavond om deze vraag: Is er nog enig middel om de welverdiende straf te ontgaan? Nee, er was geen middel hebben we gelezen op de eerste bladzijden van de catechismus. Geen doopwater en geen avondmaalsbrood kan ons zalig maken. De zaak is veel groter, genadiger en barmhartiger. Er is een Middelaar Gods en der mensen: Jezus Christus. Zijn werk aan het hart toegepast zal ons zalig maken.
En het geloof, gemeente, dat legt een relatie, dat legt een betrekking, die door de Heilige Geest wordt gewerkt. Ingeënt te zijn, dat wil zeggen te vergroeien, dat wil zeggen op één wortel te staan en te leven uit hetzelfde beginsel. "Want indien wij met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding" (Rom.6:5).
O, wat is de Doop een kostelijk Sacrament. We moeten ook heel goed begrijpen, gemeente, wanneer de Doop bediend wordt, dat het dan niet alleen een zaak is van dat ene kind, of van die drie mensen: de vader, de moeder en het kind. Het is een gebeurtenis binnen de gemeente, opdat, wanneer wij het water weer zien vloeien, wij gebracht worden tot het geloof. Om het bloed van Jezus Christus weer eens te ervaren tot reinigmaking van al onze zonden, daarvoor is het geloof nodig. "Maar zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen" (Hebr.11:6).
Nu zijn de Sacramenten in zichzelf wel van zo'n goddelijke waarde gemeente, dat al zou een hele gemeente ongelovig zijn, al zouden de doopouders ongelovig zijn en al zou dat kind ongelovig blijven, dat ongeloof kan tot in der eeuwigheid Gods getrouwheid niet te niet doen. Al zou er alleen maar ongeloof zijn, dan blijft het Sacrament tòch Sacrament. Maar de zalige baten zullen we er van missen, want die zijn alleen voor het geloof.
Wij kunnen ook vanavond die catechismusvraag wel herhalen: Wat baat het u nu dat gij dit alles gelooft? Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben, en een erfgenaam des eeuwigen levens.
Het geloof! We zouden het dus zo kunnen zeggen: het geloof is voorwaarde tot het goed verstaan van de Doop. Maar daar kunnen we ook te ver in gaan, wanneer we een zaligmakend geloof als voorwaarde zouden gaan eisen. Wanneer wij zelfs maar de mening zouden hebben, dat wij dat kunnen onderzoeken als mens, ambtsdrager of dominee.
Daar is ook weer een misbruik uit gegroeid. Het was feitelijk zo bij de kinderdoop in Engeland, dat daar sterk de nadruk werd gelegd op het geloof. In de Angelsaksische landen is het toen zo gegaan, dat men ten diepste bij het doopvont niet beloofde om de kinderen op te voeden in de voorzeide leer, maar men beloofde eigenlijk het geloof. Men beloofde geloof en omdat zo'n kind het zelf niet kon beloven dat hij later een gelovige zou zijn, is men daar te ver in gegaan.
Toen is er in verschillende kerkgemeenschappen het gebruik ontstaan, dat de vader of moeder dan maar beloofde: ik geloof in de plaats van mijn kind. En als dat kind geen, laat ik het maar bij zijn naam noemen, bekeerde vader of moeder had, dan namen ze de grootvader of grootmoeder, die hielden dat kind dan ten Doop. Zodoende werd er ten diepste geloof beloofd. Daarom zien wij dat er in die landen een geweldige afkeer is ontstaan tegen de kinderdoop. Dat komt opdat zij de juiste inhoud van de kinderdoop niet hebben verstaan. Zo was er vroeger, maar ook nu in ons vaderland veel misverstand ten aanzien van de kinderdoop.
Daarom is de vraag nog steeds actueel: Zal men ook de jonge kinderen dopen? Ja het; want mitsdien zij alzowel als de volwassenen in het verbond Gods en in Zijn gemeente begrepen zijn, en dat hun door Christus' bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, Die het geloof werkt, niet minder dan den volwassenen, let op: toegezegd wordt, zo moeten zij ook door den Doop, als door het teken des verbonds, der Christelijke Kerk ingelijfd en van de kinderen der ongelovigen onderscheiden worden, gelijk in het Oude Verbond of Testament door de Besnijdenis geschied is, voor dewelke in het Nieuwe Verbond de Doop ingezet is.
Het moest ons nu eigenlijk wel duidelijk zijn, wanneer we de kern gezien hebben van het Sacrament, dat het Sacrament inhoudt dat God Zijn belofte, Zijn Woord onderstreept. Hij stelt tekenen aangaande Zijn spreken. Wanneer wij er oog voor krijgen dat hier het kernwoord is: toegezegd door de belovende God. Wel, dan moet ik eerlijk zeggen, dat ik ineens niet meer zoveel opheb met die volwassendoop. Daardoor maakt men ten diepste van de Doop: ik geloof.
Maar wat is de Doop? Niet ik geloof, maar Ik beloof! Ik beloof in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes! Dat is iets anders dan: ik geloof. God spreekt: Ik beloof. Nu gaat het ook wel om het geloof daarin, gemeente, maar de nadruk van het Sacrament ligt op het beloven van God. Daarom zal men ook de jonge kinderen dopen!
Als God met Zijn Woord tot ons komt als gemeente, als God met Zijn Evangelie tot ons komt, als God tot ons komt in de bediening van het Verbond, zouden dan de jonge kinderen uitgezonderd moeten worden? Ik dacht het toch niet. Als we maar zien, dat het niet een sterveling is, die zijn geloof uitspreekt voor God, maar dat God Zijn naam uitspreekt voor een zondaar: Ik beloof. O, dan kan de zaak duidelijk zijn!
Het is God gemeente, Die Zijn Kerk hier op aarde bouwt. Het is een groot wonder, dat God de Kerk die de zaligheid beërven zal, ook bouwt door middel van mensen, door het heilig huwelijk waarin de vrouw zalig zal worden in kinderen te baren. (1 Tim.2:15).
Het is dus niet zo dat Abraham gezegd heeft tot God: ik geloof. Maar God was het, Die tot Abraham kwam: Ik beloof. Daarom begrijpen we dat het niet alleen over Abraham loopt, maar over Abraham en zijn zaad. Zoals wij dat ook opgenomen vinden in het doopformulier. Dan gaan we er ook iets van begrijpen dat die tekst opgenomen is: "Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal" (Hand.2:39).
Nu moeten we wel even opmerken, dat het doopformulier niet spreekt dat wij in genade aangenomen worden. Maar het doopformulier spreekt dat wij in Christus tot genade aangenomen worden.
Dan gaat het ook om een geweldige verantwoordelijkheid voor gedoopte kinderen, maar ook voor doopouders. Daarom is ook in het formulier de geschiedenis opgenomen van moeders die hun kinderen tot Jezus brachten, opdat Hij ze zegenen zou. Christus heeft hen omhelst, de handen opgelegd en gezegend.
Wat dachten de discipelen toen eigenlijk gemeente? Ze hebben de moeders en hun kinderen afgeweerd. Wat worden er veel vergissingen gemaakt in het Koninkrijk Gods. Wat denken we vaak dat het alleen is voor volwassen mensen. De discipelen dachten dat Christus er niet was voor kinderen, maar alleen voor groten. Maar wat zegt Jezus? "Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods" (Mark.10:14).
Doopstof, geliefde gemeente, is worstelstof om er ten aanzien van onszelf mee voor God op de knieën te komen. En om er ten aanzien van onze kinderen mee op de knieën te komen. Want de kern van het Sacrament, ik heb het u gezegd, is niet de belijdenis: ik geloof, maar God Die zegt: Ik beloof. Maar als het dan nooit komt tot het 'ik geloof' in onze levens, in onze harten, dan is het toch voor eeuwig verloren.
Juist de apostel Johannes, die met recht genoemd wordt de apostel der liefde, die zo bijzonder liefelijk prediken kon, schrijft: "die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt" (1 Joh.5:10).
Dat geldt dan voor een gedoopt voorhoofd des te meer, gemeente. Om God tot een leugenaar gemaakt te hebben, dat zal recht vreselijk zijn. Wie in een weg van ongeloof de verbondszegen veracht, zal tot in der eeuwigheid onder de verbondswraak leven. Dat is de ernst van de zaak. God zegt: Ik beloof! Het geloof behoeft niet groot te zijn, maar het zal er wel op aankomen of wij ooit geloof beoefend hebben.
Misschien vraagt u nu wel in uw hart, wat is dan geloof? Krummacher heeft gezegd: "Geloof is: God voor een waarachtig Man houden". Daarin ligt de ganse zaligheid. "Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp" (Mark.9:24).
Dan is het een kostelijke zaak, geliefde gemeente, het Sacrament. Ik herhaal wat Calvijn gezegd heeft: De Sacramenten zijn de krukken waarop een kreupele Kerk mag gaan. AMEN.