Zondag 45. Vraag en antwoord 117

                                         ZONDAG 45

                                   Vraag en antwoord 117

 

         Psalm    122 : 1

         Psalm    115 :  6

         Psalm      18 :  vz,1,2

         Psalm      36 :  3

         Psalm      68 :  17

         Johannes  4 :  1-26

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in het voorgelezen Schriftgedeelte, Johannes 4 : 23 - 24

 

Maar de ure komt, en is nu, wanneer de ware aanbidders den Vader aanbidden zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook dezulken, die Hem alzo aanbidden.

God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aan­bid­den in geest en waarheid.

 

Onze catechismus zondag 45, vraag en antwoord 117

 

117. Vr. Wat behoort tot zulk een gebed, dat Gode aange­naam is en van Hem verhoord wordt?

Antw. Eerstelijk dat wij alleen den enigen waren God, Die Zich in Zijn Woord ons geopenbaard heeft, om al hetgeen dat Hij ons geboden heeft te bidden, van harte aanroepen.

Ten andere dat wij onzen nood en ellendigheid recht en gron­dig kennen, opdat wij ons voor het aangezicht Zijner majesteit verootmoedigen.

Ten derde dat wij dezen vasten grond hebben dat Hij ons gebed, niettegen­staande wij zulks onwaardig zijn, om des Hee­ren Christus' wil ze­kerlijk wil verhoren, gelijk Hij ons in Zijn Woord beloofd heeft.

 

Vanavond gaat het opnieuw over het gebed, geliefde gemeente. "Maar de ure komt, en is nu", heeft Jezus gezegd, "wanneer de ware aanbid­ders den Vader aan­bidden zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook dezulken, die Hem alzo aanbidden".

Het is niet zozeer moeilijke stof die we zullen gaan behandelen. Het voornaamste punt zal eigenlijk wel zijn dat de theo­rie en de praktijk zo ver uit elkaar liggen. We zouden het elkaar wel kunnen vragen, we zouden het jong en oud wel kunnen vragen: hebt u een bin­nenka­mer? Wij lezen dat Jesaja zelfs het eigen volk van God moet verma­nen, dat de profeet dat volk op moet wekken: "Ga henen, mijn volk! ga in uw binnen­ste kamers, en sluit uw deuren na u toe; verberg u als een klein ogenblik, totdat de gramschap overga" (Jes.­ 26:20).

De binnenkamer! U weet allemaal wel wat ik daarmee bedoel. Een binnenkamer is niet een geheime kamer, want de binnenkamer van Daniël was een binnenkamer met open vensters, zodat iedereen wist dat die man een binnenkamer had. Het is niet een geheime kamer, maar het is een plaats waar we ons een ogenblik terug kunnen trekken om met God alleen te kunnen zijn. Eenzaam, maar met God gemeenzaam. Zoals de Heere Jezus dat Zelf ook deed, wanneer Hij op een berg klom of in een woeste plaats ging. Ook dat kan een binnen­kamer zijn. Om eens een ogenblik uit te stijgen boven het alle­daagse, om gemeenschap te hebben met God.

Ik ben weleens bang dat het als ouderwets ervaren wordt om een binnenkamer te heb­ben. Ik heb zelf het gewel­dige voorrecht nog gehad in mijn leven, dat ik niet alleen Gods volk ge­kend heb, maar ik heb ook het voorrecht gehad men­sen ge­kend te hebben die een binnenkamer hadden. Zij hadden niet als Daniël open vensters zodat je hen daar kon zien. Deze mensen hadden een bin­nenka­mer, want het blonk uit de vensters van hun bestaan naar buiten dat ze een binnenka­mer hadden. Er straalde iets van hen uit zodat je het wist: zij zijn bij God geweest. Je kon het aan hen merken:

           

     't Is Isrels God, Die krachten geeft,

     Van Wien het volk zijn sterkte heeft.

     Looft God; elk moet Hem vrezen. (Ps.68:17 ber).

 

Ik heb het echt gezien, ik heb mensen gekend die het in de praktijk brachten: "Maar gij, wanneer gij bidt, gaat in uw binnenkamer, en uw deur gesloten hebben­de, bidt uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden" (Matt.6:6). Ik heb als kind reeds geweten dat een binnen­ka­mer een plaats kan zijn van afmattende ziels­worstelin­gen voor God. Maar ik heb het ook mogen merken dat het een feestzaal kan zijn.

Als er op de dag van vandaag geklaagd wordt dat er zo weinig oefening is van het geloof, dat er zo weinig doorwerking is in Gods volk dat aanvankelijk genade heeft leren kennen, dan komt toch de vraag bij mij op: zou dat soms komen omdat de Kerk geen bin­nenkamer meer heeft? Wordt soms van liever­lee de Kerk een Kerk die werkt met leuzen, met goed in het gehoor liggende uitdruk­kingen? Kunnen we het soms zo aardig zeggen en onder woor­den brengen in het open­baar, maar zijn we de kracht van de binnenka­mer soms ver­speeld?

Het is geweldig dat de catechismus een inleiding geeft op het gebed. Straks zal de catechismus het Onze Vader gaan behande­len. Maar deze zondagsafdeling spreekt eerst over het gebed of de gebeden in het algemeen. Later zal de catechismus ons in het bijzon­der gaan onderwij­zen in het Onze Vader, dat de Heere Jezus Zelf heeft voor­gezegd aan Zijn discipelen.

Het is ook zo dat het Onze Vader niet het enige gebed is dat de Kerk kan bidden. Er zijn erg veel moge­lijk­he­den. In onze Bijbel staan zulke kostelijke gebeden, zodat niemand hoeft te zeggen: ik kan niet bidden, in formele zin. Er zijn ook kostelijke formu­lier­gebeden, laten we die niet verachten. Ik kan er soms naar snak­ken om ze te gebruiken omdat ze zo geeste­lijk zijn. Ook het gebruik van die gebeden is in verachtering geraakt en als men ze gebruikt, dan kijkt de gemeente onwillekeurig naar de dominee, of hij soms onwel gewor­den is.

Ook in de Schrift staan veel gebeden, Psalm 35: "Twist met mijn twisters, Hemelheer; Ga mijn bestrijders toch te keer". O gemeente, we hoeven nooit verlegen te zitten om woorden. In Psalm 25 staan meerdere gebe­den in één Psalm. Kostelijk om die worstelin­gen in het Woord na te mogen spreken op de knieën. Het is niet alleen spreek­stof Psalm 35 en Psalm 25, het is ook niet alleen preekstof, maar het is ook smeek­stof. Het zijn niet alleen preekpsalmen, het zijn ook smeek­psal­men.

Als er een tijd in uw leven komt, geliefde gemeente, dat het woord in vervulling gaat, die kostelijke belofte uit Ezechiël: "En gij zult een walging van u zelf heb­ben over uw onge­rechtigheden en over uw gruwelen" (Ezech.36:31). Als we gaan walgen van onze eigen woorden en onze eigen gebeden, wat is het dan heer­lijk om een naspreker te worden. Om dan maar na te leren spreken wat de Heilige Geest waard gevonden heeft om aan de Kerk, aan de heili­gen over te leveren.

Als er dan één gebed is in de Schrift, één gebed wat bij uitstek geschikt is om na te spreken, dan is het wel het Onze Vader. Want als je de Psalmen nabidt, dan kan het kostelijk zijn dat je het weet, dat het een profeet was, een kind van God, bijvoorbeeld David de man naar Gods hart, die dat gebed heeft gesproken, wat de Heilige Geest heeft laten beschrijven.

Maar wat moet er dan een rijkdom zijn, een heerlijk­heid om te bedenken dat ook de Heere Jezus een gebed meegegeven heeft: Onze Vader, Die in de hemelen zijt, Uw Naam worde geheiligd. Als je dan zo eens mag bidden, dat je na mag spre­ken wat die Zoon, de eigen Zoon van God gesproken heeft, Die kon zeg­gen: "Vader, Ik dank U, dat Gij Mij gehoord hebt. Doch Ik wist, dat Gij Mij altijd hoort" (Joh.11:41,42).

Wat is het dan een kostelijke zaak om ook dat Onze Vader eens na te mogen bidden. Er zijn zo van die verschillende gangen in het leven. Het kan weleens zijn dat je geen woorden meer hebt. Het gebed is ook in de eerste plaats geen woordenspel, geen ver­lang­lijstje dat wij naar boven sturen. Ik hoor de psalm­dichter klagen:

 

     Zie, als 't aan woorden mij ont­breekt,

     Wat d' overden­king in mij spreekt;

     Ver­waardig U, uit 's hemels koren,

     Mijn stem te horen!" (Ps.5:1).

 

Er zijn twee dingen, gemeente. Er kan weleens gebed zijn terwijl je geen woorden hebt. Het kan nog erger: dat je wel woorden hebt, maar dat het geen gebed is. Toch is het heerlijk dat er ook het vrije gebed is, dat we ons uit mogen spreken voor God, zonder dat we door de bliksem van Gods toorn getrof­fen worden. Als we onze onheilige lippen openen, onze onheilige harten, dan kan dat toch ook weleens heerlijk zijn.

Om eens tot God te mogen gaan zoals we zijn en met woorden waarmee we trachten te vertolken wat er in ons hart leeft. Want er kun­nen van die gangen in je leven zijn, die zo vreemd voorko­men, dat je het be­twijfelt of er wel ooit iemand in zo'n zelfde toestand geweest is. Hun­tington ging op een gege­ven moment in zijn leven zo'n weg, dat hij moest zeg­gen: "Ik zag geen men­senvoet en ik zag geen bees­tenvoet staan op het pad dat ik moest gaan".

 

Nu vraagt de catechismus: Wat behoort tot zulk een gebed, dat verhoord wordt? Er zijn twee dingen die bij elkaar horen. De vragen van de cate­chismus zijn op zichzelf eigenlijk al zo ontdekkend. Die vragen getuigen al van zo'n heerlijk diep in­zicht in geestelijke zaken. Daarom vraagt de catechismus niet alleen: Wat behoort tot zulk een gebed dat zeker ver­hoord wordt? Nee! De catechismus vraagt: Wat behoort tot zulk een gebed, dat Gode aange­naam is en van Hem ver­hoord wordt? Dat hoort bij elkaar. Een gebed dat Gode aan­genaam is en van Hem verhoord wordt. Ten diepste is dit het gebed: het vloeit uit God en het keert tot God.

Wat behoort tot zulk een gebed, dat Gode aangenaam is en van Hem verhoord wordt? Er wordt hier dus ook niet gevraagd: Wat behoort tot zulk een gebed dat onszelf aangenaam is, maar wat Gode aange­naam is en wat van de Heere verhoord wordt. Dat hoort bij elkaar. Daarom gaat de catechismus ons enigs­zins onderwij­zen in het gebed.

Is dat een snelcursus? Van: hoe leer ik bidden en succes verzekerd? Nee, het is gees­telijk onderwijs om ons in de eerste plaats te veroot­moedi­gen, omdat wij zo weinig verstand hebben van God en van goddelijke zaken. Niet ontmoedigen, want dat ligt vlakbij het onge­loof, maar verootmoedigen.

De catechismus spreekt in het antwoord over: Eerstelijk dat wij alleen den enigen waren God, Die Zich in Zijn Woord ons geopen­baard heeft, om al het­geen dat Hij ons geboden heeft te bidden, van harte aanroepen.

Ten andere dat wij onzen nood en ellendigheid recht en grondig kennen, opdat wij ons voor het aangezicht Zijner majesteit veroot­moedigen.

Ten derde dat wij dezen vasten grond hebben dat Hij ons gebed, niettegen­staande wij zulks onwaardig zijn, om des Heeren Christus' wil ze­kerlijk wil verhoren, gelijk Hij ons in Zijn Woord beloofd heeft.

Samengevat kunnen we zeggen dat dit antwoord in­houdt:

 

     Ten eerste:  Tot Wie we bidden.

     Ten andere: Wat we bidden.

     Ten derde :  Hoe we bidden.

 

Eerstelijk dat wij alleen den enigen waren God, Die Zich in Zijn Woord ons geopenbaard heeft, om al het­geen dat Hij ons geboden heeft te bidden, van harte aanroe­pen. Dit heeft natuurlijk alles te maken met het eerste gebod!

Dat wij alleen den enigen waren God, Die Zich in Zijn Woord ons geopenbaard heeft, zullen aanroepen. De Samaritaanse vrouw dacht dat het om een be­paald plaatsje ging, een heilig plaatsje. Het helpt niet! Al ging ik met mijn knieën zitten in de holtes die een kind van God met zijn knieën heeft uitgesleten in zijn binnenka­mer, het helpt niets, dat zou mij niet zaligma­ken.

Het gaat er in de eerste plaats om dat we alleen de enige ware God aanbidden, dat is ook meteen de levende God. Het gaat maar niet om een of ander iets, zoals die Samaritaanse vrouw dacht, die nog zoveel bijgelovigheid in zich omdroeg. Op welk plaatsje, Heere? Zullen we dan maar bij die put bidden die nog afkomstig is van de aartsvaders? Dan zegt de Heere Jezus in ons Schriftgedeelte: "De ure komt, en is nu, wanneer de ware aanbidders den Vader aanbid­den zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook dezulken, die Hem alzo aanbidden". Het is heel be­lang­rijk aan wie u iets vraagt.

Dat wij alleen den enigen waren God, Die Zich in Zijn Woord ons geopenbaard heeft, om al het­geen dat Hij ons geboden heeft te bidden, van harte aanroepen. Dat is toch een heerlijke zaak, want waar niet is, daar kan immers ook niet gegeven wor­den. Daarmee bedoel ik dat een dorstige geen water krijgt wan­neer er geen bron is. Een bedelaar krijgt niets wanneer er niet ie­mand is, die geven zal. Tot wie we bidden zullen is zo belang­rijk.

Dat we het nergens anders van verwachten dan van de Heere God, de enige ware God, Die Zich in Zijn Woord aan ons geopenbaard heeft. Hoe kan het met minder, als u iets van uw nood kent? Dan moet u eerlijk zeg­gen: hier moet God aan te pas komen, hier moet de almachti­ge God aan te pas komen.

Ik meen dat ik het u gezegd heb bij de gelijkenis van de onbe­schaamde vriend, dat het ten diepste belangrij­ker is tot wie we bidden, dan wat we bidden. De enige en de ware God, Die Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft. Daar zullen we straks bij de behan­deling van het Onze Vader ook komen. We zullen toch bij die God terecht moeten komen, Die het beloofd heeft.

Als ik u iets beloof, een weldaad en u bent één huis abuis om het op te halen, dan is het er toch niet en dan krijgt u het immers ook niet. Om gena­de te ont­van­gen, geliefde gemeente, is het zo nodig dat we tot de bron van de genade komen. Als het Woord ons dan vrij­moedigheid geeft om te bidden, dan moet ons bid­den toch gericht zijn op de God van dat Woord. Dat wij Hem om al hetgeen dat Hij ons geboden heeft te bid­den, van harte aanroepen. Van harte aanroepen!

Bent u er ook al ach­ter dat soms in je worstelingen, in je diepste bevinding, in je bin­nenkamer, de grofste zonden liggen? Er scheelt nog wel eens wat aan dat 'van harte'.

God aanroepen om alles wat Hij in Zijn Woord bevolen heeft. Ik wil het wel duide­lijk maken met een voor­beeld. Zal ik eens een ver­haal vertellen wat het ver­schil is tussen een gebed wat je van harte doet en niet van harte? Het was oorlog en er was zoveel hon­ger, gemeente. Dat hadden wij nou nog net niet, wij hadden net geen honger. Toen gingen mijn vrienden een hon­gertocht houden op een fiets met hou­ten ban­den. Zij gingen naar die plaatsen, waar koren ver­bouwd werd om te vragen of ze een beetje eten kon­den krij­gen, een beetje tarwe. Toen ben ik ook een keer mee ge­gaan en weet u wat merk­waardig was? Iedereen kreeg tarwe, behalve ik. Ik kon het niet van harte vragen. Om wer­kelijk van harte om brood en om koren te vragen, moet je werke­lijk honger hebben. Om werke­lijk drin­ken te vra­gen, daar moet je wer­kelijk dorstig voor zijn. Het was maar een spel­letje, ik speel­de honger en ik speelde dorst voor God en ik sprak de woorden wel uit van de tolle­naar: "O God! wees mij zondaar genadig!" (Luk.18;13). Maar zoals mijn maag niet rammel­de op die hongertocht, zo kon ik ook wel dui­zend keer vragen: "O God! wees mij zondaar gena­dig!", zonder dat mijn hart rammel­de van de hon­ger naar God en van de dorst naar God.

Het eerste punt hangt samen met dat tweede punt: Wat we bidden. Ten andere dat wij onzen nood en ellendig­heid recht kennen en grondig kennen, opdat wij ons voor het aangezicht Zijner majesteit verootmoe­digen.

In het gebed moeten we niet vergeten dat het gaat om een geweldi­ge majesteit, om God. Het is heel goed om ons bemoedigd te weten uit het Woord. "Toon Mij uw gedaante, doe Mij uw stem horen; want uw stem is zoet, en uw gedaante is liefelijk" (Hoogl.2:14). Maar we hebben toch te bedenken Wie God is en wat Zijn maje­steit is.

Er lag een zeer godzalig man op sterven en hij ween­de! Hij weende zo, dat zijn zoons vroegen: Vader wat is er? Die man stond op het punt om voor God te ver­schijnen terwijl hij daar zijn hele leven, zou ik haast zeg­gen, naar uit had gezien. Daar had hij van gezon­gen:

    

     'k Zal dan gedurig bij U zijn,

     In al mijn noden, angst en pijn. (Ps.73:12 ber.).

 

Die man had gezon­gen met zielevreugd:

 

     Ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen,

     U in gerechtigheid aanschou­wen. (Ps.17:8 ber.)

 

En diezelfde man lag zo te wenen toen het ogenblik geko­men was dat hij voor God zou ver­schij­nen. Zijn zonen vroegen: "Vader, bent u bang? Vader, bent u bevreesd?" Nee! "Vader, wordt u bestreden?" Nee! ­"Maar vader, waarom weent gij?" Toen zei hij, en ik hoop dat u het begrijpt, dat hij uitzag naar de ontmoeting met God. Maar, sprak hij: "Dieu est un Grand Seigneur!" God is een groot Heere.

Zo is het goed, gemeente, wanneer we veroot­moe­digd worden voor Zijn majesteit, opdat ons bedelaar-zijn, opdat ons smekeling-zijn, waarachtig moge zijn als het leem dat zijn hand uitstrekt naar de Pottenbakker.

Opdat wij onze nood recht en grondig kennen. Wat is onze grootste nood? Wat is eigenlijk onze grootste ellende? Dat wij onze ellende niet kennen.

Is het dan zo nodig om ontdekt te worden? Moet het dan persé zo diep? Is het dan niet genoeg als we maar gered worden? Kunnen we eigenlijk wel gered worden ge­meente, als we onze nood en onze ellende niet recht kennen? Want de regel van Gods koninkrijk, ook wat betreft de ver­horing van het gebed, luidt: "Ga heen, en u geschie­de, gelijk gij geloofd hebt" (Matt.8:13). Daarom is het nodig onze ellende recht te kennen en onze ellende grondig te kennen.

Wilt u een voorbeeld uit de natuur zoals het geestelijk ook is? Goed. Het is nodig om onze nood recht en grondig te kennen. Ik sprak een man die pijn in een bepaald gedeelte van het lichaam had. Hij moest even naar de dokter voor medicijnen. Hij dacht met een paar tablet­jes klaar te zijn. Maar toen deze man recht en gron­dig werd onder­zocht door de dokter, ik zal het maar niet uit­spreken, toen bleek het niet zo maar wat pijn te zijn, het was een ongenees­lij­ke kwaal. Wat is het daar­om nodig dat wij onze nood ook recht en gron­dig leren kennen.

Ik zal proberen uit te leggen wat de regel van Gods Ko­nink­rijk is: "U geschiede, gelijk gij geloofd hebt". Kijk, het werkt bij ons zo: we hebben een handje vol ontdekking, wat met een handje vol geloof bedekt moet worden. Maar stelt u zich eens voor, dat al die hon­derden gebe­den van zondaren die nog niet recht en grondig ont­dekt zijn eens verhoord zouden worden. Wij denken soms al dat wij ontdekking kennen als we een paar poppenzonden weten in ons leven. Daarmee gaan we tot God of Hij ons dat vergeven wil, begrijpt u? Wat zou het vreselijk zijn als God dan met ons zou handelen naar de regel van Zijn Konink­rijk.

Als David vergeving had moeten vragen in Psalm 51, zonder zijn zonde recht en grondig te ken­nen, wat zou hij en wat zouden wij ongelukki­ge schepse­len blijven, als God zulke gebeden van ons ging verhoren, waarin nog geen tien procent van onze rampzaligheid besloten is. Met eer­bied gesproken, dan zouden wij nog tot in der eeuwen eeuwigheid voor negen­tig procent verlo­ren zijn.

Recht en grondig kennen. Het gaat om de schuldverge­ving. Ik zal het een beetje toe gaan spitsen. De Heere spreekt door Hoséa: "Ik zal henengaan en keren weder tot Mijn plaats, totdat zij zichzelven schuldig kennen en Mijn aangezicht zoeken; als hun bange zal zijn, zullen zij Mij vroeg zoeken" (Hos.5:15).

Onze nood recht en gron­dig kennen is zo noodza­kelijk om recht en gron­dig verlost te worden. Eerst onze nood recht en gron­dig ken­nen omdat we niet alleen ongelukkige schepse­len zijn, maar schul­dige schepselen. Mochten we onze nood en ellende toch eens recht en grondig leren kennen.

U weet wel wat recht is, u weet nu toch wel wat gron­dig is? Wij willen in de eerste plaats graag grondige bidders zijn, want we willen dan in de eerste plaats grondig getroost worden. Laat ik het heel praktisch mogen zeggen: als ooit God in uw leven komt om uw schuld met u te veref­fenen, uw schuld, uw ver­doeme­lijk­heid, uw zonde, zorg dan dat alles op tafel ligt. Dat het recht en grondig op tafel komt, opdat u ook recht en grondig verlost zult mogen wor­den, verzoend zult mogen worden met God.

Het spreekwoord zegt: Nood leert bidden. Dat is in on­gunstige zin ook zo, nood leert bidden. We zijn ziek, de dominee moet komen om voor ons te bidden. De nood gaat over, de ziekte is genezen en het gebed is over. Dan zeggen we zo: nood leert bidden. Maar posi­tief is het toch ook waar, wanneer we onze nood recht en grondig leren kennen, dan leert ons dat ook recht en gron­dig bidden.

Een groot verhaal van woorden? Naarmate onze schuld groeit, krimpen onze gebeden, wist u dat? Er schiet soms niets anders over dan net zoals die arme man te roepen: "HEERE met hoofdlet­ters!" Be­grijpt u? De Ene, de waarach­tige God. Als een noodschreeuw: "HEERE met hoofdlet­ters".

Onze nood recht en grondig leren kennen opdat we ook recht en grondig leren bidden in een positieve zin. Dat onze nood ons leert bidden, dat er door de nood, door onze verdoemelijkheid, door onze schuld waar­achtig­heid komt in ons gebed. Dat we gaan roepen: "HEERE help"! vanuit de nood. Dat onze schreeuw een echte nood­schreeuw moge zijn zoals we het gezon­gen hebben:

 

     'k Riep tot den HEER, in 't midden dier ellenden,

     Tot mijnen God, opdat Hij hulp zou zenden.

     Mijn klaagstem drong tot in Zijn troonzaal door;

     Aan mijn geroep gaf Hij in gunst gehoor.

 

Onze nood recht en grondig kennen opdat we ons voor het aange­zicht Zijner majesteit verootmoedigen. Dat betekent ­dat we ook alle grond in onszelf tot verho­ring leren verliezen. Dat we de zaak in onszelf als hopeloos gaan ervaren. Dat we het gaan ervaren: niets ver­diend, alles verbeurd en alles verzondigd. Maar, o Heere, red mij! Zoals die arme vrouw, die Kana­nese vrouw. Dan raak je uitgebeden naar­mate je jezelf leert kennen. Groter schuldenaar en kleinere gebeden. Ten­slot­te kan die vrouw niet anders roepen dan: "Heere, help mij!" (Matt.15:25).

Dat we ons voor Zijn majesteit verootmoedigen. Weet u wat dat ook betekent, dat verootmoedigen? Dat we door onze schuldkennis eens gaan leren wat genade is en wat vrije genade is. Door onze nood recht en grondig te leren kennen, gaan we leren dat het om vrije gena­de gaat. De hel verdiend te hebben en de hemel te krijgen. De eeuwige duisternis te moeten doorbrengen met de overste der duisternis, nochtans geroe­pen te worden tot Gods wonderbare licht.

Onze nood recht en grondig leren ken­nen is nodig opdat wij ons voor het aangezicht Zijner majesteit verootmoe­digen.

 

Ons laatste punt: Hoe wij bidden. Ten derde, dat wij deze vaste grond hebben... Als we dan zulke veroot­moedigde zondaren gewor­den zijn, dat we een grond buiten onszelf gaan zoeken en niet in onszelf, dan denk ik aan een gezegde van Luther. Wanneer het gaat over de verdienstelijkheid, ook van onze werk­zaamhe­den, dan meen ik dat het een uitdruk­king is van Luther, die zegt: "We weten het zo goed uit het Woord, we weten het zo goed uit de Schrift en daarom hebben we ons grote geld al ingele­verd". Wat wordt daarmee bedoeld? Wat is nu de nood van veel chris­te­nen, ge­liefden? Dat we onze nood wel enigszins kennen, maar niet recht en grondig. Daar­van zegt Luther: "Och, nu hebben we het bankpapier wel afgegeven, maar nu staan we nog zo dikwijls voor God met een handje klein­geld".

Recht verootmoedigd te zijn voor Gods maje­steit bete­kent, dat we ook dat laatste restje, die paar stuivers die we nog bij willen dragen aan onze eigen zaligheid, dat we die kwijt moeten ra­ken. Dat er een andere grond is, die wij uit het Woord leren kennen. Een grond buiten ons, deze vaste grond: dat Hij ons gebed, niettegenstaande wij zulks onwaar­dig zijn... Wel veroot­moe­digd, maar niet ontmoe­digd. O nee, toch in het geloof, juist in het geloof, juist door onze ellende recht en grondig te kennen.

Dat God ons ge­bed, niettegenstaande wij zulks onwaar­dig zijn, om des Heeren Christus wil, zekerlijk wil verhoren, zoals in zondag 23. Ik hoef dat in deze plaats niet geheel uit te werken, maar dat het er om gaat, dat onze grond, de grond voor onze verhoring, de moed om te roepen, de moed om door te worstelen buiten ons moet liggen. Want het ligt er niet in dat ik het al beter leer. Ik kan vandaag niet beter bidden dan gisteren, nee gemeente, het is net anders­om. Zodat je moet zeggen: "O God, nu kan ik het helemaal niet meer. O God, ik kan mijn klacht niet eens meer uit­spre­ken. Ik weet niet hoe ik U moet noemen en ik weet niet hoe ik mezelf moet noemen. O mijn God, wil horen om Jezus wil". Dat 'om Jezus wil' geen afgezaagde uit­drukking is, gemeente, maar dat dit nu juist de noodschreeuw van ons hart wordt. Dat vraagt een beet­je geloof: "Want die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Belo­ner is derge­nen, die Hem zoeken" (Hebr.11:6).

Wanneer de Samaritaanse vrouw en Rachab de hoer in onze dagen zouden zijn doodgesla­gen vanwege de vuiligheid van hun leven, dan had er misschien in de krant gestaan:

 

     Daar is vannacht een straatmeid doodgeslagen,

     waaraan de maat­schappij niet bijster veel verloor.

     Zoals zij leefde kon 't er nooit mee door.

    

Maar de grond van hun behoud is dit:

 

     Met tollenaars en zondaars gingt Gij om,

     want Gij wist van hun doen het hard waarom,

     dat steeds verzwegen werd: hoe één zo arm kan zijn

     en zo aan 't kwaad verkocht en zoveel pijn

     diep in zijn ziel kan voelen, dat alleen

     God hem nog troos­ten kan, maar anders geen.

 

Dan komen we op vaste grond. Wanneer het geloof er mag zijn en de werkzaamheid met de offe­rande van Christus, de verdienste van Chris­tus, dan ligt daar juist zo'n ruimte! Kijk, dit is ook de regel van Gods Koninkrijk dat, wan­neer ik mijzelf maar recht en maar grondig mag leren ken­nen in mijn eerste Adam, dat God dan die kostelij­ke tweede Adam gaat verklaren, zodat Jezus Christus dan zo noodzake­lijk wordt. Natuur­lijk noodza­kelijk, ­want buiten Jezus is geen leven maar een eeuwig zielsver­derf.

Maar dat Hij ook zo dierbaar wordt en zo gepast. Zo gepast, dat ondanks de ontdekkende genade van de Heilige Geest, ondanks de armmakende genade van de Heilige Geest, dat ik mijn grond vind in Christus, al zou ik het grootste beest van Drieber­gen zijn. Dat ik mijn grond vind in Christus' verdienste zodat er een gebedsgrond is in de Zoon, de Heere Jezus Christus. "Die, hoewel Hij de Zoon was, nochtans gehoor­zaamheid geleerd heeft, uit het­geen Hij heeft geleden. En gehei­ligd zijnde, is Hij allen, die Hem gehoorzaam zijn, een oorzaak der eeuwige zalig­heid geworden" (Hebr.5:8-9).

Zodat wij deze vaste grond hebben dat Hij ons gebed, niettegen­staande wij zulks onwaardig zijn, om des Heeren Christus wil zekerlijk wil verhoren, gelijk Hij ons in Zijn Woord beloofd heeft.

O, het ongeloof vraagt: Waar heeft Hij het beloofd? Maar het geloof gaat zif­ten in de Schriften, of er iets van Jezus te vinden is. Een waarachtige bidder die zijn nood recht en grondig kent, ­het zal niet falen, zo iemand zal zekerlijk ver­hoord worden.

En laat ik dan één belofte mogen noemen: "Maar de ure komt", zegt Jezus tegen een slechte vrouw, die alles verzondigd heeft: "De ure komt, en is nu". Wanneer is dat? Dat is het nu van het geloof! "De ure komt, en is nu, wanneer de ware aanbid­ders den Vader aanbid­den zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook dezulken, die Hem alzo aanbid­den".

Het is het kostelijke van het gebed dat er een zondaar is die naar God gaat vragen, om te ontdekken dat er een God is, Die naar een zondaar vraagt. AMEN.