Zondag 49. Vraag en antwoord 124

                                         ZONDAG 49

                                   Vraag en antwoord 124

 

        Psalm      31 : 19

        Psalm      15 : 1

        Psalm      33 : 5,6

        Psalm      73 : 14

        GDH            : 4

        Lukas     22 : 35-47

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in het voorgelezen Schriftgedeelte, Lukas 22 : 42 - 44

 

Vader, of Gij wildet dezen drinkbeker van Mij wegnemen, doch niet Mijn wil, maar de Uwe ge­schiede.

En van Hem werd gezien een engel uit den he­mel, die Hem versterkte.

En in zwaren strijd zijnde, bad Hij te ernstiger. En Zijn zweet werd gelijk grote droppelen bloeds, die op de aarde aflie­pen.

 

Onze catechismus voor vanavond is zondag 49, vraag en antwoord 124

 

124. Vr. Welke is de derde bede?

Antw. Uw wil geschiede gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde.

Dat is: Geef dat wij en alle mensen onzen eigen wil verza­ken, en Uw wil, die alleen goed is, zonder enig tegenspreken ge­hoorzaam zijn; opdat alzo een iegelijk zijn ambt en beroep zo gewillig­lijk en getrouwelijk moge bedienen en uitvoeren, als de engelen in den hemel doen.

 

Wat is dit een prachtige stof, geliefde gemeente. En wat raken we met de derde bede de kern van het gebedsleven: Uw wil geschiede.

De eerste bede was geweest: Onze Vader, Die in de hemelen zijt, Uw Naam worde geheiligd. Toen: Uw Ko­ninkrijk kome. Nu de derde bede: Uw wil geschiede. Voelt u aan gemeente, dat dit ook op onszelf aan­gaat. Dat de bidder er als het ware meer en meer zèlf in betrok­ken raakt.

Die derde bede komt nader tot de mens. Zeker, in de eerste bede: Uw Koninkrijk kome, tasten wij ook ons­zelf aan in onze eigen zelfge­bouw­de koninkrijkjes. In de bede: Uw Naam worde geheiligd, tast de bidder ook inderdaad zijn eigen naam aan. Laat onze naam ver­gaan, als de Uwe o Heere, maar mag triomferen!

Maar die derde bede: Uw wil geschiede, komt toch nog nader tot het persoonlijke leven. Want in deze bede ligt immers de gehele per­soonlijke bekering vervat. De beke­ring, niet als een weg van verho­ging, maar als een weg van vernedering. Uw wil geschiede, wat is daar de gehele bekering in getekend!

Uw wil geschiede is een gebed wat ons terug wil bren­gen tot de goddelijke wil. Uw wil geschiede, het is als het ware een onmoge­lijk gebed.

Uw wil geschiede, want het is toch zo noodzake­lijk dat onze wil geneigd wordt naar Gods wil. We hebben er van gelezen hoe de wil van Jezus Christus, de enigge­bo­ren Zoon van God, genegen was naar de wil van Zijn Vader, tot in de droevigste momenten dat Hij be­angst begon te worden. In de zware zielestrijd in de hof, toen Zijn zweet werd tot grote drop­pelen bloed die op de aarde afliepen, klonk het: "Vader, Uw wil geschie­de".

Er is een parallel tussen de verwer­ving van de zalig­heid in zware strijd en de toepassing van de zalig­heid in zware strijd. God weder­baart Zijn Kerk in de moeite, in de verdruk­king, in de beproeving en in de banden! Wat is dat een les om te leren. Dat is het leren van een moeilijke les, niet van hoogte­pun­ten maar van diepte­punten. Maar als ìets de moeite loont, heel mense­lijk gezegd, dan is het juist om deze les te leren: Uw wil geschie­de gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde.

Uw wil geschiede, niet alleen bij een ander, maar ook in mijn eigen leven. Om geoefend te worden tot wat Paulus zegt: "Maar wij roemen ook in de verdruk­kin­gen" (Rom.5:3). Wat ontzaglijk be­lang­rijk is dat ge­meente, want "enerlei weder­vaart den recht­vaar­di­ge en den goddeloze" (Pred.9:2). Wat zal het zalig zijn om dan te leren bid­den: Uw wil geschie­de. Maar wat zal het rampza­lig zijn om onze les in dit leven niet te leren. Dat kan toch immers ook! Dan lezen we zo tref­fend bij de profeet Jeremia: "Gij hebt hen geslagen, maar zij heb­ben geen pijn gevoeld" (Jer.5:3).

Uw wil geschiede. Dan gaat het over de oefenschool in de weg van genade. De oefenschool, die door de diepte gaat.

Uw wil geschiede gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde. Is daar dan twijfel aan, alsof Gods wil niet zou geschieden? Ik heb diezelf­de vraag al eerder gesteld. Ook al bidden wij er niet om, wordt Gods Naam dan niet geheiligd en zal Zijn Koninkrijk dan toch niet komen? Zo kunnen we ook vragen: zal Gods wil niet geschie­den als wij er niet om bidden? Vast en zeker! Gods wil zal geschieden, daar hebben wij van gezon­gen:

 

     Geen ding geschiedt er ooit gewisser,

     Dan 't hoog bevel van 's HEEREN mond.

 

Maar het gaat om dat persoonlijke, om er voor inge­wonnen te worden dat Gods wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde. Het is zo'n schoon gebed, het is zo'n heerlijke treffende vergelij­king. Want wat zal Gods wil in de hemel volmaakt geschie­den, nietwaar? Wat zal Gods wil in de hemel door de engelen en door de gezaligden aangebeden wor­den. En dat is het nu juist waarin God aan Zijn eer zal komen. Gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde. Dat God triomfere, niet alleen in de hemel maar ook hier op de aarde. Dan zit er iets heel persoonlijks in, dat God ook triom­fere in mijn eigen zon­daarshart.

Uw wil geschiede gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde. O zeker, Gods wil zal geschieden, ­want Hij neigt immers de harten der mensenkinde­ren? Zelfs: "des konings hart is in de hand des HEE­REN als waterbe­ken. Hij neigt het tot al wat Hij wil" (Spr.­21:1). God gaat Zijn gang, zouden we kunnen zeg­gen. De Schrift spreekt het ons voor: "Zo ontfermt Hij Zich dan, diens Hij wil, en verhardt, dien Hij wil. Want de Schrift zegt tot Faraö: Tot ditzelve heb Ik u verwekt, opdat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou, en opdat Mijn Naam ver­kondigd worde op de ganse aarde" (Rom.9:18,­17).

O zeker, Gods wil geschiedt in de hemel, Gods wil ge­schiedt ook op de aarde. "Door Mij regeren de konin­gen, en de vorsten stellen gerechtigheid" (Spr.8:15), God schrijft de geschie­denis, gemeente! Ook de be­roerde geschiedenis van onze dagen schrijft God met Zijn eigen hand. Lezen we niet juist in het boek van de eindtijd, in de Openba­ring, reeds in het eerste hoofd­stuk, dat Jezus Christus is de Overste der ko­nin­gen der aarde? (Openb.1:5).

Waarom moet dat gebed dan toch nog gebeden worden? Omdat het ware gebed niet slechts is vragen, vragen en nog eens vragen. Omdat het ware wor­stelen niet slechts is klagen, klagen en nog eens klagen. In de waarach­tige beke­ring worden we er toe gebracht om aan Gods kant te komen staan, ook wat betreft de vervul­ling van de Schrift in de loop van de tijden, in het komen van Gods' Ko­nink­rijk en in het hei­ligen van Gods' Naam.

Er zit hier iets in wat we ook lezen in Romeinen 8, van het zuchten van het ganse schepsel. In het bijzonder van het zuchten van de Kerk die door de Heilige Geest wordt vóórgezucht. Van de Kerk die moet belijden: "Wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitspre­kelijke zuchtingen" (Rom.8:26).

Uw wil geschiede gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde. Dat is ook iets waardoor de Kerk gemobiliseerd wordt om naast Christus te staan, niet in eigen kracht, maar in de kracht van het gebed. Tegen­over de satan die wel de verworpene is, ook nu, maar die nog niet de uitgeworpene geworden is. Te staan door de kracht van dit gebed tegenover satan niet alleen, maar ook tegenover alle goddelozen die weggedaan zullen worden als schuim van de aarde, maar die inmid­dels deze aarde nog steeds overschuimen.

Uw wil geschiede gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde. O, naarmate de tijd voortschrijdt naar een dramatische climax, naar de chaos, zal het gebed ver­menigvuldigd moeten worden: Uw Naam worde gehei­ligd, Uw Koninkrijk kome, maar ook dat gebed: Uw wil ge­schiede gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde. Naarmate Christus Zich manifesteert en naarmate de anti­christ zich gaat manifesteren in deze wereld. Naar­mate er een uitverkoren vrouw, de Kerk is in deze wereld, manifesteert zich ook die ver­worpen vrouw.

Behalve de antichrist zal er ook een anti-Maria, een anti-Kerk zijn, de hoer op het beest. Zoals we dat ook lezen in de Openbaring: "En ik zag een vrouw, zittende op een scharlaken rood beest. En op haar voorhoofd was een naam geschreven, name­lijk Verborgenheid" (Openb.17:3-5). Myste­rion. Daarom is het gebed zo nodig! Niet alleen: Uw Naam worde geheiligd, niet alleen: Uw Ko­ninkrijk kome, maar ook: Uw wil geschie­de gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde.

Waarom? Het is in één preek niet allemaal te zeggen waarom. Ik zal een reden noemen: om ons staande te houden, gemeente. Want het gebed is ook een zich vastklampen als ziende de onzienlijke God in deze tijd, waarin satan rondgaat als een briesende leeuw, zoeken­de wie hij zou mogen verslinden. Dat dan juist de Kerk zal bidden: Uw wil geschiede gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde. Dat, naarmate het vuil zich op­hoopt in deze wereld, de Kerk meer en meer bezig zal zijn in de heiligmaking, om haar klede­ren te wassen in het bloed van Jezus Christus.

Uw wil geschiede gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde, dat geldt ook in onze allerpersoonlijkste le­vens­situatie, in onze per­soonlijke bekering. Laat ik het bij zijn naam mogen noe­men, dat geldt ook in de per­soon­lij­ke rijpwording van alles wat wedergeboren is, de rijpwording voor de eeuwig­heid en voor de eeuwige zaligheid.

Wan­neer we dan hoop op God hebben, ­dat het toch zal gaan naar dat mo­ment van de volkomen ver­vulling dat Hij zal zijn alles en in allen. Dan worden we in dit gebed toch teruggeplaatst in de plaats waar we nu zijn. Dat we niet reeds een triom­ferende Kerk zijn, maar nog steeds een strij­dende Kerk op aarde.

 

Uw wil geschiede gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde. Het zou soms kunnen zijn dat we denken dat we mach­tige daden moeten doen, geweldige daden om Gods' Naam te heiligen, om Gods' Konink­rijk een handje te helpen, om Gods' wil te doen geschie­den. De tijd is er vol van om een handje te helpen om het Godsrijk op te richten. Maar: Uw wil geschiede gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde. Dat is: Geef dat wij en alle mensen onzen eigen wil verzaken, en Uw wil, die alleen goed is, zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn; opdat alzo een iegelijk zijn ambt en beroep zo gewillig­lijk en getrou­welijk moge bedienen en uitvoeren, als de engelen in den hemel doen.

Kijk, dat is nou zo prach­tig als je daar eens een beetje door­heen kijkt. Want de tijd zoals ze is, deze eindtijd, maakt zo moe­de­loos. Je kunt je wel­eens afvragen of het nog wel zin heeft om te werken, of het nog wel zin heeft om dit of dat te doen. Wanneer God iemand tot Christen weder­baart dan maakt Hij van zo ie­mand ook een praktische Christen in huis­werk en thuis­werk, in een baan of in een zaak.

Dat we ons ambt, een afkor­ting van ambacht en onze roe­ping, ge­trouw zullen uitvoeren in de eerste plaats daar waar God ons gesteld heeft.

Wat is de catechismus dan praktisch, hè? Dan gaat de catechismus ons wijzen op die hele gewone dinge­tjes van ons dagelijks leven. Dat we getrouw zullen zijn, een ieder in ons ambt en in ons beroep. Zo ge­willig en getrouw als de engelen in de hemel, wat wil dat eigen­lijk zeggen gemeente? Wel, wie in de kleine dingen van het dagelijkse leven niet ge­trouw is, hoe zou zo iemand nu getrouw zijn in de grote dingen? Wan­neer we onze kleine zaken verwaarlozen, hoe zullen we getrouw bevonden worden in de grote zaken? Daar zit iets in, van te mogen leven zoals de oude Kerk mocht leven in de dagen van No­ach. Dat zo ook de Kerk in vreze Gods mag leven in de eindtijd:

 

     Rust mijn ziel, uw God is Koning,

     Heel de wereld Zijn gebied!

 

De Kerk zal moeten leren om ge­trouw te zijn in het kleine, opdat zij straks het oor­deel Gods weg zal mogen dragen: "Over weinig zijt gij getrouw ge­weest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heeren" (Matt.25:­21).

Het gaat in de catechismus in de eerste plaats over de geopen­baarde wil van God. Want ik dacht dat u allemaal wel weet dat God een geopenbaarde wil heeft, een wil die wij allen kunnen kennen uit het Woord, maar dat er ook de verborgen wil van God is. Daar zit meteen een gewel­dige waarschuwing in, dat we ons zullen houden, in de eerste plaats aan Gods geopen­baarde wil.

Dat we getrouw zullen zijn in het kleine van ons dage­lijkse leven. Dat ons dage­lijkse leven een stuk dage­lijkse bekering zal zijn. Dat we niet in de eerste plaats zullen spreken over de verbor­gen wil van God, maar dat we Zijn geopenbaarde wil in bekering en in dage­lijkse bekering uit zullen voeren: Uw wil ge­schie­de gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde, zo ge­trouw als de engelen in de hemel. "Geef wat Gij ge­biedt Heere!" zegt Augusti­nus, "en Gij zult niet tever­geefs geboden heb­ben".

Hier worden we eigenlijk heel ernstig gewaarschuwd dat we ons moeten bekeren. Dat we in de eerste plaats de roep uit het Woord zullen ver­staan: Bekeert u! Zoals Noach ge­preekt heeft in zijn eindtijd: Bekeert u en ga in de ark. Dat we ons niet onledig zullen houden met naspreken van de verborgen wil van God, maar dat we de geopenbaar­de wil des Heeren zullen betrach­ten. Waarin God van ons eist, rechtvaardig eist: bekeert u!

Uw wil geschiede gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde. We hebben niet voor niets Lukas 22, de lijdens­geschie­denis van de Heere Jezus Chris­tus gelezen. Hij is de Plaatsbekleder voor schuldi­ge zondaren die­ moe­ten belijden: O God, ik heb er nog steeds niets van te­recht­ge­bracht. De Plaat­sbekle­der, Jezus Christus, Die zo gewil­lig is: "Vader, of Gij wildet dezen drinkbe­ker van Mij wegne­men, doch niet Mijn wil, maar de Uwe ge­schiede". Dan lezen we dat Hij driemaal gebe­den heeft, dat niet Zijn wil maar dat de wil Zijns Vaders ge­schieden zou.

Uw wil geschiede gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde. Dan wil de levende Kerk zich oefenen, om in haar slagen en in haar kruis achter Christus aan te komen. Dat is wat Jezus tot Zijn disci­pelen en ande­ren gezegd heeft: "En Hij zeide tot allen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzel­ven, en neme zijn kruis dagelijks op, en volge Mij" (Luk­.9:23).

Ook van het leven der beproeving geldt: Uw wil ge­schiede gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde. Dan leven we in een boze wereld waarin veel schuim is, zodat we moeten zingen: "Al 't godd'loos volk verdoet G' als schuim van d' aard'" (Ps.119:60 ber.). Maar wat zal de levende Kerk, als zij leeft bij het ont­dek­kende licht van het Woord, ook veel schuim in zichzelf ontdekken wat nog uitgelouterd en uitge­zuiverd moet worden door veel beproe­ving.

Als we dan onderwezen worden door de Heere Jezus Christus, Die het Zelf heeft voorgebeden: Uw wil ge­schiede gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde. Dat duidt er op dat het goud van de beke­ring in de smeltkroes der beproeving zal komen in dit leven. Omdat ook van ons het vuil afgeschept moet worden, het schuim wegge­daan moet worden. Opdat wat goud is, ook werkelijk glanst als goud opdat God Zijn beeld weer terug zal zien.

U kent waarschijnlijk dat beeld wel. Ik heb het zelf wel gezien, het smelten van metaal. Wanneer metaal ge­smolten wordt, kan de bovenste schuimlaag er afge­schept worden. Als je daar mee bezig bent, zie je jezelf zo gauw het schuim er af geschept is. U kent dat beeld toch ook wel? Zo is het er God om be­gon­nen het goud des geloofs zevenmaal te louteren, totdat Hij Zijn aange­zicht er in ziet weer­spiege­len, totdat Hij het beeld van Christus ziet in onze levens.

Uw wil geschiede gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde. Dan heeft de Heere met eerbied gesproken niet voor ieder van Zijn kinderen de­zelfde verdrukkingen. Dan heeft de Heere niet voor ieder van Zijn kinderen evenveel beproevingen. Maar wel zal het waar zijn, dat we door veel ver­druk­kingen in zullen gaan in het Konink­rijk Gods. Door veel verdrukkingen!

Ik denk aan de klompenmaker van vroeger. Ik zag hem bezig om met een bijl op een blok hout te slaan. Zo gebeurt het ook wel dat wij worden be­hakt en behou­wen, niet slechts met meskerfjes, maar met bijlslagen in ons leven. Bijlsla­gen, zodat de spaanders je om de oren vliegen. Als de klompenmaker dan een paar slagen gegeven had, nam hij dat blok hout op zijn hand om het te bekijken. Dan kon je zien dat de ruwe vorm van de klomp al zichtbaar werd. Dat is toch wel het minste wat God behaagt in onze levens te doen, hier en nu in deze wereld, dat de ruwe vorm al aan ons leven geslagen wordt.

Uw wil geschiede gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde. O, wat kan daarvoor veel nodig zijn, veel ver­drukking. Wat moet er dan ontzaglijk gesla­gen en behouwen worden aan onze levens. Maar: Uw wil ge­schiede gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde, daar zit toch ook een beetje moed in, een beetje moed om onszelf er voor over te krijgen, gemeente! Onze dier­bare Zaligmaker had Zichzelf er voor over om anderen dan Hijzelf, Die de Zoon des Vaders was, terug te brengen tot de eeuwige geluk­zaligheid. "Vader, of Gij wildet dezen drinkbeker van Mij wegnemen", Zijn lij­den was zo zwaar, "doch niet Mijn wil, maar de Uwe ge­schiede".

Mochten ook wij iets leren in ons leven van het roemen, zelfs in de ver­drukkingen. Dat we onszelf er voor over krijgen dat Gods wil ge­schiedt in ons leven. Dan kun­nen er in ons leven dingen zijn waar wij onder kreu­nen. Denk er om, dat Gods werk geen toneel­spel is, want als Hij slaat, dan slaat Hij ook echt! Denk er om dat pijn ook echt pijn is. Maar wanneer we iets mo­gen zien van het goddelij­ke bedoelen van het ge­schie­den van Zijn wil zowel in de hemel, als op de aarde, dan is er zoveel nodig in ons leven. Gods wil moet wor­den uitge­voerd op aarde, opdat wij geschikt en pasklaar gemaakt zullen worden om, gebogen onder de wil van God, in de hemel in vol­maaktheid te komen.

Dan kan er ook iets heerlijks in zijn, dan kan ik toch begrijpen dat Paulus zegt: "Maar wij roe­men ook in de verdruk­kingen" (Rom.­5:3). Als de slagen in ons leven vallen, als we ge­striemd en ge­beukt worden, zodat we gaan vragen, zodat we gaan klagen: Heere, waar­om? Hebt u dan ook wel­eens zo'n zielzali­gend ant­woord gehad van God: "Omdat Ik u lief­heb!" Toen heeft mijn ziel weleens geklaagd: maar waar­om zoveel Heere, waarom zo veel en waarom zo diep? Het goddelijk antwoord was: "Omdat Ik u zoveel liefheb!"

Uw wil geschiede gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde, dat is dat we het een beetje eens zullen worden met God, opdat we het straks in de eeuwigheid vol­maakt eens zullen zijn met God.

Ik ga eindigen gemeente. Soms zijn er zoveel slagen, zo heel veel slagen in het leven, dat er duizend vragen in mijn hart over­blij­ven. Zoals er duizend vragen leefden in de harten van de discipe­len. Maar dan zal er toch een tijd komen waarvan de Heere Jezus heeft gezegd: "In dien dag", wanneer de levende Kerk gevoerd zal worden onder de eeuwige en vol­maakte wil van God. "In dien dag zult gij Mij niets vragen" (Joh.­16:23). Dan zal het alles opgelost zijn in God.

Zoals ik dat ook lees van die sla­gen en van die ver­druk­kin­gen waar het hart onder kreunt, maar waar de leven­de Kerk eenmaal voor zal danken. Wanneer Gods wil vol­maak­t geschied is, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde. Wanneer de Kerk zelfs de slagen en de tegen­slagen, de verdrukkingen en de beproevingen Gods zal gaan aanbid­den. Ik lees dat reeds zo koste­lijk in het Oude Testament: "En te dienzelfden dage", wan­neer de grote oplossing zal gekomen zijn, wanneer de aardse wil geworden is een hemelse wil, een vol­maakte wil. Wan­neer we niet alleen God zullen dienen zo ge­trouw als de engelen in de hemel doen, maar wanneer we God getrouw zullen dienen met de engelen in de heme­l. "Te dienzelfden dage", zal dit lied gezongen worden: "Ik dank U, HEERE! dat Gij toornig op mij geweest zijt, maar Uw toorn is afge­keerd, en Gij troost mij" (Jes.­ 12:1).

Dat is de heerlijke zaak die God beoogt met Zijn wil die moet geschieden, zowel in de hemel als op de aar­de. Dat is de heerlijke zaak wanneer een zondaar het na leert bidden: Uw wil Heere, geschiede! Maar dat zal ook eenmaal het oordeel zijn, gemeente!

Laat ik u dan heel ernstig mogen voorhouden, o zon­daar, wat het eeuwige oordeel eenmaal zijn zal over uw eigen leven. Wanneer u nog ongebroken blijft, wan­neer uw koninkrijk blijft staan, wanneer uw eigen naam moet triomfe­ren, wanneer uw eigen wil zal prevale­ren. Dan zal dit het oor­deel zijn wanneer u voor de rech­terstoel van God zult staan, dat Hij zal zeggen: uw wil ge­schie­de. Dan zal dit de vreselijke werkelijkheid zijn: "Doch deze mijn vijanden, die niet hebben gewild, dat ik over hen koning zoude zijn, brengt ze hier, en slaat ze hier voor mij dood" (Luk.19:27).

Maar dat zal ook het zalig oordeel zijn over allen die geleerd hebben, in beginsel, om in dit leven hun eigen wil te verzaken en om de wil van God als heilig en goed te aanbidden. Ook over hen zal het oordeel zijn: Uw wil geschiede.

Wanneer die wil, geliefde ge­meente, een vernieuwde wil mag zijn, door het werk van de Heilige Geest, uit de tranen van Jezus Chris­tus en uit het welbe­hagen van God de Vader, dan zal dit ook het genadige oordeel zijn: Uw wil geschiede. AMEN.