Zondag 11 De Naam Jezus - ds. A.H. Hilbers

Zondag 11

De naam Jezus                 A.H. Hilbers

Ps 48:4

Ps 72:6

Lofzang Maria:3,4,5

Ps 68:10

Ps 73:13

Lukas 19:1-14

Geliefde Gemeente,

Het valt niet te ontkennen, dat één van de grootste levensvragen voor de mens wel deze is: “Waar kan ik de hoogste, ware voldoening en rust voor mijn hart in vinden?” Immers vindt het hart dit nooit in zichzelf. Het mist het waarachtige geluk. Het is rusteloos. En daardoor gevoelt het zich vaak zo onuitsprekelijk arm en ellendig. En wordt het met bange vragen van moedeloosheid en vertwijfeling bezet.

Hoe jaagt dit de mens op verschillende wegen om toch voldoening voor zijn hart te vinden, om vrede, rust en zaligheid in zijn binnenste te genieten. De een begeeft zich op de weg van de wereldse vermakingen. Hij brengt zijn geld, zijn tijd, ja ook vaak de gezondheid van zijn lichaam en de eer van zijn naam als offer, om in de genietingen van het vlees zijn voldoening te zoeken. Maar ach, hij wordt alleen maar teleurgesteld. De ander meent dat de schatten en rijkdommen van de wereld het waarachtige geluk in zich bevatten en hij zwoegt en slaaft, van ’s morgens vroeg tot ‘s avonds laat om bijeen te brengen wat hij kan. Hij ziet zijn goud, zij goederen, gestaag vermeerderen. Maar nooit zegt zijn hart: “Het is genoeg.” Zodat hij rusteloos voortjaagt naar de rijkdommen van de wereld. Rust en vrede kent hij niet.

Een derde legt zich toe op wetenschap en kunst, en meent dat in het kennen van alle dingen de ware schat van het hart te vinden is. Maar ach, hoe meer de mens weet en kent, hoe meer hij begint te verstaan nog niets te weten. Zodat ook dit de mens geen ware voldoening kan geven.

Een vierde zoekt het in de weg van eer, aanzien en macht. Maar toont niet de historie van alle eeuwen en van alle volken, dat ook dit alles geen bestendig geluk brengt. Waar zijn de Nebukadnezars, de Caesars, de Napoleons? Eer nog het einde van het leven bereikt was, moesten zijn soms al hun eer en roem in smaadheid zien ondergaan.

Nee geliefden, in dit alles, wat deze wereld nog biedt, ligt de hoogste schat niet, waardoor het rusteloze hart van de mens de ware vrede en het waarachtig geluk smaken kan.

Maar wellicht vraagt u dan, of er ooit wel de hoogste schat van waarachtig geluk te vinden is voor de mens. Op deze vraag kan gelukkig een volkomen bevestigend antwoord gegeven worden. Wel wordt het door duizenden betwijfeld, maar toch is het een volkomen waarheid. Hetgeen wij zelf missen en door niets ter wereld gegeven kan worden, is door God Zelf geschonken. En als de vraag dan is in welke weg of bij wie dit te verkrijgen is, dan wijzen we u op wat de apostel Paulus getuigt: “En de zaligheid is in geen ander, want er is onder de hemel geen andere Naam, die onder de mensen gegeven is, door Welke wij moeten zalig worden.” Hoort u dat? Geen andere Naam! Maar wat is dan toch die enige Naam, waardoor wij zalig kunnen worden? Die heerlijke, troostrijke Naam zullen wij thans doen horen uit het onderwijs van onze Heidelbergse Catechismus.

Mattheus 1:21.

En zij zal een Zoon baren, en gij zult Zijn Naam heten Jezus, want Hij zal Zijn volk zaligmaken van hun zonden.

 

Zondag 11

 

Vraag 29. Waarom wordt de Zone Gods Jezus, dat is, Zaligmaker, genoemd?
Antwoord: Omdat Hij ons zalig maakt en van al onze zonden verlost; daarbenevens, dat bij niemand anders enige zaligheid te zoeken of te vinden is.
Vraag 30. Geloven dan die ook aan den enigen Zaligmaker Jezus, die hun zaligheid en welvaart bij de heiligen, bij zichzelf, of ergens elders zoeken?
Antwoord: Neen zij; maar zij verloochenen met de daad den enigen Heiland en Zaligmaker Jezus, ofschoon zij met den mond in Hem roemen ; want van tweeën één; òf Jezus moet geen volkomen Zaligmaker zijn, òf die dezen Zaligmaker met waar geloof aannemen, moeten alles in Hem hebben, dat tot hun zaligheid van node is.

Met deze elfde zondagsafdeling begint een nieuw deel van de leerstof, die in onze Catechismus behandeld wordt. In dit nieuwe deel wordt gesproken over ‘God den Zoon’, zoals in het opschrift blijkt. Daarmee wordt nu het tweede hoofddeel behandeld van de twaalf artikelen. Dit deel is gewijd aan de tweede Persoon van het heilige Goddelijke Wezen en aan het werk van de verlossing, dat in het bijzonder aan de Zoon wordt toegekend. Deze heerlijke heilswaarheden worden in negen zondagen overdacht, van zondag 11 tot zondag 19. Van deze negen zondagen handelen er drie over de Persoon van de Zoon, drie over de staat van Zijn vernedering, en drie over de staat van Zijn verhoging. Zo leren wij de Middelaar Gods en der mensen kennen in Zijn namen die Hij draagt, in Zijn ambten die Hij uitoefent, in Zijn naturen, en in Zijn staten.

Met deze elfde zondag maken wij daarmee nu een begin, als hier gehandeld wordt over de eerste naam, die aan de Zoon van God als Middelaar gegeven wordt, namelijk de naam Jezus.

Overdenken wij thans de naam Jezus

Deze naam bezien wij

  1. In zijn Goddelijke oorsprong
  2. In zijn geheel enige betekenis
  3. In zijn onschatbare rijkdom
  1. In zijn Goddelijke oorsprong

Als de Zoon des Vaders bij Zijn menswording de naam Jezus ontvangt, dan geschiedt dit niet bij toeval of naar menselijke willekeur. Het was immers niet aan de wijsheid van de maagd Maria, noch aan het oordeel van Jozef, haar ondertrouwde man, overgelaten, om een naam te geven aan de geboren Middelaar. Maar gelijk de menswording zelf geheel en al naar Gods heilig raadsplan geschiedde, en door de almachtige kracht van de Heilige Geest tot stand kwam, evenzeer werd door God Zelf de naam bepaald, die de Zoon van God zou dragen.

Want toen de engel Gabriel aan Maria te Nazareth verscheen, met de boodschap dat uit haar de grote Davidszoon geboren zou worden, toen sprak hij dit woord: “En zie, gij zult bevrucht worden en een zoon baren, en ‘gij zult Zijn naam heten JEZUS’. Dit wordt later bevestigd als de engel aan Jozef in een droom verschijnt. Die hem meedeelt dat Maria, zijn ondertrouwde vrouw, door de kracht van de Heilige Geest een zoon ontvangen zal. En ook deze engel sprak: “Gij zult Zijn naam heten Jezus, want Hij zal Zijn volk zaligmaken van hun zonden.”

Aan deze Goddelijke boodschap voldoen Jozef en Maria in getrouwheid op de achtste dag, bij de besnijdenis. Als het Kind het teken van het Verbond ontvangt, wordt Hem de naam Jezus gegeven. Dit geschiedde dus op Gods bevel. Nu was deze naam onder Israël wel bekend, want Jezus is de Griekse vorm van de naam Jozua. En deze naam komt onder het oude verbond meer dan eenmaal voor. We kennen Jozua, de zoon van Nun, de opvolger van Mozes, die het volk Israël in Kanaän leidde. Had Mozes diens oorspronkelijke naam Hosea niet veranderd in Jozua, toen deze met de andere elf Israëlieten zou uittrekken om het beloofde land te verspieden? En voorwaar, niet zonder bedoeling zal Mozes de naam Hosea veranderd hebben in Jozua. Ook kennen wij Jozua, de hogepriester, de zoon van Jozadak, die naast Zerubbabel het volk Israël leiding gaf, toen het uit Babel was teruggekeerd en de tempel in Jeruzalem herbouwde. En ook, wat een aangrijpend gezicht ontvang de profeet Zacharia aangaande die Jozua. Zag hij hem niet staan voor het aangezicht van de Engel des Heeren, aangeklaagd door satan, vanwege zijn vuile klederen? Maar werd over die schuldige Jozua niet de vrijspraak van de genade gehoord uit de mond van de Heere!

Welnu, deze beide Oudtestamentische Jozua’s zijn metterdaad typen van de enige, ware Jozua, onze Heere Jezus Christus. Want Hij brengt ons door Zijn zaligend werk in het hemelse Kanaän, wat door de eerste Jozua werd afgeschaduwd.

Ook vinden wij ten tijde van het Nieuwe Testament de naam Jezus door andere personen gedragen. In Handelingen 13 lezen we van een zekere Bar-Jezus en in Colossenzen 4 noemt Paulus onder zijn medearbeiders ook een zeker Jezus, gezegd Justus. Deze ontving dus de bijnaam Justus. Dit laatste vermoedelijk omdat men voelde dat de naam Jezus niet meer als een gewone persoonsnaam paste, uit liefde en eerbied voor Hem, Die alleen ten volle deze naam waardig is. Het is waar, de Zoon van God ontving op bevel van de Heere niet een naam, die nog door niemand gedragen werd. De naam Jezus was bekend. Ook dat was een bewijs, dat de Zoon van God ons in alles gelijk geworden is, uitgenomen de zonde. Maar de volle, rijke zin en betekenis van die naam zou alleen door Hem tot vervulling komen.

Dit was ook Gods bedoeling toen Hij de Middelaar, die geboren stond te worden, de naam Jezus gaf. Want deze zou metterdaad Jezus zíjn. Als God de Heere namen geeft, dan geschiedt dit om geheel andere redenen, dan waarom wij namen geven. Voor ons is de naam niets meer dan een onderscheidingsteken, een klank zonder ware inhoud. De naam verklaart of zegt ons niets meer aangaande de persoon die hem draagt. Maar als God namen geeft, dan drukken die namen het wezen van de dingen of personen uit, die ze ontvangen. Hoe zien we dit duidelijk op de eerste bladzijde van de Bijbel, waar ons de schepping van hemel en aarde verteld wordt. We lezen daar, als God het licht geschapen heeft, dat Hij het licht dag noemde, en de duisternis noemde Hij nacht. Evenzo noemde God het uitspansel hemel en de vergadering van de wateren noemde Hij zeeën.

Ook had de mens, die naar Gods beeld geschapen was, deze heerlijke gave van het  verstand, toen hij nog stond in de staat der rechtheid. Adam gaf de dieren namen naar hun aard. En als de Heere God hem een vrouw gegeven heeft, dan zegt hij: “Deze is ditmaal been van mijn benen en vlees van mijn vlees. Men zal haar Maninne heten, omdat zij uit de man genomen is (Gen. 2:23).” De naam Maninne drukt het wezen van de vrouw uit naar haar schepping en laat gevoelen in welk een verhouding zij tot haar man gesteld is.

Maar sinds het verstand van de mens door de zonde verduisterd is, kunnen wij geen namen meer geven die uitdrukken en te kennen geven, wat het wezen van de dingen is. Wel kunnen wij de verschijnselen waarnemen, maar het wezen ontgaat ons. Daarom geven wij de dingen of personen namen, die ons van hun innerlijke wezen niets zeggen. Ja, zo kunnen wij aan mensen zelfs schone namen geven, terwijl ze straks juist het tegenovergestelde openbaren. Zo noemt David zijn zoon Absalom, wat ‘vader des vredes’ betekent. Maar helaas, hij toont in zijn leven geen vader des vredes te zijn, maar wel een zoon van opstand en strijd, die zijn vader nameloze ellende bezorgt.

Salomo noemt zijn zoon, die hem als koning van Israël zal opvolgen, Rehabeam. Dat betekent rijksvermeerderaar! Maar toen deze aan de regering kwam, scheurden zich de tien stammen van het huis van David af. Hij beantwoordde dus niet aan zijn naam. Aldus is het, zo wij mensen namen geven.

Maar als God namen geeft, dan drukken die ten volle uit wat het wezen is. Zodat de personen die ze dragen beantwoorden aan hun namen. Abraham was een Abraham, dat wil zeggen vader der menigte. En Jakob was een Israël, want hij was een strijder Gods. Welnu, alzo ontvangt de Middelaar van Godswege de naam Jezus, omdat Hij waarlijk, volkomen Jezus is. Want naar de zin en de betekenis van die heerlijke naam Jezus hebben wij niet ver te zoeken. De engel des Heeren verklaart deze naam toch als hij zegt: “Want Hij zal Zijn volk zaligmaken van hunne zonden”. Is dit niet een schone omschrijving van de betekenis van de naam Jezus, of Jozua, omdat deze van  het grondwoord afgeleid is, dat redden, verlossen, bevrijden betekent? Ja toch, de ware verlossing en bevrijding van een verloren, rampzalig Adamskind, werkt zaligheid. Want hij wordt uit de diepste ellende verlost en gebracht tot de hoogste vreugde en heerlijkheid.

En dat doet Jezus alleen! Hij verlost, Hij redt, Hij maakt zalig. Volkomen zalig. Voor eeuwig zalig. Hij is Jezus, dat is Zaligmaker, daarom draagt Hij deze heerlijke naam. Hem van God gegeven. O, zeker, van ouds waren Hem reeds zeer heerlijke namen toegekend. Profeteert de stervende Jakob niet van de Silo, die komen zou? Sprak Job, de lijder van de oudheid, niet van zijn Goël, die leefde? Noemde Jesaja Hem niet Immanuel, God met ons? Maar de schoonheid van al deze namen is samengevat in die éne naam, die God aan de Middelaar gaf, de naam Jezus.

Terstond moeten wij hieraan toevoegen, dat Hij in drieërlei opzicht in staat is aan die naam te beantwoorden. Ten eerste moet erkend worden dat de Zoon van God alleen het recht heeft om verloren zondaren zalig te maken. Dat recht is Hem toegewezen in de raad des vredes, die tussen de drie Goddelijke Personen gehouden werd in de stilte van de eeuwigheid. Daar gaf Hij Zich als Borg voor de uitverkorenen en werd als zodanig door de Vader aangesteld.

Vervolgens bezit Hij alleen de macht om zalig te maken, hetgeen verloren is. Hij is toch God, geopenbaard in het vlees, zodat Hij betuigen kan macht te hebben om de werken des duivels te verbreken.

En ten derde heeft Hij betoond de volmaakte liefde te bezitten om ellendigen te zaligen. O, wie zal de liefde van de Zoon kunnen schatten, om Zijn volk zalig te maken? Niemand kan toch meerder liefde bewijzen, dat dat hij zijn leven voor zijn naaste geeft? Welnu, de Heere Jezus gaf geheel vrijwillig en volkomen Zijn leven tot in de dood des kruises, opdat Hij Zijn volk zou zaligmaken.

Zo kan Hij dus volkomen zaligmaken en Zijn naam Jezus ten volle vervullen. En nu moet dit tenslotte nog opgemerkt worden, dat deze van God geschonken naam, door de Middelaar nimmer is verwisseld met een ander, of ook is afgelegd. Deze heerlijke naam Jezus ontvangt Hij bij Zijn menswording, en Hij draagt Hem de ganse tijd van Zijn leven op aarde. Maar ook nu Hij is ingegaan in de heerlijkheid des Vaders, is Hij Jezus. En dat zal Hij zijn tot in eeuwigheid.

Als kind Jezus wordt Hij gekend in de ouderlijke woning van Jozef en Maria. Als Jezus van Nazareth wandelt Hij te midden van Zijn volk. En de zieken en ellendigen roepen tot Hem: “Jezus, Gij zone Davids, ontferm U onzer. Als de bende van de overpriesters in de nacht in de hof van Gethsémané nadert om Hem gevangen te nemen, dan vraagt Hij: “Wien zoekt gij?” En het antwoord luidt: “Jezus, de Nazarener”. Waar Hij dan op antwoordt: “Ik ben het.” Als de vijanden Hem hangen aan het kruis, dan is Zijn naam Jezus, want er komt een opschrift aan het kruis, waarop geschreven staat: “Jezus de Nazarener, de Koning der Joden.”

In alle diepten van het lijden en de dood is en blijft Zijn naam Jezus. Maar evenzeer als Hij in heerlijkheid wordt gesteld. Want als Hij het graf verlaten heeft, dan spreken Zijn engelen van Jezus, die is opgestaan. En wanneer Hij opgevaren is ten hemel, dan verkondigen deze engelen, dat “deze Jezus die opgevaren is, zal ook alzo wederkomen.” En als Hij straks de woedende Saulus van Tarsen tot stilstand brengt op de weg naar Damascus, dan antwoord Hij op de vraag wie Hij is: “Ik ben Jezus, dien gij vervolgt.” Die naam hoort ook ten laatste Johannes op Patmos uit Zijn mond, als Hij tot Hem zegt: “Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om ulieden deze dingen te getuigen in de gemeenten.” Zo zal Hij tot in der eeuwen eeuwigheid de Naam van Jezus dragen, omdat Hij Zaligmaker is en blijft. Hoe zou het ook anders kunnen? Was Hem door enig mensenkind die naam gegeven, dan was vergissing mogelijk geweest. Maar nu de Heilige God, Die alle dingen naar hun wezen kent en doorgrondt, Hem deze naam geschonken heeft, nu zal de Middelaar volkomen aan die naam beantwoorden.

Wat past het ons dan deze Jezus volkomen als de Zaligmaker ootmoedig te erkennen! Wat kan ons anders redden, dan gelovig in Hem onze behoudenis en zaligheid te zoeken? O, wee die mens, die zich nog gerechtigd waant deze Jezus met zijn zondig verdorven verstand te beoordelen, of Hij wel waarlijk de Zaligmaker is. Zoudt u straffeloos Gods eigen werk kunnen bedillen? Weet dit, dat het miskennen van deze enige naam, die onder de mensen gegeven is tot zaligheid, geen ander vrucht voor de mens kan hebben, dan een eeuwige rampzaligheid.

Maar welgelukzalig zijn zij, die op deze naam leren vertrouwen. Zij zullen niet beschaamd worden.

Dit zullen wij nader overdenken, als wij ten tweeden deze naam Jezus bezien in zijn geheel enige betekenis.

  1. In zijn geheel enige betekenis

Op de vraag waarom de Zone Gods Jezus genaamd wordt, was het antwoord: “Omdat Hij ons zalig maakt en van al onze zonden verlost, daar benevens, dat bij niemand anders enige zaligheid te zoeken of te vinden is.”

In dit antwoord wordt niet alleen te kennen gegeven dat de Heere Jezus de Zaligmaker van zondaren is, maar zo beslist mogelijk wordt tevens uitgesproken, dat buiten Hem, bij niemand anders, in geen enkel opzicht, enige zaligheid te vinden is.

Bij Jezus alleen alle zaligheid. Bij niemand anders.

Het is dus tevergeefs, zo wij het soms bij enig schepsel, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde, zoeken zouden. Al is het ook Gabriël, die voor God staat, hij mag dan de eerste aankondiger zijn, van de komst van de Zaligmaker in het vlees, aan de maagd Maria. Zelf kan hij niet de minste zaligheid uitdelen. Evenmin is de krachtige held des Heeren, Michaël, die de strijd met satan aandurft, in staat ook maar één ziel te verlossen of ten gunste van de mens bij God iets tot stand te brengen. En wat zullen dan mensenkinderen vermogen, al verkeren zij ook eeuwig bij God in de hemel, daar zij zelf uit genade, door het geloof in Jezus Christus zijn gezaligd geworden? Bovendien, wat weten zij van ons? Nergens leert Gods Woord ook maar enigszins dat ons biddend geroep tot hen zou kunnen doordringen. Juist het tegenovergestelde wordt ons voorgesteld. Hij Jesaja lezen we toch, hoe het biddende Sion Gods belijdt, dat Abraham van ons niet weet en Israël ons niet kent, maar God alleen onze Vader is!

En wat zullen wij ten gunste bij Gods kinderen op aarde nog zoeken? Of bij enig mensenkind? Leert ons de dichter van Psalm 49 niet het volgende:

Hij kan dien prijs der zielen, dat rantsoen.

Aan God in tijd nog eeuwigheid voldoen?

Evenmin kunnen de offeranden van stieren en bokken ons met God verzoenen. Stromen van bloed zijn bij Sions altaren vergoten, maar nimmer heeft het ooit de zonde kunnen wegnemen en de weg tot God kunnen ontsluiten. Het heilige der heiligen bleef steeds door het voorhangsel gesloten. Want:

Brandofferen, noch offer voor de schuld,
Voldeden aan Uw eis, noch eer.
Toen zeid' ik: "Zie, ik kom, o HEER;
De rol des boeks is met Mijn naam vervuld.
Mijn ziel, U opgedragen,
Wil U alleen behagen;
Mijn liefd' en ijver brandt:
Ik draag Uw heil'ge wet,
Die Gij den sterv'ling zet,
In 't binnenst' ingewand."

Dat kan dus Jezus alleen.

Daarom is Hij de volstrekt enige Zaligmaker. Dat is ook Zijn eigen getuigenis. “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot den Vader dan door Mij.” Jezus is daarom alleen de weg, door welke wij tot de Vader kunnen komen. Als wij Jezus dan ook als de enige Zaligmaker miskennen, dan zal er voor ons geen slachtoffer meer over blijven.

Deze waarheid wordt hier op zijn duidelijkst naar voren gebracht in verband met de dwalingen die in de Roomse kerk heersen. Daarom wordt ook vervolgens de vraag gesteld: “Geloven dan die ook aan den enige Zaligmaker Jezus, die hun zaligheid en welvaart bij de heiligen, bij zichzelf of ergens anders zoeken?”

De Roomse kerk leert toch, dat zaligheid en welvaart zowel voor het geestelijke als voor het tijdelijke leven, gezocht kunnen worden bij de heiligen. Onder de heiligen verstaan zij de gestorven gelovigen, die door de kerk bij monde van de paus heilig zijn verklaard. Heilig, vanwege hun voortreffelijke werken, die zij in hun leven ten dienste van de kerk en ter eer van God hebben verricht. Als eerste heilige neemt de moeder van de Heere, Maria, een ereplaats in. En vervolgens de apostelen en daarna kerkvaders en anderen, die hun leven bijzonder hebben gewijd aan de dienst van de kerk. De Roomse gelooft dat deze heiligen door hun voorbede bij God hem tot nut kunnen zijn. Daarom roept hij hun hulp in. Dagelijks bidt hij zijn gebeden, inzonderheid tot moeder Maria, opdat zij haar voorspraak tot God zal richten.

Dit leert Gods Woord ons echt niet. Niet alleen noemt de Schrift de gelovigen in een geheel andere zin heiligen, maar zij verbiedt ook de aanroeping en aanbidding van mensen, ja, van engelen. Toen de hoofdman Cornelis in Caesarea aan de voeten van Petrus neerviel om hem te aanbidden, zei hij: “Sta op, ik ben ook zelf een mens.” Als het volk in Lystre aan Paulus en Barnabas wil offeren, springen zij onder de schare en roepen:  “Wij zijn ook mensen van gelijke bewegingen als gij.” En toen de apostel Johannes op het eiland Patmos voor de engel nederviel om hem te aanbidden, zei de engel:  “Zie dat gij dat niet doet, want ik ben uw mededienstknecht, aanbid God.”

Maar ook hebben wij generlei zaligheid bij onszelf te zoeken. Wel zegt de Roomse kerk dat goede werken als het vasten, aalmoezen geven, bedevaarten doen en zelfkastijding, alles volgens voorschriften van de kerk, ons ten nutte kunnen komen tot zaligheid. Maar hoe duidelijk lezen wij in de brief aan de Romeinen, dat de mens niet door de werken der wet, maar alleen door het geloof in Jezus Christus gerechtvaardigd wordt. Ook is het zoeken van zaligheid ‘ergens elders’ ten enenmale nutteloos. Al brengt men ook sommen gelds ten offer voor zielenmissen, die de priester voor u moet opdragen aan God, of voor pauselijke aflaatbrieven, dat alles zal een ziel niet kunnen bevrijden van ene zonde, of voor u een weldaad kunnen veroorzaken. Alleen het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden. Jezus alleen is de Zaligmaker. Zo wij dus bij iemand of iets anders onze zaligheid zoeken, dan verloochenen wij metterdaad de enige Heiland en Zaligmaker, ofschoon wij Hem met de mond roemen. De mens verijdelt dan het kruis van Christus, en doet dan de genade van God, die daar is in Christus Jezus, teniet. Al is het, dat hij Hem met de mond roemt. Doet dat de roomse niet? Hij maakt zelfs kniebuigingen voor het beeld van Jezus en zegt Hem te eren, als de van God geschonken Zaligmaker. Maar ook hier kan het woord van de Heere gelden: “Niet een iegelijk die zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet de wil Mijns Vaders, die in de hemelen is! En dit is de wil des Vaders, dat wij alleen geloven en vertrouwen zullen in Hem, die Hij gezonden heeft.” Daarom zegt onze Catechismus ook zo scherp, maar zeer juist: “Want van tweeën één: òf Jezus moet geen volkomen Zaligmaker zijn, òf die deze Zaligmaker met waar geloof aannemen moeten alles in Hem hebben dat tot hun zaligheid van node is.”

Jezus geen volkomen Zaligmaker? Dat durft de roomse niet te zeggen. Welnu, als Hij dan de volkomen Zaligmaker is, dan moeten ook allen, die Hem als Zaligmaker door een waar geloof aannemen, alles in Hem hebben en vinden, wat tot hun zaligheid van node is. Niets of alles. Een derde mogelijkheid is er niet. Is Hij alles, dan moet de zaligheid ook bij niemand anders dan bij Hem gezocht worden. En uit Zijn volheid zullen wij ontvangen genade voor genade.

Maar nu vergissen wij ons, als wij menen dat alleen de roomsen metterdaad de Heere Jezus als de enige Zaligmaker verloochen. Van hoevelen, die menen vurig protestants te zijn, moet niet hetzelfde betuigd worden? Ja, wat meer zegt, al belijden wij ook de zuivere gereformeerde leer, dan kunnen wij in de praktijk van ons leven nog vaak schuldig staan aan de verloochening van Jezus als de enige en algenoegzame Zaligmaker. Wat moeten we niet denken van de leer van de predikers die zeggen de moderne theologie van de 20ste eeuw te zijn toegedaan? Gewis, met hun mond roemen zij hemelhoog Jezus van Nazareth. Zij noemen Hem goddelijke meester, ideaal van de mensheid, de hoogste zedenleraar, het volmaakte voorbeeld ter navolging, en wat al niet meer. Maar diezelfde moderne predikers durven zelfs het historisch bestaan van de Heere Jezus te loochenen, zij ontkennen ten enenmale Zijn Godheid, zij belasteren Zijn Middelaarswerk, Zijn heerlijkheid, zodat zij Zijn kruisdood tot verzoening van de zonden verachten. Zij honen Zijn zaligmakend vermogen om zondaren voor eeuwig te redden. Hun roemtaal over Jezus is lastertaal, die den mens tot eeuwig verderf zal strekken. Wat doen zulke protestantse leraren anders, dan metterdaad Jezus, als de enige van God geschonken Zaligmaker loochenen?

Doch dezen niet alleen verloochenen Jezus. Als verkondigd wordt dat Jezus wel de zaligheid voor zondaren verworven heeft, maar ieder mens zichzelf de zaligheid heeft toe te eigenen door in Hem gewillig te geloven? Leidt zo’n Remonstrantse voorstelling niet evenzeer tot een verloochening, dat Jezus alleen de algenoegzame Zaligmaker is? Dan toch heeft Jezus wel de zaligheid verworven, maar de mens kan die zichzelf toe-eigenen en toepassen. De mens dankt dan de zaligheid ten dele aan zichzelf, en niet aan Jezus alleen. Maar, ofschoon zo’n evangelie in verschillende kringen gehoord wordt, het is niet naar het Woord van God. De Heere Jezus heeft niet alleen de zaligheid verworven, maar moet die ook zelf door Zijn Heilige Geest toepassen aan de mens. Sprak Hij niet eenmaal dit veelzeggende woord: “Ik geef Mijn schapen het eeuwige leven en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken?”

Nee, niet bij zichzelf heeft de mens enige zaligheid te zoeken, noch bij iemand anders, dan bij Jezus alleen.

Maar, geliefden, zo wij ons eigen hart en leven eens nauwkeurig onderzoeken, komen wij dan soms niet tot het resultaat, dat wij, zelfs na ontvangen genade ons daaraan nog zo vaak schuldig maken? Ach, deze zondige dwaling zit zo diep in het menselijke hart geworteld. De één hoopt op de zaligheid omdat hij toch zo’n ijverige en vurige bidder is. De ander bouwt zijn zaligheid mede op zijn onbesproken, ingetogen levenswandel. En weer een ander beoefent de dienende liefde, met de gedachte God daardoor aangenaam te zijn. Zo zoekt en grijpt de mens bij zichzelf naar gronden, waarop God hem genadig zal kunnen zijn. En ach, hij beseft niet, dat hij daarmee de enige algenoegzame grond, die in Jezus alleen gelegen is, miskent en loochent. Ja, wat meer zegt, zijn wij niet geneigd van krachtdadige bekeringen, van aangename zielsontroeringen, en van bijzondere bevindingen de gronden van onze zaligheid te maken? Ook dan zoekt en grijpt de mens naar gronden ‘bij zichzelf’, waarop hij de hoop van zijn zaligheid bouwt. Want hoe nodig en nuttig ook al deze dingen zijn, toch moet hij leren verstaan, dat de enige grond tot onze behoudenis alleen gelegen is in Hem, wiens naam is Jezus.

Maar ook, hoe kan de mens zijn zaligheid nog zoeken bij anderen. De één grijpt naar het boek van zijn geliefde schrijver, hetzij uit de voorgaande tijden of uit deze tijd. Maar hij acht dat boek zó  hoog, dat Gods Woord met Christus praktisch ter zijde wordt gelegd, en hij leeft bij de uitspraken van zijn geliefde schrijver. Een ander bindt zijn ziel zo aan deze of gene prediker, dat hij deze heimelijk afgodisch vereert, alsof deze prediker hem de zaligheid zou kunnen schenken.

Hoe moet God Geest in Zijn ontdekkend werk ons met dit alles bekend maken. Nee, niet alleen moet Hij zijn heilig licht doen opgaan over onze zwarte daden van zonde en ongerechtigheid. Maar evenzeer moet Hij ons doen kennen, dat al onze eigen gerechtigheden slechts als een wegwerpelijk kleed zijn, en dat wij met al onze zelfgezochte gronden ter zaligheid voor eeuwig zullen omkomen. Dan worden wij in onszelf schuldige, arme, verloren zondaren, die bevend moeten smeken: “Is er voor ons, ellendigen, nog behoudenis? Is er nog redding?”

En, o heerlijke weldaad, aan zodanigen kan en mag verkondigd worden, dat juist in zulke ontledigde harten Jezus Christus Zich verheerlijken wil, als de enige en volkomen Zaligmaker, door Wie wij voor eeuwig behouden worden. En zo dit in waarheid aan ons vervuld wordt, dan leren wij ook van harte zingen:

Geloofd zij God met diepst ontzag!
Hij overlaadt ons, dag aan dag,
Met Zijne gunstbewijzen.
Die God is onze zaligheid;
Wie zou die hoogste Majesteit
Dan niet met eerbied prijzen?
Die God is ons een God van heil;
Hij schenkt, uit goedheid, zonder peil,
Ons 't eeuwig, zalig leven;
Hij kan, èn wil, èn zal in nood,
Zelfs bij het naad'ren van den dood,
Volkomen uitkomst geven.

  1. In zijn onschatbare rijkdom

Nu hebben wij in de derde plaats de naam Jezus te bezien in Zijn onschatbare rijkdom.

In de Catechismus wordt duidelijk op deze rijkdom gewezen. Eerst lezen wij dat Gods Zoon Jezus genoemd wordt, omdat Hij ons zalig maakt en van al onze zonden verlost. En aan het einde lezen we, dat zij, die deze Zaligmaker met een waar geloof aannemen, alles in Hem moeten hebben, dat tot hun zaligheid van node is. Dus Jezus verlost van al onze zonden, en in Jezus is alles wat nodig is tot zaligheid. Hoort u, hoe rijk, hoe ruim, hoe zalig dit voor verloren zondaren reeds klinkt? De Heere Jezus verlost van álle zonden. Niet slechts van vele of grote, maar van álle! Uw erfzonde, uw dadelijke zonden, uw zonden van nalatigheid, uw verborgen zonden, uw zonden van uw openbaar leven. In één woord, al uw zonden van uw hele menselijk bestaan, kan en wil Jezus wegnemen. Hij verlost Zijn volk volkomen van alle ongerechtigheid. Kunt u zich een ruimere verlossing voorstellen? Maar omdat de Heere Jezus ons volkomen van alle zonden verlossen kan, daarom kan Hij ons tevens alles geven, wat tot onze zaligheid van node is. Hij alleen kan ons in de enige, hoogste zaligheid voor eeuwig stellen. Hij voert ons op uit de diepten van onze zondeschuld en brengt ons tot de hoge heerlijkheid van de eeuwige zaligheid. Zullen wij tot zaligheid komen, dan moeten wij voor alles van onze zonde verlost worden. Want de zonde heeft ons immers rampzalig gemaakt? Door de zonde leeft de mens gescheiden van zijn God en derft Gods heerlijkheid. Hij is verloren voor de hemel der zaligheid, hij verkeert op de aarde, die om zijn zonden vervloekt is. Hij is aan veel smarten en ziekten onderworpen, en reist door het sombere leven heen naar de plaats van de rampzaligheid, waar hij de altijd durende gloed van Gods rechtvaardige toorn moet dragen. Naast satan is er geen ongelukkiger schepsel dan de mens.

Maar het meeste droevige van de ellendestaat van de mens is, dat hij zijn eigen ellende niet beseft en blindelings voortleeft, zodat hij pas zijn ogen opslaat, als hij in de hel is. O, vreselijke ellende! En dat rechtvaardig. Want wij hebben tegen de heilige God op ’t hoogst misdaan. Het zijn onze misdaden, die ons henen wegvoeren als een wind. Maar zal nu de Heere Jezus zulke verlorenen zaligmaken, dan moet Hij hen eerst van al hun zonden bevrijden. En dat grote werk van zaligmaken heeft Hij volkomen volbracht. Wat kostte dit ontzaglijk veel. Daartoe is Hij neergedaald van de troon des Vaders en is ingegaan in de benedenste delen van de aarde. Hij werd een arm, hulpbehoevend kind, liggend in de kribbe. Als Hij straks Zich openbaart in het midden van Israël, en goeddoende het land doortrekt, wordt Hij gehaat en veracht. Als de grootste van de misdadigers wordt Hij gegrepen, beschimpt, gegeseld, ter dood veroordeeld en aan het vloekhout genageld. Daar was Hij verlaten, niet slechts van mensen, maar ook van Zijn Vader, Wiens gunst Hij derven en Wiens toorn Hij dragen moest. Want om onze overtredingen werd Hij verwond. De straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem. En de heilige God deed al onze wegen van zonde en ongerechtigheid op Hem aanlopen.

Wie zal de diepte van het lijden ooit peilen kunnen, die Hij aan het kruis moest doorworstelen. Wat zegt het ons ontzaglijk veel, als wij uit Zijn mond de klacht horen: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten!”

Doch met dit ganse lijden en sterven moest Hij voldoening schenken aan Gods gerechtigheid en de schuld betalen, die Zijn volk met zijn overtredingen gemaakt had.

Maar, o zalige weldaad!

Onze Heere Jezus heeft volkomen voldoening geschonken. Jubelend mocht Hij uitroepen: “Het is volbracht.” En al gaat Hij ook de dood in, al wordt Hij neergelegd in het kille graf, geen nood, de Vader bewijst op de derde dag, dat deze Jezus genoegdoening geschonken heeft aan het goddelijk recht tot zaliging van zondaren. Want in heerlijkheid wordt Hij uit de dood opgewekt, zodat Hij als overwinnaar van Satan, zonde en dood, glorierijk tevoorschijn treedt. Deze opgewekte en tevens opgestane Jezus is het zichtbare bewijs, dat de Vader door Zijn werk volkomen voldaan is.

Maar, geliefden, nog zou deze dure prijs van Zijn bloed van weinig waarde geweest zijn, indien Jezus Christus niet Zelf in staat was geweest om de verworven zaligheid met eigen hand uit de delen. Want niemand van de mensenkinderen vraagt van nature naar dat heil en niemand zal door eigen kracht het zichzelf toe-eigenen. De mens kan het niet, en hij wil het niet. Maar Jezus Christus moet het verworven heil Zelf, met Zijn hand uitdelen. Daartoe is Hij opgevaren ten hemel en is gezeten aan de rechterhand van God, om de gaven die Hij genomen heeft, aan wederhorigen uit te delen. Door Zijn Woord en Geest roept Hij de gekenden des Vaders uit de duisternis van de zonde en brengt ze over tot Zijn wonderbaar en heerlijk licht. Hij wederbaart ze. Hij vernieuwt ze. Zij leren zichzelf kennen in hun verloren staat. Zij leren zoeken, vragen, smeken om redding en behoudenis. En Hij werkt dit geloof in hun harten, dat zij Hem als hun enige en volkomen Zaligmaker leren belijden. Ja dan, als hun ziel overtuigd mag worden door de Heilige Geest, dat zij om de aangebrachte gerechtigheid van Jezus Christus gerechtvaardigd zijn van hun zonden, dan smaakt hun ziel een volkomen zaligheid, want zij hebben dan vrede met God. En de hoop der genade doet hen betuigen, dat zij eens niet alleen naar de ziel, maar ook naar het lichaam, in eeuwige volkomen zaligheid gesteld zullen worden, door Jezus Christus hun Zaligmaker. Is het dan wonder, dat de onvergankelijke liefde van het nieuwe leven doet uitroepen: “Wij hebben Hem, die getrouwe Zaligmaker lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad?” Ja, met de bruid uit het Hooglied zeggen ze: “Mijn Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tienduizend. En al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk Eén is mijn Liefste, ja zulk Eén is Mijn vriend, gij dochters van Jeruzalem.” Hoe dierbaar is ons dan de naam van Jezus.

Wat een onuitsprekelijke weldaad is het, geliefden, dat deze Naam onder de hemel gegeven is tot zaligheid. En hoe hoog zijn wij bevoorrecht, dat wij Hem mogen kennen. Van onze prille jeugd al aan is die Naam ons bekend gemaakt. Misschien is reeds op moeders schoot ons verteld van Jezus, Die een trouwe kindervriend is. Op de schoolbanken werden wij dagelijks in Zijn Woord onderwezen. En van zondag tot zondag hoorden wij Zijn heerlijk Evangelie van zaligheid in Gods bedehuis. Hoe bekend zijn we dan toch met die enige, heerlijke naam van Jezus. En wat zijn wij toch oneindig rijker beweldadigd, dan miljoenen van heidenen, die nog nooit de liefelijke naam van Jezus gehoord hebben, en die dus niet weten dat er een Zaligmaker is, die ons waarlijk met God verzoenen kan. Hebt u, geliefden, dit ontzaglijke onderscheid wel eens gezien? U bent geboren en leeft onder een volk, waar reeds eeuwenlang de blijde boodschap gehoord is, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken, terwijl zoveel andere volken eeuw na eeuw in de duisternis van de onwetendheid wegsterven.

Had daar, geliefden, ook uw plaats niet kunnen zijn?

En bij al deze volken is geen zaligheid te verkrijgen, want buiten Jezus is er niemand, die ons met de enige, waarachtige God in gemeenschap van zaligheid kan stellen. Jezus heeft Zelf gezegd: “Niemand komt tot de Vader dan door Mij!”

Maar, hebt u nu ook deze weldaad op de juiste waarde leren stellen? Of veracht gij deze grote zaligheid, door buiten Hem al uw heil te zoeken? Zoekt u nog uw bevrediging in de dingen die vergaan? Spreekt u nog steeds in uw binnenste, dat u geen lust hebt in de dienst van die enige Zaligmaker? En wordt u nog steeds bekoord door de zinnendienst van de wereld? En zult u zich straks geheel afkeren van Jezus en Zijn dienst, gelijk zovelen in onze dagen doen?  

O, hoe vreselijk zal eens uw oordeel zijn, als u in het gericht van God gesteld zal worden. U hebt de roepstem gehoord, u bent ten volle bekend gemaakt met die naam Jezus. U kunt nooit zeggen dat u de weg niet hebt geweten, en dat de naam Jezus u niet bekend was. Maar met sprekende daden hebt u dan getoond, dat u in uw zondige vijandschap die heilige Naam verworpen hebt. Zal dan ook Gods Woord aan u vervuld moeten worden, dat zij, die de weg geweten en niet bewandeld hebben, met vele slagen geslagen worden?

Bekeer u, o zondaar, en leef! Nog verkeert u in de dag der genade, waarin u de enige Naam verkondigd wordt. O, verlaat de paden van de zonde, sta op uit uw zorgeloosheid en ontwaak, voor u zult ontwaken in een eeuwige rampzaligheid. Daar wordt de liefelijke naam van Jezus tot zaligheid niet meer gehoord. Weet, dat geen zonden teveel, te groot of te zwart kunnen zijn.

Nee, “Al had u ook al de zonden van Adams nakroost samengebonden, Zijn bloed wist alle zonden uit.”

Hebt u dit reeds leren verstaan, geliefden, die bij ogenblikken verontrust bent over uw zielenheil? Ach, wat kan een gedachte aan de naderende dood u opeens verschrikken. Wat kan de tijding, dat de Rechter komende is op de wolken, u beangstigen. Wat kunnen zonden u benauwen. Heimelijk vreest u, niet waar, dat u verloren zult zijn zo God u in deze toestand wegnam. En wat doet u nu om uw verontrust, bekommerd gemoed, tot vrede te brengen? Ja, waar zoekt u uw vrede in?

Laat u soms wat slechte gewoonten na? Wacht u er zich voor om zo min mogelijk van Gods geboden af te wijken? En doet u goed aan alle mensen? En moet dit alles nu dienen om u hoop te geven, dat u eens zalig zult worden? Och, arme, die uzelf zoekt te zaligen, door vroomheid en deugd. Daarvan zult u nog moeten leren, dat uw deksel te smal en uw bed te korte zal zijn. Nee, dat is de weg des levens niet. Niet door uzelf kun u behouden worden. Maar hoort des Heeren Woord: “Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven, maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.”

Leer God bidden om dit recht te verstaan, opdat u, als verloren in uzelf, uw zaligheid geheel en al leert zoeken in Jezus, en Jezus alleen. En zalig is de mens, die ‘t mag gebeuren, dat in de diepten van zijn ellende, Gods Geest de wondere kracht van redding, die in Jezus naam gelegen is, komt verheerlijken. Als dan de ziel in verlegenheid vraagt: “Is er nog zaligheid voor mij, zondaar?” Dat dan de Geest van God het is, Die aan de poorten van uw ziel troostvol spreekt: “Zie het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegdraagt.” Dan wordt u geleid tot Hem, die spreken kan: “Ik delg uw overtredingen uit als een nevel, en uw zonden als een wolk; keer weder tot Mij, want Ik heb u verlost.”

U dan, die gelooft, is Hij dierbaar.

Jezus alleen maakt volkomen zalig.

Ja, Amen, zegt uw ziel, kind van God.

Jezus alleen!

In Hem vindt u uw ganse heil voor tijd een eeuwigheid. Reeds in dit leven schenkt Hij u zaligheden, maar Hij zal niet rusten, vóór Hij u voor eeuwig en altoos naar lichaam en ziel volkomen heeft zalig gemaakt!

Daarom, hoopt op dit heil, gij vromen.

AMEN