ZONDAG 45
Vraag en antwoord 118 en 119
Psalm 19 : 5
Psalm 26 : 2
Psalm 25 : 3,10
Psalm 27 : 6
Psalm 27 : 7
Lukas 11 : 1-13
Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechismusonderwijs, vindt u in het voorgelezen Schriftgedeelte, Lukas 11 : 11 - 13
En wat vader onder u, dien de zoon om brood bidt, zal hem een steen geven, of ook om een vis, zal hem voor een vis een slang geven?
Of zo hij ook om een ei zou bidden, zal hij hem een schorpioen geven?
Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader den Heiligen Geest geven dengenen, die Hem bidden?
Onze catechismus zondag 45, vraag en antwoord 118 en 119
118. Vr. Wat heeft ons God bevolen van Hem te bidden?
Antw. Alle geestelijke en lichamelijke nooddruft, welke de Heere Christus begrepen heeft in het gebed dat Hij ons Zelf geleerd heeft.
119. Vr. Hoe luidt dat gebed?
Antw. Onze Vader, Die in de hemelen zijt,
1. Uw Naam worde geheiligd.
2. Uw Koninkrijk kome.
3. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde.
4. Geef ons heden ons dagelijks brood.
5. En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.
6. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze.
Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, in der eeuwigheid. Amen.
Wel, geliefde gemeente, vanavond gaan wij dan weer verder aan de hand van de catechismus met de zaak van het gebed. Ik dacht dat dit de derde keer was, dat we hopen te spreken over het gebed. We zijn hier als kerkgangers samengekomen om opnieuw iets te leren over het gebed. Daarom zou ik met een vraag willen beginnen. Hebt u al iets aan praktijklessen gedaan, aangaande het gebed? Zomaar een vraag waarmee ik beginnen wil. Want de Heere zegt Zelf in Zijn Woord: "En zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders" (Jak.1:22).
Dan gaan we nu verder en dan vraagt de catechismus: Wat heeft ons God bevolen van Hem te bidden? Dan valt het telkens op dat het gaat over bidden, terwijl het gebed toch juist in het stuk van de dankbaarheid staat. Dan zou je toch eigenlijk danken verwachten en dan wordt er gesproken over bidden. Zo ook deze keer, er staat niet: Wat heeft ons God bevolen Hem te danken? Nee: Wat heeft ons God bevolen Hem te bidden? Alle geestelijke en lichamelijke nooddruft, welke de Heere Christus begrepen heeft in het gebed dat Hij ons Zelf geleerd heeft.
Er wordt vervolgens gevraagd: Hoe luidt dat gebed? Daarom gaan we straks het gebed des Heeren, het Onze Vader behandelen. Zo op het eerste gezicht lijkt het wel een en al bidden, maar ik dacht dat juist de diepte van het bidden de dankzegging is. In het ware bidden komt het Godsvertrouwen openbaar van de Kerk.
Er zijn veel godsdiensten in de wereld en iedere godsdienst kent het gebed. Maar dat is totaal anders dan het heerlijke gebed dat Jezus Christus Zelf de Kerk leert om te bidden. En Jezus Zelf zegt: "En als gij bidt, zo gebruikt geen ijdel verhaal van woorden, gelijk de heidenen" (Matt.6:7). Er is een principieel onderscheid tussen het bidden van de heidenen en het bidden van de christenen. Want de heidenen menen dat zij door de veelheid van woorden hun goden moeten dwingen.
En waarom moeten zij hun goden dwingen? Omdat die goden van de heidenen zulke geweldige wrede heersers zijn, zulke vreselijke wrede potentaten. Dan hoeft u maar te denken aan de geschiedenis op de Karmel. Ze konden roepen en schreeuwen tot Baäl: "O Baäl, antwoord ons!" (1 Kon.18:26), van de morgen tot de avond totdat ze er bijna dood bij neer vielen. Ze konden zichzelf met messen snijden dat er bloed stroomde: "O Baäl, antwoord ons", maar er kwam geen antwoord. Het zijn eigenlijk hele vreemde dwingelanden, die goden der heidenen.
Dat is het heerlijke van het christelijke gebed, dat het niet gericht is tot een dwingeland, maar tot Iemand Die Zich laat noemen: Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Zo gaat dat gebed naar de hoogte, Die in de hemelen zijt. Maar ook naar de diepte, naar de diepte van het Vaderhart. Onze Vader.
Dan leert de Heere Jezus ons om geen ijdel verhaal van woorden uit te spreken. De Schrift waarschuwt ons ook op een andere plaats: "Wees niet te snel met uw mond, en uw hart haaste niet een woord voort te brengen voor Gods aangezicht; want God is in den hemel, en gij zijt op de aarde; daarom laat uw woorden weinig zijn" (Pred.5:1).
Daarom zou ik ook het tegendeel willen noemen van het spreken: het zwijgen. Het zwijgen voor God, het opmerkend zwijgen is ook weleens nodig. Ik bedoel het zoals de Psalm zegt:
Merk op, mijn ziel, wat antwoord God u geeft;
Hij spreekt gewis tot elk, die voor Hem leeft. (Ps.85:3 ber.).
Is het u ook niet overkomen en is het u niet dikwijls overkomen dat u uw gebed uitsprak voor de Heere op uw knieën en u zei: amen, en u stond op? Dat is de verwording van het gebed! We vragen wel, maar we wachten niet op een antwoord. Daarom zeg ik dat het ook zo goed kan zijn om eens te zwijgen voor Gods aangezicht. Als de Heere Jezus ons onderwijst dat het niet in de veelheid der woorden zit, dan kan het gebed ook weleens een gebed zonder woorden zijn. Slechts een wachten op God, een stil zijn voor God. Die dienstknecht zit niet te zeuren bij zijn meester en die dienstmaagd probeert niet te dwingen bij haar vrouw, maar de ogen van de dienstknecht zijn geslagen op zijn heer en de ogen van de dienstmaagd zijn geslagen op haar vrouw.
Zwijgen kan soms veel sprekender zijn dan spreken. "Die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken" (Hebr.11:6). Dat is het geweldige van de zaak.
Het is maar geen frase, dat de Heere Jezus ons leert bidden: Onze Vader. Het is het geweldige wonder dat God, Die zo hoog verheven is in de hemel dat zelfs de engelen hun aangezichten bedekken, dat die God Zichzelf plaatst in die tedere verhouding van een Vader ten opzichte van Zijn kind.
Dan gaat het er om dat er ook in het gebed een waarachtige verwachting zal zijn, een verwachting dat de Heere hoort. Ach, er was een kind van God dat 's morgens wakker werd, niet met een versje, maar met de zaak van Psalm 3:
Ik lag en sliep gerust,
Van 's HEEREN trouw bewust,
Tot ik verfrist ontwaakte;
Dat kun je ervaren in je leven!
Want God was aan mijn zij';
Hij ondersteunde mij
In 't leed, dat mij genaakte. (Ps.3:3 ber).
Zo kan God Zijn kinderen weleens sterken voor het leed dat hen genaakt. Want de dood waarde rond, maar toch was er onderworpenheid in het hart van David, echte onderworpenheid. Och, als de Heere dat geeft en als de Heere daar Zelf rust over geeft, dan kan er zo'n onderworpenheid en zo'n rust zijn, dat zelfs het bidden verstomt en overgaat in aanbidding. Aanbidding, zelfs in de moeilijkste omstandigheden van het leven, zelfs in zaken van leven en dood. Dan hebben onze gebeden een einde en gaan over in dankzegging. Jesaja mag het uitroepen "Weet gij het niet? Hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt?" (Jes.40:28). Laat ik het maar samenvatten, God wordt niet moe om de mens goed te doen. God hielp en God hielp uit. Dat is bidden, dat is het leven van de Kerk.
God helpt niet altijd uit de moeilijkheden, maar dan is dit Zijn Vadertrouw, wanneer Hij niet uithelpt, dat Hij wel doorhelpt. Dat wil zeggen dat Hij kracht geeft om te dragen, wat we dragen moeten. Zodat we eigenlijk een variant kunnen geven op Psalm 27:7: Zo ik niet had gebeden in dit leven en mijn ziel op het gebed Gods gunst en hulp niet genieten zou, mijn God waar was dan mijn hoop en mijn moed gebleven, als ik met U niet spreken kon? Ik was vergaan in al mijn smart en rouw!
Oefen u daarin gemeente, om vertrouwelijk met God om te gaan, niet alleen kort maar ook evangelisch met Hem te spreken. Geen ijdel verhaal van woorden, maar het gaat er om dat de Kerk geoefend zal worden om het Onze Vader ook in een kinderlijke gestalte uit te spreken. Om evangelisch te zijn in het gebed, omdat je weet dat het gebed onder de belofte ligt van Jezus Christus Zelf: "Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden" (Luk.11:10).
Kijk, dat bedoelde Ambrosius toen Monica weer eens kwam klagen dat Augustinus zo'n bont leven leidde. Toen kwam ze voor de zoveelste keer bij Ambrosius klagen dat Augustinus zo goddeloos was en dat hij zo goddeloos leefde. Ambrosius wist dat Monica een biddende moeder was, daarom was het niet zomaar een gezegde, maar het was op grond van Gods Woord dat Ambrosius tegen Monica zei: "Een kind van zulke gebeden kan niet verloren gaan!" God kan niet van Zijn Woord af, Hij heeft gezegd: "Die bidt, die ontvangt".
Mochten we dat nu maar eens meer leren beoefenen, dat evangelische bidden en dat evangelische luisteren zoals Samuël: "Spreek, HEERE, want Uw knecht hoort" (1 Sam.3:9). Als we er meer in geoefend waren, dan zou het misschien minder stroef gaan. Dan zou het de aangenaamste zaak van een christen moeten zijn om te bidden en te luisteren naar God, de hemelse Vader. Want:
Gods verborgen omgang vinden
Zielen, waar Zijn vrees in woont;
't Heilgeheim wordt aan Zijn vrinden,
Naar Zijn vreêverbond, getoond. (Ps.25:7 ber.).
Waar is uw blijdschap? Is het nog te zien in het aangezicht zoals bij Mozes? Toen hij van de berg afkwam glinsterde zijn aangezicht. Wanneer wij met God gemeenzaam geweest zijn dan straalt er iets van Zijn vriendelijk aangezicht af op onze aangezichten, dan worden we ook vriendelijke christenen. Juist ten aanzien van het gebed en de omgang met God geldt dat woord van de Heere Jezus: "Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn" (Matt.6:21). Wat zou dan de binnenkamer een voorportaal van de hemel kunnen zijn. Want de hemel zal tenslotte de volmaakte gemeenschap met God zijn. Precies hetzelfde als het gebed, want ook dat is gemeenschap oefenen met God.
Daarom komt héél concreet de vraag: Wat heeft ons God bevolen te bidden? Dan zegt de catechismus heel eenvoudig: Alle geestelijke en lichamelijke nooddruft. Wanneer we eenmaal in die verhouding gezet zijn van Vader tot kind, zoals het Onze Vader ons plaatst, dan zou ik niet weten wat er dan uitgezonderd kan zijn uit het gebedsleven, wat er buiten het gebedsleven zou staan.
Wat moeten we bidden? Alle geestelijke en alle lichamelijke nooddruft zoals dat later aan de orde komt wanneer het Onze Vader behandeld wordt. Alle lichamelijke en geestelijke nooddruft heeft de Heere Christus begrepen, samengevat in het gebed dat Hij ons geleerd heeft, namelijk in het Onze Vader. Dat wil dus zeggen dat het geen theorie gebed is, omdat het in de Bijbel staat en in sommige formulieren opgenomen is. Maar het moet ook werkelijk gebeden worden door iedere ware christen. Dat gebed moet op de lippen genomen worden, moet werkelijk gebeden worden, omdat het zo'n kostelijk gebed is.
Alle geestelijke en lichamelijke nooddruft. Dat is waar de catechismus ook mee begon: Wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven? Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigendom ben. De catechismus haalt het niet uit elkaar, het ene van het andere. Het leven en het sterven, het lichaam en de ziel, horen bij elkaar en de catechismus houdt het bij elkaar, omdat de Schrift die beide zaken ook bij elkaar houdt.
Daarom ook zo'n heel gewone vraag: wat zullen we bidden en waarom zullen we vragen? Alle geestelijke en lichamelijke nooddruft. Er staat alle geestelijke en alle lichamelijke nooddruft.
Het is de praktijk dat we zo onze gebedsverhoringen wel hebben, wanneer het onze tijdelijke nooddruft, onze lichamelijke nooddruft betreft. Dat zijn geweldige dingen, want daar heeft de Heere iets mee te zeggen. Maar we hebben ze goed uit elkaar te houden: geestelijke uitreddingen of natuurlijke uitreddingen. Maar ook met de natuurlijke en lichamelijke uitreddingen wil de Heere betuigen in ons leven, hoe barmhartig Hij is. Zodat we met onze geestelijke nooddruft met evenveel vertrouwen en volharding naar Zijn genadetroon zullen gaan.
Het is een geweldige zaak dat we daar de vrijmoedigheid voor krijgen. Niet van de catechismus, want de catechismus heeft op zichzelf beschouwd, begrijp me goed, geen enkel gezag. Maar alleen omdat het op Gods Woord gegrond is. Zoals we ook zojuist gelezen hebben dat het in het Onze Vader gaat om geestelijke en lichamelijke nooddruft. Het gaat niet alleen om de zaligheid van mijn ziel, maar ook om het brood op mijn bord. Dat is een heerlijke zaak en dat is ook een eerlijke zaak. De Heere wil er niet buiten blijven, ook niet buiten onze lichamelijke nooddruft, ons dagelijks leven. We hebben niet alleen een zondagse God, we hebben een God voor zeven dagen. We hebben een God voor alle nooddruft! Ja, de Heere Jezus wil Zijn discipelen leren dat ze niet alleen een God hebben, maar een getrouwe Vader. En een getrouwe Vader zorgt niet alleen voor het geestelijk welzijn, maar ook voor het natuurlijke, het lichamelijke welzijn van zijn kind.
Het is een geweldige zaak dat we die vrijmoedigheid hebben. Zoals de Hebreënschrijver dat ook zegt over ons leven en de gang door het leven: "En zijt vergenoegd met het tegenwoordige; want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten" (Hebr.13:5), ook in dit leven niet.
De Heer' zal, in dit moeilijk leven,
Zijn volk en erfdeel nooit begeven. (Ps.94:8 ber.).
Wat geldt voor onze gewone en natuurlijke belangen, voor onze lichamelijke nooddruft dat geldt ook voor onze geestelijke nooddruft.
Bidt, want een iegelijk, die bidt, die ontvangt. Zoekt, want een iegelijk die zoekt, die vindt. Klopt, want een iegelijk, die klopt, dien zal opengedaan worden. Dat is een geweldige zaak.
Dan gaat de Heere Jezus die vergelijking maken met een aardse vader: "Wat vader onder u, dien de zoon om brood bidt, zal hem een steen geven". Het is als het ware een korte gelijkenis. De Heere Jezus vraagt het: Welke vader, als een kind vraagt: "Vader, geef mij brood", welke vader zal er dan zo wreed zijn om dat kind een steen in de hand te stoppen? Welke vader, als het kind vraagt: "Vader, geef me een vis", want dat behoorde ook tot de dagelijkse levensbehoefte in Israël, welke vader zal zo'n kind een slang geven? Als zo'n kind vraagt om een ei, wie zal hem dan een schorpioen geven? "Indien dan gij, die boos zijt", boze vaders, "weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader den Heiligen Geest geven dengenen, die Hem bidden?" Want het is heel eigenaardig, maar er is geen kerkmens, of hij weet wel op de een of op de andere manier van gebedsverhoring.
Maar nu de geestelijke kant. Daar blijft het nu juist zo dikwijls in steken. Dan zijn er gebedsverhoringen aangaande natuurlijke zaken, lichamelijke nooddruft, noodsituaties in het leven waaruit we gered zijn. En dan komt toch altijd weer de vraag boven: hoe komt het dan dat onze ziel niet gered is? Is dat voor de Heere dan zoveel moeilijker? Is de Heere onwilliger om onze ziel te redden, in plaats van ons leven? Om onze ziel te voeden in plaats van ons lichaam? Is de Heere ten opzichte van geestelijke zaken een kariger God dan voor natuurlijke zaken? Is Hij dan ineens niet zo royaal meer? Die vraag komt toch weleens boven, nietwaar? We zaten in doodsnood en we zijn gered. Er zullen er velen zijn die van God weleens brood op de plank gekregen hebben op de een of op de andere manier.
Dan ga ik u vragen: bent u nu ook bekeerd? Nou, dat nog niet! Maar is God in het geestelijke dan kariger dan in het natuurlijke? Nee, vast niet! "Want indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven", dan ben ik zo blij dat hier niet staat: hoeveel te meer zal de hemelse Vader u brood, vis of eieren geven. Nee, dan staat hier: "Hoeveel te meer zal de hemelse Vader den Heiligen Geest geven dengenen, die Hem bidden". Dan gaat het hier werkelijk over hoofdzaken en niet over bijzaken. Dan gaat het over de zaligheid van onze ziel. Hoeveel te meer: "Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader den Heiligen Geest geven dengenen, die Hem bidden".
Het komt hier op neer, dat als we in de natuur iets nodig hebben het nog weleens nood kan worden, nooddruft, maar dat we zo weinig geestelijke nooddruft kennen. Dan ligt het niet aan Gods kant, maar dan ligt het volledig aan onze kant.
"Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal God het u geven". Als we honger hebben zal Hij zorgen voor een boterham. Dan gaat het over nooddruft, niet over overvloed. Als er behoefte is aan vis, dan zal Hij vis geven en geen slang. Als we bidden om een ei zal Hij geen schorpioen geven. Als ons dagelijks brood echte nooddruft is, dan zal het er komen door het gebed. Zo gaat het ook wat de geestelijke kant betreft, als er nooddruft is in onze harten aan de Heilige Geest, "hoeveel te meer zal de hemelse Vader den Heiligen Geest geven dengenen, die Hem bidden".
Heerlijk hè, je hoort het zo'n kind als het ware vragen. Dan is het niet alleen die vader, die zijn kinderen goede gaven weet te geven, maar het ware kind zal ook weten hoe de vader is. Die zal ook werkelijk niet anders verwachten, dan dat hij krijgt wat hij van zijn vader begeert.
Maar weet u, we moeten ook nog een andere kant van het gebed belichten. Het gaat om de nooddruft van ziel en van lichaam. Dan wil ik toch ook nog zeggen dat we vaak zulke dwazen zijn in ons gebed en dat God zo goed is, gemeente, dat Hij gelukkig niet al onze gebeden verhoort. "Wat vader onder u, dien de zoon om brood bidt, zal hem een steen geven?" En nu bidden wij zo vaak om verkeerde dingen, om stenen in plaats van brood.
Ik ga dat eens heel anders lezen, dan dat het er staat: Als de zoon zijn vader om een steen bidt, welke goede vader geeft dan een steen? Al zou een kind daar om bidden, die vader geeft brood. En als een kind om een slang bidt, dan verhoort die vader dat gebed niet, maar dan geeft hij een vis. En zo een kind om een schorpioen bidt, dan geeft een goed vader dat kind geen schorpioen, maar een ei. Begrijpt u? Dat is het vaderhart.
In die vergelijking gaat het er om, dat die broodjes die ze in het Oosten bakten, net stenen waren, ze leken veel op van die plat geslepen keien. Veel verschil is er niet tussen een paling en een slang. En een schorpioen heeft ook zo'n schild, als hij in het zand ligt is het net of er een ei ligt.
Nu is ons bidden dikwijls dat je iets ziet wat je graag wil hebben. Zoals een kind denkt dat het een ei is, maar de vader weet dat het een schorpioen is die in het zand ligt. Dan zou een kind denken dat het een paling is, maar die vader weet dat het een slang is. Een kind denkt dat het een brood is, maar die vader weet dat het een steen is. Zo werkt Gods barmhartigheid naar twee kanten. Zijn kind geeft Hij de nooddruft, maar wanneer we geborgen zijn in God, dan weet Hij alles wat gevaarlijk is in ons leven en dat geeft Hij dan niet!
Wat zullen we dan ook eerlijk moeten bekennen dat we in onze dwaasheid zo dikwijls schorpioenen begeren. Dat is de ellende en de dwaasheid van de mens, dat zelfs die aperte mogelijkheid bestaat dat we in onze dwaasheid om schorpioenen bidden.
Laat ik dan nu hiermee gaan eindigen. Zalig, dat God kinderen op aarde heeft en dat Hij Zich Vader laat noemen. Dat Hij als Vader zorgt en verzorgt. Maar wat is het nodig, dat het kind de kinderlijke vreze en de toevoorzicht ook zou oefenen op zijn Vader, in de gebeden die niet verhoord worden. Vanwege de verhouding Vader-kind. Zich geborgen te weten in het hart van Iemand Die het beter weet, Die het beter doet, Iemand Die alles uit liefde doet.
Onze Vader. Och, nu heb ik het nog niet gezegd. Mag je Onze Vader zeggen? Wie mogen dit gebed bidden? Ik ben er de vorige keer op in gegaan. Wie mogen het bidden? Ik wil u nu alleen nog vragen: als u die Vadernaam een ontzaglijke naam vindt, zijn die andere namen van God dan nog nooit ontzaglijk voor u geworden? Die naam HEERE met hoofdletters, die we misschien vijfentwintig keer gebruiken in een gebed.
Wie mogen het bidden? De Heidelbergse Catechismus vraagt niet: Wie mogen het bidden. Zij die bidden willen, zij die verwaardigd worden om te bidden, die mogen het bidden.
Onze Vader. Wie mogen het bidden? De catechismus gaat er niet op in. Maar twaalf discipelen vragen: "Heere leer ons bidden", en de Heere leert het Zijn hele Kerk: "Wanneer gij bidt, zo zegt: Onze Vader, Die in de hemelen zijt".
Dan is dit het heerlijke, dat de catechismus er ook niet op ingaat wie het mogen bidden. De Heidelbergse Catechismus leert hoe we zullen bidden in een zalig vertrouwen. In een zalig vertrouwen, zoals de Hebrenschrijver het ook zegt: "Die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken". De Hebreënschrijver zegt dit ook in een bepaald verband. Dan schrijft hij over Henoch: "Henoch wandelde met God". Dat was een heel vertrouwelijke omgang. En wanneer daarvan geschreven wordt, zegt de Hebreënschrijver: "Want die tot God komt", die met Hem om wil gaan, die met Hem wandelen wil, "moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is, dergenen, die Hem zoeken".
Zo vraagt de catechismus niet: wie mogen het bidden? De catechismus leert ons hoe we zullen bidden, omdat Jezus ons geleerd heeft hoe we zullen bidden in vol vertrouwen.
Wanneer eerst de kinderlijke vreze in onze harten gewekt wordt, wanneer die relatie er is door wederbarende genade, dan zijn we aan God verbonden door Jezus Christus. Dan is het gebed een heerlijke zaak. U hebt er misschien nog zo weinig van? "Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven". Hebt u er te weinig van? Klopt, bidt, zoekt, "hoeveel te meer zal de hemelse Vader den Heiligen Geest geven dengenen, die Hem bidden".
Zalig, wie er iets van kent. Bidden, daar moet vertrouwen inzitten anders is het geen gebed. "Die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken". Zo is er geen gebed zonder geloof en geen geloof zonder gebed. Waar het gebed gevonden wordt, daar wordt het geloof gevonden. Waar het geloof gevonden wordt, daar wordt ook het gebed gevonden. Daar zal altijd iets inzitten van dat vertrouwen, van die relatie kind-Vader en ook Vader-kind.
Zalig, die er iets van kent om als een kind heel vertrouwelijk tot God te gaan met alle nooddruft. Met de dagelijkse nooddruft en met de geestelijke nooddruft. Met tijdelijke nooddruft en eeuwige nooddruft. Wat is het dan heerlijk dat het geen profeet is, die het ons leert en dat het geen apostel is, die het ons leert. Maar het is Jezus Zelf, de eniggeboren Zoon des Vaders, Die Zelf Zoon was, die Zelf Kind was. Hij wil dat kindschap delen met arme verdoemelijke zondaren. Hij wil iets van die hemelse erfenis hier op aarde al gaan delen met arme verdoemelijke zondaren. Het is Jezus niet alleen, Die vol vertrouwen tot Zijn Vader mag gaan, maar allen die Hem liefhebben neemt Hij mee naar het liefdehart van Zijn Vader. Hij heeft gezegd: "Wanneer gij bidt, zo zegt: Onze Vader" (Luk. 11:2). Wat is dat dan een heerlijke zaak dat Jezus ook gezegd heeft: "In dien dag zult gij in Mijn Naam bidden; en Ik zeg u niet, dat Ik den Vader voor u bidden zal; Want de Vader Zelf heeft u lief" (Joh.16:26-27).
Zo mag de Kerk, zo mag Gods kind vol vertrouwen naar zijn Vader gaan, om alle lichamelijke en geestelijke nooddruft te begeren.
Wie mogen er Vader zeggen? Hoe zullen we bidden? Dan blijft er eigenlijk nog maar één ding over, dat we nog zoveel te kort komen aan het ware Godsvertrouwen, die kinderlijke vreze, waardoor we tot God gaan.
Dan kan ik alleen maar zeggen gemeente, dat het veel te weinig gebeurt in plaats van te veel. Al te weinig wordt dat kinderlijke vertrouwen geoefend in het gebed: Onze Vader. Wat een heerlijk vertrouwen ligt daarin. Dan zie je zo'n kinderhandje opgestoken naar een grote vader. Wat is dat heerlijk! In iedere heidense godsdienst is dat vreemd, dat kinderlijke vertrouwen, die kinderlijke vreze. We behoeven niet te dwingen of te stampvoeten: "O Baäl, antwoord ons, o Baäl antwoord ons". "Want uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt" (Matt.6:8). "Eer zij roepen, zo zal Ik antwoorden" (Jes.65:24), heeft de Heere gezegd.
Het is een heerlijke zaak dat Jezus het Zelf geleerd heeft aan Zijn Kerk, geen profeet, geen apostel. "Wanneer gij bidt, zo zegt: Onze Vader". Wanneer Hij veel gesproken heeft over Zijn voorbidding en het bidden door de Heilige Geest, dan zegt Jezus: "En Ik zeg u niet, dat Ik den Vader voor u bidden zal; Want de Vader Zelf heeft u lief". Wat een eeuwig Godswonder! Alleen door Jezus Christus en door Zijn bloed en wonden, met Jezus Christus aan de Vader verbonden te mogen zijn. AMEN.