Zondag 13 - Gods eniggeboren Zoon, onze Heere - ds. A.H. Hilbers

Zondag 13

Gods Eniggeboren Zoon, onze Heere

  1. A.H. Hilbers

Ps 37:1

Ps 89:12

Ps 2:4,6

Ps 118:14

Ps 145:7

Hebreeën 1

Geliefde Gemeente,

Wie met enige aandacht ons hedendaagse wereldleven gadeslaat, zal moeten erkennen dat ook thans de geest van de wereld niet uit God is. Integendeel. In elk opzicht blijkt ten volle, dat men het geloof in de enige en drie-enige God dwaasheid acht, en het evangelie van het kruis snood verwerpt.

Men verwacht alle heil van zijn eigen denken, De mens heeft de wetenschap te beoefenen. En langs die weg maakt men uit wat waarheid en leugen, wat goed en kwaad is, en wat waarachtig gelukkig maakt.

Nu valt het niet te ontkennen, dat de mens van de twintigste eeuw het ver gebracht heeft op het terrein van de wetenschap. Doorzoekt hij niet de diepten van de hemelen en de afgronden van de aarde? Leert hij niet de verborgen krachten van de natuur kennen, en weet hij die niet op vernuftige wijze voor het praktische leven dienstbaar te maken?

Maar, geliefden, al verwacht de mens ook al zijn heil van kennis en wetenschap, en bouwt hij scholen bijna zonder einde, toch moet worden toegestemd dat de raadsels van de natuur en de problemen van het leven al maar toenemen, en niet verminderen. In plaats dat de mens bij het licht van het verstand alle vragen weet op te lossen, vermenigvuldigen de vragen zich juist. En zie, ofschoon reeds zo vaak is beweerd dat met het christelijk geloof kan worden afgedaan, toch dringt zich telkens aan de wereld de aloude vraag op: “Wat dunkt u van de Christus?” En dat is geen wonder. Want het geloof in Christus blijft bestaan en bewijst een kracht te zijn tot troost in leven en sterven beide. De naam van Jezus Christus wordt nog alom gepredikt en uitgedragen tot alle volken der aarde. Nog steeds wordt Hij verkondigd als de Weg, de Waarheid en het Leven, door Wie wij alleen tot de Vader kunnen komen. Daarom dringt zich telkens weer die vraag aan de mens op: “Wat dunkt u van de Christus?”

Deze vraag is niet nieuw, immers de Heere Jezus stelde deze reeds in Zijn omwandeling op aarde. En toen werd ze ook al verschillend beantwoord. De één hield Hem voor Johannes de Doper, de ander voor Elia, een derde voor Jeremia of een andere profeet. Moet niet een ieder bekennen dat deze Jezus iets bijzonders is?

Maar de Heere Jezus legde deze vraag ook voor aan Zijn discipelen. Waarop Simon Petrus dit besliste en tevens volkomen juiste antwoord gaf: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God”. Deze belijdenis was geen vrucht van eigen verstand. Want de Heere Jezus zegt: “Zalig zijt gij, Simon Bar-Jona, want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is”. En op deze heerlijke belijdenis, als op een petra, een rots, heeft Christus Zijn gemeente gebouwd. En de poorten van de hel zullen dezelve niet overweldigen. Zo belijdt Christus’ gemeente, geleerd en geleid door de Geest des Vaders, deze waarachtige waarheid aangaande de Christus. En ten spijt van alle wijsheid van de wereld spreekt zij uit: “Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, en in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, onze Heere”. Deze belijdenis gaan we overdenken aan de hand van onze Catechismus.

Psalm 2:7

Ik zal van het besluit verhalen: de Heere heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb ik u gegenereerd”.

 

Zondag 13

 

Vraag 33. Waarom is Hij Gods eniggeboren Zoon genaamd, zo wij toch ook Gods kinderen zijn?

Antwoord: Daarom, dat Christus alleen de eeuwige natuurlijke Zoon van God is, maar wij zijn om Zijnentwil uit genade tot kinderen Gods aangenomen.

 

Vraag 34. Waarom noemt gij Hem onze Heere?

Antwoord: Omdat Hij ons met lichaam en ziel van al onze zonden, niet met goud of met zilver, maar met Zijn dierbaar bloed gekocht en van alle geweld des duivels verlost heeft, en ons alzo Zich tot een eigendom gemaakt.

De Heidelbergse Catechismus heeft ons reeds twee heerlijke namen van de enige Middelaar Gods en der mensen op treffende wijze verklaard.

Eerst is ons gewezen op de rijke betekenis van de persoonsnaam Jezus. Daarna is ons Zijn ambtsnaam Christus verklaard. De eerste deed ons Hem kennen als de van God gezonden Zaligmaker van zondaren. De tweede naam predikt ons Hem als de Gezalfde van de Vader. Gezalfd tot profeet, priester en koning.

Thans worden nog weer twee namen behandeld die onze Heere Jezus draagt. En deze beide namen doen ons niet minder Zijn uitnemende heerlijkheid verstaan. Want belijden wij Hem niet als Gods eniggeboren Zoon, en spreken wij niet van onze Heere? Gods eniggeboren Zoon, dat leert ons kennen in welke bijzondere verhouding Hij staat tot God in de hemel. En onze Heere? Deze naam doet ons gevoelen in welk een bijzondere betrekking Hij staat tot al Zijn gelovigen.

Daarom overdenken wij thans:

DE UITNEMENDE GROOTHEID VAN DE CHRISTUS GODS.

Die blijkt:

  1. Uit Zijn eeuwig Zoonschap in betrekking tot de Vader
  2. Uit Zijn voortreffelijke heerschappij in betrekking tot al de gelovigen.

1.      Uit Zijn eeuwig Zoonschap in betrekking tot de Vader

Het mag aan onze aandacht niet ontgaan, dat hier niet de eenvoudige vraag gesteld wordt: “Waarom wordt Jezus Christus Gods eniggeboren Zoon genaamd”, maar er aan toegevoegd wordt: “Zo wij toch ook Gods kinderen zijn?”

Met aldus de vraag te stellen, wordt duidelijk gemaakt dat onze Heere Jezus toch op een geheel andere wijze Zoon van God is, dan de gelovigen, die ook deze heerlijke naam dragen. Dit blijkt dan ook direct uit het korte, maar duidelijke antwoord, dat op deze vraag gegeven wordt. Daarin wordt gewezen op het wezenlijke verschil tussen onze Heere Jezus en Zijn gelovigen.

Het is een heerlijke waarheid, dat allen die door het geloof met Christus verenigd zijn, ook Gods kinderen genoemd worden.

Deze schone naam wordt echter ook reeds aan Adam toegekend. Want het geslachtsregister van Jezus Christus, opgetekend in Lukas 3, eindigt met: ‘Adam, de zoon van God’. Ook de engelen dragen deze naam, want in het boek Job wordt gezegd dat, toen de aarde neerzonk op haar grondvesten, de morgensterren tezamen vrolijk zongen en al de kinderen Gods juichten. Dit ziet nadrukkelijk op de engelen van God.

Nu is door de zonde de mens een voorwerp geworden van Gods toorn, zodat de Schrift ons van nature kinderen des toorns noemt. Is dat niet het rechtvaardige oordeel van God over de mens, die zich in vijandschap tegen God gekeerd heeft?

Maar ziet nu de heerlijke weldaad van Christus ontfermende genade. Hij wil zulken, die van nature vijanden van God zijn, wederom tot zonen en dochteren aannemen. Want de Heere zegt: “En Ik zal u tot een Vader zijn en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn”. En het Sion van de oude dag mocht reeds getuigen: “Gij zijt toch onze Vader, want Abraham weet van ons niet en Israël kent ons niet. Gij, o Heere, zijt onze Vader, onze Verlosser van ouds af is Uw Naam.  Ook bij Johannes lezen we dat “zovelen Christus aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegevens kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven”.

De gelovigen dragen dus de naam van de kinderen Gods. Maar nu weten wij eveneens, dat de Heere Jezus, Gods eniggeboren Zoon genaamd wordt. Reeds onder de oude dag, toen Zijn komst en heerlijkheid voorspel werd, horen wij Hem als zodanig voorgesteld. Jubelt Jesaja niet: “Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder, en men noemt Zijn naam: Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst”.

Als Zijn geboorte aangekondigd wordt door de engel, dan klinkt het tot Maria: “Dat Heilige, dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden”. Door Zijn discipelen werd Hij beleden als Gods Zoon. En met een eed heeft Hij voor Kajafas bevestigd, dat Hij de Zoon van de levende God was. En als Hij straks uit het graf verrezen is en aan Zijn discipelen verschijnt, dan wordt de twijfelmoedige Thomas uit de bangheid van zijn ziel verlost, en gebracht tot de volle zekerheid van het geloof. Dat deed hem uitroepen: “Mijn Heere en mijn God”. Geen wonder dus , dat straks de apostelen, geleid door de Heilige Geest, de Christus prediken als de Zoon van God. En als de evangelisten, gedreven door de Geest van God, alles wat zij van Hem gehoord en gezien hebben, op Schrift stellen, dan is dat met het hoge doel dat wij zouden geloven, dat Jezus de Christus, de Zoon van God is.

Nu wil deze zondagsafdeling ons leren, dat er echter een wezenlijk verschil bestaat tussen het Zoonschap van Christus, en het kindschap van de gelovigen. En voorwaar, het was niet slechts voor onze vaderen in hun tijd van grote betekenis, voor onze tijd is dit evenzeer van het grootste belang. Want van meer dan één zijde wordt deze waarheid ontkend. En de heilige Schrift, die wij in deze te onderzoeken hebben, omdat die alleen van Christus getuigt, volgens Zijn eigen Woord, leert het volkomen duidelijk. Want daarin wordt Christus niet slechts Gods Zoon zonder meer genoemd, maar er worden vaak uitdrukkingen bij gebezigd, die van grote betekenis zijn. Wij lezen van Gods geliefde Zoon, Gods eigen Zoon, Gods eniggeboren Zoon. En bovendien lezen wij, dat Hij genoemd wordt het Afschijnsel van Gods heerlijkheid en het uitgedrukte Beeld van Gods zelfstandigheid, het Beeld van de onzienlijke God en de Eerstgeborene van alle creaturen. Dit toch zijn allemaal uitdrukkingen, die nooit op enig schepsel of mensenkind, hoe groot ook in genade, van toepassing kunnen zijn. Daarom belijden wij in onze Twaalf Artikelen, dat wij geloven in Gods eniggeboren Zoon. En de Catechismus geeft er de korte verklaring van: ‘Dat Christus alleen de eeuwige natuurlijke Zoon van God is, maar dat wij om Zijnentwil uit genade tot kinderen Gods aangenomen zijn.

Elk woord heeft ons hier iets te zeggen aangaande het Zoonschap van Christus. Zo wordt Hij genoemd de natuurlijke Zoon van God. Het wil ons te kennen geven, dat Hij waarlijk de goddelijke natuur even volkomen bezit, als de Vader en de Heilige Geest. Daarom kon Hij getuigen: “Ik en de Vader zijn één”. In Hem woont al de volheid van de godheid lichamelijk.

Hij wordt de eniggeboren Zoon des Vaders genoemd. Dit zegt ons, dat Hij de goddelijke natuur op een bepaalde wijze, door een bepaalde verhouding tot de Vader deelachtig wordt, namelijk door generatie of geboorte. Hij is niet gemaakt, noch geschapen, maar Hij is gegenereerd. De Schrift zegt: “Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd”. Gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelf, alzo deelt Hij het ook aan de Zoon mee. De Vader stort het volle goddelijke Wezen over in de Zoon, waardoor Hij alleen de eniggeboren Zoon van de Vader kan zijn. Deze levensmededeling van de Vader aan de Zoon valt bij niets te vergelijken en is voor ons klein, eindig verstand niet te verklaren. Dit weten wij echter, dat de generatie van de eniggeboren Zon een eeuwige daad van de Vader is, zodat ook de Zoon van eeuwigheid tot eeuwigheid Gods eigen natuurlijke Zoon is. Hij kan getuigen: “Ik was geboren als de afgronden nog niet waren, als geen fonteinen zwaar waren van water, aleer de bergen er gevest waren, vóór de heuvelen was Ik geboren”. De profeet Micha zegt van Hem, Die uit Bethlehem zou voortkomen, en een Heerser zou zijn in Israël, dat Zijn uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid. En het evangelie van Johannes begint zo hoog verheven van de Christus te spreken, als daar gezegd wordt: “In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God”. En Paulus noemt Hem treffend het beeld van de onzienlijke God en de eerstgeborene van alle creaturen. Dit laatste betekent niet, dat Hij de eerste van alle schepselen, nu dus ook zelf een schepsel was. Dat zij verre. Maar het wil zeggen, dat Hij als Geborene de eerste was, vóór nog enig schepsel bestond, dus vóór de grondlegging van de wereld, van eeuwigheid. Hij is God uit God, Licht uit Licht, door Welken alle dingen gemaakt zijn. En van eeuwigheid is Hij dezelfde, zodat Hij de Alfa en de Omega, de eerste en de laatste is, Die waardig is alle lof en aanbidding te ontvangen.

Deze goddelijke waarheid is door de Christelijke Kerk van het begin tot op de huidige dag ootmoedig aanvaard en beleden. Evenwel is van het begin af de waarheid van de godheid van de Zoon ontzettend fel bestreden. In de eerste eeuwen van de christelijke jaartelling waren het Arius met zijn volgelingen, die deze waarheid loochenden. Arius leerde dat er een tijd geweest was, waarin Christus nog niet bestond, maar dat Hij, om een tussenwezen te zijn tussen God en de wereld, als eerste schepsel door God was geformeerd. Geschapen dus en niet geboren. Vooral door de krachtige verdediging van Athanasius is op het concilie van Nicea in 325 voor goed vastgesteld, op grond van Gods Woord, dat de Zoon niet geschapen, maar geboren is, en wel geboren uit het Wezen van de Vader, en dat Hij eenswezens is met de Vader.

In de 16e eeuw waren het de Socianen, die leerden dat Jezus Christus Zoon van God geworden was. Hij was puur mens, doch werd, om het heil van de mensen te bewerken, met goddelijke krachten toegerust. En als loon voor Zijn volmaakte gehoorzaamheid toen tot goddelijke majesteit verheven.

En in onze eeuw is het modernisme opgetreden met de prediking, dat Jezus Christus geen God is, maar hoogstens als ideaal mens door ons geëerd kan worden als een voorbeeld om na te volgen. Ontzettende gedachten! Christus niet de Zoon van God!? Hoe kan Zijn woord dat Hij gesproken heeft, hoe kunnen Zijn daden die Hij gedaan heeft dan waarheid zijn? Het modernisme erkent daar de waarheid evenmin van, en acht slechts al het geschrevene van Jezus Christus voor vrome fantasie. Maar ach, hoe kan dan zulk een Persoon een ideaal mens zijn? Echter, hoeveel duizenden zijn door deze leugenleer van de waarheid Gods, van de enige weg der waarheid afgevoerd.

Ook de ethische richting wil aangaande dit leerstuk van geen scherp belijnde belijdenis weten. Voor hen zijn God en mens eigenlijk verwant. En krachtens die verwantschap zou de Zoon van God toch, buiten de zonde om, mens zijn geworden. De grenzen tussen de Ongeschapene, de eeuwige Zoon van God en het menselijke worden op zo’n manier vervaagd.

Tegen al deze Godonterende dwalingen heeft de Kerk van Jezus Christus de aloude waarheid van God te handhaven, en te belijden dat Jezus is de Christus, de Zoon van de levende God. En daarom hebben wij Hem volkomen in wezen, in werking en in eer gelijk te achten met de Vader en de Heilige Geest. Worden Hem niet de Goddelijke namen toegekend die ook de Vader draagt? Deelt Hij niet mee in de deugden of eigenschappen, die het Wezen Gods bezit? Is Hij niet de Eeuwige, omdat Hij zeggen kan: “Eer Abraham was, ben Ik?” Is Hij niet de Alwetende, daar Hij wist wat in de mens was? Is Hij niet mede de Schepper van hemel en aarde, want door het Woord zijn toch, volgens Johannes, alle dingen gemaakt? Ja, alle dingen worden ook door Zijn kracht gedragen. Hoe bewees Hij niet in al Zijn wonderwerken op aarde, dat Hij God was, te prijzen in der eeuwigheid? Daarom deelt Hij ook in de eer van het Wezen van God. In Zijn Naam wordt Gods zegen op de gemeente gelegd, in Zijn Naam wordt gedoopt, en tot de Zoon des Vaders moet zich ook richten het gebed en de dankzegging, zo goed als tot de Vader en de Heilige Geest.

En ook ieder mensenkind, die waarlijk door Gods Geest geleerd wordt tot zaligheid, leert de Christus als Zoon van God aanbidden en verheerlijken. Het wordt voor hem een zalig wonder, dat de Middelaar Gods en der mensen door Zijn Goddelijke kracht de zaligheid verworven heeft. En dat niet alleen, maar Hij past deze ook toe aan verloren, schuldige zondaren. O, zalig uur, om voor die enige Zaligmaker neer te knielen met de geloofsbetuiging op de lippen: “Mijn Heere en mijn God”.

Zo blijkt dus, bij nader onderzoek, dat er een wezenlijk verschil is tussen het Zoonschap van onze Heere Jezus Christus en het kindschap van de gelovigen. Dit wordt in deze zondag nog duidelijker aangetoond, als ook gezegd wordt op welke wijze de gelovigen Gods kinderen genaamd worden. Want we lezen: maar wij zijn om Zijnentwil uit genade tot kinderen Gods aangenomen.

De Heere Jezus heeft meerdere keren het verschil doen gevoelen, dat er bestaat in de verhouding van Hem en die van Gods kinderen tot God de Vader. Als Zijn discipelen tot Hem komen met het verzoek: “Heere, leer ons bidden, gelijk ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft”, dan zegt Hij niet: “Laat ons bidden…”. Maar Hij zegt: “Wanneer gij bidt, zo zegt: Onze Vader, die in de hemelen zijt”. Hier sluit de Heere Jezus Zichzelf niet bij Zijn discipelen in, maar onderscheidt zichzelf van de Zijnen, die God ook als hun hemelse Vader mogen aanspreken. Er is dus verschil tussen Jezus en Zijn volk, in de verhouding tot God de Vader. Dat leren ons ook Zijn woorden, die Hij na Zijn opstandig tot Maria Magdalena spreekt: “Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader; maar ga heen tot Mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God”. Ook nu spreekt de Heere Jezus niet over onze Vader en onze God, zodat Hij Zich niet op één lijn stelt met de Apostelen. Hoe zijn de gelovigen dan kinderen van God geworden? Niet krachtens geboorte uit God, maar zij zijn door God tot kinderen aangenomen.

Ook wij kennen als mensen het onderscheid tussen eigen en aangenomen kinderen. De eersten zijn uit ons als ouders geboren, zij zijn ons vlees en bloed. Zij zijn ons eigen wezen deelachtig, zodat zij zelfs ons beeld vertonen. Maar een aangenomen kind, waarover men zich ontfermd heeft, kan wel in de voorrechten en plichten van eigen kinderen delen, doch mist ons wezen en is in dat opzicht niet één met ons. Zo werd Mozes, uit Israëlitische ouders geboren, door Farao’s dochter als zoon aangenomen en hij kreeg alle rechten, die daaraan verbonden waren, echter hij was geen nazaat van de koninklijke stam van Egypte.

Aldus zijn de gelovigen ook tot kinderen van God aangenomen. En hoewel zij delen in de rechten en weldaden van dit kindschap, nochtans is er een wezenlijk onderscheid met het Zoonschap van onze Heere Jezus Christus. God de Heere heeft ze dus aangenomen tot Zijn kinderen. Dat deed Hij uit genade. Dat wil dus zeggen, dat zij het van nature niet waren. Ja, bovendien waren zij deze heerlijke weldaad ook niet waardig! Geen verdienstelijke reden werd in hen gevonden, waardoor God bewogen kon worden om hen tot Zijn kinderen aan te nemen. God de Heere was in Zichzelf van eeuwigheid bewogen om hen tot Zijn kinderen aan te nemen. Zegt Paulus niet in Efeze 1 vers 5: “Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehangen van Zijn wil?” Daarom heeft Hij hen in de tijd van Zijn welbehagen door Zijn Woord en Geest tot het eeuwige leven geroepen, zodat zij wedergeboren worden tot kinderen van God. Zijn herscheppende genade verheerlijkte Hij in hen, om het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te worden. En door Zijn Geest wil Hij hen overtuigen, dat zij kinderen van God zijn. Want dezelfde Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn. O, zalig wonder van genade! Een doemwaardig kind van Adam, geheel verdorven door de zonde, wordt door Gods genade aangenomen en herschapen tot kind en erfgenaam van God.

Hoe kan zo’n weldaad met Gods recht overeenkomen, zult u vragen? De Catechismus geeft ons daar het antwoord op, als gezegd wordt, dat wij om Zijnentwil, dat wil zeggen om Christus’ wil, uit genade tot kinderen aangenomen worden. Het spreekt vanzelf, dat dit niet wil zeggen dat Christus Jezus de bewegende oorzaak is, waarom God Zijn volk tot kinderen aangenomen heeft. Maar Christus Jezus moet het ganse verlossingswerk tot stand brengen. Hij, de Zoon van God, moest onze menselijke natuur aannemen om onze zondeschuld uit te delgen. Hij moest als Priester tussenbeide treden om ons met God te verzoenen. Hij moet ons door Zijn Geest vernieuwen naar Gods beeld en in het Vaderhuis voor ons allen plaats bereiden. Zo zijn wij om Hem en in Hem kinderen van God, en erfgenamen van het eeuwige leven.

Delen ook wij, geliefden, in dat heerlijke kindschap? Dan zullen wij daarvan toch de kenmerken moeten openbaren. Wilt u een enkele daarvan kennen? Zie, hoe de Heere Jezus ons de rechte kinderlijke zin doet kennen, als Hij zegt:  “Zalig zijn de vreedzamen, want zij zullen kinderen Gods genaamd worden”. Het ware kind heeft God lief en belijdt: “Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft”. Ook delen wij dan in de kinderlijke tucht, want de Apostel leert ons: “Die de Heere liefheeft, kastijdt Hij en Hij geselt een iegelijke zoon die Hij aanneemt”. Voorwaar, niet altijd even aangenaam en gemakkelijk. Dit zegt de Apostel ook, als hij schrijft: “En alle kastijding, als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde maar van droefheid te zijn; doch daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid degenen, die door dezelfve geoefend zijn”. Maar ook zulke kinderen Gods zijn wettige erfgenamen van een onbevlekkelijke en onverderfelijke erfenis, die voor hen in de hemelen bewaard wordt. En zij worden daarin ten volle gesteld, als zij voor eeuwig het huis van hun Vader worden ingeleid.

Welk een zalig kindschap is dit, dat eeuwig vast ligt in de zoen- en kruisverdiensten van Jezus Christus, onze Heere!

2.      Uit Zijn voortreffelijke heerschappij in betrekking tot al de gelovigen.

 

Nu wordt ten tweede in onze zondagsafdeling gevraagd: Waarom noemt gij Hem onze Heere? En op deze vraag volgt dan het antwoord: Omdat Hij ons met lichaam en ziel van al onze zonden, niet met goud of met zilver, maar met Zijn dierbaar bloed gekocht en van alle geweld des duivels verlost heeft, en ons alzo Zich tot een eigendom gemaakt.

Als wij dit antwoord nader bezien, dan valt op dat Jezus Christus de naam van Heere hier niet toegekend wordt omdat Hij de Zoon van God is, maar omdat Hij door Zijn Middelaarsverdiensten zich een eigen volk verworven heeft. O, zeker, als Zoon van de Vader heeft Hij het volle recht om Heere over alle schepselen genoemd te worden. Als tweede Persoon van de Goddelijke Drie-eenheid deelt Hij met de Vader en de Heilige Geest in de Oppermajesteit over al het geschapene. Hij is de Heere en niemand meer. Maar, als de gelovigen in hun belijdenis uitspreken te geloven in Jezus Christus, onze Heere, dan wordt aan iets anders gedacht, waardoor Jezus Christus de Heere van Zijn volk is. Dit wordt in deze zondag zo treffend omschreven, als daar gezegd wordt, omdat Hij ons met lichaam en ziel van al onze zonden, niet met goud of zilver, maar met Zijn dierbaar bloed gekocht en van alle heerschappij des duivels verlost heeft en ons alzo Zich tot een eigendom gemaakt.

Hoe wordt hier inderdaad gewezen op de grote ellende, waarin Zijn volk van nature verkeerde. Zij lagen onder de macht van de zonde en verkeerden onder de heerschappij van de satan. Ja, waarlijk, onder zulke vreselijke machten is de mens gekomen door zijn afval van God. Hij is een slaaf van de zonde en de vorst der duisternis voert zijn tirannieke macht over hem uit. Ach, hoe is de mens verleid geworden! Stond hij niet in de ware vrijheid, toen hij in de staat der rechtheid verkeerde? Ja, omdat hij toen in de juiste verhouding tot God stond, genoot de mens de ware geestelijke vrijheid en daarmee de zaligheid. Maar, door satan verleid, zocht de mens zich vrij te maken van zijn Schepper en Formeerder. Ja, hij zocht als God te zijn, kennende het goed en het kwaad, zodat hij niet meer onder God stond. En ziedaar, de daad die hem de vrijheid moest brengen, bracht hem juist tot de jammerlijkste slavernij. Hij scheurde zich los van zijn God, maar viel onherroepelijk onder de macht van de zonde en de satan. De mens is zichzelf niet meer. Hij is een dienstknecht van de zonde. Hij is verkocht onder de zonde. De mens heerst niet over de zonde, zodat hij haar kan doen en laten naar eigen vrije wil. Ganselijk niet! De zonde heerst over hem. De zweep van de drijver is achter hem en voert hem steeds verder voort op het pad van de ongerechtigheid, totdat hij aanlandt in het eeuwig verderf.

Het is waar, de natuurlijke mens is nog blind voor die gebondenheid onder de zonde. Ja, hij bemint zelfs haar boeien. Hij speelt met de ketens van de ongerechtigheid. Lachend en onbekommerd volvoert hij de diensten van de satan, totdat hij zijn ogen opslaat, zijnde in de hel. Ach, welk een arme slaaf van de zonde is hij, die daar voortgedreven wordt van de ene misdaad tot de andere. Ofschoon hij het bittere zondeloon soms hier reeds ontvangt, gaat hij toch steeds verder. Want de zonde, als een ontzettende macht, drijft hem immer voort, steeds dieper de ellende in.

Meent niet, geliefden, dat de mens nog over zoveel geestelijke en zedelijke kracht beschikt, dat hij zichzelf er vrij van kan maken. Geen zelfbeheersing, geen wilskracht, geen wetenschap of kennis is daartoe in staat. Ach, hoe heeft men geroepen, dat men de mens ontwikkeling bij moest brengen en het goede moest voorhouden. Dan zou hij vanzelf ook wel het goede doen. De praktijk logenstraft deze theorie. Moet men helaas niet spreken van ‘wetenschappelijke misdadigers?’ Evenmin is hier heil te verwachten van de filantropische inrichtingen, waar men de zogenaamde misdadige jeugd wil opvoeden tot bruikbare en eerzame burgers van de maatschappij.

Daar is een andere kracht en macht voor nodig, om de banden van de zonde, waarin de mens gebonden ligt, te verbreken, dan die bij enig mens te vinden is. Dat leert de mens verstaan die waarlijk met zichzelf te doen krijgt. Hij, die met de verloren zoon tot zichzelf komt en ziet welk een zondaar hij voor God is, moet belijden dat hij niet in staat is zichzelf te verlossen. Ach, hoe vaak probeert hij het hart en geweten, handel en wandel rein te houden voor God. Hoe spant hij zich daarvoor in, omdat hij weet dat hij anders Gods toorn zich waardig maakt. Maar zelfs niet één dag wil het hem gelukken. Ach, hoe ellendig voelt de mens zich dan. Hij staat onder de heerschappij van de duivel, die hem niet los wil laten. Daardoor is hij Gods toorn waardig. O, wie zal zulk een ziel bevrijden?

Maar ziet! Hetgeen voor de mens onmogelijk is, dat heeft Jezus Christus tot stand gebracht. Hij is gekomen om gebondenen opening der gevangenis te prediken. Daartoe heeft Hij onze menselijke natuur aangenomen en het grote werk volbracht, dat nodig was tot vrijmaking van een doemschuldig kind van Adam. Niets minder werd daartoe geëist, dan de prijs van Zijn eigen dierbaar, onschuldig bloed. Dat was de losprijs, die naar Goddelijk recht gesteld werd, om een mensenkind vrij te maken uit de slavernij van de zonde en van de satan. Hier kan geen goud of zilver baten. Het is waar, dat met goud en zilver ontzaglijk veel verkregen kan worden. Voor de macht van het geld moet alles toch zwichten? Maar voor het loskopen van de ziel van de mens zijn al de schatten van de wereld van geen waarde. Want de verlossing van hun ziel is te kostelijk en zal in eeuwigheid ophouden!

Gods rechtvaardigheid stelde, dat zonder bloedstorting geen vergeving mogelijk was. En daarom moest de Borg en Middelaar, die voor schuldige zondaren optrad, Zijn bloed storten. Hij moest Zijn leven geven. Christus moest Zijn ziel geven tot een rantsoen voor velen. Hoe heeft Hij dat volbracht. Zie Hem in Gethsémané, waar Hij kruipt als een worm in het stof. Aanschouw Hem voor Zijn rechters, Kajafas en Pilatus. Ofschoon onschuldig, nochtans als een schuldige veroordeeld. Staar naar het kruis van Golgotha. Welk een uur was het, toe Hij Zijn heiligend bloed plengde op het altaar van het kruis.

O, Hoe duister, hoe ontzettend

Zielverscheurend, hartverpletterend

Was dat schrikverwekkend uur,

Toen het vlekloos Lam geslacht werd

En de losprijs aangebracht werd

Van de gevangen creatuur!

Maar toen het geschied was, kon Hij stervend getuigen: “Het is volbracht”. En allen die Hem van de Vader gegeven waren, waren vrijgemaakt van de heerschappij van de zonde en de dienstbaarheid van de satan. Gods recht had voldoening ontvangen. De losprijs was aanvaard. En tot een bewijs daarvan verrijst Hij op de derde dag uit het graf. En nu kan de Apostel Petrus de gelovigen toeroepen: “Wetende, dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt uit uw ijdele wandeling, die u van de vaderen overgeleverd is, maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam”.

Dat wordt in ons persoonlijk leven gekend, als wij als een gans verlorene in onszelf door het geloof deel krijgen aan het werk van de getrouwe Zaligmaker. Zijn Goddelijke genade verbreekt de banden en kluisters van de zonde. Hij grijpt ons uit het geweld van de duivel. Hij verzoent door Zijn offerande onze schuld voor God! O, welk een heerlijke weldaad, als de Zoon ons vrijmaakt. Dan zullen wij waarlijk vrij zijn! Ja, waarlijk vrij, naar lichaam en ziel beide. Niet alleen de ziel wordt vrij gemaakt van zonde en het verderf, ook ons lichaam. Christus maakt de gehele mens vrij, naar lichaam en ziel, met al zijn vermogens, om ook met lichaam en ziel zijn God te kunnen verheerlijken.

Want Christus Jezus maakt Zijn volk vrij uit de dienstbaarheid van de zonde en de duivel, opdat het Hem dienen zou. Dat zong Zacharias reeds in zijn lofzang: “Dat wij, verlost zijn uit de hand van onze vijanden, Hem dienen zouden zonder vrees, in heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen van ons leven”.  En Paulus schrijft: “Want gij zijt duur gekocht, zo verheerlijk dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn”. Geen wonder, want als de mens vrijgemaakt wordt door Christus van de zonde, dan wordt hij daardoor tevens het eigendom van Jezus Christus. Hij komt in dienst van zijn Zaligmaker. Hij wordt dan ‘uw’ Heere, voor Wie u zich heeft neer te buigen. U wordt dan eeuwig Zijn eigendom. Dat zegt ook de Catechismus met deze woorden:  “En ons alzo zich tot een eigendom maakt”. O, zeker, reeds van eeuwigheid waren de uitverkorenen van de Vader aan de Zoon toegekend. Hij kon zeggen:  “Zij waren de Uwe en Gij hebt ze Mij gegeven”. Maar toen Jezus Christus de losprijs van Zijn bloed had aangebracht, had Hij ze gekocht en waren zij Zijn wettig en eeuwig eigendom. Hij is hun Heere. Gods kinderen hebben Hem te dienen, maar zonder vrees. Want Zijn dienst is een liefdedienst. Hij heeft Zijn volk zo liefgehad, dat Hij hen gekocht heeft met de dure prijs van Zijn bloed. Hij heeft hen verlost van het verderf van de zonde en van de rampzalige heerschappij van de satan. Welnu, zullen zulke gekochten Hem niet vrijwillig willen liefhebben? Zeker, bij ogenblikken zullen zij betuigen: “Uw liefdedienst, o Heere, heeft mij nog nooit verdroten”.

Als hun Heere hebben zij de Christus Gods te dienen en te verheerlijken. Als zodanig moet Hij de hoogste plaats in ons hart bezitten, en behoren wij dagelijks Hem te vragen: “Heere, wat wilt Gij, dat wij doen zullen?” En hebben wij ook niet ootmoedig de weg te volgen die Hij ons voorstelt?

Misschien zegt u:  “Wie is ten allen tijde tot deze dingen bekwaam?” Misschien zucht u: “Ik ellendig mens. Wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods?” Vergeet dan niet, omdat u Zijn eigendom bent, dat Hij u Zijn Geest zal schenken, die u zal toebereiden tot Zijn dienst. Zodat u ook ogenblikken kent, dat u in zalige aanbidding voor de Heere neerknielt en met de psalmdichter belijdt: “Gij zijt mijn God, U zal ik loven, enz”.

Psalm 118:14

We hebben de heerlijke belijdenis van de Christelijke Kerk beluisterd, aangaande de Middelaar Gods en der mensen, Jezus Christus. Met de belijdenis, dat Hij is de eniggeboren Zoon van de Vader, die haar gekocht heeft met Zijn dierbaar bloed. En dat Hij haar Heere is. Van welk een grote betekenis is deze fundamentele waarheid. Hoe hebben we die in onze tijd trouw te belijden en te handhaven, tegen de geest van deze eeuw, die ten enenmale deze waarheid loochent. Nu zegt de Apostel Johannes, dat het geest van de Antichrist is, die de Vader en de Zoon loochent. Hoe geweldig openbaart deze geest zich met kracht. Hoeveel duizenden worden door hem niet verleid. Hoe zoekt hij de Kerk van Christus van dit fundament te stoten. Maar Gode zij dank, God heeft nog Zijn volk op aarde. Dit neemt echter de dringende noodzakelijkheid niet weg, dat wij geopende ogen moeten hebben voor de machtige aanvallen van de satan. Hij gaat erop uit, ook in onze tijd, om de zielen van de mensen van de waarheid af te trekken. Hij duldt het niet, dat Jezus Christus in Zijn Goddelijke heerlijkheid erkend wordt, om als God aangebeden te worden. Hoe groot is de afval niet in onze dagen?

Daarom mag de ernstige vraag gesteld worden, of ook wij reeds in zijn strikken verward zijn. Of ook wij met twijfel zijn vervuld en misschien onze voeten gezet hebben op het pad van onverschilligheid. Bent u reeds aan het wegzinken in het ongeloof, zodat u zich straks zult scharen bij de bestrijders van de Christus Gods? O, luistert dan nog ditmaal naar de vermanende roepstem van de Heere: “Dient de Heere met vreze en verheugt u met beving. Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne en gij op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden”. Valt Hem nederig te voet en wilt van Hem Zijn wegen leren. Onderzoekt de Schriften, want die zijn het, die van Hem getuigen. Smeekt om de Geest des Heeren, Die u in alle waarheid leiden kan. En bidt God, dat Hij u terugleidt van het hellend vlak van de verderf, naar het pad des levens! Nog is Hij een genadige Heere. Nog wil Hij onderwijzen, hen die dwalen, en brengen in het rechte spoor. Verhard u daarom niet, o zondaar in ons midden, die het hart en het oor leent aan Satan en de wereld. Bekeer u en leef, waarom zoudt gij sterven? Zal Zijn wraak niet eenmaal ontzettend zijn over allen die Hem als de Zoon van God miskend hebben? Die niet gewild hebben dat Hij Koning over hen zou zijn? Vreselijk uur, wanneer u uit Zijn mond moet horen: “Grijp ze, en sla ze voor Mijn voeten dood”. Dan zal de spotlach van de wereld voor eeuwig omgezet worden in tandengeknars. En het moedwillig verwerpen zal tot loon hebben de knagende worm, die niet sterft. Leer daarom ontvlieden het toekomende verderf, nu Jezus Christus nog Zijn genadewoord doet horen: “Die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven. Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven”. Hij kan alle banden en strikken en touwen van de zonde, de wereld en de satan verscheuren en u verlossen van een eeuwig zielsverderf. Hoort Hem, die Zoon van God, en uw ziel zal leven!

Maar, evenzeer kan ons een ander geestelijk gevaar dreigen. Wellicht zijn wij verstandelijk overtuigd van de waarheid, dat Jezus Christus de Zoon van God is. Deze belijdenis houden wij hoog en wij strijden zelfs voor deze aloude waarheid. En nochtans kan het bij ons niet in orde zijn. Een verstandelijke overtuiging van de waarheid wil nog niet zeggen, dat wij de Heere Jezus ook zaligmakend hebben leren kennen voor ons eigen hart. Ons ontbreekt dan de rechte behoefte aan een alles betalende Borg, omdat wij onszelf niet hebben leren kennen in eigen zondeschuld en ongerechtigheid. Ons ontbreekt de gestalte van een arme zondaar, die door genade gezaligd moet worden. Een ware honger en dorst naar Christus’ gerechtigheid kennen wij niet. In onszelf zijn we rijk en verrijkt en hebben aan geen ding gebrek. Wij weten niet, dat we arm, jammerlijk, blind en naakt zijn. Dan zijn we mensen die rechtzinnig in de leer heten, maar we hebben geen levensgemeenschap met Jezus Christus. Dan zal Hij eenmaal tot ons zeggen:  “Ik ken u niet”. O, geliefden, onderzoekt u nauw. Bidt de Heere om ontdekkend licht, opdat u in de eeuwigheid niet bedrogen uitkomt. Leert smeken om genade die waarlijk redt en zaligt. En leert Christus Jezus kennen als de Heere, Die u gekocht heeft met Zijn dierbaar bloed. Wie dat waarlijk door het geloof mag betuigen weet zich volkomen zalig.

Stemt u dit niet van harte toe, die zo heilbegerig bent naar die genade? Ach, u durft niet te geloven, dat Jezus Christus, Gods eniggeboren Zoon, ook uw Heere is, die u vrijgekocht heeft uit de dienstbaarheid van de zonde en de duivel? U ziet, naar uw mening, veel te veel in uw hart en leven, dat daartegen getuigt. Indien dit waarlijk zo was, zoudt u niet zoveel last hebben van uw zondig hart en van die boze gedachten. Dan zoudt u dagelijks niet zo gedurig struikelen en vallen. En bovendien zou uw geweten niet zo vaak tegen u getuigen. Maar, dit moest toch anders zijn, zo Christus u waarlijk had vrijgemaakt? Zo zucht u over uzelf en verstaat niet het volbrachte werk van Jezus Christus, Die allereerst ons door Zijn voldoening voor eeuwig vrijmaakt van schuld en straf en recht geeft op het eeuwige leven. Maar daarna door Zijn Geest ons heiligt en reinigt van de smet van de zonde die ons aankleeft.

Breng uw zorgen en ellenden, uw bekommernissen, bij Hem, ootmoedig, kinderlijk en oprecht. Weet, dat het Christus aan niets ontbreekt om te redden en te zaligen. Ook uw ziel! Want Hij is een Middelaar, die Gods eigen natuur deelachtig is. Daarom zal Zijn ondoorgrondelijke wijsheid wel weten wat u nodig hebt. Door Zijn almacht kan Hij alle dingen werken in u. En weet dit, dat de losprijs door Hem aangebracht, volkomen genoegzaam is om uw schuldige, verloren ziel vrij te maken. Want het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt u van alle zonden. Daarom, hoopt op de Heere, Die ook uw Heere wil zijn. Ook deze Losser zal niet rusten, voor Hij Zijn zaak voleindigd heeft.

Roemt alzo, kinderen Gods, in de genade die in Jezus Christus, onze Heere, aan u verheerlijkt is. Hoe onuitsprekelijk rijk bent u, Gods kinderen genaamd te worden. Hoe zalig te mogen betuigen, dat Jezus Christus uw Heere is, omdat u Zijn eigendom bent. Nee, niet alleen kunt u zeggen dat Hij uw eigendom is, maar u mag ook belijden dat u Zijn eigendom bent. Hij heeft u verkregen. Hij heeft u gekocht. Daarom alleen is uw zaligheid voor eeuwig vast en voor eeuwig zeker. O, wij zouden onze Zaligmaker nog kunnen verliezen, zo wij Hem bewaren moesten. Maar Jezus Christus verliest niet één van de Zijnen, die Zijn eigendom zijn. Niemand zal ze uit Zijn hand kunnen rukken. Houdt dit in het oog, geliefden, temidden van alle strijd en van alle moeiten van dit leven.  Hoe machtig ook de zondemacht zich nog kan doen gelden, hoe listig satans aanvallen kunnen zijn, geen nood. Jezus Christus, uw Heere, heeft u uit de macht en heerschappij van al deze vijanden gerukt. En Hij brengt u eenmaal zeker dáár, waar Hij Zelf is. Want Hij bidt: “Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt. Want Gij hebt Mij liefgehad van voor de grondlegging van de wereld”. U, die Gods kinderen genaamd moogt worden, behoort toch thuis in het huis uws Vaders?” U, die Jezus uw Heere noemt, omdat u Zijn eigendom bent, behoort toch bij de Heere? Welnu dan, de ure komt, dat u zult heengaan tot uw Vader en tot uw Heere. Daar, staande voor de troon van uw God en van het Lam, zult u instemmen met het nieuwe lied der verlosten: “Gij zijt waardig het boek te nemen en zijn zegelen te openen, want Gij zijt geslacht en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht en taal en volk en natie. En Gij hebt ons onze God gemaakt tot koningen en priesteren; en wij zullen als koningen heersen op de aarde.”

AMEN