Zondag 46. Vraag en antwoord 120 - 121

                                         ZONDAG 46

                             Vraag en antwoord 120 en 121

 

        Psalm     103 : 7

        Psalm       33 : 11

        Psalm     141 : 1,2,9

        Psalm       26 : 8

        Psalm     145 : 5

        Lukas        11 : 1-13

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in het voorgelezen Schriftgedeelte, Lukas 11 : 1 - 2a

 

En het geschiedde, toen Hij in een zekere plaats was bidden­de, als Hij ophield, dat een van Zijn discipelen tot Hem zeide: Heere, leer ons bidden, gelijk ook Johannes zijn disci­pelen geleerd heeft.

En Hij zeide tot hen: Wanneer gij bidt, zo zegt: Onze Vader, Die in de hemelen zijt!

 

Onze catechismus zondag 46, vraag en antwoord 120 en 121

 

120. Vr. Waarom heeft ons Christus geboden God alzo aan te spreken: Onze Vader?

Antw. Opdat Hij van stonden aan, in het begin onzes gebeds, in ons de kinderlijke vreze en toevoor­zicht tot God verwekke, welke beide de grond onzes gebeds zijn, namelijk, dat God onze Vader door Christus geworden is, en dat Hij ons veel minder afslaan zal hetgeen dat wij Hem met een recht geloof bidden, dan onze vaders ons aardse dingen ontzeggen.

121. Vr. Waarom wordt hierbij gevoegd: Die in de heme­len zijt?

Antw. Opdat wij van de hemelse majesteit Gods niet aards geden­ken, en van Zijn almachtigheid alle nooddruft des li­chaams en der ziel verwach­ten.

 

Het gebed, geliefde gemeente, dat is juist de kracht, de power van het hele geestelijke leven. Daar kan ik u een sterk staaltje van vertellen. Er was een predikant die veel zegen op zijn werk had. Die predikant kon héél goed preken en had véél zegen op zijn werk. Maar één ding hield hij niet zo goed uit elkaar: wat ambte­lijke genade was en wat persoonlijke genade was.

Er kwam een tijd dat ook de dominee voor Zijn hemelse Rech­ter zou moeten ver­schijnen. Maar deze dominee had daarvoor veel vrij­moedig­heid, want hij was het 'middel' geweest voor zovelen. Hij kwam vingers tekort om uit te tellen voor hoeveel men­sen hij het 'middel' geweest was. Zou je dan niet met vrijmoedigheid gaan sterven? Maar toen liet de Heere in één ogenblik iets zien aan die dominee. Hij had inder­daad gewerkt in Gods' Ko­nink­rijk, gepreekt dat de stukken er af vlo­gen, maar er had altijd een onbeken­de man onder­ de preek­stoel gezeten. Zo iemand waar je nauwe­lijks de naam van weet. Maar dat was de bidder geweest en dat gaf de kracht en de power aan de prediking. Niet op de preekstoel, maar er onder!

Het gebed! Wat een heerlijke zaak! En het geschiedde, dat Jezus Zelf was biddende in een zekere plaats. Dat is het hè, toen Jezus in een zekere plaats was, biddende. Woorden wekken, voorbeelden trekken, u kent dat spreekwoord wel. Het was de Heere Jezus Zelf, Die de kracht zocht in het gebed. De kracht zocht in een eenzame plaats, een zekere plaats wordt hier ge­zegd. Toen Hij ophield vroeg één van Zijn disci­pe­len aan Hem: "Heere, leer ons bidden, gelijk ook Jo­han­nes zijn disci­pelen geleerd heeft". En toen heeft de Heere Jezus aan Zijn discipelen het Onze Vader leren bidden.

De catechismus gaat vanavond in op vraag en antwoord 120 en 121. Daar wordt gevraagd: Waarom heeft ons Christus geboden God alzo aan te spreken: Onze Va­der? Opdat Hij van stonden aan, in het begin onzes gebeds, in ons de kinderlijke vreze en toe­voorzicht tot God verwekke, welke beide de grond onzes gebeds zijn, namelijk, dat God onze Vader door Christus ge­wor­den is, en dat Hij ons veel minder af­slaan zal het­geen dat wij Hem met een recht geloof bidden dan onze vaders ons aardse dingen ontzeggen.

Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Het gaat nu letter­lijk om het Onze Vader in de catechismus. Het zal letter­lijk gebeden worden. Het moet niet ongebruikt in de kerk blijven liggen, maar gebruikt wor­den.

U weet dat Cyprianus een vergelijking maakt. Hij zegt: God heeft Zijn Kerk wat te gebieden en God geeft Zijn Kerk wat te bidden. De Heere heeft aan de Kerk Zijn wet en Zijn gebed gegeven. Dat we ons aan de wet moeten houden, daar zijn we het allemaal wel mee eens, maar aan dat gebed?

Ik weet het wel, dat we zoveel bezwaren kunnen aan­voeren tegen de allereerste woorden al: Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Het lijkt er op alsof de catechismus eigenlijk had moeten vragen: Waar­om heeft ons Chris­tus verboden God alzo aan te spreken: Onze Va­der? Dat staat er gelukkig niet!

Waarom heeft ons Christus geboden, God alzo aan te spreken: Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Nu weet ik heel goed dat, hoe heili­ger de dingen zijn, hoe onheiliger ze ge­bruikt kunnen worden. Maar het geweldige wat ons nu geleerd wordt uit de catechismus is dat we het Onze Vader toch niet als een onge­bruikte schat mogen laten liggen in de klui­zen van het Woord. Maar dat we het met eerbied zou­den ge­bruiken zoals het behoort.

Daar heeft de catechismus toch immers reeds over ge­sproken: Wat behoort tot zulk een gebed, dat Gode aangenaam is en van Hem verhoord wordt? Daar hebben we toch al over gesproken: Eerstelijk dat wij alleen den enigen waren God, Die Zich in Zijn woord ons geo­pen­baard heeft, om al het­geen dat Hij ons geboden heeft te bidden, van harte aanroepen. Ten andere dat wij onzen nood en ellendig­heid recht en grondig ken­nen. Ten derde dat Hij ons gebed, niettegen­staan­de wij zulks onwaardig zijn, om des Heeren Christus' wil ze­kerlijk wil verho­ren.

O gemeente, wanneer we het met alle eerbied gebrui­ken, dan is het Onze Vader zoiets als: "Trek uw schoe­nen uit van uw voeten; want de plaats, waarop gij staat, is heilig land" (Ex.3:5). Waarom doen we dan niet dikwijls onze schoenen van onze voeten om daarin Christus na te volgen, letterlijk en woordelijk? Om dat kostelijke gebed na te bidden: Onze Vader, Die in de hemelen zijt.

Het is zo prachtig opgenomen in Matthéüs 6 en het staat ook zo schoon beschreven in Lukas 11. Och, dat we ge­bedsmensen zouden zijn, dat we binnenkamermen­sen zouden zijn: "En uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden". Waar wordt dat nog gevonden, wat we straks gaan zingen:

 

     Wat blijdschap smaakt mijn ziel,

     Wanneer ik voor U kniel

     In 't huis, of in de binnenkamer, dat Gij U hebt ge­sticht! (Ps.26­:8).

 

Bidden is ten diepste God ontmoeten. Niet slechts God ontmoeten met woorden, maar God ontmoeten met het hart. Als het dan onder de oud­testamentische bediening al zo was dat het aange­zicht van Mozes verheerlijkt was en glinsterde toen God Zijn wet aan Mozes gaf door de bestel­ling van engelen. Die wet, de tien geboden, die tergend zware geboden, met eerbied ge­sproken, hoe moest de kerk dan verheerlijkt zijn bij het ontvangen niet alleen van het gebod, maar zeker ook van het gebed. Niet door de bestelling van engelen, maar door de bestel­ling van Zijn eigen lieve Zoon, de Heere Jezus Christus.

We voelen heel goed gemeente, dat we er met naarheid niet komen en met zwaarheid ook niet. Maar het gaat hier over de klaarheid, dat we ook iets zouden kennen van de blijdschap in het gebed: Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Een stuk dankbaar­heid, geliefde gemeente. Wat is het voornaam­ste stuk der dankbaarheid? Het gebed!

Waarom heeft ons Christus geboden God alzo aan te spreken: Onze Vader? Waarom? La­ten we eerst eens naar het wonder kij­ken dat God het duldt, dat Hij Zich Vader laat noemen. In de eerste plaats door Zijn eigen Zoon, de Heere Jezus Chris­tus. Van die intieme gemeen­schap lezen we iets in Johan­nes 17: "Ik kome tot U, Heilige Vader" (Joh.17:11). O, dat God Zich Vader laat noemen, niet alleen door Christus, maar ook door onge­schikte zon­daren, door vuile zonda­ren. God, voor Wie de engelen het aange­zicht bedekken en uit­roepen: "Heilig, heilig, heilig is de HEERE der heir­scha­ren!" (Jes.6:3).

Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Misschien vraagt u: "Mag ik dat ook bidden, dominee? Want om vader te zeggen moet je toch kind zijn?" Eigenlijk wel. Daar moet je tenminste een verloren zoon of een verlo­ren doch­ter voor zijn. Toen de verloren zoon nog geen verlo­ren zoon was en toen u nog geen verloren doch­ter was, toen kon u het wel uitspreken, maar het had toch immers geen inhoud, of wel soms?

Waarom heeft ons Christus geboden God alzo aan te spreken: Onze Vader? God is onze Vader in de eerste plaats krachtens de schep­ping. Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde. Adam wordt genoemd: "den zoon van God" (Luk­.3:38). Krachtens de schepping is God onze Vader. Maar laten we heel goed beseffen dat als het niet verder gaat, wij nog verloren zonen en verloren dochters voor God zijn. God is onze Vader krachtens het verbond Gods bij de doop geproclameerd. Zo­als de Vadernaam over onze hoof­den is uitge­sproken: "Ik doop u in de Naam des Va­ders". O wat een heerlijke zaak dat God Zich Vader laat noemen zonder Zich te vertoor­nen, zonder ons weg te stor­men vanwege onze onreinheid.

Maar er wordt in het catechismusonderwijs iets die­pers inge­schoven. God is onze Vader door Christus ge­wor­den, zegt de cate­chis­mus. Het gaat om die zalige aan­neming tot kinde­ren. "Zovelen Christus aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven" (Joh.1:12).

Met de woorden "die in Zijn Naam geloven" is meteen getekend dat van stonde aan, in het begin onzes ge­beds, in ons de kinderlijke vreze en toevoor­zicht tot God ver­wekt wordt, welke beide de grond onzes gebeds zijn, name­lijk, dat God onze Vader door Christus ge­worden is, en dat Hij ons veel minder afslaan zal hetgeen dat wij Hem met een recht geloof bidden, dan onze vaders ons aardse dingen ontzeggen. God is onze Vader door Chris­tus geworden.

Dan komen we opnieuw op een teer plaatsje, op de kern: het bloed en de wonden van Jezus Christus. God is onze Vader om Christus' wil geworden, dat bete­kent dat die Naam met bloed gekocht is. Dan ga je die Naam ook niet klakkeloos uitspre­ken maar met de hoogste eerbied. Wat zit er dan een aangenaamheid in, wat een blijdschap smaakt zo'n ziel die voor God mag knielen.

Dan denk ik aan de prijs die het gekost heeft, waar­door de Kerk om Christus Jezus' wil Vader mag zeggen.

Er is maar één Rechthebber geweest van eeuwigheid. Jezus Christus, Rechthebber om die Vadernaam uit te spreken. Hij heeft die Vader­naam afgelegd om daarmee het recht te kopen voor zondaren om die dierbare Naam weer uit te mogen spre­ken.

Ik vind het zo ontroerend, gemeente, dat de eniggebo­ren Zoon van God Zijn Vader nog met Vader aanspreekt in de hof van Geth­sémané. Maar toen is er een punt gekomen waarop ook de prijs voor het Onze Vader betaald moest worden aan het kruis. Toen de Heere Jezus uitgeroepen heeft niet: Mijn Vader, Mijn Vader waarom verlaat Gij Mij? Niet Abba, Abba Lama Sabacht­h­ani! Maar: "ELI, ELI, LAMA SABACHTHANI". "Mijn God! Mijn God! Waar­om hebt Gij Mij verlaten?" (Matt.27:46). Opdat wij nimmer­meer van God verlaten, maar tot Hem geno­men zouden worden zegt het avondmaalsfor­mulier.

Daarom nog eens de vraag: Waarom heeft ons Christus geboden God alzo aan te spreken: Onze Vader? Moet het dan echt nog geboden worden? Is daar dwang voor nodig? Dan zijn er immers van die geheiligde uurtjes, wanneer het bloed van Jezus Chris­tus Gods Zoon dierbaar is, dat ook die Vadernaam zo dier­baar is.

Wat hebben we dan eigenlijk nodig om die Vadernaam uit te spreken? Een bepaalde stand? Het is veel een­voudiger te zeggen, geliefde gemeente. Om die kostelij­ke Naam uit te spreken, die Vadernaam, hebben we maar één ding nodig en dat is kinderlijke vreze. Veel kinderlijke vreze. Dan hoeven we zelf ons best niet te doen, want als er veel kinder­lijke vreze Gods in ons leven ver­klaard ligt, dan zal God veel van Zijn Vaderlijke liefde gaan verkla­ren in ons hart.

Waarom heeft ons Christus geboden God alzo aan te spreken: Onze Vader? Er is in de hele wereld niets wat liefelijker is en wat harte­lijker ligt dan: Onze Vader.

Het is het eerste, het is het diepste, het is het laatste en het is alles. Het is God aanspreken als de Oorzaak van alles, als de Oorzaak van ons gehele bestaan. "Zovelen Christus aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gege­ven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam gelo­ven; Welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleses, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn" (Joh.1:12-13).

Wanneer we er iets van proeven, wanneer we er iets van sma­ken, wanneer we een beetje onder­wijs mogen ontvangen van God en van god­delijke zaken; dan zit er zo'n diepte in het Onze Va­der. Daar ligt toch immers het begin van alle zalig­heid, het welbehagen uit dat on­door­gronde­lijke Va­derhart.

Opdat Hij van stonden aan, in het begin onzes gebeds, in ons de kinderlijke vreze en toevoorzicht tot God verwekke, welke beide de grond onzes gebeds zijn. Het gebed moet immers een vertrouwend gaan zijn. "Die tot God komt", die tot God de Vader komt, "moet gelo­ven, dat Hij is, en een Beloner is der­ge­nen, die Hem zoeken" (Hebr.11:6). Ja, als je dan echt iets begeert, dan zou ik haast zeggen dat er immers geen andere Naam te bedenken is dan die Vader­naam!

Opdat Hij terstond, in het begin van ons ge­bed, in ons de kinderlij­ke vreze verwekke. Kinder­lijke vreze is heel anders dan slaafse vreze. Kinderlij­ke vreze houdt in dat we terstond een vrij­moe­digheid krijgen in ons hart om op te klim­men tot de eerste Oorzaak van ons bestaan. Tot de eerste Oor­zaak van onze zalig­heid, namelijk de Vader in Zijn verkie­zende liefde.

Van stonde aan een goed toevoorzicht te hebben, dat is niet met een slavenhart tot God te gaan, maar met een kinderhart. Een goed toe­voor­zicht tot God te hebben, dat is zoals de Psalm het zegt. Daar gaat het over de vreze van een dienst­knecht en een dienstmaagd, doch het stijgt vér boven die Psalm uit. Maar laat ik toch die Psalm aanhalen, over dat toevoorzicht: "Gelijk de ogen der ­knechten zijn op de hand hunner heren; gelijk de ogen der dienst­maagd zijn op de hand harer vrouw; alzo zijn onze ogen op den HEERE, onzen God, totdat Hij ons genadig zij" (Ps.­123:2).

Daar ver boven uit, zoals een kind van vader iets kan begeren, gaat dat goede toe­voor­zicht, dat vertrou­wen door het geloof. Dan hebben kleine kinderen een bepaalde blik in hun ogen als ze je aankijken om iets te vragen, dat is het ver­trouwen. Dan is er geen twijfel in die peu­ters. In kinderlijke vreze is geen twijfel meer, maar geloof. Heerlijk geloof, ook gelou­terd geloof zodat ons gebed geen verlang­lijstje is, maar dat we met de ware nood­druft van onze ziel en van ons li­chaam tot God gaan. Met alle lichamelijke en geestelijke nooddruft.

Waarom heeft ons Christus geboden God alzo aan te spreken: Onze Vader? Opdat Hij in ons hart de kinder­lijke vreze verwekke, zodat die vreze dan nog groeit ook in het gebed. Als er één goede leer­school is, dan is dat de binnenkamer, dan is dat het gebed. Kinder­lijke vreze verwekt nog meer kinder­lijke vreze in mijn hart en een goed toevoorzicht welke beide de grond onzes gebeds zijn... Het gaat er dus niet om dat mijn kin­derlijke vreze de grond van mijn gebed is. Dat mijn toevoorzicht de grond van mijn gebed zou zijn en dat mijn hopen en mijn geloven de grond van mijn gebed zou zijn. Maar dit is de grond, dat God onze Vader door Christus gewor­den is, en dat Hij ons veel minder afslaan zal hetgeen dat wij Hem met een recht geloof bidden, dan onze vaders ons aardse din­gen ontzeggen.

De Vadernaam is niet zomaar een titel, maar is functioneel. Die Vadernaam is ook enig. Zoals het in de natuur onmogelijk is dat we meer dan één vader zouden heb­ben, zo is er ten diepste ook in het gebed maar één Adres, Eén Die ons helpen kan om Christus' wil alleen.

Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Dan is de grond niet het gebed zelf en ook niet het geloof. Het gaat niet om de woorden als zoda­nig. Gods Woord zegt: "Want het Koninkrijk Gods is niet gelegen in woor­den, maar in kracht" (1 Kor.4:20). Dat zit ook in dat woord Vader! Daar zit de kracht in, want daarin wordt God aangegrepen in Zijn Va­derlijk hart.

Daarom ligt er dit vertrouwen in, dit toevoorzicht, dat Hij ons veel minder afslaan zal hetgeen dat wij Hem met een recht geloof bidden, dan onze vaders ons aardse dingen ontzeggen.

O gemeente, die Naam Onze Vader is functioneel. Dan kunnen er in het leven zo van die dingen zijn waar mee je naar de dokter gaat. Er kunnen dingen zijn, daar ga je mee naar een advocaat. Maar dan zijn er ook nog dingen in het leven waarin niemand helpen kan, geen dokter en geen advocaat. Dan is er maar Eén Die helpen kan, Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Want in dat Onze Vader ligt iets mach­tigs opge­sloten: Ik geloof in God den Vader, den Al­mach­tige, Schepper des he­mels en der aarde. Zoals een klein kind denkt dat vader alles kan, zo ligt er voor het geloof in die Naam ook beslo­ten dat God ons helpen kan als niemand ons meer helpen kan. Dat God het weet als niemand het meer weten kan. Onze Vader, Die in de hemelen zijt.

Waarom heeft ons Christus geboden God alzo aan te spreken: Onze Vader? De Heere Jezus, met eerbied gesproken, had er Zelf zo veel ervaring in, gelief­de ge­meente. Hij had Zelf het 'Vader' zo dikwijls uitge­sproken. We lezen het herhaaldelijk dat Hij in het gebed was. Als de diepe beproeving komt, de doods­nood, wanneer Jezus Zèlf droevig en zeer beangst begint te wor­den, dan bidt Hij: "Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbij gaan! doch niet, gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt" (Matt.26:39).

Wat heeft de Heere Jezus aan Zijn Kerk geleerd, waar de kracht ligt. De Heere Jezus is Zèlf met de Vader­naam de strijd inge­gaan toen Hij droevig en zeer beangst begon te worden. De Heere Jezus Zelf heeft met de Vadernaam op Zijn lippen af­scheid genomen van het leven: "Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn Geest" (Luk.­ 23:46).

Wanneer wij die Vadernaam uit­spreken denken wij nog zoveel aan aardse vaders! Wat zit er veel lering in het gedeelte dat we hebben ge­le­zen.  Een kind dat om brood, om vis of om een ei vraagt, krijgt dat ook van zijn vader. Het is nog veel ruimer, een kind kan meteen ook zo dwaas zijn, zó dwaas, dat hij in plaats van om een ei te bid­den, vraagt om een schorpi­oen. Wat is het dan toch een veilige weg om tot God te gaan. Onze Vader, Die in de hemelen zijt, de Vader, Die weet wat nuttig voor Zijn kinde­ren is. Tot God de Vader, Die ook weet wat funest voor Zijn kinde­ren is, wat ge­vaarlijk voor Zijn kinde­ren is.

Veel kinderlijke vreze en een goed toevoorzicht, dat komt uit een kinderhart. Als een zondaar dan een kinder­hart mag hebben, wat zou de Naam dan zijn, die God het liefst uit hoort spre­ken? Toch immers dat kinderlijke stamelen: Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Voor onze dagelijkse nooddruft en voor onze geestelij­ke nood­druft.

Het gaat niet alleen om de bede die straks volgt: En ver­geef ons onze schulden. Maar ook het dagelijkse: Geef ons heden ons dage­lijks brood, waar de roomse kerk van gemaakt heeft: Geef ons heden ons bovenna­tuurlijk brood. Maar dat is niet juist. De catechis­mus is begonnen om de mens te teke­nen, de gevallen mens. Noch­tans een vrijge­kocht mens waar een eenheid is van ziel en lichaam, gekocht door het bloed van Jezus Christus. Door Zijn tranen en door Zijn lijden naar lichaam en naar ziel vrijgekocht, zodat Hij hen ook onderhoudt. Hij Zelf heeft het geleerd: Mijn volk, bidt maar! Mijn kinderen, bidt maar: Onze Vader, Die in de heme­len zijt. Zowel om het dagelijks brood als om de verge­ving der zonden.

En dan het geloof dat Hij ons veel minder afslaan zal hetgeen dat wij Hem met een recht geloof bidden, dan onze vaders ons aardse din­gen ontzeggen. Daar moet je kind voor zijn, om zoveel te durven vragen en zoveel te durven ver­wach­ten. Daar is zoveel kinderlij­ke vreze voor nodig. Zoveel, dat wij uit het geloof gaan bidden, omdat we zo nood­druftig zijn, zo arm, zo naakt en verle­gen. Zo'n nood­druft heb­ben, hetzij natuurlijk, hetzij geeste­lijk, dat er tenslot­te maar één Naam is, die we uit kunnen spreken. Dat er maar één Naam is waar­door dat kostelijke geloof in onze harten ver­wekt wordt. Dan is bidden met eerbied ge­sproken, geen zeuren. Dan is het wer­kelijk het gaan van een kind naar zijn he­melse Vader. Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Dàt heeft de Heere Jezus Christus ons willen leren.

 

Waarom wordt hierbij gevoegd: Die in de hemelen zijt? O ja, de catechismus vraagt dat ook nog.

Waarom wordt hierbij gevoegd: Die in de hemelen zijt? Opdat wij ondanks de gemeenschap, zo mag ik het wel zeggen, met die grote God, die heilige God met een zon­daar toch van de hemel­se maje­steit Gods niet aards zouden denken en dat wij van Zijn almach­tigheid alle nooddruft des lichaams en der ziel ver­wachten.

Niet aards van deze Vader denken, dat betekent: God is een Grand Seigneur, zoals ik u dat enige weken geleden verteld heb. ­Ondanks dat, toch: Onze Vader. Maar dat is het, wanneer we veel kinderlijke vreze hebben, dan kijken we tegen onze natuurlijke vaders op, dan zijn we klein en dan willen we ook wel klein wezen.

Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Opdat wij van de hemelse maje­steit Gods niet aards denken. Inderdaad een heilig gebed kan alleen maar geheiligd gebruikt worden. Een heilige aanspraak, alleen om gehei­ligd te gebrui­ken. Maar aan de andere kant als er dan ook nog eens bijstaat: Die in de heme­len zijt, wat ligt daar dan ook iets mach­tigs in opge­slo­ten.

Mag ik dat laatste stukje in beeldspraak doen, geliefde gemeente? Dan is de hemel de opperste zolder hierbo­ven, zo zegt Maarten Luther het. Zoals de zolder van een boerderij opgetast ligt met het kostelij­ke graan. Dan is er zo'n overvloed voor het kleinvee dat bene­den is.

Onze Vader, Die in de hemelen zijt, Luther maakte het met deze beeldspraak duide­lijk. Dan valt er zoveel kostelijk graan tussen de kieren en planken door, met eerbied gespro­ken, dat er een overvloed is voor het kleinvee dat beneden op de deel rondschar­relt.

Die in de hemelen zijt, opdat wij niet aards zouden den­ken van die hemelse majesteit. Maar ook dat wij niet klein zouden denken van die hemel­se majesteit. Dan gaat het om een rijke God, een al­machti­ge God. Dan gaat het ook om een gewillige God, Die het geven wil. Om het maar te zeggen met de woor­den van de Heere Jezus Chris­tus: "Die bidt, die ont­vangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden" (Matt.7:8). AMEN.