Zondag 33 - 34. Vraag en antwoord 91 - 92 - 93

                                        VAN DE WET

                                      ZONDAG 33, 34

                            Vraag en antwoord 91, 92 en 93

 

        Psalm    97 : 1

        Psalm    97 : 5

        Psalm  119 : 83,84

        Psalm  145 : 4

        Psalm    17 : 3,8

        Galaten   5 

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in Galaten 5 : 22 - 26

 

Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lank­moedigheid, goedertierenheid, goed­heid, geloof, zacht­moedig­heid, matigheid.

Tegen de zodanigen is de wet niet.

Maar die van Christus zijn, hebben het vlees gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden.

Indien wij door den Geest leven, zo laat ons ook door den Geest wandelen.

Laat ons niet zijn zoekers van ijdele eer, elkan­der tergen­de, elkander benijdende.

 

Onze catechismus, vraag en antwoord 91, 92 en 93

 

91. Vr. Maar wat zijn goede werken?

Antw. Alleen die uit waar geloof, naar de wet Gods, alleen Hem ter eer geschieden, en niet die op ons goeddunken of op men­sen-inzettingen  gegrond zijn.

92. Vr. Hoe luidt de wet des Heeren?

Antw. God sprak al deze woorden, Exodus 20:1-17 en Deute­ro­nomium 5:6-21:

Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diens­thuis, uitge­leid heb.

      Het eerste gebod:

Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.

      Het tweede gebod:

Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige ge­lijkenis maken, van hetgeen dat boven in den hemel is, noch van hetgeen dat onder op de aarde is, noch van hetgeen dat in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet bui­gen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde lid dergenen die Mij haten; en doe barmhar­tig­heid aan duizenden dergenen die Mij liefhebben en Mijn geboden onder­houden.

      Het derde gebod:

Gij zult den Naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk ge­brui­ken; want de HEERE zal niet on­schuldig houden, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt.

      Het vierde gebod:

Gedenk den sabbatdag, dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienst­knecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poor­ten is. Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aar­de gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de HEERE den sabbatdag, en heiligde denzelven.

      Het vijfde gebod:

Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God, geeft.

      Het zesde gebod:

Gij zult niet doodslaan.

      Het zevende gebod:

Gij zult niet echtbreken.

      Het achtste gebod:

Gij zult niet stelen.

      Het negende gebod:

Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.

      Het tiende gebod:

Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw,  noch zijn dien­st­knecht, noch zijn dienst­maagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets dat uws naas­ten is.

93. Vr. Hoe worden deze tien geboden gedeeld?

Antw. In twee tafelen; waarvan de eerste leert, hoe wij ons jegens God zullen houden; de ande­re, wat wij onzen naaste schuldig zijn.

 

Wel, geliefde gemeente, het gaat dus over het stuk van de ­dankbaar­heid. En in het stuk van de dankbaarheid worden door de cate­chis­mus twee zaken behan­deld, na­melijk: het gebod en het gebed.

Nu heb ik de vorige maal vraag en antwoord 91 niet behandeld, toen we gesproken hebben over de waar­achtige bekering, die in twee stukken bestaat. Vraag en antwoord 91 heb ik toen verschoven naar de wet Gods, want daar hoort het zakelijk ook bij. Bij de wet, waar­van de catechismus ons straks gaat onderwij­zen, als een stuk der dankbaarheid.

We zouden kunnen zeggen dat vraag en antwoord 91 als het ware een voorwoord is bij de wet die straks behandeld wordt. Dan heeft er min of meer ongemerkt een overgang plaats, van de goede werken naar de wet.

Vraag 91 vraagt: Maar wat zijn goede wer­ken? Dat is een heel belangrijke vraag. De cate­chismus behandelt ook, wat géén goede werken zijn. Dat zijn zo van die din­gen, die op menselijk goed­dun­ken of op menselijke inzet­tingen ge­grond zijn. Daarvan heb­ben we ook gelezen in Gala­ten 5. De Galaten hadden het Evangelie van Jezus Chris­tus, de predi­king van vrije gena­de ontvangen. Maar toen zijn er inzet­tin­gen, die gegrond waren op menselijk goed­dunken, bijgekomen. Bij de Gala­ten was dat de besnijdenis. Zodat Paulus, als in vertwijfeling, uitroept: "O gij uitzinni­ge Galaten, wie heeft u betoverd?" (Gal.3:1). Zodat Paulus vermaant in het vijfde hoofdstuk: "Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijge­maakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen" (Gal.5:1).

Er liggen twee gevaarlijke klippen voor de levende Kerk. Dat is aan de ene kant om niet antinomiaans te wor­den in een vrijheid, die uitloopt op losbandigheid. Maar aan de andere kant is er ook een vrese­lijk ge­vaar van wetti­cisme, wat niet is naar het Woord. Een wetticisme wat niet opkomt uit het Woord, wat niet theonoom is, maar auto­noom, wat de mens zèlf bedenkt. We lezen daarvan dat de Heere Jezus zo vaak belaagd werd door de Farizeën en wat is het een harte­kreet ge­weest: "Zij binden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouderen der mensen; maar zij willen die met hun vinger niet ver­roe­ren" (Matt.23:4).

Wat is het toch nodig, dat de Kerk des Heeren onder­wezen wordt wat Gode welbehagelijk is. Hoe wij tot Gods eer zullen leven en in welke kaders de hei­ligma­king dan zal staan, in welke kaders de dank­baarheid dan zal staan. Het is een ernstige waar­schu­wing: niet op ons goeddunken en geen mense­lijke inzettingen. We hebben het grondig geleerd uit de catechismus: alleen vrije genade, alleen geloof! Maar nu ook in dit stuk, alleen het Woord. Alleen het Woord en niet wat op menselijke inzettingen of op menselijk goeddunken gegrond is.

Is dat dan zo gevaarlijk? Er kunnen van die typi­sche gebruiken zijn, plaatselijk of landelijk. En ik heb daarvan weleens horen zeggen: "Och dominee, baat het niet, het schaadt toch immers ook niet". Is dat waar, is dat ècht waar, schaadt het niet? Paulus heeft op een andere plaats van al die menselijke inzettingen, die niet op het Woord gegrond zijn, gezegd: "Ja, gewisse­lijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Chri­stus moge gewinnen" (Fil.3:8).

Het gaat hier om het punt, geliefde gemeente, dat we zelf geen uitvinders zouden zijn van onze eigen gods­dienst. Er is ook weleens gezegd, en dat rijmt wel aardig ook: het gaat om het gelaat, het gewaad en het gepraat. De vierde regel wordt dan vaak vergeten, dat is de daad. En daar is helemaal niets op tegen, maar het zal wel moeten zijn naar het Woord.

Is een Christen dan kenbaar, moet een Christen dan kenbaar zijn in deze wereld? Natuurlijk! Vast en zeker: in zijn gelaat, in zijn ge­waad en in zijn gepraat, maar ook in zijn daad.

Van ons gelaat heeft de Heere Jezus Zelf gezegd: "Wan­neer gij vast, toont geen droevig ge­zicht, gelijk de geveinsden; want zij mismaken hun aangezichten, opdat zij van de mensen mogen gezien worden, als zij vasten. Voorwaar, ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben. Maar gij, als gij vast, zalft uw hoofd, en wast uw aange­zicht" (Matt.6:16-17). Is Jezus Zelf niet voorge­gaan in een dusdanige eenvou­digheid van Zijn gewaad, dat de Grie­ken komen en vragen: "Heere, wij wilden Jezus wel zien" (Joh.12:21). Jezus was niet opzich­tig gekleed. Reeds was dat zo bij Johan­nes de Do­per, dat Hij aan­gewezen moest worden. Ik weet wel, daar zit een gees­telij­ke kant aan, maar ook een natuur­lijke kant: "Hij staat midden onder ulieden, Dien gij niet kent" (Joh.­1:26).

Zou een christen niet openbaar worden in zijn woor­den? Zeker gemeente! Maar dan hebben we wel te bedenken dat er in de Schrift geschreven staat, dat "het Koninkrijk Gods niet is gelegen in woor­den, maar in kracht" (1 Kor.4:20).

Het gaat vanavond om de heiligmaking en dat is een heel belangrij­ke zaak. Dan gaat de catechismus in antwoord 91 drie dingen noemen van onze daden, van de goede werken. Drie dingen die straks ook bepalend zijn voor de hele wet des Heeren, hoe die wet des Heeren gehan­teerd zal worden.

De cate­chismus zegt dat dìt alleen goede wer­ken zijn, die uit een waar geloof, naar de wet Gods, Hem ter eer ge­schieden. Dat zijn de positieve kenmer­ken van de dankbaarheid ofwel van de heiligma­king. Ze moeten geschieden uit het geloof. Dat was bij de Gala­ten an­ders, die waren met wettische dienstbaar­heid bevan­gen. Het kan geen be­staan hebben voor God, als het niet gedaan is uit het geloof, gelief­de gemeente. "Zon­der geloof is het onmo­gelijk Gode te behagen" (Hebr.11:6).

Stelt u zich eens voor dat de heilig­making het zonder het geloof zou kunnen doen. Wat een ongerijm­de zaak om dat zelfs maar te veron­derstellen.

Uit het geloof staat er niet alleen, maar er wordt nog eens heel nadrukkelijk gezegd: uit een waar geloof! Dan is er ook pas de ware dankbaar­heid. De ware heiligmaking is een geloofszaak, want alleen een waar geloof geeft een ware heiligmaking, een ware dankbaar­heid.

Een gedeelte heb ik er al van gezegd, dat is al aan de orde geweest, maar er moet nog meer gezegd worden over wat die ware heiligma­king is, die uit het ware geloof geschiedt.

Het gaat vanavond niet om een lang stuk catechismus, maar om een zeer belangrijk stuk catechismus. Het gaat om een prachtige stof, om heer­lijke stof, om die wet, inder­daad. Dan gaat het om de langste psalm, die waar­schijnlijk door David is geschreven, over de wet: "Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag" (Ps.119:97).

De waarachtige heiligmaking dat is dit: wanneer God de Vader, de Schepper, de rela­tie weer gaat herstellen met Zijn schepsel, in Christus Jezus, dan gaat God drieënig iets van Zijn beeld her­stellen in zo'n zondaar. Wanneer God Zijn beeld gaat herstellen in onze levens, in die zin, dat we Christus gelijkvormig worden, eerst naar Zijn verne­dering, dan is het eind­doel dat we ook ge­roepen zijn, om eenmaal de ver­heerlijk­te Christus ge­lijkvormig te worden.

Als God Zijn beeld gaat herstellen in onze levens geeft Hij ook de wet terug aan het geloof. Niet als een twee­de werk­verbond, een tweede kans om Gode welbe­hage­lijk te zijn, zoals het werkverbond was voor de eerste Adam. Maar dat is het heerlijke van de ware heiligma­king, dat God Zijn werkverbond onder de tweede Adam herstelt door het genadeverbond.

Onder de tweede Adam te zijn, Jezus Chris­tus inge­lijfd te zijn, dat bete­kent een volledig 'het is volbracht' van het werkverbond in de dadelijke gehoorzaamheid van Chris­tus. Dat snijdt alle wetticisme af, daarom vraagt dat geloof! Zodat de goede werken in eigenlij­ke zin geen werken meer zijn, maar het is het geloof door de liefde wer­kende. Zodat het ophoudt werk te zijn in eigenlijke zin, geloof tegenover werk.

Dan begrijpen we wel, geliefde gemeente, dat de ware heiligmaking is dat we God achterna gaan schreien: "Leer mij naar Uw wil te hand'len". Want anders praat ik zo graag op mijzelf aan. Anders kleed ik mijzelf zo graag op mijzelf aan en ik kijk zo graag op mijzelf aan. Al die eigen dingen liggen veroordeeld.

Zal ik u eens een tekst leren in het Latijn, wat Johan­nes zegt tegen de kinderen Gods? Johannes zegt en leer het maar in het La­tijn: Filioli,­ custodite vo­s a simu­la­cris. Nu ga ik dat zelf verta­len: Kin­der­kens, hoed uzelven voor namaak! Simula­cris, simuleren, dat is nabootsen, dat is namaak, dat zijn de afgoden. "Kin­derkens, bewaart uzelven van de afgoden" (1 Joh.5:2­1).

Daarom bevat antwoord 91 zo'n afwijzing: niet op ons goeddun­ken, niet op menselijke inzettingen gegrond, omdat we anders ten diepste zelfbehagers zouden zijn in de heiligma­king. Maar de heiligmaking dat is wat God beloofd heeft in Ezechiël: "En gij zult een walging van u zelf hebben over uw ongerechtigheden en over uw gruwelen" (Ezech.36:31). Maar een beha­gen krijgen in God en in Zijn gebo­den.

Het is iets kostelijks gemeente, wanneer we de wet mogen verstaan uit de dankbaarheid, want an­ders is de wet iets vreselijks. De wet in zijn verdoe­mende kracht zegt: "Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen" (Gal.3:10).

Maar die wet keert terug in de dankbaarheid voor Gods kinderen, die de wet volkomen volbracht hebben, niet in zichzelf, maar in Christus Jezus de Wetsvol­brenger, Die gezegd heeft: "Zie, Ik kom; Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen", voor die zon­daar, voor die zonda­res, "Uw wet is in het midden mijns inge­wands" (Ps.40:8,9). Dan komt er bij Gods kinderen ook liefde tot de heilig­making naar die wet, zodat Psalm 40 niet alleen is de psalm van Jezus Chris­tus, maar ook Davids psalm in liefde tot Gods heili­ge wet.

Dan zijn het maar tien geboden, gemeente. Dan is het zo'n liefde­dienst, die dienst van God. Het is geen beperking van: dit mag je niet en dat mag je niet. Dat dacht ik vroeger. Nu weet ik wel beter. Er zijn een paar dingen, die hoeven niet. Wij hoeven niet te vrezen net als de heidenwe­reld, dat alles vol zit met vreemde goden, met vreemde machten. We hoe­ven slechts één God lief te hebben en maar één God te die­nen. We worden beschermd, zodat we niet vermoord wor­den, zodat we niet bestolen worden. O, wat kan ik David begrijpen, wanneer die wet maar gelezen wordt met een wedergeboren hart, in het geloof: "Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag".

 

Hoe worden deze tien geboden gedeeld? Dan gaat het om twee dingen, om twee tafelen; waarvan de eerste leert, hoe wij ons jegens God zullen hou­den; de ande­re, wat wij onze naaste schuldig zijn. O, God dienen, dat is niet doen wat onszelf be­haagt, maar dat is gaan leren wat God behaagt. De ware heiligma­king dat is Bruid van Jezus Christus te zijn en méér en méér naar de dag van het heilig hu­welijk toe te groeien. De ware Bruid van Jezus Chris­tus heeft er niet genoeg aan, dat zij gev­raagd is, maar zij jaagt er naar om Hem gelijk­vormig te wezen.

God heeft in Zijn onuitsprekelijke goedheid twee din­gen gegeven die beiden in de dankbaarheid staan. God heeft de mens tien gebo­den gegeven om naar te leven, en een gebed, het 'Onze Vader', om te bidden.

De wet, de tien geboden, niet om ons in te perken, maar opdat zondaren zich juist zouden ont­plooien. Er is zo'n stuk barmhartig­heid in gemeente, dat we God mogen dienen, God kunnen dienen uit vrije gena­de. Alleen uit vrije genade, uit het geloof, want "zon­der geloof is het onmogelijk Gode te behagen".

Weet u nog dat wij die kostelijke wet al een keer eerder tegengeko­men zijn, al heel in het begin van de catechismus, in het stuk van de ellende. Toen werd er ge­vraagd: Waar­uit kent gij uw ellende? Uit de wet Gods. Toen werd er gevraagd: Wat eist de wet Gods van ons? Toen werden er geen tien geboden opge­somd, maar toen werd er ge­zegd: Dat leert ons Christus in een hoofdsom. Sommige men­sen denken dat dit een reductie is, een vereenvou­diging. Maar dat is niet waar, daarin werd juist de diepte van onze ellende aangewe­zen, omdat het gaat om het hart, niet slechts om de uiterlijke volbren­ging, maar om het hart.

Laten we het zo maar eens mogen zeggen tegen elkaar: dat hart is veranderd in zondag 7, in zondag 23 en dan komt die wet terug in tien regels der dank­baar­heid, om met het hart betracht te worden. Niet in de eerste plaats met de handen of met de voeten of met het hoofd, maar met het hart.

De ware heiligmaking is geen overdreven leven, maar het is een teer leven bij God. Het is niet zo dat er ons iets opgelegd wordt, waar­door we in een bepaalde overspannen toe­stand komen. Wel nee, gemeen­te! Dat de Gala­ten zo overspannen werden, dat kwam omdat zij te weinig leefden uit Christus. Wat zal dat van menig leven gelden, dat we misschien niet waar­lijk vrijgemaakt zijn. Zodat we die wet alleen nog maar kennen in zijn ver­doemende kracht: "Ver­vloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen ge­schreven is in het boek der wet, om dat te doen".

Misschien de wet leren kennen, zoals we dat ook lezen in Galaten 3, dat de wet een tucht­meester is tot Chris­tus. Dan is het al een stukje beter, dan gaat het al op de dankbaar­heid aan, maar nu in de volle dank­baar­heid.

De wet en die ware heiligmaking, dat is een heerlijke zaak. O, dat zijn van die tere momenten in je leven, te teer eigen­lijk om ze op de preekstoel te brengen. Maar als het dan eens mag staan in de ware dankbaarheid. Wanneer staat het nou eens echt in de dankbaarheid en in de heilig­making? Als ik eens echt mag staan in de vrijheid die er is in Christus Jezus. Dat zijn zalige momen­ten voor de Kerk in de heiligma­king.

Dan zijn die koste­lijke geboden geen knellende boeien, maar dan is het geketend te zijn met liefde­koor­den, liefde­koorden anders niet! Dan is het iets, dat uit Christus Jezus Zelf voort­komt.

Ik meen het weleens meer gezegd te hebben, maar om de belang­rijkheid van de zaak wil ik het nog eens herhalen. Wanneer we door vrije genade het bloed van Jezus Christus hebben leren kennen tot rechtvaar­digmaking, geliefde gemeente, dan moeten we heel goed opletten wat de heiligmaking is. Als we dan denken dat de heilig­ma­king ònze zaak is, dat het ònze duit is, die we in het zakje moeten doen, dan zal het verkeerd gaan in onze le­vens. Er is een soort heiligmaking wat ijdele hoog­moed is, zoals we lezen in Galaten 5. Denk er om: wie meent te staan in zo'n hei­ligmaking, zie toe dat hij niet valle.

Dan is er ook het gevaar dat we denken dat die heilig­ma­king bestaat in uiterlijke zaken: hier een weinig, daar een weinig, regel op regel, inzetting op inzetting. Mis! De Kerk die Jezus Christus ontvangt in de toe­passing door de Heilige Geest, ont­vangt Jezus Christus tot recht­vaardigheid, tot heilig­heid en tot verlossing (1 Kor.1:30).

Dan moet het vanavond maar eens héél goed gezegd worden wat heiligmaking is. We hebben aan het begin gezegd: het is een werk des geloofs. We hebben vaak benadrukt dat waar Christus Zijn bloed schenkt, dat Hij daar ook Zijn Geest schenkt. Als het dan gaat over de heilig­making, dan gaat het er om of de Heilige Geest in ons woon­t, de Geest van Christus!

Het hoort ook in zoverre bij de rechtvaardigmaking, dat de recht­vaar­diging geen rechtvaardi­ging is wan­neer Christus niet dóór zou werken in de heilig­making en straks in de heerlijkmaking. Hoewel ik het ver­schil heel goed weet tussen rechtvaardigmaking en heilig­ma­king, toch horen ze onlosmakelijk bij elkaar.

Ik zal proberen dit voor uw aandacht duidelijk te maken. De recht­vaar­digmaking dat is: dat het Vader­hart geo­pend wordt door het bloed van Jezus Christus, niet­waar. Het bloed van Jezus Christus Gods Zoon reinigt de zondaar van alle zonden. Ja, maar wat doet dat bloed van Jezus Christus nog meer? Het gaat in het binnenste heilig­dom om het Vaderhart te openen. Zo krijgt een zondaar weer toe­gang, door het bloed van Jezus Christus, tot het Vaderhart in de rechtvaar­dig­making. En daar hoeven geen goede wer­ken bij als zodanig.

Maar, God de Vader heeft twee deugden waarmee wij te maken hebben, waarmee wij God de Vader beledigd hebben in onze val. Wij hebben God de Vader beledigd in Zijn gerechtigheid, maar ook in Zijn heiligheid. Nu is de weg naar het Vader­hart ge­baand door het bloed van Jezus Christus naar de recht­vaardigheid des Vaders. Maar, wat is er nu nog meer? De Vader is ook de heili­ge Vader. Dan zien we in Romeinen 8, onderzoek het op uw knie­n, dat er naar de heilig­heid des Vaders geen andere toegang is, dan door de Heili­ge Geest, gemeen­te.

En daarom kan dat weleens stuiten in sommi­ge levens. Het bloed van Jezus Christus goed te kennen en zo naar de rech­tvaar­digma­king een toegang te hebben, een recht zou ik zeggen, naar het Vaderhart, naar de gerechtig­heid, die hersteld is in de weg van het bloed van Chris­tus. Maar het is zo nodig dat wij onder­wezen worden, dat er ook een weg is naar het Vader­hart door de Heilige Geest. Daarom vinden we dat zo geweldig in Romei­nen 8. Niet, als zou het iets zijn uit de wer­ken, o nee! Maar het is uitwerking in onze levens door de Heilige Geest.

We lezen zo heel opmerkelijk in Romeinen 8, daar gaat het me om, "En Die de harten doorzoekt, weet, welke de mening des Geestes zij, dewijl Hij naar God voor de heiligen bidt" (Rom.8:27). Daar gaat het om dat kostelij­ke werk van de Heilige Geest, wat zich vrij uitwerkt in een zondaar. Zodat er niets over­schiet dan God tot in der eeuwig­heid daarvoor te prij­zen en de Heilige Geest daarvoor te prijzen.

Maar het werkt ook in het leven van een zondaar. Hoe? Wettisch? Nee gemeente, want we lezen immers ook in Romeinen 8: "Want gij hebt niet ontvan­gen den Geest der dienst­baarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinde­ren, door Welken wij roepen: Abba, Vader!" (Rom.8:1­5). Jezus Christus' bloed en Geest verlossen ons uit de slavernij der zonde en maken ons tot kinde­ren en erf­genamen Gods, daar gaat het om.

Is zo dat nieuwe leven, die heiligmaking, die dank­baar­heid op mijn goeddunken gegrond of op men­selijke inzet­tingen? Nee hoor, niet wat ik er van denk, maar wat de Geest er van denkt. Geen wettische be­trachting van: doe dit of doe dat. Geen werkver­bond, maar het genadeverbond. Gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaar­heid wederom tot vreze; maar gij hebt ont­vangen den Geest van het tot kind van God gesteld te zijn, zo zouden we het ook kunnen zeggen. Daarin ligt de gehele heiligmaking, daarin ligt de gehele dankbaar­heid verklaard. Het is niet in de verhou­ding van een werkverbond zoals een slaaf en zijn mees­ter. Maar het is de verhou­ding van een kind tot zijn Vader, in kin­derlij­ke vreze des Heeren.

Heiligmaking, dankbaarheid! O gemeente, weet u wat de waarachti­ge heiligmaking is, de waarachtige dankbaar­heid? Dat is, dat wij maar véél kind zouden zijn en dat God Zich openbaart als Vader. Daarin ligt een vrij­heid en daarin ligt de liefde, waardoor de psalm­dich­ter kan zeggen: "Uw liefdedienst heeft mij nog nooit ver­dro­ten" (Ps.­119:83 ber.).

O, de ware heiligmaking, de ware dankbaarheid dat is meteen de vrijheid waarvan Paulus spreekt tot de Galaten: "Staat dan in de vrij­heid, met welke ons Chris­tus vrijgemaakt heeft, en wordt niet weder­om met het juk der dienst­baarheid bevan­gen".

Als we iets van dat bloed kennen, dat er dan ook maar de zucht mag zijn in ons leven: o God, schenk mij meer en meer de Geest van Chri­stus om U te vrezen, om kind van U te zijn, in tedere kinderlijke vre­ze.

De heiligmaking, de dankbaarheid, het is dat God een stukje van Zijn beeld aanvankelijk gaat herstellen in een zondaar. Dat is nogal wat! En zonder die dank­baarheid, zonder die heiligmaking is het onmoge­lijk om God te zien. De waarachtige heilig­making, de waar­achti­ge dankbaarheid is een stukje hemelleven op aar­de. Dat is een voorbe­reiding op de heerlijkmaking. Want het is immers zo dat de Kerk in die heiligma­king nog zo ge­brek­kig blijft. Het hart is wel veranderd, maar de daden lopen achter. "Want het goede dat ik wil, doe ik niet. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?" (Rom.7:19,24).

Het gaat om deze koste­lijke zaak: ware dankbaar­heid, ware heilig­ma­king dat is een stukje hemelleven op aarde. Nee, het zijn geen werken in die zin, het is vrije gena­de uit de hemel te ontvangen, wat zich uit­werkt in de weg van dat koste­lijke geloof, dat zegt: "Ik zal U hartelijk liefhebben, HEERE, mijn Sterkte!" (Ps.18:2).

Het is meer en meer Bruid te worden, het is meer en meer versierd te worden, het is meer en meer Chri­stus Jezus gelijkvormig te worden. Het is in onze waarne­ming precies andersom. Dan is het slechts armer wor­den, dan is het steeds onbekwamer worden tot enig goed. Dan wordt het kreunen, dan wordt het worstelen in de praktijk van het leven: O God, hoe word ik ooit be­keerd? O God, hoe leer ik er één kruimel van? O, dan gaat het juist omgekeerd. Zalig wonder, waar het bloed van Jezus Christus is, daar is de Geest van Jezus Chris­tus.

Dan is dat achter­uitgaan ook zo'n vreemde zaak niet. Het is altijd nog één van de kostelijkste beloften in het Oude Tes­tament: 'Ik zal maken dat ze een walg aan zichzelf hebben'. Dat brengen die mense­lijke inzettin­gen niet mee, dat brengt dat menselijk goed­dunken niet mee, want dat maakt dat we een behagen in ons­zelf gaan krijgen. Maar God heeft beloofd: "Gij zult een walging van uzelf hebben over uw ongerechtigheden en over uw gruwelen".

Laat ik het dan maar eens heel gewoon mogen zeggen: dat je jezelf de keel uithangt. H­eiligmaking, ware dank­baarheid, het lijkt alsof het achteruit gaat, maar het gaat toch vooruit. Waarom? Omdat de heilig­making zijn voltooiing zal krijgen in de heerlijkmaking.

Dan trekt God in ons leven de grens bij onze laatste snik. Tot die laatste snik zal het af­braak zijn, ge­liefde gemeente, dan is onze bekering geestelijke ontluis­tering. Dan word ik in mijn ge­voelsleven steeds meer onbe­keerd. Dan is het zelfs lichame­lijk zo, dat we gaan verwel­ken en gaan verdorren omdat we gezondigd hebben, omdat we gaan sterven. Dan gaat het op de totale ont­luistering aan in de dood en in het graf. En daar zal God Zelf instaan voor de volma­king van de heiligma­king in dood en in graf.

Dan zal Hij zelfs dit mijn vlees uit gaan zuiveren in het graf, totdat het onschul­dige aarde uit aarde, stof uit stof en as uit as zal zijn. En dan zal er eenmaal een opstan­ding zijn. Dan zal Jezus Christus ons toeroepen: "Ontwaakt, gij, die slaap­t, en staat op uit de doden" (Ef.5:14). Dan zal het vol­maakt zijn, wanneer God Zijn kinderen uit het stof zal roepen, zoals Hij er slechts één uit het stof geroe­pen heeft, de eerste Adam. Zo zullen dan allen, die uit de tweede Adam zijn, als door Gods hand uit het stof weder geroe­pen worden.

Dan hebben we hier een beetje van de Geest gehad, niet­waar. In dit leven een paar keertjes ingea­demd en een paar keer­tjes uitgeademd door die kostelijke Geest. Maar dan zal die ontelbaar grote schare weder levend worden door de Heilige Geest. Zoals God, met eer­bied gesproken, in de eerste schepping de mens tot leven heeft beademd met Zijn goddelijke mond-op-mond bea­deming. God ademde in Adam en Adam ademde in God. Zo zal God in de wederop­standing al Zijn kin­deren beade­men in een godde­lijke mond-op-mond bea­deming. Dan zal dat het eeuwige leven zijn. Dan zal er nooit meer iets uit ons komen, wat van onszelf is. Dat zal de eeuwigheid zijn, dat wij alleen nog maar uit hoeven te brengen, waarmee Hij ons vervult. In de eeuwigheid zal dat zijn: de Heilige Geest.

Nu mogen we geloven dat we hier een stukje, een beetje van de bediening van de Heilige Geest deelach­tig zijn. We geloven het. Maar daar zal het Godswerk voltooid zijn, daar zullen we vervuld zijn van de Heili­ge Geest.

Vervuld te zijn van de Heilige Geest zal bete­ke­nen dat de eeuwig­heid vervuld zal zijn van de waar­achtige heiligmaking, van een eeuwige dankbaar­heid waar geen gebrek aan is. Dan zal het een gehele sche­pping zijn, dan zal het geheel het bloed van Chri­stus zijn, dan zal het geheel de Geest van Christus zijn. "En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan heb­ben, en dit sterfe­lijke zal onsterfelijkheid aangedaan heb­ben, alsdan zal het woord geschieden, dat geschre­ven is: De dood is verslonden tot overwin­ning" (1 Kor.­15:54).

Dan zal het Geest zijn, dan zal de eeuwigheid ver­vuld zijn tot eeuwig lof en prijs van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, als in den beginne en v­oor im­mer, en tot in der eeuwen eeuwig­heid. AMEN.