Zondag 9 - Het geloof in God den Vader - ds J. Jongeleen

 

Ps 103:7

Ps 74:16,20

Ps 33:3,4

Ps 95:3

Ps 117

Psalm 33

Geliefde Gemeente,

Het is al een zeer oude vraag, de vraag naar de oorsprong van alle dingen, En toch is het een vraag, die tot vandaag toe zeer belangrijk genoemd kan worden. Waar komt deze wereld vandaan? En waar komen ikzelf en andere mensen vandaan? Ja, over dit probleem hebben mensengeslachten getobd en gedacht.

Laten wij nu niet zo dwaas zijn, en zeggen dat wij met zulke vragen niets te maken hebben, want wij hebben daarmee wel terdege te maken. En het antwoord op deze vragen is van de allergrootste betekenis, met het oog op zoveel andere vragen die bij ons naar boven komen.

Hoe zit dat nu, kan op dit terrein het verstand van de mens de doorslag geven? Nee, dit heeft de geschiedenis treffend bewezen. Wat een wereldverklaringen zijn er in de loop van de eeuwen al naar voren gebracht. En uit al deze verklaringen, hoe vreemd en wonderlijk dit ons ook mag schijnen, spreekt een zware worsteling, een pogen om een afdoend antwoord op deze zo belangrijke vraag te geven. En het resultaat? Is het afdoend geweest? Nee, al die wereldverklaringen hebben ons ten hoogste opgeleverd hoe de geboorte van het heelal heeft kúnnen gebeuren, maar hoe dit in werkelijkheid gebeurd is, is nog nooit buiten het geloof verklaard. Het zou zo kunnen, maar het zou ook kunnen dat het heel anders was, ziet, zo ver heeft men het alleen met het verstand gebracht.

En welk respect wij ook kunnen hebben voor al die denkarbeid, toch moeten we vaststellen dat het resultaat erg pover is. Nee, niet het verstand in de eerste plaats beslist hier, maar wel het hart. Er is één stem waar we naar moeten luisteren, en dat is de stem van het hart. Iemand (dr. Bavinck) heeft eens geschreven: “Wij mensen zijn als een kind dat te vondeling gelegd is, en dat later verstandelijk nooit met zekerheid kan zeggen waar het vandaan komt, tenzij de trek van het hart de afstamming aanduidt.”

Het is dan ook geen wonder dat het Christelijk geloof wat anders op de voorgrond stelt en wel: “Ik geloof in God, den Vader, Schepper des hemels en der aarde.”

Wat is dat nu, een wetenschappelijke conclusie? Een onderbouwd betoog? Nee, dit is een getuigenis, een getuigenis van het hart. Het is dan ook de Heere alleen, Hij, Die de Schepper van alles is, Die ons kan zeggen en ons ook gezegd heeft, hoe alles is geschied. En waarin? In Zijn getuigenis, in Zijn Woord, in Zijn openbaring. En dat Woord heeft de mens eerbiedig en dankbaar te geloven. In dat Woord lezen wij: “Door het geloof verstaan wij dat de wereld door het Woord Gods is toebereid, alzo dat de dingen die men ziet niet geworden zijn uit dingen die gezien worden.” God is de Schepper en tevens de Onderhouder. En deze schepping is een daad van God, van ontzaglijke betekenis. Daarin staat voor ons vast, wanneer wij in een schepping leren geloven, dat deze wereld het maaksel is van God en niet het product van toevallige omstandigheden.

Nu, daarover zal de Catechismus ons gaan onderwijzen, gefundeerd op de bodem van de Heilige Schrift.

Nehemia 9 : 6

Gij zijt die HEERE alleen, Gij hebt gemaakt den hemel, den hemel der hemelen, en al hun heir, de aarde en al wat daarop is, de zeeën en al wat daarin is, en Gij maakt die allen levend; en het heir der hemelen aanbidt U

 

Zondag 9

Vraag 26: Wat gelooft gij met deze woorden: Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde?

Antwoord: Dat de eeuwige Vader onzes Heere Jezus Christus, Die hemel en aarde, met al wat er in is, uit niet geschapen heeft, Die ook door Zijn eeuwige raad en voorzienigheid ze nog onderhoudt en regeert, om Zijns Zoons Christus wil, mijn God en Vader is, op welken ik alzo vertrouw, dat ik niet twijfel, of Hij zal mij met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgen, en ook al het kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, mij ten beste keren; dewijl Hij zulks doen kan als een almachtig God, en doen wil als een getrouw Vader.


Wanneer wij met elkaar het eerste geloofsartikel gaan behandelen, dan moeten vooraf enkele dingen ons duidelijk zijn. Het gaat hier over de belijdenis van geloof in God de Vader. Dan moeten we er direct aan denken dat in de Heilige Schrift de naam ‘Vader’ op twee manieren gebruikt wordt. Op de éne plaats wordt er mee bedoeld het ganse Goddelijke Wezen, en op de andere plaats de eerste Persoon in de Goddelijke Drie-eenheid. In Zondag 9 wordt de eerst Persoon in de Goddelijke Drie-eenheid bedoeld, in onderscheiding van de andere Personen.

In de tweede plaats moeten we vaststellen dat hier in dit geloofsartikel niet sprake is van een geloven áán, maar van een geloven ín God de Vader. Dit is niet zonder betekenis. Het zegt ons dat het hier niet gaat over het verstandelijk voor waar houden, maar over het zich met vertrouwen des harten overgeven. Over een met zielsgenieting en geestelijke verlustiging aanvaarden, om daarin die vrede te smaken, die met bewijzen of tegenwerpingen van de wetenschap niets heeft te maken.

Nee, geloven ín God is heel iets anders dan geloven áán God. Aan God geloven, Zijn bestaan niet betwijfelen, dan kan een natuurlijk mens ook hebben, en zelfs de duivelen geloven ook, maar zij sidderen. Nee, in het geloven aan God is geen vertrouwen en dus ook geen liefde. Daarin is geen veilig rusten, maar deze kennis is ten diepste een bron van vrees en verschrikking. Wel is het zo dat aan het geloven ín God, het geloven áán God ten grondslag ligt, vanwege de ingeschapen Godskennis bij alle mensen.

In de derde plaats mag ons niet ontgaan, dat in dit geloofsartikel sprake is van geloven in ‘God’ den Vader. Als de Christen zijn geloof gaat belijden in de Zoon van God, dan wordt daar niet voor ‘Zoon’ het woord God geplaatst. En ook niet voor de Heilige Geest. Waarom is dit? Niet om er mee aan te duiden dat de Zoon en de Heilige Geest niet, met de Vader, waarachtig en eeuwig God zouden zijn. Nee, maar hierom, om er mee uit te laten komen dat de Vader de Fontein, de Wortel, de Oorzaak van alle dingen is, van Wie alle dingen uitgaan, en tot Wie alle dingen wederkeren. Onze vaderen drukten het soms zo uit, dat de Vader de Fontein van de Heilige Drie-eenheid was, van Wie de Zoon en de Heilige Geest hun bestaan hebben.

Wanneer wij deze zaken in het oog houden, willen we nu eerbiedig gaan luisteren naar de geloofsbelijdenis van de Christen, van zijn geloof in God den Vader, de Almachtige, Schepper van de hemel en de aarde.

Nu is direct opmerkelijk, dat deze belijdenis  begint met ons te bepalen bij de generatie van Zoon door de Vader, met deze woorden: “Dat de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus..”. De Catechismus begint hier dus eigenlijk in de hemel en niet op de aarde. En wij willen er aandachtig naar luisteren, en komen hiermee ook op het terrein van de verborgenheden.

Hier wordt gesproken over het Vaderschap van God over de Zoon, en dat Vaderschap mag genoemd worden het oorspronkelijke. God is de eeuwige Vader en dat zegt ons dadelijk, dat God in Zijn  Wezen vóór de schepping is en ver boven Zijn schepping is verheven. God leeft eeuwig, wat een verheven waarheid en wat moet een mens zich hier tegenover klein voelen, nog minder dan een stofje aan de weegschaal en een druppel aan de emmer. O, wat is God groot. Dat gevoelen wij meer en meer als wij aan dat Vaderschap van God over Zijn Zoon denken, waardoor wij gebracht worden naar de verborgenheid van het Goddelijke Wezen. Van deze verborgenheid heeft Jezus Zelf gezegd: “Gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelf, als heeft Hij ook de Zoon gegeven het leven te hebben in Zichzelf, Ik en de Vader zijn één.” We moeten goed begrijpen dat dit Vaderschap over de Zoon niet is gegrond in de wil van de Vader, maar dat het gegrond is in het Wezen van God, en dus aan dit Wezen onafscheidelijk is. Het Vaderschap over de schepping, we zullen het straks horen, is grond in de vrijmacht van God en vloeit voort uit de wil van de Heere. De Zoon is geboren uit het Wezen van de Vader, de schepping daarentegen is gemaakt door de macht van de Vader. Van dat eeuwige Vaderschap over de Zoon mogen wij zeggen, dat de Vader van eeuwigheid tot eeuwigheid Zijn Wezen aan de Zoon mededeelt. We moeten deze generatie dan ook niet zo verstaan, alsof ze in de eeuwigheid eenmaal geschied is. Nee, het is een mededeling van het Goddelijke Wezen door de Vader aan de Zoon, die nog heden voortduurt, die van eeuwigheid tot eeuwigheid is, maar ook in ieder ogenblik volmaakt is. Hier is geen begin en geen einde. Eeuwig voltooid en toch eeuwig zicht voltooiende. In de ene, nooit begonnen eeuwigheidsdag zegt de Vader van de Zoon: “heden heb Ik U gegenereerd.”

Nu kan de vraag opkomen, waarom is er hier nu in dit verband sprake van dit Vaderschap? Het antwoord is voor ons leerzaam. De wijsgeren onder de mensen hebben het soms zo voorgesteld en verkondigd, dat de schepping van het heelal eeuwig was en eeuwig moest zijn. Zij gingen van de gedachte uit dat God de wereld absoluut nodig had als een voorwerp, waarnaar Zijn liefde kon uitgaan. Deze dwaling wil onze Catechismus weerleggen. God verkeerde niet vóór de schepping van hemel en aarde in dorre eenzaamheid. Was dat zo, dan had God de schepping nodig gehad om Hem, met eerbied gesproken, gelukkig te maken. Maar zo is het niet. Van eeuwigheid had God Zijn Zoon, als een voorwerp waarnaar Zijn liefde kon uitgaan. Van eeuwigheid tintelt het Goddelijke Wezen van leven en liefde. De Vader heeft de Zoon eeuwig lief en deze liefde van de Vader wordt eeuwig beantwoord door de Goddelijke wederliefde van de Zoon. God is liefde, ook al zou er nimmer een wereld gekomen zijn. “God heeft niet nodig van mensenhanden gediend te worden als iets behoevende.” Nee, God heeft niemand nodig, Hij is de volzalige in Zichzelf.

Nu, geliefden, met het oog op de schepping zijn we eerst op deze waarheid gewezen. Dat God toch Zijn schepping tot stand heeft gebracht, is alleen hierom omdat God dat zo gewild heeft, en Gods wil is altijd wijs en goed. Het heeft de Heere behaagd Zijn heerlijkheid te doen uitstralen in een schepping. De eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus wilde Zijn heerlijkheid naar buiten openbaren.

Van die schepping, waarin God dus Zijn heerlijkheid wilde doen afstralen, spreekt de Catechismus nu verder met deze woorden: “dat de eeuwige Vader (…..) die hemel en aarde, met al wat er in is, uit niet geschapen heeft (….).” Het is dus een hartelijke belijdenis. Vanwaar de wereld? Vanwaar ikzelf? Vanwaar de engelen? Vanwaar de dieren? Het antwoord is, dat alles door God geschapen is. Het is een openbaring die geen wijsgeer ooit heeft kunnen uitvinden. O, wonder, begrijpen doen wij het niet. Maar dat is ook helemaal niet erg. Heerlijk is het, we kunnen het verstaan door het geloof. En nooit zullen wij door redeneren tot de conclusie komen dat de wereld door God geschapen is. God heeft het ons geopenbaard. Zou dat niet het geval zijn geweest, dan zouden wij nooit iets geweten hebben van het ontstaan van de wereld. Nee, nog nooit is buiten deze openbaring een afdoend antwoord gegeven.

Met heeft geredeneerd, gefilosofeerd, getheoretiseerd. Men heeft verschillende uitspraken gedaan, maar het fundament waarop deze uitspraken rustten was niet hecht en sterk. Het bestond uit gissingen, vermoedens, veronderstellingen, door de één bedacht en door de ander weer terzijde geschoven. In den beginne heeft God dat grote werk verricht, nu zo ongeveer 6000 jaar geleden. God sprak, en hemel en aarde waren er, tezamen vormend het heelal, de gehele schepping. Hemel en aarde hoorden bij elkaar, ja, de zonde scheidde ze, maar de genade voegt ze weer samen. De ladder van Jacob, die een schaduw van Christus is, reikte met haar opperste in de hemel en stond beneden op de aarde.

Hemel en aarde, met alles wat er op en er in is, in zes dagen volbracht. Die schepping is voorwerp van het geloof. Het is de christen van node om dit te geloven. Het is onuitsprekelijk heerlijk om dat kinderlijk te mogen doen. Het geeft een heerlijke rust met dat geloof begiftigd te zijn en het te mogen beoefenen. En het geeft een heerlijke bate.

Wat is de Catechismus hier weer zakelijk en kort. Geen wonder, wat in die dagen van Ursinus en Olevianus was het geloof in de schepping nog nagenoeg onbestreden. En nu? Ach, nu wordt de Kerk bestookt om haar van deze heerlijke waarheid te beroven. Driest wordt deze fundamentele waarheid aangevallen. Laten wij er toch vooral van doordrongen zijn waar het in deze bestrijding om gaat. Hier denken we aan onze jonge mensen, die zich in de weg van studie voorbereiden op hun beroep. Ze krijgen zeer veel informatie te bestuderen waarin de waarheid van de schepping in zes dagen wordt geloochend, en waarin de evolutietheorie wordt verdedigd. Dit is een krachtige aanval op onze jongeren. En al te spoedig zijn er die menen dat zij bij de oude leer van de Bijbel niet kunnen blijven. Ze willen begrijpen, ze willen er komen door hun rede. Nee, het geloof alleen is hun niet genoeg. Velen zijn er in die weg al verongelukt en zijn kwijtgeraakt wat zij via onderwijs en opvoeding meekregen. Mag ik eens doorgeven wat ik hierover las? Misschien kan het voor iemand tot zegen zijn. Allerlei theorieën lijken wel logisch, maar je moet ze namelijk evengoed gelóven. Met alleen dit verschil, dat je hier dan moet geloven in de zuiverheid van het denken en het doordenken van de menselijke geest. Denken we daarmee tot rust te komen? We verzekeren u van nee! O, wat is een kind van God gelukkig. Zeker, hij denk ook en hij is geen vijand van wetenschappelijk onderzoek, maar hij laat wel zijn denken ootmoedig leiden door de openbaring van God. En dat geeft rust. Denken wij er toch ook aan dat, als wij deze waarheid loslaten, het allerbeste wordt losgelaten. Laten wij dan door God genade dit goede pand bewaren, en laat de Kerk des Heeren deze belijdenis krachtig uitdragen en verdedigen. Die schepping moet worden bewaard voor de Naam en de glorie van God. Kostelijk is dan ook de belijdenis: “Ik geloof in God, den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.” In God geloven, die deze ganse wereld uit het niet-zijn tot een zijn heeft gebracht, dat geeft kracht en steun. Dat doet uitroepen: “God is alleen groot!”

De wereld is door God geschapen, maar dat niet alleen. Nee, God laat die wereld nu maar niet verder aan zichzelf over, aan de krachten die Hij er in gelegd heeft, of door slechts nu en dan in te grijpen bij wijze van een wonder. Nee, God doet de wereld voortbestaan. Door Zijn eeuwige raad en voorzienigheid onderhoudt en regeert God die wereld. Hij onderhoudt, dat wil zeggen, Hij doet de wereld voortbestaan. Hij regeert, dat wil zeggen, Hij richt en bestuurt de wereld zo tot dat doel, dat God er mee heeft. Zijn raad zal bestaan en Hij doet al Zijn welbehagen. Hierover zal het dieper gaan in de volgende zondagen.

Wij willen nu verder gaan om te luisteren naar het vervolg van deze belijdenis. Immers, de Christen gaat verder en hij zegt ons, dat hij gelooft dat die God, Die hemel en aarde door Zijn machtswoord heeft geschapen, om Zijns Zoons Christus wil, ook zijn God en Vader is. Ja, toen wij het over de schepping hadden, moesten wij al maar getuigen dat God groot is, zo groot, dat Hij werelden tevoorschijn roept, die in wonderlijke samenhang met elkaar zich wentelen naar Zijn Goddelijke wil.

De Heer’ is groot, een heerlijk God

Een Koning Die het zaligst lot

Ver boven alle goôn kan schenken.

Het diepst van ’s aardrijks ingewand.

Het hoogst gebergt’ is in Zijn hand.

’t Is al gehoorzaam op Zijn wenken.

Doch nog groter wordt de Heere, als we zien, dat Die God nu ook de Vader wil zijn, van alles verbeurd hebbende zondaren. God, de Vader van onze Heere Jezus Christus, Die hemel en aarde geschapen heeft, wil zich bemoeien met een mens. Is dat nu niet groot? Te groot, dat Hij een mens tot zoon wil aannemen? En welke mensen? Zulken, die zich van nature altijd tegen God verzetten, nooit naar Hem vragen, Hem tergen vanwege hun zonden en ongerechtigheden? Die God wil nu woning maken in arme zondaarsharten, en Die God wil zulke alles verbeurd hebbende zondaren leren uitroepen: “Abba, Vader!”

Wat een blijde boodschap komt hier naar voren. Ja. “Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve maar het eeuwige leven hebbe”. God heeft Zijn wereld lief. In die wereld komt nu de boodschap van de verzoening. Daar klinkt de bede: “Laat u met God verzoenen”. Het was de eeuwige raad van God, uit het menselijk geslacht, dat door Adams overtreding zondaren zouden worden, een Kerk te vergaderen. En tot die Kerk behoort de Christen, die hier belijdt dat Die God zijn God, en Die Vader zijn Vader is. Hier spreekt het welverzekerd geloof, wat niet allen deelachtig zijn, maar wat God wil schenken. Zich kind van God te weten, is dat niet groot? De liefde van de Vader te kennen, is dat niet voortreffelijk?

Maar vergeten wij toch nooit, dat wij dat gemaakt moeten worden. Wij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid van God. Wij zijn Gods vloek waardig en zwerven als schuldigen in een vreemd land. Vijanden zijn wij van nature. Wij zijn waardig nimmer een lichtstraal van Gods vriendelijke aangezicht op te vangen. Zij die leren roemen in het kindschap, moeten in de eerste plaats van de Heere leren dat zij vloekwaardig zijn. Onze ellende moeten wij leren kennen. Troost u dan ook niet met de liefde Gods, als u nog nimmer als een arme zondaar tot Hem de toevlucht hebt genomen. Troost u niet met deze waarheid als u nog nooit hebt gevraagd: is er nog een middel om deze welverdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen? Om Christus wil, God mijn God en mijn Vader! Zeker, van Gods zijde hebben al de gelovigen, kleinen en groten, zwakken en sterken, het recht dit te belijden. Maar velen durven niet, kunnen dat niet. Daar staan ze nog voor. Dat is hun te groot. En toch, als het goed is, verlangen zij daar naar. Bent u zo’n hongerende en dorstende naar de gerechtigheid van Jezus Christus? Bent u het, die als een hijgend hert schreeuwt naar de wateren, verlangt u ook om dit te mogen en te kunnen belijden? Zo ja, dan bent u tot een kind gemaakt, dan bent u door het geloof Jezus Christus ingelijfd, en bent u nu niet zonder vertrouwen in de Heere. Dan gaat er tot u een nodiging uit. Daar willen we u op wijzen. U gelooft, dat God de Schepper is van hemel en aarde. U gelooft dat God Almachtig is. Nu, verlegen zondaar, want dat bent u toch, ga dan uit tot Hem in de naam van Christus. Ga in vertrouwen uit, Hij wil ook u helpen. Hij wil ook u genadig zijn. Hij wil ook uw Vader zijn. Het is u toch om Hem te doen? U kunt immers niet eerder gelukkig zijn, of u moet weten met God verzoend te zijn, door de dood van Zijn Zoon? U kunt God niet missen in uw leven. Nu, ga dan uit in geloofsvertrouwen en neem toevlucht onder de schaduw van Zijn vleugelen. Hij nodigt u en zou Hij, Die de Almachtige is, de Schepper van hemel en aarde, u dan niet kunnen helpen? Denk in uw toevlucht nemen aan de heerlijke beloften die Hij gegeven heeft voor verlegen harten. O, leer Hem zo aannemen. Als het voor de Heere niet te groot is het te geven, laat het voor u niet te groot zijn het aan te nemen.

Ik weet het, in ons is geen kracht. Het is alles uit Hem en door Hem en tot Hem. Wij moeten eigen geringheid leren zien. Wij moeten van eigen schuld en onwaardigheid meer en meer overtuigd worden. En als ons dat gegeven wordt, dan zullen wij ruim leren denken van de Vaderlijke goedertierenheden van de Heere. Dan zullen ook wij zingend bidden en gelovig pleiten met de dichter:

Denk aan ’t Vaderlijk meêdogen,

Heer’, waarop ik bidden pleit;

Milde handen, vriend’lijk ogen,

Zijn bij U van eeuwigheid.

Ja, dan zullen wij in deze weg de toevlucht nemen tot de Heere, en meer vrijmoedigheid krijgen om Hem kinderlijk als een Vader aan te roepen. Wij moeten het Woord van de Heere leren vertrouwen, daar komen we niet bedrogen mee uit.

Maar genoeg, wij keren weer terug tot die heerlijke belijdenis van de welverzekerde Christen, dat God om Christus’ wil Zijn God en Vader is. We willen ons er diep van laten doordringen, dat dit vrucht is van een ondoorgrondelijk wonder. Wat is het een wonder, dat God de wereld heeft geschapen, nog groter wonder is het, als God gaat wonen in een arm zondaarshart. God mijn Vader, die geloofswetenschap openbaart zich, wanneer zij levendig is, is oprecht vertrouwen, in een vast vertrouwen, zoals de Christen in de Catechismus dan ook uitspreekt: “O welke ik alzo vertrouw, dat ik niet twijfel, of Hij zal mij met alle nooddruft van lichaam en ziel verzorgen, en ook al het kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, mij ten beste keren”.

Maar laten wij nu eerst zingen:

Zijn' is de zee; z' is door Zijn kracht
Met al het droge voortgebracht;
't Moet alles naar Zijn wetten horen.
Komt, buigen w' ons dan biddend neer;
Komt, laat ons knielen voor den HEER,
Die ons gemaakt heeft en verkoren.

Wanneer wij nu letten op het eerste gedeelte van de woorden, waarin de Christen zijn verzekerd vertrouwen uitspreekt, dat belijdt dit dat God alle dingen onderhoudt. “Wentel uw weg op de Heere, en vertrouw op Hem, Hij zal het maken”.

“Vreest de Heere, gij Zijn heiligen, want die Hem vrezen hebben geen gebrek”.

“Doe uw mond wijd open en Ik zal hem vervullen. Ja, en het zal geschieden, eer zij roepen zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken zo zal Ik horen”.

Ja, dat heeft de Heere beloofd. Hij zal Zijn volk niet begeven noch verlaten. Mijn brood is zeker en mijn water gewis. Het oog des Heeren is op Zijn volk. Hij zal ze raad geven en trouw verzorgen. Met dit vertrouwen kan een mens leven, en al is het dat de weg soms donker is, geen nood, de Heere is nabij de ziel die tot Hem vlucht. Ja, want soms gaat het door diepten en donkerheden. Christenen zijn kruisdragers en zij worden gewaar, dat de tegenspoeden der rechtvaardigen velen zijn. Maar God regeert. Hij regeert in gunst Zijn volk, dat in deze wereld woont, die met recht door de zonde een jammerdal geworden is. Het moet door diepten heen, maar geen nood voor de ware Christen, Vader weet het. Uit de diepten is er uitzicht omhoog en in de donkerheid geeft God vaak heerlijk licht.

Als een wijs Vader schikt Hij Zijn kind soms kwaad toe, maar Hij zal er voor zorgen, dat dit kwaad ten beste keren zal. Het zal medewerken ten goede. Het geloof weet dat en de gelovigen ervaren dat, en dat geloof rust op twee onbeweeglijke gronden. De eerste grond is Gods almacht, “want Hij kan zulks doen als een almachtig God”. Is zo’n grond niet stevig? Hij, de Heere, spreekt maar en het is er, en Hij gebiedt en het staat er. Maar er is ook nog een tweede grond. God wil het ook doen als een getrouw Vader. Ja, want Vader is Zijn naam. En Zijn hart en hand zijn ook Vaderlijk. God is Zijn kinderen genegen. Hij is geen God dat Hij liegen zou, en geen mensenkind dat het Hem berouwen zou. Nu, want denkt u? Kan er heerlijker en sterker troost worden bedacht?

Nu komt weer de vraag hoe ons hart hier tegenover staat. Hebben wij dat geloof ook? Beoefenen wij deze dingen? Is God ook onze Vader? Wie weet hoevelen die dit horen of lezen daar geheel vreemd van zijn. Dan kun u zich met deze waarheid niet troosten, dan bent u nog uit de vader de duivel, en die is een mensenmoorder van den beginne. Naast de duivelen is er geen ongelukkiger schepsel dan een onbekeerd mens. O, onbekeerden, verstaat dit toch. God is niet uw Vader, maar uw vertoornd Rechter, Die u, als u niet wordt veranderd, eeuwig zal straffen. Dat is het, wat u eerst moet weten. U moet overtuigd worden van uw verlorenheid, van uw ongeluk, van uw toestand buiten God. Laat de schrik des Heeren u bewegen tot het geloof. Nu is het nog tijd. Nu kan het nog. Nu klopt de Heere nog. Nu verzekert Hij nog geen lust in uw dood te hebben. Nu leeft u nog onder Gods lankmoedigheid. Dat u dan heden nog aan uw Schepper zou denken. Het moet zo met u gaan, u moet uit ’t vreemde land als een verloren zoon of dochter komen en leren roepen: “Vader! Ik heb gezondigd, ik ben niet waardig Uw kind genaamd te worden”. Het is God alleen, Die u tot Zijn kind kan en wil maken. Sla dan zonder uitstel die weg in!

Maar er zullen ook heilbegerigen zijn, vluchtelingen uit de stad van het verderf, naar het nieuwe Jeruzalem. De zaak is voor hen vaak te groot. Zij klagen over eigen onwaardigheid en over eigen onmacht. Zeker, zij voelen zich wel aan de Heere gebonden, maar als het op de toe-eigining aankomt, dan zijn zij schuchter. Het verzekerd vertrouwen kunnen en durven zij niet te beoefenen.

Wanneer wij om ons heen zien, dan rijst de vraag op hoe het toch komt, dat dit kindergeloof in onze dagen zo weinig in volle kracht wordt doorleefd. Hoe komt dat? Daar zouden verschillende oorzaken voor genoemd kunnen worden, maar de kindergestalte is te veel zoek. Christenen willen nog zo graag zichzelf helpen, en dan is er geen plaats voor de Heere Jezus. Want door Hem alleen komen wij tot de Vader, want Jezus heeft het Zelf gezegd, niemand komt tot de Vader dan door Mij. Laten we hier enkele wenken geven aan hen, die van verre staan. Hoe komt het dat er bij geen opwassen is? Hoe komt het dat uw geloofsvertrouwen op hetzelfde punt blijft steken? Zou het soms hier aan liggen, dat u nog teveel het eigendom van uzelf wilt zijn? Dat u zich te weinig met vol vertrouwen aan Jezus Christus overgeeft? Is het besef van uw zondeschuld wel levendig genoeg en weet u wel volkomen hoe verdoemelijk u voor God bent? O, zielen, onderzoekt u en rust niet, voordat u zich in vol vertrouwen aan God om Christus wil overgeeft. Met Hem zult u nooit beschaamd worden. Wat u nooit vergeten moet is dit, wanneer de zonde nog een lekkere bete onder uw tong is, dat er dan van groei geen sprake kan zijn. De zonde moet u laten en haten, en dan komt uw ziel tot vrede.

Kinderen des Heeren, want bent u dan rijk beweldadigd. U was niet beter dan anderen. U had uit uzelf ook nooit naar de Heere gevraagd. Ook u zult moeten getuigen: “Eens was ik een vreemdeling voor God en mijn hart, ik kende geen leed en gevoelde geen smart.” Maar de Heere heeft Zich in Christus over u ontfermd, Hij heeft uw ziel gered. En al zijn deze weldaden niet altijd even levendig, toch mag u proeven en smaken dat de Heere goed is. U bent duur gekocht. Zou God uw Vader kunnen worden, dan moest Christus Zijn leven geven, en dat heeft Hij gedaan. Dat u dan met vertrouwen op God voorwaarts mag aan.

Hoe het ook gaat, voor- of tegenspoed, laat ons zingen met de dichter:

Zijn machtig' arm beschermt de vromen,
En redt hun zielen van den dood;
Hij zal hen nimmer om doen komen
In duren tijd en hongersnood.
in de grootste smarten
Blijven onze harten
In den HEER gerust;
'k Zal Hem nooit vergeten,
Hem mijn Helper heten,
Al mijn hoop en lust.

Zodoende zult u de Heere verheerlijken. Blijf klein in uzelf en denk groot van uw Vader. En als u de geloofsvrijmoedigheid soms ontbreekt om “Vader” te zeggen, o staat er dan naar en rust niet voor de Heere u daar heeft gebracht en u stamelt: “God is mijn God en mijn Vader”.

AMEN