ZONDAG 46
Vraag en antwoord 120 en 121
Psalm 103 : 7
Psalm 33 : 11
Psalm 141 : 1,2,9
Psalm 26 : 8
Psalm 145 : 5
Lukas 11 : 1-13
Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechismusonderwijs, vindt u in het voorgelezen Schriftgedeelte, Lukas 11 : 1 - 2a
En het geschiedde, toen Hij in een zekere plaats was biddende, als Hij ophield, dat een van Zijn discipelen tot Hem zeide: Heere, leer ons bidden, gelijk ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft.
En Hij zeide tot hen: Wanneer gij bidt, zo zegt: Onze Vader, Die in de hemelen zijt!
Onze catechismus zondag 46, vraag en antwoord 120 en 121
120. Vr. Waarom heeft ons Christus geboden God alzo aan te spreken: Onze Vader?
Antw. Opdat Hij van stonden aan, in het begin onzes gebeds, in ons de kinderlijke vreze en toevoorzicht tot God verwekke, welke beide de grond onzes gebeds zijn, namelijk, dat God onze Vader door Christus geworden is, en dat Hij ons veel minder afslaan zal hetgeen dat wij Hem met een recht geloof bidden, dan onze vaders ons aardse dingen ontzeggen.
121. Vr. Waarom wordt hierbij gevoegd: Die in de hemelen zijt?
Antw. Opdat wij van de hemelse majesteit Gods niet aards gedenken, en van Zijn almachtigheid alle nooddruft des lichaams en der ziel verwachten.
Het gebed, geliefde gemeente, dat is juist de kracht, de power van het hele geestelijke leven. Daar kan ik u een sterk staaltje van vertellen. Er was een predikant die veel zegen op zijn werk had. Die predikant kon héél goed preken en had véél zegen op zijn werk. Maar één ding hield hij niet zo goed uit elkaar: wat ambtelijke genade was en wat persoonlijke genade was.
Er kwam een tijd dat ook de dominee voor Zijn hemelse Rechter zou moeten verschijnen. Maar deze dominee had daarvoor veel vrijmoedigheid, want hij was het 'middel' geweest voor zovelen. Hij kwam vingers tekort om uit te tellen voor hoeveel mensen hij het 'middel' geweest was. Zou je dan niet met vrijmoedigheid gaan sterven? Maar toen liet de Heere in één ogenblik iets zien aan die dominee. Hij had inderdaad gewerkt in Gods' Koninkrijk, gepreekt dat de stukken er af vlogen, maar er had altijd een onbekende man onder de preekstoel gezeten. Zo iemand waar je nauwelijks de naam van weet. Maar dat was de bidder geweest en dat gaf de kracht en de power aan de prediking. Niet op de preekstoel, maar er onder!
Het gebed! Wat een heerlijke zaak! En het geschiedde, dat Jezus Zelf was biddende in een zekere plaats. Dat is het hè, toen Jezus in een zekere plaats was, biddende. Woorden wekken, voorbeelden trekken, u kent dat spreekwoord wel. Het was de Heere Jezus Zelf, Die de kracht zocht in het gebed. De kracht zocht in een eenzame plaats, een zekere plaats wordt hier gezegd. Toen Hij ophield vroeg één van Zijn discipelen aan Hem: "Heere, leer ons bidden, gelijk ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft". En toen heeft de Heere Jezus aan Zijn discipelen het Onze Vader leren bidden.
De catechismus gaat vanavond in op vraag en antwoord 120 en 121. Daar wordt gevraagd: Waarom heeft ons Christus geboden God alzo aan te spreken: Onze Vader? Opdat Hij van stonden aan, in het begin onzes gebeds, in ons de kinderlijke vreze en toevoorzicht tot God verwekke, welke beide de grond onzes gebeds zijn, namelijk, dat God onze Vader door Christus geworden is, en dat Hij ons veel minder afslaan zal hetgeen dat wij Hem met een recht geloof bidden dan onze vaders ons aardse dingen ontzeggen.
Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Het gaat nu letterlijk om het Onze Vader in de catechismus. Het zal letterlijk gebeden worden. Het moet niet ongebruikt in de kerk blijven liggen, maar gebruikt worden.
U weet dat Cyprianus een vergelijking maakt. Hij zegt: God heeft Zijn Kerk wat te gebieden en God geeft Zijn Kerk wat te bidden. De Heere heeft aan de Kerk Zijn wet en Zijn gebed gegeven. Dat we ons aan de wet moeten houden, daar zijn we het allemaal wel mee eens, maar aan dat gebed?
Ik weet het wel, dat we zoveel bezwaren kunnen aanvoeren tegen de allereerste woorden al: Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Het lijkt er op alsof de catechismus eigenlijk had moeten vragen: Waarom heeft ons Christus verboden God alzo aan te spreken: Onze Vader? Dat staat er gelukkig niet!
Waarom heeft ons Christus geboden, God alzo aan te spreken: Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Nu weet ik heel goed dat, hoe heiliger de dingen zijn, hoe onheiliger ze gebruikt kunnen worden. Maar het geweldige wat ons nu geleerd wordt uit de catechismus is dat we het Onze Vader toch niet als een ongebruikte schat mogen laten liggen in de kluizen van het Woord. Maar dat we het met eerbied zouden gebruiken zoals het behoort.
Daar heeft de catechismus toch immers reeds over gesproken: Wat behoort tot zulk een gebed, dat Gode aangenaam is en van Hem verhoord wordt? Daar hebben we toch al over gesproken: Eerstelijk dat wij alleen den enigen waren God, Die Zich in Zijn woord ons geopenbaard heeft, om al hetgeen dat Hij ons geboden heeft te bidden, van harte aanroepen. Ten andere dat wij onzen nood en ellendigheid recht en grondig kennen. Ten derde dat Hij ons gebed, niettegenstaande wij zulks onwaardig zijn, om des Heeren Christus' wil zekerlijk wil verhoren.
O gemeente, wanneer we het met alle eerbied gebruiken, dan is het Onze Vader zoiets als: "Trek uw schoenen uit van uw voeten; want de plaats, waarop gij staat, is heilig land" (Ex.3:5). Waarom doen we dan niet dikwijls onze schoenen van onze voeten om daarin Christus na te volgen, letterlijk en woordelijk? Om dat kostelijke gebed na te bidden: Onze Vader, Die in de hemelen zijt.
Het is zo prachtig opgenomen in Matthéüs 6 en het staat ook zo schoon beschreven in Lukas 11. Och, dat we gebedsmensen zouden zijn, dat we binnenkamermensen zouden zijn: "En uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden". Waar wordt dat nog gevonden, wat we straks gaan zingen:
Wat blijdschap smaakt mijn ziel,
Wanneer ik voor U kniel
In 't huis, of in de binnenkamer, dat Gij U hebt gesticht! (Ps.26:8).
Bidden is ten diepste God ontmoeten. Niet slechts God ontmoeten met woorden, maar God ontmoeten met het hart. Als het dan onder de oudtestamentische bediening al zo was dat het aangezicht van Mozes verheerlijkt was en glinsterde toen God Zijn wet aan Mozes gaf door de bestelling van engelen. Die wet, de tien geboden, die tergend zware geboden, met eerbied gesproken, hoe moest de kerk dan verheerlijkt zijn bij het ontvangen niet alleen van het gebod, maar zeker ook van het gebed. Niet door de bestelling van engelen, maar door de bestelling van Zijn eigen lieve Zoon, de Heere Jezus Christus.
We voelen heel goed gemeente, dat we er met naarheid niet komen en met zwaarheid ook niet. Maar het gaat hier over de klaarheid, dat we ook iets zouden kennen van de blijdschap in het gebed: Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Een stuk dankbaarheid, geliefde gemeente. Wat is het voornaamste stuk der dankbaarheid? Het gebed!
Waarom heeft ons Christus geboden God alzo aan te spreken: Onze Vader? Waarom? Laten we eerst eens naar het wonder kijken dat God het duldt, dat Hij Zich Vader laat noemen. In de eerste plaats door Zijn eigen Zoon, de Heere Jezus Christus. Van die intieme gemeenschap lezen we iets in Johannes 17: "Ik kome tot U, Heilige Vader" (Joh.17:11). O, dat God Zich Vader laat noemen, niet alleen door Christus, maar ook door ongeschikte zondaren, door vuile zondaren. God, voor Wie de engelen het aangezicht bedekken en uitroepen: "Heilig, heilig, heilig is de HEERE der heirscharen!" (Jes.6:3).
Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Misschien vraagt u: "Mag ik dat ook bidden, dominee? Want om vader te zeggen moet je toch kind zijn?" Eigenlijk wel. Daar moet je tenminste een verloren zoon of een verloren dochter voor zijn. Toen de verloren zoon nog geen verloren zoon was en toen u nog geen verloren dochter was, toen kon u het wel uitspreken, maar het had toch immers geen inhoud, of wel soms?
Waarom heeft ons Christus geboden God alzo aan te spreken: Onze Vader? God is onze Vader in de eerste plaats krachtens de schepping. Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde. Adam wordt genoemd: "den zoon van God" (Luk.3:38). Krachtens de schepping is God onze Vader. Maar laten we heel goed beseffen dat als het niet verder gaat, wij nog verloren zonen en verloren dochters voor God zijn. God is onze Vader krachtens het verbond Gods bij de doop geproclameerd. Zoals de Vadernaam over onze hoofden is uitgesproken: "Ik doop u in de Naam des Vaders". O wat een heerlijke zaak dat God Zich Vader laat noemen zonder Zich te vertoornen, zonder ons weg te stormen vanwege onze onreinheid.
Maar er wordt in het catechismusonderwijs iets diepers ingeschoven. God is onze Vader door Christus geworden, zegt de catechismus. Het gaat om die zalige aanneming tot kinderen. "Zovelen Christus aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven" (Joh.1:12).
Met de woorden "die in Zijn Naam geloven" is meteen getekend dat van stonde aan, in het begin onzes gebeds, in ons de kinderlijke vreze en toevoorzicht tot God verwekt wordt, welke beide de grond onzes gebeds zijn, namelijk, dat God onze Vader door Christus geworden is, en dat Hij ons veel minder afslaan zal hetgeen dat wij Hem met een recht geloof bidden, dan onze vaders ons aardse dingen ontzeggen. God is onze Vader door Christus geworden.
Dan komen we opnieuw op een teer plaatsje, op de kern: het bloed en de wonden van Jezus Christus. God is onze Vader om Christus' wil geworden, dat betekent dat die Naam met bloed gekocht is. Dan ga je die Naam ook niet klakkeloos uitspreken maar met de hoogste eerbied. Wat zit er dan een aangenaamheid in, wat een blijdschap smaakt zo'n ziel die voor God mag knielen.
Dan denk ik aan de prijs die het gekost heeft, waardoor de Kerk om Christus Jezus' wil Vader mag zeggen.
Er is maar één Rechthebber geweest van eeuwigheid. Jezus Christus, Rechthebber om die Vadernaam uit te spreken. Hij heeft die Vadernaam afgelegd om daarmee het recht te kopen voor zondaren om die dierbare Naam weer uit te mogen spreken.
Ik vind het zo ontroerend, gemeente, dat de eniggeboren Zoon van God Zijn Vader nog met Vader aanspreekt in de hof van Gethsémané. Maar toen is er een punt gekomen waarop ook de prijs voor het Onze Vader betaald moest worden aan het kruis. Toen de Heere Jezus uitgeroepen heeft niet: Mijn Vader, Mijn Vader waarom verlaat Gij Mij? Niet Abba, Abba Lama Sabachthani! Maar: "ELI, ELI, LAMA SABACHTHANI". "Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten?" (Matt.27:46). Opdat wij nimmermeer van God verlaten, maar tot Hem genomen zouden worden zegt het avondmaalsformulier.
Daarom nog eens de vraag: Waarom heeft ons Christus geboden God alzo aan te spreken: Onze Vader? Moet het dan echt nog geboden worden? Is daar dwang voor nodig? Dan zijn er immers van die geheiligde uurtjes, wanneer het bloed van Jezus Christus Gods Zoon dierbaar is, dat ook die Vadernaam zo dierbaar is.
Wat hebben we dan eigenlijk nodig om die Vadernaam uit te spreken? Een bepaalde stand? Het is veel eenvoudiger te zeggen, geliefde gemeente. Om die kostelijke Naam uit te spreken, die Vadernaam, hebben we maar één ding nodig en dat is kinderlijke vreze. Veel kinderlijke vreze. Dan hoeven we zelf ons best niet te doen, want als er veel kinderlijke vreze Gods in ons leven verklaard ligt, dan zal God veel van Zijn Vaderlijke liefde gaan verklaren in ons hart.
Waarom heeft ons Christus geboden God alzo aan te spreken: Onze Vader? Er is in de hele wereld niets wat liefelijker is en wat hartelijker ligt dan: Onze Vader.
Het is het eerste, het is het diepste, het is het laatste en het is alles. Het is God aanspreken als de Oorzaak van alles, als de Oorzaak van ons gehele bestaan. "Zovelen Christus aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven; Welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleses, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn" (Joh.1:12-13).
Wanneer we er iets van proeven, wanneer we er iets van smaken, wanneer we een beetje onderwijs mogen ontvangen van God en van goddelijke zaken; dan zit er zo'n diepte in het Onze Vader. Daar ligt toch immers het begin van alle zaligheid, het welbehagen uit dat ondoorgrondelijke Vaderhart.
Opdat Hij van stonden aan, in het begin onzes gebeds, in ons de kinderlijke vreze en toevoorzicht tot God verwekke, welke beide de grond onzes gebeds zijn. Het gebed moet immers een vertrouwend gaan zijn. "Die tot God komt", die tot God de Vader komt, "moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken" (Hebr.11:6). Ja, als je dan echt iets begeert, dan zou ik haast zeggen dat er immers geen andere Naam te bedenken is dan die Vadernaam!
Opdat Hij terstond, in het begin van ons gebed, in ons de kinderlijke vreze verwekke. Kinderlijke vreze is heel anders dan slaafse vreze. Kinderlijke vreze houdt in dat we terstond een vrijmoedigheid krijgen in ons hart om op te klimmen tot de eerste Oorzaak van ons bestaan. Tot de eerste Oorzaak van onze zaligheid, namelijk de Vader in Zijn verkiezende liefde.
Van stonde aan een goed toevoorzicht te hebben, dat is niet met een slavenhart tot God te gaan, maar met een kinderhart. Een goed toevoorzicht tot God te hebben, dat is zoals de Psalm het zegt. Daar gaat het over de vreze van een dienstknecht en een dienstmaagd, doch het stijgt vér boven die Psalm uit. Maar laat ik toch die Psalm aanhalen, over dat toevoorzicht: "Gelijk de ogen der knechten zijn op de hand hunner heren; gelijk de ogen der dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw; alzo zijn onze ogen op den HEERE, onzen God, totdat Hij ons genadig zij" (Ps.123:2).
Daar ver boven uit, zoals een kind van vader iets kan begeren, gaat dat goede toevoorzicht, dat vertrouwen door het geloof. Dan hebben kleine kinderen een bepaalde blik in hun ogen als ze je aankijken om iets te vragen, dat is het vertrouwen. Dan is er geen twijfel in die peuters. In kinderlijke vreze is geen twijfel meer, maar geloof. Heerlijk geloof, ook gelouterd geloof zodat ons gebed geen verlanglijstje is, maar dat we met de ware nooddruft van onze ziel en van ons lichaam tot God gaan. Met alle lichamelijke en geestelijke nooddruft.
Waarom heeft ons Christus geboden God alzo aan te spreken: Onze Vader? Opdat Hij in ons hart de kinderlijke vreze verwekke, zodat die vreze dan nog groeit ook in het gebed. Als er één goede leerschool is, dan is dat de binnenkamer, dan is dat het gebed. Kinderlijke vreze verwekt nog meer kinderlijke vreze in mijn hart en een goed toevoorzicht welke beide de grond onzes gebeds zijn... Het gaat er dus niet om dat mijn kinderlijke vreze de grond van mijn gebed is. Dat mijn toevoorzicht de grond van mijn gebed zou zijn en dat mijn hopen en mijn geloven de grond van mijn gebed zou zijn. Maar dit is de grond, dat God onze Vader door Christus geworden is, en dat Hij ons veel minder afslaan zal hetgeen dat wij Hem met een recht geloof bidden, dan onze vaders ons aardse dingen ontzeggen.
De Vadernaam is niet zomaar een titel, maar is functioneel. Die Vadernaam is ook enig. Zoals het in de natuur onmogelijk is dat we meer dan één vader zouden hebben, zo is er ten diepste ook in het gebed maar één Adres, Eén Die ons helpen kan om Christus' wil alleen.
Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Dan is de grond niet het gebed zelf en ook niet het geloof. Het gaat niet om de woorden als zodanig. Gods Woord zegt: "Want het Koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden, maar in kracht" (1 Kor.4:20). Dat zit ook in dat woord Vader! Daar zit de kracht in, want daarin wordt God aangegrepen in Zijn Vaderlijk hart.
Daarom ligt er dit vertrouwen in, dit toevoorzicht, dat Hij ons veel minder afslaan zal hetgeen dat wij Hem met een recht geloof bidden, dan onze vaders ons aardse dingen ontzeggen.
O gemeente, die Naam Onze Vader is functioneel. Dan kunnen er in het leven zo van die dingen zijn waar mee je naar de dokter gaat. Er kunnen dingen zijn, daar ga je mee naar een advocaat. Maar dan zijn er ook nog dingen in het leven waarin niemand helpen kan, geen dokter en geen advocaat. Dan is er maar Eén Die helpen kan, Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Want in dat Onze Vader ligt iets machtigs opgesloten: Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde. Zoals een klein kind denkt dat vader alles kan, zo ligt er voor het geloof in die Naam ook besloten dat God ons helpen kan als niemand ons meer helpen kan. Dat God het weet als niemand het meer weten kan. Onze Vader, Die in de hemelen zijt.
Waarom heeft ons Christus geboden God alzo aan te spreken: Onze Vader? De Heere Jezus, met eerbied gesproken, had er Zelf zo veel ervaring in, geliefde gemeente. Hij had Zelf het 'Vader' zo dikwijls uitgesproken. We lezen het herhaaldelijk dat Hij in het gebed was. Als de diepe beproeving komt, de doodsnood, wanneer Jezus Zèlf droevig en zeer beangst begint te worden, dan bidt Hij: "Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbij gaan! doch niet, gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt" (Matt.26:39).
Wat heeft de Heere Jezus aan Zijn Kerk geleerd, waar de kracht ligt. De Heere Jezus is Zèlf met de Vadernaam de strijd ingegaan toen Hij droevig en zeer beangst begon te worden. De Heere Jezus Zelf heeft met de Vadernaam op Zijn lippen afscheid genomen van het leven: "Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn Geest" (Luk. 23:46).
Wanneer wij die Vadernaam uitspreken denken wij nog zoveel aan aardse vaders! Wat zit er veel lering in het gedeelte dat we hebben gelezen. Een kind dat om brood, om vis of om een ei vraagt, krijgt dat ook van zijn vader. Het is nog veel ruimer, een kind kan meteen ook zo dwaas zijn, zó dwaas, dat hij in plaats van om een ei te bidden, vraagt om een schorpioen. Wat is het dan toch een veilige weg om tot God te gaan. Onze Vader, Die in de hemelen zijt, de Vader, Die weet wat nuttig voor Zijn kinderen is. Tot God de Vader, Die ook weet wat funest voor Zijn kinderen is, wat gevaarlijk voor Zijn kinderen is.
Veel kinderlijke vreze en een goed toevoorzicht, dat komt uit een kinderhart. Als een zondaar dan een kinderhart mag hebben, wat zou de Naam dan zijn, die God het liefst uit hoort spreken? Toch immers dat kinderlijke stamelen: Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Voor onze dagelijkse nooddruft en voor onze geestelijke nooddruft.
Het gaat niet alleen om de bede die straks volgt: En vergeef ons onze schulden. Maar ook het dagelijkse: Geef ons heden ons dagelijks brood, waar de roomse kerk van gemaakt heeft: Geef ons heden ons bovennatuurlijk brood. Maar dat is niet juist. De catechismus is begonnen om de mens te tekenen, de gevallen mens. Nochtans een vrijgekocht mens waar een eenheid is van ziel en lichaam, gekocht door het bloed van Jezus Christus. Door Zijn tranen en door Zijn lijden naar lichaam en naar ziel vrijgekocht, zodat Hij hen ook onderhoudt. Hij Zelf heeft het geleerd: Mijn volk, bidt maar! Mijn kinderen, bidt maar: Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Zowel om het dagelijks brood als om de vergeving der zonden.
En dan het geloof dat Hij ons veel minder afslaan zal hetgeen dat wij Hem met een recht geloof bidden, dan onze vaders ons aardse dingen ontzeggen. Daar moet je kind voor zijn, om zoveel te durven vragen en zoveel te durven verwachten. Daar is zoveel kinderlijke vreze voor nodig. Zoveel, dat wij uit het geloof gaan bidden, omdat we zo nooddruftig zijn, zo arm, zo naakt en verlegen. Zo'n nooddruft hebben, hetzij natuurlijk, hetzij geestelijk, dat er tenslotte maar één Naam is, die we uit kunnen spreken. Dat er maar één Naam is waardoor dat kostelijke geloof in onze harten verwekt wordt. Dan is bidden met eerbied gesproken, geen zeuren. Dan is het werkelijk het gaan van een kind naar zijn hemelse Vader. Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Dàt heeft de Heere Jezus Christus ons willen leren.
Waarom wordt hierbij gevoegd: Die in de hemelen zijt? O ja, de catechismus vraagt dat ook nog.
Waarom wordt hierbij gevoegd: Die in de hemelen zijt? Opdat wij ondanks de gemeenschap, zo mag ik het wel zeggen, met die grote God, die heilige God met een zondaar toch van de hemelse majesteit Gods niet aards zouden denken en dat wij van Zijn almachtigheid alle nooddruft des lichaams en der ziel verwachten.
Niet aards van deze Vader denken, dat betekent: God is een Grand Seigneur, zoals ik u dat enige weken geleden verteld heb. Ondanks dat, toch: Onze Vader. Maar dat is het, wanneer we veel kinderlijke vreze hebben, dan kijken we tegen onze natuurlijke vaders op, dan zijn we klein en dan willen we ook wel klein wezen.
Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Opdat wij van de hemelse majesteit Gods niet aards denken. Inderdaad een heilig gebed kan alleen maar geheiligd gebruikt worden. Een heilige aanspraak, alleen om geheiligd te gebruiken. Maar aan de andere kant als er dan ook nog eens bijstaat: Die in de hemelen zijt, wat ligt daar dan ook iets machtigs in opgesloten.
Mag ik dat laatste stukje in beeldspraak doen, geliefde gemeente? Dan is de hemel de opperste zolder hierboven, zo zegt Maarten Luther het. Zoals de zolder van een boerderij opgetast ligt met het kostelijke graan. Dan is er zo'n overvloed voor het kleinvee dat beneden is.
Onze Vader, Die in de hemelen zijt, Luther maakte het met deze beeldspraak duidelijk. Dan valt er zoveel kostelijk graan tussen de kieren en planken door, met eerbied gesproken, dat er een overvloed is voor het kleinvee dat beneden op de deel rondscharrelt.
Die in de hemelen zijt, opdat wij niet aards zouden denken van die hemelse majesteit. Maar ook dat wij niet klein zouden denken van die hemelse majesteit. Dan gaat het om een rijke God, een almachtige God. Dan gaat het ook om een gewillige God, Die het geven wil. Om het maar te zeggen met de woorden van de Heere Jezus Christus: "Die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden" (Matt.7:8). AMEN.