Zondag 16 - Vernederd tot de dood - ds. L.H. van der Meiden

Zondag 16

Vernederd tot de Dood, ds. L.H. van der Meiden

Ps 27:3

Ps 38:12

Ps 22: 8,11

Ps 49:6

Ps 73:14

Psalm 22: 15-32

“Gij legt Mij in het stof des doods". Hoe herinnert dit aan het: „Gij zijt stof en tot stof zult gij wederkeren" (Gen. 3:19). Recht stond de mens voor God, maar hij viel, omdat hij van de verboden vrucht at. Toen werd voltrokken: Ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij de dood sterven. De bezoldiging der zonde is de dood, de dood in de volle, de drievoudige zin des woords. Die dood maakte de dood van de Borg noodzakelijk. Golgotha spreekt ons van het ontzaglijke onzer zonde. Golgotha zegt ons, hoe vreselijk de hel is, waar allen komen, die buiten Christus sterven. Onze zonde maakte ook Jezus' graf noodzakelijk. Wij hebben de dood verdiend en tot stof zullen we, wat onze lichamen betreft, wederkeren.

Christus moest Zich daarom zó diep vernederen. Als David zegt: „Gij legt mij in het stof des doods" (Ps. 22:16), dan is dit ook profetie van Christus' lijden en sterven. De diepte des doods is Christus ingegaan. Hij gaf Zijn ziel aan het kruis in de hand Zijns Vaders; Hij heeft de helse angsten en smarten geleden; Hij is begraven.

Hebben we de noodzakelijkheid van dit Borgwerk reeds leren verstaan? Wie door Gods Geest geleerd en geleid wordt, weidt ook hier met een verwonderend oog. Christus heeft onze menselijke natuur aangenomen. De nederige geboorte is de eerste trap van de vernedering. Zijn lijden, de tweede trap in den staat der vernedering, is diep en zwaar geweest. Zijn sterven, begrafenis en nederdaling ter helle zeggen verder, wat de staat der vernedering inhoudt. Christus is de diepte der wateren ingegaan (Ps. 69:3). De diepte herinnert ons telkens aan de nameloze diepte van onzen val. Mochten we, door Gods Geest geleid, de trappen van het geestelijke leven leren verstaan. Dit is alleen mogelijk in de gemeenschap met Christus. O, mochten we deze ‘trappen’ eens meer verstaan. De vrucht zou dan in het leven heerlijk openbaar komen, en we zouden steeds meer verstaan: “U dan die gelooft is Hij dierbaar". Gods volk is duur gekocht. Dat blijkt ook uit de 16e zondagsafdeling.

Psalm 22 : 16a

En Gij legt Mij in het stof des doods.

 

Zondag 16

 

Vraag 40. Waarom heeft Christus Zich tot in den dood moeten vernederen?

Antwoord. Daarom, dat vanwege de gerechtigheid en waarheid Gods niet anders voor onze zonden kon betaald worden, dan door de dood des Zoons Gods.

Vraag 41. Waarom is Hij begraven geworden?

Antwoord. Om daarmede te betuigen, dat Hij waarachtiglijk gestorven was.

Vraag 42. Zo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het, dat wij ook moeten sterven?

Antwoord. Onze dood is geen betaling voor onze zonden, maar alleen een afsterving van de zonden, en een doorgang tot het eeuwige leven.

Vraag 43. Wat verkrijgen wij meer voor nuttigheid uit de offerande en de dood van Christus aan het kruis?

Antwoord. Dat door Zijn kracht onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven wordt, opdat de boze lusten des vleses in ons niet meer regeren, maar dat wij ons zelven Hem tot een offerande der dankbaarheid opofferen.

Vraag 44. Waarom volgt daar: Nedergedaald ter helle?

Antwoord. Opdat ik in mijne hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste, dat mijn Heere Jezus Christus door Zijne onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling, in welke Hij in Zijn ganse lijden (maar inzonderheid aan het kruis) gezonken was, mij van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft.

 

Christus is gelegd IN HET STOF DES DOODS, en dit wil zeggen:

  1. VERNEDERD IN DE DOOD;
  2. NEERGELEGD IN HET GRAF;
  3. NEDERGEDAALD TER HELLE.

1.      Vernederd in de dood.

Christus heeft Zich tot in de dood moeten vernederen. De diepte van de vernedering wordt hier aangegeven. Vernederd tot in de dood, wie kan de diepe zin er van ten volle verklaren? We spreken van de dood in drievoudige zin. De tijdelijke dood is de scheiding van ziel en lichaam. Sterven is altijd aangrijpend. De dood is de bezoldiging der zonde. Wij zijn van nature geestelijk dood, gescheiden van God, van het licht, het leven, het wezenlijk heil. Wie zó sterft, verzinkt in de eeuwige dood. Wie kan het vreselijke hiervan peilen? Moet dit ons niet aangrijpen? Moest de waarheid ons niet zo ontroeren, dat wij niet rusten kunnen, aleer wij ons verlost wisten uit de dood? Wij reizen voort naar het graf, wij vliegen naar de eeuwigheid, het jongste gericht. Maar hoe reizen we naar ons eeuwig huis? Zondaren, zijn wij op de smalle weg en kunnen we met de dichter zingen:

Gij maakt eerlang mij 't levenspad bekend,

Waarvan, in druk, 't vooruitzicht mij verheugde?

Zalig allen, die daarin delen. Dit heil is vrucht van Christus, Die Zich vrijwillig vernederde. Onze Heidelberger spreekt van ‘de dood des Zoons Gods’. De Middelaar is de waarachtige God. Hij heeft onze menselijke natuur aangenomen. De Goddelijke natuur moest de menselijke in het lijden en sterven ondersteunen. Omdat de Middelaar ook waarachtig God is, kan Hij den dood overwinnen. Die Middelaar gaf Zich in Zijn rijke liefde vrijwillig. Vrijwillig ging Hij de diepte van helse ellende in om voor hellewichten de eeuwige vreugde te verwerven. Groot is de genade hierin geopenbaard. Mocht dit alles toch dringen om de Heere te leren vrezen. 't Zal zo vreselijk zijn als deze ‘Liefste’ ons eens als Rechter zal veroordelen. Christus, de Middelaar, moest Zich vernederen tot in het stof des doods. Allereerst eiste dit de gerechtigheid Gods. God had gesproken: “Ten dage als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven” (Gen. 2:17). De mens heeft geluisterd naar satan, heeft gegeten van de verboden vrucht en is dus ongehoorzaam aan God geworden. De zonde van deze ongehoorzaamheid is geoordeeld voor de vierschaar der gerechtigheid. De ongehoorzame is gearresteerd, gedaagd voor de vierschaar. De mens is aangeklaagd van gezondigd te hebben tegen de Allerhoogste majesteit Gods. Hij heeft de Allerhoogste verworpen en moet dus met de hoogste straf worden gestraft, dus met den dood. De gerechtigheid Gods kan niet anders doen.

Wij hebben de eeuwige dood verdiend. Staande voor de vierschaar der gerechtigheid zullen we geen ander vonnis horen. Hebben we dit verstaan? Heeft Gods Geest 't ons geleerd? Dan onderschrijven we ons vonnis met ons hart. Dan hebben we de Heere in Zijn gerechtigheid lief. Wie zijn vonnis recht verstaat, leert ook de noodzakelijkheid van Christus' gaan in de diepte des doods verstaan. We kunnen op geen andere wijze zalig worden. Gods kind wil ook niet zalig worden met het schenden van het recht van God. Heerlijk, als ons hart ‘amen’ zegt op deze dingen.

Niet alleen de gerechtigheid, maar ook de waarheid Gods eiste, dat Christus ging in de diepte des doods. God had de dood bedreigd, van sterven gesproken. Satan zei: gij zult de dood niet sterven. De leugen van satan stond tegenover de waarheid van God. De mens geloofde satan, wilde zelf uitmaken wat recht en waarheid is. Maar uitkomen zou, dat God niet liegen kon en dat satan de vader der leugenen is. De Heere handhaaft Zijn waarheid tegenover satans leugen. Hij kon niet anders. Als de waarheid Gods ‘gij zult de dood sterven’ niet gebleken was ‘waarheid’ te zijn, dan konden we van al het andere, dat geopenbaard is, ook niet zeker zijn. Satan zou dan een triomf hebben behaald. Maar de waarheid is gehandhaafd. Ook op Golgotha. Christus moest Zich vernederen tot in de dood.

Door de zonde is de dood in de wereld gekomen. Van nature gelooft de mens satan. Wij zijn kinderen van de vader der leugenen. Maar wij zijn dood en zullen sterven. Gods Woord is waar. Zondaren, verstaat dit. 't Is waar, dat u dood bent en wedergeboren moet worden. 't Is waar, dat er in Christus ontkoming is. Gods Woord is waar, kinderen des Heeren. Vermoeiden en beladenen worden genodigd te komen tot Christus. Dorstigen mogen drinken van het water des levens. Het ongeloof liegt. Gods Woord is waar. God heeft geen lust in den dood van de goddeloze, maar in zijn bekering. Wie God aanroept in den nood, vindt Zijn gunst oneindig groot. Pleit op dat Woord, dat waar is. Het Evangelie, door hetwelk de zondaar zalig wordt, is wáár (1 Cor. 15 : 2). Christus' gaan in den dood verzegelt dit alles.

Christus is gestorven. Hoe komt het, dat Gods kinderen ook moeten sterven, waar Christus voor hen den dood inging? De dood van Gods kind is geen betaling voor de zonde, maar alleen een afsterven van de zonde en een doorgang tot het eeuwige leven. Onze Heidelberger heeft dit wel kostelijk gezegd. De apostel schrijft ook: “gestorven voor onze zonde". Onze zonde. Geldt dit ook u en mij? Zijn wij er van verzekerd, op Bijbelse gronden? Als wij van Christus zijn, delen we ook in Zijn heil. Indien we van Christus zijn, dan zijn we één van de halmen met een aar vol korrels. Dan behoren we tot de grote oogst. Dan dragen we in ons de goudkorrels van het geloof, de liefde, de hoop, de vreze des Heeren. Is dit ons deel? Zijn wij armen van Geest, hongerigen naar de gerechtigheid? Heerlijk, die deze vruchten des Geestes kent. Christus is voor hen gestorven.

Maar waarom gaat Gods kind dan niet als een Elia en Henoch ten hemel, zonder de dood te zien? De dood is toch de koning der verschrikking. Sterfbedden zijn vaak martelplaatsen en in sterfkamers worden zo vaak folterende uren doorgemaakt. Het sterven van Gods kind is geen betaling. Alles is volbracht. Het werk van Christus is volkomen. Christus heeft niet alleen de zaligheid mogelijk gemaakt, Hij heeft alles gedaan en doet alles en alle andere leer moet als Godslasterlijk en verderfelijk verworpen worden. Christus verwierf alles en past alles toe.

Toch sterven Gods kinderen. Zeker. Zo heeft de Heere het gewild. Dit is tot Zijne verheerlijking; dit heeft een Vaderlijke strekking. Gods kinderen zullen door het sterven het vreselijke van de dood en de rijkdom der genade nog meer leren kennen.

Het sterven van Gods kinderen is een afsterven. Op aarde zijn Gods kinderen in de geestelijke strijd, in de oefenstaat des levens. Veel van de oude mens dragen zij in zich om. Dit moet meewerken, om hen klein te houden, te vernederen, meer te doen vluchten tot Christus. Dit doet hen zuchten in deze tabernakel en verlangen naar ontbinding om dan eeuwig met Christus te zijn. Bij het sterven wordt het lichaam der zonde afgelegd. Gods kind, er is licht bij uw sterven en vertroosting bij uw graf.

Wéé, die niet van Christus is, en zo sterft. Die moet de eeuwige straf dragen zonder te kunnen betalen; die moet de eeuwige rampzaligheid lijden zonder ooit vrede te vinden.

Voor Gods kind is het sterven een doorgang tot het eeuwige leven. Het sterven is als een Jakobsladder. Zing dan, kind van God:

‘Eens was mij de grafkuil een voorspraak der hel,

nu is het een poort van Gods hemel’.

Voor Gods volk is de dood een dienstknecht van de Heere, die Gods kind ontdoet van het oude kleed der zonde en aantrekt het nieuwe kleed der verlossing. Het is een hemelbode, die komt zeggen, dat de poorten der gerechtigheid open staan. Zalig, die in 't licht des Heeren sterven. Christus is gelegd in het stof des doods. Hij heeft Zich vernederd tot in de diepte van de dood. Dit is dus niet zonder vrucht. Er is nog meer, dan we reeds hoorden. Christus verlost van de eeuwige verdoemenis. Hij heeft de gerechtigheid en het leven verworven. Het strenge oordeel Gods heeft Hij gedragen in de plaats der Zijnen; de vervloeking heeft Hij op Zich geladen; het sterven is een afsterven van de zonde en een doorgang tot het eeuwige leven. En nu zijn er nog meer rijkdommen. Door Zijn kracht wordt onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven, opdat de boze lusten van het vlees in ons niet meer regeren. En door die kracht offeren wij ons Hem tot een offer der dankbaarheid.

De levend gemaakte zondaar draagt nog de oude mens in zich om. Zijn zondige aard, het vlees, werkt nog altijd door. Hoe tederder het kind des Heeren leeft, hoe smartelijker dit wordt gevoeld en hoe meer ook gehunkerd zal worden naar de volle verlossing, naar het wandelen in de klederen witter dan sneeuw boven de bergen Gods. Elke begenadigde verstaat de klachten over de oude mens. Groenewegen sprak van vreemde heren, die het huis nog bezet houden. Die vreemde heren verwoesten de ziel vaak. Gesmeekt wordt gedurig om van die vreemde heren verlost te worden. En klagend over het verdorven hart zuchtte eens iemand: ‘En moet dit nu altijd zo blijven Heere, tot aan mijner dagen end, die zwarte plek, diep in mijn hart, die Gij, en Gij alleen kent?’

Met Christus zijn Gods kinderen gestorven en met Hem zullen ze leven. Hier blijft het afsterven. Alles wordt geschonken met Christus. Met Hem moeten we gekruisigd worden. De oude mens moet aan het kruis. Bij de wedergeboorte begint dit. De kruisnagels moeten er steeds dieper ingedreven worden. Lijden, tegenspoed, giftige pijlen des satans, alles moet in de genadehand des Heeren medewerken ten goede. De oude mens moet de dood in. Het Kruis is middel tot sterven. Zolang moet de oude mens aan het kruis hangen, tot hij gestorven is. Geen wonder, dat hij tegenwerkt, slijk en modder opwerpt, blaast en dreigt, zoekt te ontkomen met list of met geweld. Jammer, dat die oude mens nog zoveel voedsel ontvangt. Als we toegeven aan de zonde, als we de oude mens zijn zin geven, dan voeden we hem. En wie gaat hier vrij uit? Gods kinderen staan in dit opzicht ook zo nameloos schuldig. De oude mens moet sterven. Hij zal sterven. De doodsteek ontving hij reeds, kind des Heeren. Eens zal hij gestorven zijn. Dan wordt hij begraven. In Christus ligt dit vast. Voorwerpelijk is hij reeds in het graf gelegd. In het leven wordt dit gerealiseerd. Eens is het kind verlost en rust het in de eeuwige zaligheid. Dan is de heilwens verkregen.

Dit kruisigen, sterven en begraven worden, geschiedt door de kracht van Christus. Niets vermogen we door eigen kracht. Maar door Christus' kracht vermogen we kloeke daden te doen. Waar die kracht werkt, zullen de boze lusten niet meer regeren. Ze zijn er nog wel. Ze zijn ook boos. Dit ondervindt Gods volk maar al te goed. Doch ze regeren niet meer. Ze geven niet meer aan ons de levensrichting. Ze kunnen ons niet zenden waar ze ons hebben willen. Christus regeert Zijn volk, door Zijn Woord en Geest. Hij maakt hen ook strijders in Zijn kracht. In Zijn Woord maakt Hij hun treden vast. Door Zijn genade leren ze ook zichzelf offeren. Elke gelovige is priester of priesteres. Al de gelovigen staan samen in het grote heiligdom. Ze moeten zichzelf met al wat ze hebben de Heere offeren en niet de afgoden. Dit is een leven van zelfverloochening, van strijd. Maar 't is ook een hemelleven in beginsel. 't Is de welbehaaglijke offerande (Rom. 12:1). 't Is de Heere eren met ons ganse hart. Welzalig allen, die dit leven kennen.

2.      Neergelegd in het graf.

Onze Heidelberger vraagt: ”Waarom is Hij begraven geworden?" En geantwoord wordt:  “Om daarmede te betuigen, dat Hij waarachtiglijk gestorven was". Dit antwoord is kort en sober. Toch hebben onze vaderen goed gedaan hierop te wijzen. Het geeft een schone gelegenheid om ook deze dingen nader onder de ogen te zien.

Allereerst is dus dit gedeelte in onze Heidelberger opgenomen om ons nader te verklaren, dat Jezus zeker gestorven is. Jezus' dood stond toch wel vast. Hij is gekruist, in Zijn zijde werd gestoken, Zijn beenderen werden niet gebroken. En Pilatus gaf toestemming om Hem te begraven. Al deze dingen spreken al duidelijk. Vergeten we daarbij niet, dat Jezus Zelf sprak: “Vader, in Uwe handen beveel lk Mijn geest". Daarbij komt dan, dat Jezus begraven werd. Hij lag van vrijdagmiddag tot zondagmorgen in het graf. Er is dus heel veel zekerheid en gegronde zekerheid. Die zekerheid is ook nodig. Denk u een ogenblik in, dat wij die zekerheid niet hadden. Wie zou ons dan bewijzen, dat God voldaan was, dat de straf gedragen was, dat de zaligheid waarlijk verworven was? Als de apostel Paulus spreekt over het evangelie nodig tot zaligheid, dan spreekt hij ook over de begrafenis van Jezus (1 Cor. 15:4). Als Jezus niet gestorven is, is alle hoop verdelgd. Als Jezus niet is gestorven, dan is er geen heil voor Gods kind, dan is ons graf niet verlicht, dan is satans kop niet vermorzeld, dan is onze prediking ijdel en ijdel is ons geloof. Als Christus niet gestorven is, dan kunnen noch mogen we zingen bij de in Christus ontslapenen van de verwinning des doods, van de opstanding des levens, van de onbepaalde blijdschap. Als Jezus niet gestorven is, dan is ook een deel van Zijn Borgwerk niet vervuld. Dan is Hij nooit gelegd in het stof des doods. Dan is niet bewezen, dat Hij het proces des doods kon tegenstaan. Dan is niet bewezen, dat Gods Heilige geen verderving gezien heeft. En juist komt het aan op een volkomen volbrengen van het Borgwerk. “Stof zijt gij en ge zult tot stof wederkeren", heeft de Heere in Edens hof gesproken. Dit is geen rust, geen zegen, geen troost, maar dit rust als een oordeel op ons, als gevolg van onze val. Huiveringwekkend is het kille, donkere graf. De gedachte, dat wij sterven moeten, dat ons lichaam ontzield wordt, dat ons lichaam een prooi der wormen wordt, is ontroerend, beschamend, vernederend. O, als we staan om het graf, dan wordt iets van deze dingen gevoeld. Alleen Gods kind verstaat het in beginsel recht. En als we staan om het graf van de in Christus ontslapenen, dan is het graf wel niet donker, maar het vernederende om onze zonde wordt toch beseft. Van die dood, van die vernedering, van dat oordeel Gods kunnen we nooit verlost worden, als Christus niet gegaan is in de diepte des doods. Maar Hij is waarlijk gestorven. De banden des doods hebben Hem omkneld. De grafspelonk is voor Hem diepe vernedering geweest. Maar de dood kon Hem niet houden. De Heilige heeft geen verderving gezien. Hij heeft overwonnen. Doch dit alles bewijst duidelijk genoeg, dat Christus waarlijk gestorven is. Christus is begraven, om daarmee te betuigen, dat Hij waarachtiglijk, werkelijk gestorven was.

Ook die begrafenis zelf is niet zonder betekenis. We weten, dat Jezus bij de rijken in Zijn dood geweest is. Bij de goddelozen dacht men Zijn graf (Jes. 53). Men had gedacht, dat Jezus wel, als andere kruiselingen, op de hoofdschedelplaats een graf zou vinden; dat Hij daar, als een verachte, zou worden geworpen. Maar zo wilde de Heere het niet. Hij werd gelegd in een nieuw graf. Jezus heeft het graf ook tot een nieuw graf gemaakt voor Gods volk. In dit nieuwe graf was nog nooit iemand gelegd. Toen op de Paasmorgen het graf ledig gevonden werd, was dit dus ook een bewijs, dat Jezus waarlijk uit de dood was opgestaan. Jezus is door Zijn discipelen begraven en kostelijke specerijen zijn voor Hem in liefde bereid. Juist in die moeilijke uren kwam een nachtdiscipel als Nicodemus in krachtig geloof uit. Hoe vaak moeten drukwegen toch dienen om 't geloof te sterken en te heiligen. 't Is vaak met het aangezicht in de dood, dat de ziel tot klaarheid komt. Hebben ook wij bij het graf van onze in Christus ontslapenen wel eens mogen ervaren, dat het geloof doorbrak en wij gemeenschap der heiligen beoefenen mochten? De begrafenis van Jezus was overigens eenvoudig. De liefde was niet karig geweest. Laten we er iets uit leren. Onze begrafenis moet eenvoudig zijn, doch de liefde behoeft zich niet in te houden. Uitwendige pracht is niet nodig, begrafenismaaltijden en uitgebreide preken, die den mens verheerlijken, betamen niet. We moeten echter ook verstaan, dat aan Gods kind geen ezelsbegrafenis past.

Jezus is begraven. De liefde bleef, openbaarde zich heerlijk, toen allen zijn gevlucht. In fijn lijnwaad werd Hij gelegd in een nieuw graf. De legende wil ons zeggen, dat dit graf is ontdekt, omdat men daar drie kruisen gevonden heeft. Deze dingen zijn voor ons zonder waarde. De Heilige Schrift zegt ons dat het graf van Jezus bekend was. Van Mozes was dit niet bekend. Dit kon bij Jezus zo niet zijn. Die onzekerheid zou ook twijfel gebracht hebben met betrekking tot Zijn opstanding. Jezus is begraven in het nieuwe graf van Jozef van Arimathea en Hij is in Zijn dood niet bij de goddelozen geworpen. Jezus is begraven. De heiden schuwden vaak het graf, omdat de angst voor afgestorven geesten hen dreef. De Joden hebben de graven onrein geacht. Ze hebben de graven wit gepleisterd, omdat, zoals sommigen menen te moeten verklaren, ze dan de graven van verre konden zien en zich voor verontreinigen konden hoeden. In onzen tijd wil men, ook uit een hygiënisch oogpunt, de lijken verbranden. 't Wordt natuurlijk nooit openlijk gezegd, dat men alle gedachten met betrekking tot een leven na dit leven wil uitwissen. Toch geloven we, dat dit de werkelijke reden is. Men zegt wel ‘dood is dood’, maar dat is meer een wensen dan een dadelijk geloven. En nu wil men de lijkverbranding nog te hulp roepen om het geweten te sussen. Lijkverbranding betaamt een christen niet. Bij de heidenen was die verbranding vaak de gewoonte, b.v. bij de Indiërs en bij Germanen. Op een grote brandstapel werd het lijk verbrand en de as werd in een urn bewaard. Onder Israël was het regel, dat de lijken begraven werden. Alleen bijzondere overtreders of hun lichamen werden verbrand (Jozua 7:25; Lev. 20:14; 21:9). In Europa neemt de propaganda voor lijkverbranding zeer toe. Wij moeten aan die heidense gewoonte niet toegeven. Bovenal moeten we de dingen bezien in het licht van de Schrift. De Schrift geeft ons als regel aan de begrafenis. Slechts bij gruwelijke overtredingen lezen we van verbranden en dan nog meest van den levende. Vergeten we ook niet, dat Christus het graf, niet het crematorium, geheiligd heeft. Ook moeten we ons niet willen onttrekken aan het oordeel, dat de Heere over ons heeft uitgesproken, n.l. dat we tot het stof zullen wederkeren, waaruit we genomen zijn. De mens stond eens boven het stof, heersend over de werken van Gods handen. Uit het stof geformeerd wandelde hij boven het stof en heerste over het stof. Maar de gevallen zondaar is slaaf van het stof. De mens sterft, keert tot stof weder, wordt begraven, komt onder het stof. Zalig echter allen, die in Christus geborgen zijn. Christus heeft Zich vernederd tot in het stof des doods en verlost allen, ook uit het stof, die de Zijnen zijn, want zij zullen ook naar het lichaam delen in de eeuwige heerlijkheid. Daarom kunnen we bij de graven van hen, die in Jezus ontslapen zijn, zingen van de wens van godzaligen, van de blijdschap, die ten toppunt stijgen zal.

Jezus is immers begraven. Het graf is geheiligd en nu is het graf een slaapstede der heiligen, waar zij rusten, tot de jongste bazuinstoot hen wekken zal. De stem van de drijver horen ze niet, in het graf worden ze niet meer benauwd. Het graf is hun wachtplaats op de wederkomst van Jezus Christus. Als Hij komt, dan zullen hun lichamen verrijzen tot eeuwige heerlijkheid. In het graf zijn ze in hun verkleedkamer. Een lichaam der zonde, vaak uitgeteerd, gebroken, ellendig, gewond, ging in het graf.  Verrijzen zal een verheerlijkt lichaam. O, ook zo komt uit, dat zalig de doden zijn, die in de Heere sterven. Groot is het goed, dat de Heere weggelegd heeft voor allen, die Hem vrezen.

Als de doodslager binnen de vrijstad was, dan moest hij daar binnen blijven tot de dood van de Hogepriester, die met heilige olie gezalfd was (Num. 35:25). Eerst als de Hogepriester de dood was ingegaan, was hij vrij. Als de Hogepriester gestorven was, dan kon hij vrij uit gaan. Ook deze dingen zijn tot onze lering geschreven. Al het borgwerk van Jezus Christus behoort tot de vrijstad. Maar als Christus, de Gezalfde met de Heilige Geest, niet in waarheid gestorven was, dan kon niemand van ons vrij uit gaan. Maar Christus is gestorven! O, volk van God, niemand kan u nu meer treffen ten dode. Doodslagers zijn wij van nature, de dood hebben we verdiend. Maar de ontdekkende genade van God, het licht van de Heilige Geest deed ons dit verstaan: de weg naar de Vrijstad is ons ontsloten. Wij zijn gevlucht, binnen gelaten en hebben geleerd, dat die dood van Christus noodzakelijk is. Als Hij niet in onze plaats is gestorven, dan kan satan ons nog aanklagen, dan kan de wet ons nog vloeken, dan kan God ons nog verdoemen. Dan heeft ons hart nog geen vrede, dan heeft ons geweten nog geen ware rust.

Mede-stervelingen, verstaan we deze dingen? Wie leeft er, die de slaap des doods niet eens zal slapen? Wie redt zijn ziel van 't graf? O, als u nog geheel, gerust buiten de Vrijstad leeft, dan kunt u elk ogenblik getroffen worden door de bloedwreker, want een doodslager bent u. O, haast u om uws levens wil, vlucht naar de Vrijstad. De deuren staan nog open. Waarom zoudt u sterven? Smeekt om genade en licht, om deze dingen recht te verstaan.

Kinderen des Heeren, u leeft allen met dezelfde stand in het genadeleven. Allen kennen in beginsel het ontdekt zijn aan zichzelf. Allen hebben in beginsel geleerd, dat er een weg naar de vrijstad is. Sommigen hebben pas een kleine aanwijzing, anderen vluchten met haast, terwijl ze de vrijstad reeds in het oog hebben. Zolang de doodslager echter niet wist, dat de Hogepriester gestorven was, dus ook voor hem gestorven was, zolang leefde hij nog in onzekerheid. Gods kind heeft de zekerheid van het geloof nodig. Het volk des Heeren staat naar een persoonlijk weten. En het geloof kan die zekerheid vinden in het bewijs van Jezus' sterven.

Op den zevenden der dagen, rustte Jezus in het graf.

Van den arbeid Zijner ziele, die Hij willend overgaf!

In de zwakheid van de kruisdood werkt een nieuwe scheppingskracht:

't Is Vervulling! 't Is Verzoening! 't Is Verlossing! — 't Is Volbracht!

Zo zong Da Costa schoon. Christus is in het graf gelegd, o dat we de sprake Gods verstaan. 't Heilig lichaam rustte in de aarde, ook die vloek droeg Jezus. En dezelfde dichter wekt aldus Gods volk op:

„Komt! laat ons Jozefs hof bezoeken!

Daar werd begraven onze schuld!

Dáár ligt in graf en hoofdzweetdoeken

de Hoop der heerlijkheid gehuld!"

Hier begon ook de zegepraal van Gods volk. Nog een weinig tijds en de volle grootheid van deze dingen zal in zonneklaarheid worden aanschouwd. Welgelukzalig allen, die in die dierbare Christus geborgen zijn. Hier mogen ze zelf zingen en straks zingen anderen over hun graf:

Maar na den dood is 't leven mij bereid,

God neemt mij op in Zijne heerlijkheid. Ps. 49 : 6.

3.     Nedergedaald ter helle.

God neemt de Zijnen op in Zijne heerlijkheid. Maar Christus heeft Zich daartoe ook op 't diepst vernederd. Hij is nedergedaald ter helle. In vroegere uitgaven stond óf begraven, óf nedergedaald ter helle. Met dit laatste bedoelde men dus ook begraven. In latere uitgaven vinden we beide stukken. Gezien de verklaring die onze Heidelberger er van geeft, zouden we verwachten dat nedergedaald ter helle geplaatst wordt vóór begraven. Dit geschiedde niet. En het is leerzaam zoals de volgorde nu is. Jezus verloste Zijn volk ook van al het helse lijden, dat het anders eeuwig, achter het graf, had moeten dragen. Het lijden na het graf zal voor wie genadeloos sterven zo vreselijk zijn.

De verklaringen van dit artikel lopen uiteen. Volgens de Griekse Kerk is Christus met Zijn ziel in de hades gegaan, en heeft de zielen van de voorouders er uit bevrijd en ze met de ziel van de begenadigde moordenaar gebracht in het paradijs. Volgens de Roomse Kerk heeft Jezus de zielen van de Oudtestamentische vromen uit de voorburcht van de vaderen verlost, opdat ze nu de aanschouwing van God mochten genieten. De Lutherse Kerk leert, dat Christus naar beide naturen in de hel geweest is. Na Zijn begrafenis en vóór Zijn opstanding zou dit geschied zijn. Jezus ging naar de hel om Zich te openbaren als Overwinnaar van de satan en als Verstoorder van de machten van de hel. Onder de voorstanders van de leer van de algemene verzoening zijn er, die zeggen, dat Christus door Zijn Geest voortgaat in de hel het Evangelie te preken aan de verlorenen. Sommigen menen zelfs, dat al de verlorenen eens gered zullen worden. Zij die niet zo ver gaan leren, dat in de hel nog mogelijkheid is tot redding van hen, die op aarde het Evangelie niet hebben gehoord. Een beroep op Efeze 4 : 8 en 9 en op Ps. 139 : 15 zegt niets. En in 1 Petr. 3:18-20 wordt geleerd dat Christus, door Zijn Geest, bij monde van Noach gepredikt heeft aan hen, van wie de zielen nu in de gevangenis zijn. 1 Petr. 4:6 spreekt ons van hen die gestorven zijn. Hun vlees is ondergegaan, wellicht zijn zij de marteldood gestorven. Maar zij leven naar den geest.

Ook zijn er die menen in Luk. 16:19-31 grond te vinden voor een hades-theorie. U moet zich de onderwereld als een grote ruimte denken in twee delen, gescheiden door een grote kloof. In het ene gedeelte zijn de zielen van de gestorven kinderen Gods. Ze genieten hemelse zaligheid, maar zijn nog niet in den hemel. In het andere gedeelte zijn de zielen van hen die genadeloos stierven. In het eerste gedeelte zou dan de ziel van Lazarus geweest zijn, en ook de ziel van de moordenaar die wedergeboren werd aan het kruis. Het ene gedeelte zou het paradijs zijn. Maar de Heilige Schrift geeft noch voor het een, noch voor het andere grond. Er is maar één Paradijs, n.l. de hemel. (Openb. 2 : 7). Zoals de boom valt, blijft hij liggen.

Onze Heidelberger wil van al die theorieën niets weten. Hij zegt: Gij, o mens, hebt door uw val de drievoudige dood verdiend. Christus is niet plaatselijk in de hel geweest, maar leed wel de helse smarten zó, zoals anders de Zijnen ze eeuwig hadden moeten lijden. Ten volle leed dit de Borg. Wij spreken van ‘duizend doden’, maar Christus heeft ten volle geleden wat de drievoudige dood inhoudt. In Christus is de ontkoming. Er is geen verdoemenis voor hen, die in Hem zijn. Zo ontvangt Gods kind troost en zekerheid.

De genadeloze zondaar voelt niets van de helse angsten. Wel kunnen er ogenblikken zijn, waarin de consciëntie benauwt. Stervenden hebben dit soms bitter ervaren. En Gods kind kan vaak zijn weg gaan, alsof de hel niet bestaat. Het ontroert soms niet eens, als we horen dat weer een zondaar onherboren stierf, dus . . . naar de hel ging. We zijn zo vreselijk diep gezonken en zo geheel afhankelijk van de werking des Geestes. Maar Gods kinderen maken toch ook kennis met de banden des doods en met de aanvechtingen van de satan. Satan zegt zo vaak: Is dit nu liefde van uw God? Is de tegenspoed van het natuurlijke leven groot, dan sart hij: Zie, u moet maar vroom zijn, dan gaat het u wel goed! En listig raadt hij u: Wees niet zo zwartgallig, en u zult het heel wat gemakkelijker hebben. De zoekers van de Heere roept hij toe, dat hun roepen en geklaag tevergeefs is, want zij zijn veel te zondig. Of: u bent toch niet uitverkoren. Gaat de weg van wezen en weduwen door de diepte, dan hoont hij : Waar is nu de Rechter der weduwen en de Vader der wezen? Op allerlei wijze sist en sart de oude slang.

Bange uren van verlatenheid kan Gods kind ook doormaken. In die uren kan zo vurig gesmeekt worden om een enkele lichtstraal, om één blijkje van Gods gunst. Uitgeteerd door al de klachten vergaan de krachten.

Ook in het sterven kan het Gods kind uitermate bang zijn. Heerlijk, wie in zijn hoogste aanvechtingen verzekerd is van de verlossing in Christus. Onder de aanvechtingen, vooral onder de hoogste, kan er zoveel twijfel zijn. Heerlijk, die verzekerd is, dat de hel hem niet zal opslokken, dat de satan het niet zal winnen, dat hij in de helse benauwdheid niet ondergaat, dat hij een kind van God blijft, dat Christus ten volle redt. Satan zal vooral de zwakke plekken aanvallen, maar de Heere troost door Zijn Woord en Geest, dat hij niet zal winnen. Satan valt ook de onwankelbare belijdenis der waarheid aan. Maar kinderen Gods, hebt goede moed, Christus heeft de boze overwonnen.

Wel mogen we toch ernstig luisteren naar de prediking, die door deze dingen tot ons komt. De benauwdheden van Gods kinderen, vooral de helse angsten van Christus,  zeggen ons hoe vreselijk het in de hel is. Het is hier reeds een hel, als het geweten aanklaagt, het hart slaat, en u in wanhoop uw weg gaat. Zo groot is de gruwel van de zonde, dat Christus zo zwaar lijden moest. Maar de waarschuwende prediking zegt ons ook, dat wij eeuwig dit ontzagwekkende lijden moeten dragen als we niet komen tot bekering. En, o, die verharding van de mens, de onverschilligheid onder jong en oud, de verwerping van het Evangelie des kruises, de ergernis aan de Christus der Schriften, de vijandschap tegen het bevindelijke leven des geloofs door Gods Geest gewerkt. En het meedoen met de wereld, het buigen voor de afgoden van de mode, de zedelijke verwording, het goed praten van de zonde. Het zegt ons dat op deze waarschuwende prediking geen acht geslagen wordt. O, dat we ons oor eens te luisteren konden leggen aan de poort van de hel. Dan zouden we van hen, die op aarde met deze dingen hebben gespot of deze dingen lichtzinnig hebben verworpen, iets anders horen. O, in de hel zijn kinderen, waarvan de ouders op aarde de Heere vreesden. In de hel zijn er, die op aarde voor God-zaligen doorgingen. Er zijn ambtsdragers, die hier een reuk van Godzaligheid hadden. We kunnen wel aan het opsommen blijven. Laat de ontroerende werkelijkheid van deze dingen ons dringen om op de waarschuwende prediking te letten en de Heere in het kostelijk heden der genade te zoeken. Als we nog onherboren zijn, dan kunnen we nu nog levendgemaakt worden. Laat het lijden van Christus, laat het doormaken van de helse angsten ons toch doen verstaan, dat er een werkelijke hel is. Een worm, die niet sterft, een vuur, dat niet uitgeblust wordt, een toorn die blijft branden en een vloek die blijft drukken. Een vrouw had haar man vermoord door een nagel in zijn hoofd te slaan. Toen na 21 jaar de schedel werd gevonden bij het opgraven zat de nagel er nog in. Dit leidde tot ontdekking van de moordenares. Zij bekende en was zelfs blij dit te kunnen doen, want, zei zij, liever wil ik smachten in de gevangenis, ja, liever wil ik sterven, dan deze ontzettende helleangsten van 21 jaar doormaken. Deze kleine geschiedenis, die we eens lazen, zegt mede hoe vreselijk het hellelijden zijn zal. Als hier op aarde het al zo vreselijk zijn kan, wat moet het dan in de hel zelf zijn! O, indien we het leven Gods nog missen, indien we onze zonde nog liever hebben dan de Heere Jezus, indien we nog leven uit onze oude adams-grond, laten we dan toch bedenken, wat we tegemoet snellen. Haasten we ons om ons levenswil!

Jezus' nederdalen ter helle zegt ons ook, hoe vreselijk de zonde is. De zonde verdient de zwaarste straf, de eeuwige straf in de hel. Was de zonde niet zo gruwelijk, dan zou de straf niet zo zwaar zijn. Laten we, o zondaren, bij het zondigen dit steeds bedenken. Wie voortzondigt, wie onvernieuwd voortleeft en sterft, zal rechtvaardig verdoemd worden. Gods gerechtigheid eist niet anders, kan niet anders eisen. Daarom heeft de Vader Zijn heilig Kind overgegeven aan het helse lijden. Zien we toch toe, dat we niet met de rechtvaardigen vloek beladen, de ontzaglijke eeuwigheid in moeten gaan.

De prediking van Jezus' nederdaling ter helle spreekt van een ontkomen aan die bange, eeuwige smarten. Hij is de algenoegzame Zaligmaker. Hij heeft de volle verlossing teweeggebracht. Hij brengt Zijn bruidskerk op uit de diepte van nameloos wee. Alles is in Hem. Tot Hem mogen we komen met ons lijden, onze zonden, onze verdoemenis, onze angsten. Geen hemel wordt verdiend door het prevelen van woorden des geloofs. Geen zaligheid wordt verworven door voorgeschreven boete en opgelegd vasten. Van geen angsten der hel worden we verlost door boetedoeningen van wet en rabbijnen. Aan de rechtvaardige toorn ontkomen we niet door opsluiting in kloostercellen. Uit de werken des vlezes wordt geen ziel gerechtvaardigd. 't Heil is in Jezus Christus, in Hem alleen, de Koning van Israëls God gegeven. Hij is de roemende kracht van Zijn volk. En de toepassing des heils is alleen door Zijn bloed en Geest in de weg van het Woord.

Dit Evangelie is bemoedigend voor de oprecht zoekende zielen. Dit Evangelie is een rijke boodschap voor hen, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. O, zuchtende Sionieten, u mag tot Hem komen met niets dan uw schuld, uw ellende, uw straf en doem, uw vloek- en helwaardigheid. Christus nodigt u, nodigt allen, die vermoeid en belast zijn, nodigt allen, die arm en nooddruftig zijn. Hun bloed, hun tranen en hun lijden, zijn dierbaar in Zijn oog. Hij heeft wijn en melk voor u verworven. Hij heeft de helse angsten voor u geleden, opdat u in uw hoogste aanvechtingen getroost kunt worden en verzekerd zoudt zijn, dat Heere u verlost heeft.

Het volk des Heeren is een ontdekt volk en die ontdekking gaat steeds dieper. Ze leren iets van een hellevaart kennen. Banden des doods benauwen en beken Belials dreigen te verzwelgen. O, als ze in die bange dagen een toevlucht voor hun hart genieten, dan is dit zo rijk. Als de schuld drukt en de verdorvenheid prangt, verstaan ze het gebed:

“Wees mij genadig, God, voor Wie ik neder kniel,

naar de uitgestrektheid van Uw Goddelijk mededogen!

Zie op 't verdorven hart vol zondeschuld en logen,

dat smekend zich ontbloot voor Uw geheiligde ogen,

in goedheid nederwaarts, hoe eindeloos diep ik viel."

De strijd kan dán al zo bang zijn. Maar daarbij komen allerlei aanvechtingen, gelijk we overdachten. Als de last van zonde en plagen bijna niet te dragen is, als de helhond aanvecht op allerlei wijze, als de toorn des Heeren u schijnt te verteren, dan verstaat u Bilderdijks bede:

“Laat mij 't verblijdend woord van Uw vergeving horen!

Stort me Uwe vreugde in 't hart, in 't innige gebeent',

Verbrijzeld door Uw schrik en rammelend door geweend."

En als de ziel dit woord hoort, gelooft, door het toepassen van de Geest, als de ziel in de hoogste aanvechtingen weet, dat Christus haar verlost heeft,

“dan galmt de vrije borst van uit der zonden prang,

Gods lof in juichend maatgezang."

Toen Christus in Zijn zware lijden was in Gethsémané, bad Hij te ernstiger. Laat het volk des Heeren dit niet vergeten. Als de aanvechtingen hoger worden, als de aanvallen van de satan vermeerderen en heftiger worden, als de helse machten in elk opzicht samenspannen om uw ziel te verwoesten en te verderven, laat dan uw ziel te ernstiger gedrongen mogen worden tot bidden. Naarmate u dieper geschokt wordt, feller bestreden wordt, helser geprangd wordt, moeten we, o volk des Heeren, dichter komen bij de Bron van genade en kracht. Hoe duisterder de nacht wordt, hoe minder lichtende sterren onze ziel vertroosten, hoe sterker en helderder en ernstiger we moeten roepen tot de God aller genade.

In dagen van bestrijding en helse aanvechtingen wordt biddend geleerd, dat de HEERE een hoog Vertrek is in bange dagen (Ps. 59 : 17). De dichter was gewoon in bange dagen zijn benauwdheid de Heere te klagen. Dit is de weg, gunstgenoot des Heeren. In de hoogste aanvechtingen moet het gebed inniger, levendiger, krachtiger zijn. Bij de Heere, bij Hem alleen is troost. In gemeenschap met Hem kan alleen genoten worden in de hoogste aanvechtingen, dat Hij ons verlost heeft. En die vertroosting is zo rijk. Jezus alleen is de Balsem, die geneest. Hij heeft al de Zijnen uit de helse klauwen verlost en zal gedurig hen redden uit het gevaar. En als zij in de hoogste aanvechtingen vele verwondingen oplopen, dan heelt Hij alleen en lieflijk.

In de hoogste aanvechtingen kan het schijnen, dat de Heere niet hoort en de Zijnen niet ziet. Maar achter de nevelen is Hij ook, achter de wolken schijnt de zon. De Heere gaat voort met de arbeid der genade. Hij laat niet varen de werken Zijner handen. Sion moet daarom niet zeggen: “mijn weg is voor de HEERE verborgen en mijn recht gaat aan mijn God voorbij (Jes. 40)”.  “Weet gij het niet? Hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde noch moede noch mat wordt? Er is geen doorgronden van Zijn verstand. Hij geeft de moede kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft. De jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewisselijk vallen. Maar die de HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen, zij zullen opvaren met vleugelen gelijk de arenden, zij zullen lopen en niet moede worden, zij zullen wandelen en niet mat worden”.

Vragen wij ten laatste, hoe we komen tot de zekerheid van verlost te zijn, dan antwoorden we: Niet anders dan zoals de Heere al Zijn volk leidt. U vindt dit zo heerlijk en duidelijk beschreven in Psalm 116. De dichter zegt : “Ik heb lief, want de HEERE hoort mijn stem, mijn smekingen; want Hij neigt Zijn oor tot mij; dies zal ik Hem in mijn dagen aanroepen".

En dan blijkt dat de dichter geen ijdele dingen op 't oog had. Neen! Hij kende de hoogste aanvechtingen. “De banden des doods en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis.”

Dit is taal, die de ontdekten verstaan. Als de Heilige Geest zaligmakend werkt, dan gevoelen we iets van de knellende banden van de drievoudige dood. Zeer bang kan het soms zijn. En de angsten der hel zijn soms verschrikkelijk. Denk u in wat in de hel geleden wordt, nameloos zijn daar de angsten. Welnu, iets er van verstaat de ontdekte zondaar. Die angsten drijven hem niet tot een wanhoop als bij Judas, maar tot een wanhopen aan zichzelf en tot een roepen tot de HEERE. Ik riep de Naam des HEEREN aan, zegt de dichter. Hij zei: Och HEERE! bevrijd mijn ziel. Uit de diepte van ellende wordt geroepen om verlossing, om behoudenis. Die behoudenis ziet het oog des geloofs alleen in Christus. De dichter zal dan ook straks de beker der verlossing opnemen en de Naam des Heeren danken. Gods Geest maakt de ontdekten bidders. Hij Zelf bidt in hen. Zij leren Christus kennen in de kracht Zijner genade. Christus, Die bevrijdt. Christus, Die de banden losmaakt en doet wandelen in het vrolijk levenslicht.

Zie, dit is de enige weg om, in onze hoogste aanvechtingen, te komen tot de zekerheid, dat de Heere Jezus ons verlost heeft en dat de poorten der hel onze ziel niet zullen overweldigen. Welgelukzalig allen, die er in delen. In de grootste smarten blijven hunne harten in den Heere gerust. Als de beken Belials over hen komen. Als de satan zijn gif uitspuwt, als de helse angsten benauwen Als de banden des doods knellen, als de donkere diepte van de eeuwige rampzaligheid aangrijnst. Als de laatste vijand zijn laatste aanvallen waagt, dan kan de verzekerde verloste roemen in de rijke, de enige troost in leven en sterven.

O, u allen die nog genadeloos zijt, bedenkt deze dingen. Laat u waarschuwen. Zoekt de Heere, terwijl Hij nog te vinden is, roept Hem aan, terwijl Hij nog nabij is. O, waarom zoudt u sterven onder het aanbod van genade?

Zoekers in uw zielsverdriet naar de Heere, benauwden onder uw aanvechtingen, klagers om 's Heeren gunst en vergeving.  Bestredenen, die zuchten: zie mijn haters, daar 't getal vast vermeerdert van die mij vloeken en die roekeloos mijn val heet en wrevelmoedig zoeken. Hier is de Toevlucht in nood. Komt, komt haastelijk onder de vleugelen Zijner lieflijke bescherming. Kunt u niet komen? Hebt u geen haast? O, zucht dan: “Trek mij, Heere, en wij zullen u nalopen”. Onder Christus' schaduw is het zalig rusten.

Levende Sionieten, die delen in de troost, die onze Heidelberger zo kostelijk bespreekt, laat uw hart en mond en leven aan de Heere gewijd zijn. En als we delen in dit heil, zullen we niet anders begeren. Dierbare Christus, hoe zullen we U ooit recht erkennen! Eeuwige Vader, hoe zullen we U danken! Geest des Vaders en des Zoons, dat we U niet bedroeven. Neig ons hart tot Uwe vreze.

AMEN.