Zondag 42. Vraag en antwoord 110 - 111

                                         ZONDAG 42

                             Vraag en antwoord 110 en 111

 

         Psalm       97 :  7

         Psalm     119 : 25

         Psalm       62 : 6,7,8

         Psalm     119 : 36

         Psalm       73 : 14

         Hebreën   13 

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in Hebreën 13 : 5 en 6

 

Uw wandel zij zonder geldgierigheid; en zijt vergenoegd met het tegenwoordige; want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet bege­ven, en Ik zal u niet verlaten.

Zodat wij vrijmoediglijk durven zeggen: De Heere is mij een Helper, en ik zal niet vrezen, wat mij een mens zal doen.

 

Onze catechismus zondag 42, vraag en antwoord 110 en 111.

 

110. Vr. Wat verbiedt God in het achtste gebod?

Antw. God verbiedt niet alleen dat stelen en roven, hetwelk de overheid straft; maar Hij noemt ook dieverij alle boze stuk­ken en aansla­gen, waarme­de wij onzes naasten goed denken aan ons te brengen, hetzij met geweld, of schijn des rechts, als met vals gewicht, el, maat, waar, munt, woe­ker, of door enig mid­del, van God verboden; daarenboven ook alle gierigheid, alle misbruik en verkwisting Zijner gaven.

111. Vr. Maar wat gebiedt u God in dit gebod?

Antw. Dat ik mijns naasten nut, waar ik kan en mag, bevor­de­re; met hem alzo hande­le, als ik wilde dat men met mij handel­de; daarenboven ook, dat ik trouwe­lijk arbeide, opdat ik den nooddruftige helpen moge.

 

Het achtste gebod klinkt misschien een beetje alledaags gemeente: Gij zult niet stelen.

Ik herinner mij een verhaal uit de tijd toen de mensen nog eerlijk durfden te zeggen waar het op stond. De ogen van een stervende man dwaalden door het ver­trek en ble­ven rusten op de plank waar een koffer stond, gevuld met goudstukken. De laatste verzuch­ting van de stervende was: "Kon ik mijn goud maar meene­men". Het eerlijke antwoord was: "Mijn­heer, het zal spoe­dig smel­ten op de plaats waar gij komt"!

O, wat wordt ons aller leven erdoor beheerst, zodat het gebod zo nodig is: Gij zult niet stelen. Dat gebod kan de meeste mensen gestolen worden! De naaste en de ge­meenschap worden om het hardst beroofd en be­sto­len, vaak onder rechtvaardig schijnende leuzen als: bezit is diefstal of: de over­heid is een dief.

Wat is het toch goed, dat achtste gebod. Er worden twee vra­gen en twee antwoorden aan gewijd. Er wordt niet alleen gevraagd: Wat verbiedt God in het achtste gebod, maar ook: Wat gebiedt God in het achtste gebod.

Het gaat om ons bezit en dat ligt teer. Het ligt ons mis­schien wel heel na aan ons hart.

Het gaat in het achtste gebod ook om de ware gods­dienst. Dat we onze godsdienst op maandag niet aan de kap­stok zullen hangen. We moeten dit gebod ook niet uit een bepaal­de vro­me hoek benaderen, zo van: alles is toch immers van God. Zeker gemeente, alles is van God, maar God heeft de mens geschapen als rentmees­ter. Daarom kun je er toch niet onderuit, als christen, om ook met materiële zaken in deze wereld bezig te zijn. Welis­waar mag je weten als christen dat je geen recht­hebber bent. De mens is nooit eigenaar maar ge­brui­ker, rent­meester.

Dat is de schriftuurlijke lijn in het Oude Testament en dat is tevens de schriftuurlijke lijn in het Nieuwe Testament. Bezittingen zijn ook talenten die God ons geeft en die we zullen gebruiken naar Zijn wil, of God ons nu veel of weinig gaven en talenten geeft.

Er gelden wat ons bezit betreft twee criteria vanuit de catechismus. We zouden die eerste vraag en dat eerste antwoord ook kunnen formuleren als: Hoe komen we er aan? Die tweede vraag met het antwoord zouden we ook kunnen formuleren als: Wat doen we er mee?

 

      Dus ten eerste: hoe komen we er aan?

      Ten tweede:      wat doen we er mee?

 

We weten allemaal dat het bezit ongelijk verdeeld is. Ik lees in het Nieuwe Testament van een arme Lazarus en een rijke man. Wan­neer ik de Schrift goed lees, dan zijn er meer arme Lazarussen dan één en meer rijke mannen dan één.

Daarom is het wel nodig dat God regulerend in ons leven optreedt, dat er wetten zijn, een regel der dank­baar­heid voor de kerk. Het is ook een leefregel voor de gehele kerk. Zo heeft God vanouds reeds aan Israël Zijn wetten gegeven om naar te leven.

Om dan maar bij het Oude Testament te beginnen, God had Zijn wetten gegeven om uitersten te vermij­den: mateloze rijkdom en mateloze armoede. Maar als je de tegenwoordige, de moderne theologie wilt geloven, dan is de God van Israël een communisti­sche god.

Niks van waar! De Bijbel is niet socialistisch en ook beslist niet commu­nis­tisch, geliefde gemeente. De Schrift brengt ons altijd weer onder de persoonlijke verantwoordelijk­heid. Het socialisme en het commu­nis­me is niet anders dan massa-egoïsme, waarin de mens zijn per­soonlijke verantwoordelijkheid kwijtraakt. Dat is gewoon jam­mer, ook in het dagelijkse leven, ook in het sociale bestel. We kunnen op de dag van vandaag nog steeds zeg­gen: "Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen" (Ps.32:5 ber.).

Zeker, de Heere heeft Zijn wetten gegeven aan het oudtesta­menti­sche bondsvolk. Als wij rentmeester zijn, dan bete­kent dat toch immers dat er Iemand boven ons staat, Die ons leert om een recht­vaardige rentmeester te zijn. Daarom heeft de Heere in het Oude Testament zulke kostelij­ke wetten gegeven: de arme kwam ten laste van de rijke. De arme, dus niet de luie, maar de arme kwam ten laste van de rijke.

Zo lezen we in het Oude Testament dat de bezits­over­dracht zó geregeld was, dat familiebezittingen niet voorgoed konden ver­vreemden. In het jubeljaar kwam alles weer terug. Dat was één van die staaltjes van Israëls God, om in een egoïsti­sche wereld Zijn volk te leren leven naar Zijn wil. Dat wat door armoede van de hand was gedaan, kwam door genade weer terug in het jubel­jaar.

Daarin wilde de Heere ook het gezin beschermen. Want zelfs wanneer door luiheid het bezit was verloren, dan kwam in het jubeljaar dat bezit weer terug aan het gezin, zodat er weer een nieuwe kans was voor de zoon van de verkeerde vader. Zo heeft de Heere ge­zorgd dat er geen overmatige opeenhoping van bezit zou zijn aan de ene kant en aan de andere kant geen verpau­pering.

We zien in het Nieuwe Testament in de jonge christelij­ke gemeen­te, dat wanneer men tot God be­keerd werd, men zijn plicht verstond en velen hun goede­ren ver­kochten om dat de armen te geven. Een algemene regel is dat niet geworden. Ik zou haast zeggen: ge­lukkig niet. Het werd uit de nood en uit de liefde gebo­ren, maar een eis was het niet. Want toen Ananías en Saffi­ra het na wilden doen, heeft Petrus immers gezegd: "Zo het gebleven ware, bleef het niet uw, en verkocht zijnde, was het niet in uw macht?" (Hand.5:4). Vrij gezegd betekent dat: had het maar gehouden, het was van u, ik heb er immers niet om ge­vraagd.

Zo kun je toch aan alles merken, ook in het Nieuwe Testament, dat bezit erkend wordt door de Heere. Maar het is bezit, we zullen ons dus niet gedragen als eige­naar. De catechismus noemt dan aan de ene kant: geldgie­righeid en aan de andere kant: verkwis­ting. We mogen geen onrechtvaardige rentmeesters zijn.

Intussen knelt ons die dubbele vraag: hoe komen we er aan en wat doen we er mee?

Gij zult niet stelen. Och, ik zie niemand van onze gemeente er voor aan dat hij door de donkere nacht zal sluipen om ergens een ruit uit een deur te gaan snijden, enzovoorts.

Maar ons bezit, hoe komen we er aan? Er zijn immers ook dingen, die de overheid niet straft en waar de politie niet aan te pas komt. De wet is geestelijk. Dan lezen we dat niet alleen wat de overheid vervolgt en straft ver­boden is. De overheid kan alleen uiterlijk het recht over het bezit en het verkrijgen van bezit rege­len.

Voor onze landelijke wetten ben ik een rechtvaardige, want ik heb nog nooit in de gevangenis gezeten. Maar het gaat ook om een stukje zelfken­nis. Om de ontdek­king dat we onschuldig kunnen zijn voor de aardse rechter. Dat we ten aanzien van dat acht­ste gebod wel onschuldig voor onze aard­se rechter kunnen zijn, maar mis­schien niet onschuldig zijn voor onze he­melse Rech­ter.

Het gaat hier om de wet des Heeren, om veel meer dan een opper­vlakkige burgerlijke wet.

Het gaat niet alleen om: hoe komen we er aan, maar ook om de regel der dankbaarheid: wat doen we er mee? Dat we ook ten aanzien van het acht­ste gebod dagelijks mogen vragen: "Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal"? (Hand.9:6). Niet alleen 's zon­dags maar ook doordeweeks.

O, het gaat niet alleen om de aard­se rechter die op zal treden, als wij bij­voorbeeld zoals de catechismus zegt, iets zullen ver­krij­gen door middel van geweld. De catechismus spreekt over de schijn des rechts, iets dat redelijk eerlijk schijnt.

Dan krijgen we een opsomming over de maat, de el, het gewicht, de munt, de woeker en al die din­gen meer. Toen ik nog een zaak had, dacht ik altijd dat dit gebod alleen voor mij bestemd was, vanwege de el, maat, munt, gewicht enzovoorts. We zouden eigen­lijk kunnen denken dat onze catechismus hier alleen van de winke­liers en van de werkge­vers schijnt te spre­ken.

Het is inderdaad een beetje eenzijdig, zou je kunnen zeggen. Maar u gelooft toch ook wel dat de tijd waarin wij leven een stuk ingewik­kelder geworden is, dan de tijd waarin de catechismus opgesteld is. Nu hebben we onze ijkwet, toen nog niet. Maar in de tijd van de op­stelling van de cate­chis­mus, toen lag dáár de pijn, toen lagen dáár de wan­toestan­den.

Dus het gaat in dit gebod helemaal niet alleen over de winke­lier, wat betreft het gewicht, de el, de maat en de munt, maar het gaat ook over zijn klanten. Of we wel betalen en of we genoeg betalen, maar ook of wij op tijd betalen. Het zou hypocriet zijn om te ver­zwij­gen wat de cate­chis­mus niet noemt. Het gaat er over of wij wezenlijk eer­lijk in het leven staan. Het gaat er nu om dat wij ons leven onder de loep zullen nemen, ook ons beroepsleven.

Er zijn zo van die dingen in het leven, waarvan het heel normaal geworden schijnt, zodat we niet eens meer spre­ken over zonden, hoogstens nog over beroepszon­den. Maar zijn dat dan geen zonden? Als het niet meer gaat over een el, maar bijvoorbeeld over kilome­ters die wij declareren?

Wat dat betreft gemeente, of het ons nu lekker zit of niet lekker zit, het zou al heel wat zijn wanneer we nu schuldig naar huis gingen. Want we leven in een be­dorven tijd en in een bedorven wereld en we zitten er zelf ook tot onze nek toe in. Wij denken misschien dat het zo hoort, dat het een sport is, bij­voorbeeld de belasting­ontdui­king. Dat lijkt een soort sport gewor­den, in plaats van zonde. Over al die din­gen gemeente, daar kan ìk het verstandi­ge woord niet over zeggen.

U weet dat de gehoorzaamheid aan de overheid ook valt onder het gebod: Eer uw vader en uw moeder. Toen zei laatst een belasting­deskundige tegen mij, dat het ook geldt: "En gij vaders, verwekt uw kinde­ren niet tot toorn" (Ef.6:4). Dat lijkt op één-nul.

Maar het gaat er toch om dat wij terug­ge­roe­pen wor­den tot de Schrift, ook in die dingen waar geen haan naar kraait. Het zou al zo veel gewon­nen zijn, wanneer we er tenminste besef van had­den, dat we allen als verzwol­gen zijn door de tijd­geest.

Het achtste gebod: Gij zult niet stelen, maar gij zult eerlijk zijn. Een beetje? Nee, helemaal! En let op de kleintjes, zou ik haast zeggen, let op de kleintjes. De zonde begint altijd klein, zo klein, maar iedere zonde groeit.

Gij zult niet stelen. Hoe komen we er aan en wat doen we er mee? Het is heel veel moeilijker geworden dan in de middeleeuwen. Wij leven in een tijd van de miljoe­nenfraudes, waardoor het moeilijk is om over hon­derd gulden nog een oordeel te vellen.

Heeft dit soms iets te maken met het feit dat onze tijd apocalyptisch gaat wor­den, ook daarin? Dat de econo­mie, de sociale econo­mie, het duizendjarig rijk, de heilsstaat van het socia­lisme, dat dit ons toch in ver­legenheid brengt?

Dan zijn we aan­geland bij het beest en het beeld van het beest. Dan zijn we gekomen in de tijd van de Open­baring: 'Wie het teken niet draagt van dat beest, of het beeld van dat beest, kan niet meer kopen of verko­pen' (Openb.13:11-18). Wanneer het onmoge­lijk gaat wor­den, dan toch wil dit gebod ons corrigeren, of we het fijn vinden of niet: Gij zult niet stelen.

 

O, laat ik ook nog iets positiefs mogen zeggen, gemeen­te. Welke tekst hebben we ook al weer bij dit gebod gelezen? "Uw wandel zij zonder geldgierigheid; en zijt verge­noegd met het tegenwoor­di­ge; want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verla­ten".

Het was toch ook al moeilijk in de tijd van Agur: "Armoede of rijkdom geef mij niet; voed mij met het brood mijns bescheiden deels. Opdat ik, zat zijnde, U dan niet verloochene, en zegge: Wie is de HEERE? of dat ik, verarmd zijnde, dan niet stele, en den Naam mijns Gods aantaste" (Spr.30:8-9).

De wet staat in de dankbaarheid. Als er dan iemand in het bijzonder vermaand wordt, dan is het wel Gods Kerk om een wandel te hebben zonder geld­gierig­heid, zonder bezorgd te zijn. Om te leven uit de belofte: "Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verla­ten".

Dan zit er in het bijzonder voor de erfgena­men van het hemelse Koninkrijk, van de hemelse erfenis, een waar­schuwing in. Het kan best zijn dat God ons rijk geze­gend heeft, maar hoe gebruiken we het? We weten van Job en we weten van Abraham dat zij rijk waren. En toch, hun wan­del was zonder geldgierigheid. En de vrouw van Lot, toen haar laatste uur geslagen had, kon er niet los van komen! "Kon ik het maar meene­men", zuchtte de ster­ven­de, "het zal spoedig smelten in de plaats waar gij komt". "Ge­denkt aan de vrouw van Lot" (Luk.17:32).

Het is toch wel een heel praktisch gebod: Gij zult niet stelen. Laten we minstens bedenken mogen, dat we toch eenmaal alles los moeten laten. Het is heel merk­waar­dig hoe het begin van een mens is. Een baby, u en ik, zijn in de wereld gekomen met grijphandjes. En dat gaat steeds door, tot ons sterven toe en dan wor­den die handen samengelegd.

Barmhartig te zijn, de nooddruftige te helpen, die niets heeft of die te weinig heeft, dat bedoelt de catechis­mus. Hoe gebrui­ken we het? Waaruit blijkt ons geloof? "Die zich des armen ontfermt, leent den HEERE" (Spr.­19:17).

Wat is onze godsdienst gemeente? Wat is ons gebed? Slechts het randje van de gulden? We moeten het maar heel realistisch onder ogen zien. God zij met ons, het meest gebeden gebed op het randje van de gulden.

"Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgra­ven en stelen. Maar vergadert u schat­ten in den hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen. Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn" (Matt.6:19-21).

Laat ons maar vrezen, geliefde gemeente. Wij leven in een tijd van heel veel zegeningen, de zegeningen van het socialisme. Maar wat zegt de profeet er van? "Ik zal uw zegeningen vervloeken; ja, Ik heb ook alrede elkeen derzelve vervloekt, omdat gij het niet ter harte neemt" (Mal.2:2). Het is een genade­zaak, dat wie echt niet heeft, on­der­hou­den wordt. Maar dat degene die er voor werken wil ont­moe­digd wordt, dàt is de zonde van onze maat­schap­pij.

En dan toch de boodschap vanavond: "Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is" (1 Joh.2:15). "Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerech­tigheid, en al deze dingen zullen u toegewor­pen wor­den" (Matt.6:33). Ze zullen u ruimschoots toege­worpen worden!

Er zit een ernstige waarschuwing in, draai het niet om, door eerst al die andere dingen te zoeken. Zoals die grijsaard, die op sterven lag, "kon ik het maar meene­men", en dan hopen dat het Koninkrijk je nog toege­wor­pen zal worden. "Hebt de wereld niet lief". En als we toch zo rijk willen zijn, dan zijn we arm. Dan geldt het wat Jako­bus zegt: "Welaan nu, gij rijken, weent en huilt over uw ellendigheden, die over u komen. Uw rijkdom is verrot" (Jak.5:1-2).

Het achtste gebod, een alledaags gebod? Toch heeft het veel te zeggen!

Ik lees in het antwoord van de catechismus ook dat een iegelijk ge­trou­w moet arbeiden, als hij dat kan. Dat is de weg om in onze behoeften te voorzien en misschien in iets meer. Gerust iets meer hoor, als God het ze­gent. Het herin­nert me aan de honderdvieren­twintigste vraag en het antwoord dat we zo gewillig en getrouw zullen zijn in ons ambt of beroep, gelijk de engelen in de hemel. Nou dàn mag het ge­meente, wanneer we meer ontvangen dan we strikt nodig heb­ben, wanneer we maar zo getrouw zullen arbeiden als de engelen in de hemel.

Gij zult niet stelen, maar gij zult getrouw arbei­den. "Maar de hand der vlijtigen maakt rijk",  zegt de Spreukendichter (Spr.10:4).

Er wordt hier ook gesproken over het helpen van mijn behoefti­ge naaste. Dat staat in de dank­baarheid. Het gaat om de heiligma­king ten aanzien van het mate­riële. We worden niet geroepen om kluize­naar te zijn, maar wee degene, die zich in zijn bezit wor­telt. "Kon ik het maar meenemen!"

O, dan zeg ik u, hoe zal de eeu­wigheid zijn, een eeu­wigheid zonder geld! Als geld ons alles is, hoe moet de gierigaard daar leven in dat Koninkrijk? De geboden Gods brengen ons in de ontroerende wer­kelijkheid van de eeuwigheid.

 

            Het duurt niet lang meer tot de tijd

            Van Christus aan zal bre­ken.

            En Hij in grote heerlijkheid

            Het oordeel uit zal spreken

            Dan komt het lachen duur te staan

            Als alles zal door vuur vergaan

            Naar Petrus heeft geschreven.

 

Het achtste gebod. De onbekeerde zal bij wijze van spreken, in het gericht zijn vingers nog branden aan zijn geldkist. Als het in vervul­ling zal gaan wat Guido de Brès heeft gezegd: dat God deze oude wereld in vuur en vlam zal stellen om haar te zuiveren. (NGB art.37).

Het gebod staat in de dankbaarheid. Een arme kan immers toch zo rijk zijn in God: "Erf­genamen van God, en mede­rfge­namen van Christus" (Rom.8:17).

"Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerech­tigheid, en al deze dingen zullen u toegewor­pen wor­den". Dan gaat het aan op de eeuwigheid, op het he­melse Jeruzalem met de straten van goud. Dat zal heerlijk goud zijn. Waarom? Omdat God Zelf er in weer­kaatst. Maar in het meeste aardse goud weerkaatst de duivel.

Waar zult gij zijn in de eeuwigheid? Bent u al be­keerd, geliefde gemeente? Kunt u het echt al van harte zin­gen:

 

            Ver boven goud en zilver, en wat meest

            Den mens bekoort, zal ik Uw wet waarderen. (Ps.11­9:36 ber.)

 

Waar zullen wij zijn in de eeuwigheid? In de plaats waar ons goud zal smelten of in de gouden stad, het hemel­se Jeruzalem. Bij Hem, Die door deze wereld ge­gaan is, zo arm, zo arm, dat Hij moest zeggen: "De vos­sen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd nederleg­ge" (Matt.8:20).

Waar zult gij zijn in de eeuwigheid? Ik hoor iemand zeggen: "Als niets hebbende, en nochtans alles bezit­tende" (2 Kor.6:10). Jazeker! De Hebre­nschrij­ver wijst er toch ook op: "Uw wandel zij zon­der geldgie­righeid; en zijt vergenoegd met het tegen­woordi­ge".

Wanneer we dan verder lezen dan staat er te­gen­over dit tegen­woor­dige zo'n geweldige toe­komst. Zijt dan verge­noegd met het tegen­woordige, want ook dat te­gen­woordi­ge zal wel gaan met God: "want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verla­ten".

O, dan hoeven we het hier niet te hebben, als we het Boven maar hebben: "Ik zal u niet verlaten. Zodat wij vrijmoediglijk durven zeggen: De Heere is mij een Helper, en ik zal niet vrezen, wat mij een mens zal doen".

Geliefde gemeente, waar ligt onze toekomst? Waar ligt onze eindbe­stemming? De plaats waar ons goud zal smelten of de plaats waar het zal staan tot eer van de drieënige God.

"Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgra­ven en stelen. Maar vergadert u schatten in den hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen. Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn". En waar dan uw schat is, daar zal ook eenmaal uw hart zijn. AMEN.