Zondag 6
De Middelaar
prof. F. Lengkeek (1871-1932)
Ps 105:3
Ps 72:7
Ps 40:3,4
Ps 111:5
Ps 2:7
Hebreeën 10:1-18
Geliefde Gemeente,
Ligt de mens van nature onder het rechtvaardig oordeel van de rechtvaardige God, zo kan er van geen ware blijdschap en geen ware vrede sprake zijn, tenzij dat oordeel wordt opgeheven, en de mens weer vrij komt te staan tegenover zijn Schepper.
Hoewel dit in het wezen de kern van de godsdienst is, worden er toch godsdiensten gevonden waaruit dit element verdwenen schijnt te zijn. De heidense godsdiensten zoeken wel ontheffing van moeiten en bezwaren, maar zij missen het schuldbesef. Zonde is voor de heiden alleen wat hem schaadt, maar als schuld tegenover God kent hij ze niet.
Alleen de godsdienst naar de openbaring van God erkent de zonde als schuld.
De vraag hoe het oordeel over de zonde zal worden opgeheven, maakt hier evenwel scheiding. Niet allen die onder het evangelie leven beantwoorden haar op dezelfde wijze. Er zijn er, die tegenover deze vraag de kant van het heidendom kiezen en niet van schuld willen weten. Anderen aanvaarden de schuld, maar zullen door een voorbeeldig zedelijk leven zich wel redden. De barmhartige, liefdevolle Vader van alle mensen zal, wie zijn best gedaan heeft, niet veroordelen tot eeuwig straflijden. En zij zoeken hun rust en vrede in de dingen van de wereld.
Rome leert wel met Augustinus dat onze ziel geen rust vindt, tenzij zij rust vindt in God. Maar laat de mens die rust en vrijheid voor een groot, zo niet het grootste, deel zelf verdienen.
Daartegenover en tegenover alle beginselen die hun grond niet vinden in de Heilige Schrift, staat de leer van de Heidelberger Catechismus. Die, geheel opkomend uit de Heilige Schrift, leert dat de mens van nature dood is door de zonden en de misdaden. Onbekwaam tot enig, voor God bestaanbaar, goed en geneigd tot alle kwaad. Onmachtig en onwillig onder de zonde, zodat hij zijn schuld nog dagelijks meerder maakt, en hij uit en door zichzelf nimmer de ware rust en de ware vrede verwerven kan.
Waar God eist dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede, en Hij van deze eis geen afstand doen kan en mag. En waar noch door onszelf, noch door enig ander schepsel, dier of engel die eis genoegdoening gegeven kan worden, daar zou het ontzettend zijn als hier een punt gezet moest worden. Er bleef ons niets over dan een heden van zonde en ellende, en een toekomst van het bitterste leed, tot in eeuwigheid te dragen. Geen vooruitzicht, dan de poel die brandt van vuur en sulfer. Geen vooruitzicht dan de worm die niet sterft, en de buitenste duisternis, waar wening en knersing van de tanden zal zijn.
Maar, wat bij de mens onmogelijk is, is mogelijk bij God. Daarom mogen wij nog over iets anders handelen dan over de leer der ellende. Er is verlossing voor zondaren, zaligheid voor doemwaardigen en doemschuldigen.
De vraag hoe wij verlost zullen worden van het hoogste kwaad en gebracht worden tot het hoogste goed, die vraag die wij nooit zouden kunnen beantwoorden, is door God beantwoord. Is er geen voldoening aan het recht Gods mogelijk door ons, de Heere heeft voldoening van Zijn recht gezocht en gevonden in de Borg en Zaligmaker, Jezus Christus. En allen die in Hem gevonden worden, zullen delen, naar de trouw en gerechtigheid van de Heere, in de vruchten van Zijn voldoen aan eis en straf van het recht van de Schepper.
Hij is de Weg, de Waarheid en het Leven.
Wie Hij is, en aan welke eisen Hij moet voldoen en ook voldaan heeft, wordt ons voorgesteld in de afdeling van de Heidelberg die heden onze aandacht vraagt. Tevens wijst deze op het Evangelie, waaruit wij weten dat Hij Degene is, die verzoening aanbrengt bij God.
Hebreeen 2:14 en 15.
Overmits dan de kinderen des vleses en des bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door de dood te niet zou doen degene, die het geweld des doods had, dat is de duivel, en verlossen zou al degenen die met vreze des doods door al hun leven der dienstbaarheid onderworpen waren.
Zondag 6
Vraag 16: Waarom moet Hij een waarachtig en rechtvaardig mens zijn?
Antwoord: Omdat de rechtvaardigheid Gods vorderde, dat de menselijke natuur, die gezondigd had, voor de zonde betaalde ; en dat een mens, zelf zondaar zijnde, niet kon voor anderen betalen.
Vraag 17: Waarom moet Hij tegelijk waarachtig God zijn?
Antwoord: Opdat Hij, uit kracht zijner Godheid , den last van den toorn Gods , aan zijn mensheid zou kunnen dragen, en ons de gerechtigheid en het leven zou kunnen verwerven en wedergeven.
Vraag 18: Maar wie is deze Middelaar, die tegelijk waarachtig God en een waarachtig rechtvaardig mens is?
Antwoord: Onze Heere Jezus Christus , die ons van God tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking, en tot een volkomen verlossing geschonken is.
Vraag 19: Waaruit weet gij dat?
Antwoord: Uit het Heilig Evangelie, hetwelk God zelf eerstelijk in het Paradijs heeft geopenbaard , en daarna door de heilige Patriarchen en Profeten laten verkondigen, en door de offerande en andere ceremoniën der Wet laten voorbeelden, en ten laatste door zijn eniggeboren Zoon vervuld.
Door de val heeft de mens het verbond, waarin hij stond met zijn Schepper en Formeerder, verbroken. Dat verbond was het verbond der werken. God kon de mens in dat verbond stellen en de mens kon in dat verbond met God staan. Want de Heere had de mens geschapen naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis. Daardoor was de mens bij machte de eis van dat werkverbond volkomen op te volgen. Had hij die eis, die gezien zijn schepping lichte eis, volbracht, dan was eeuwig leven zijn deel geweest, in de zalige gemeenschap met de Heere, zijn God. Want niet opdat de mens vallen zou richtte de Heere met de mens het werkverbond op. Dan was de eis te zwaar en de vervulling ervan boven de kracht van de mens geweest. En dan zou daarin enige, zo niet gehele, verontschuldiging voor de mens gelegen hebben. De wet waaronder God de mens stelde, de wet der liefde, had behoudende en belonende kracht bij de vervulling ervan! Zij moest straffen en verderven, verdoemen, bij haar overtreding. De wet die ten leven was, is door de val ten dode geworden.
De val heeft de wet niet gebroken, zodat haar eis door de val zou opgeheven zijn. En de Heere is niet veranderd. De Heere wordt niet veranderd. Hij kan niet veranderen, ook niet door de verandering van de mens. Breekt de ene partij in het verbond der werken de verbondseis, de andere partij, God, blijft de eis getrouw naar Zijn onveranderlijkheid. Zijn heiligheid en rechtvaardigheid ondergaan, evenmin als enige andere deugd in God, ook maar enige wijziging!
Naar recht komt de mens door de val onder het oordeel van de dood. Rechtmatig, al is het, dat de gevallen mens dood is door de zonden en de misdaden, onmachtig tot enig geestelijk goed en geneigd tot alle kwaad. Rechtmatig blijft God de gehele volbrenging van heel Zijn heilige wet eisen.
De mens moet de straf op de zonde dragen, want hij is schuldig. Hij moet ook doen wat de Heere in Zijn wet van hem eist. Tot geen van deze dingen is de mens in staat. De wet volbrengen kan hij niet, en zo hij de straf der overtreding dragen zal, dan zal het nimmer tot een einde komen. De straf is eeuwig!
Toch is er ontkoming aan de eeuwige straf. Toch is er redding tot een wetsvolbrenging!
Dat is niet omdat de Heere zou hebben afgezien van het werkverbond, om nu langs een andere weg de zaligheid toch toe te wijzen aan de mens. Het werkverbond blijft voor God van kracht en slechts door het voldoen aan de eis daarvan zal er sprake kunnen zijn van zaligheid. Daarom, al spreken wij terecht van een verbond der genade, het betekent niet dat een zondaar gezaligd kan worden zonder voldoening aan het recht van God. Genade is nog iets anders dan vorstelijke gratie. Goed bezien wordt door het verlenen van gratie het recht belemmerd. Het recht heeft zijn loop niet, want een andere wet, of zo u wilt bevoegdheid, kruist de weg van het recht. Naar recht moet een veroordeelde bijvoorbeeld tien jaar zijn vrijheid missen. Door het verlenen van gratie kan dat tot acht of zeven, of nog minder, jaren worden teruggebracht. En dan mogen wij dat goedkeuren en toejuichen, maar in de grond der zaak lijdt het recht schade en is de straf niet ten einde. Hoewel nu God de God der liefde, de Liefde zelf is, voor gratieverlening is er bij Hem geen plaats. Zijn recht moet volkomen genoegdoening ontvangen en eerst dan kan de straf worden opgeheven.
Het verbond der genade, waarin de rechtvaardige God wil komen met een schuldige zondaar, zou er dan ook niet kunnen zijn indien er niet een ander Verbond aan ten grondslag lag. Een Verbond waarin de eis van het werkverbond ten volle tot zijn recht zou komen.
Wij bedoelen het Verbond der Verlossing. Die overeenkomst, wij mogen wel spreken van een genadige overeenkomst, in het Goddelijke Wezen, is er in het bijzonder tussen Vader en Zoon. Daarin is overeengekomen, wij spreken op menselijke wijze, dat de Zoon in plaats van de mens èn in lijdelijke èn in dadelijke gehoorzaamheid voldoening zou schenken. De aard van die overeenkomst is de aard van het werkverbond. Immers, de Zoon ontvangt bij volbrenging van wat Hem opgelegd was, Zijn loon, geen genade.
Het goddelijke Wezen voorzag de val van de mens en heeft in het Verbond der Verlossing de grond gelegd voor het Genadeverbond. Genade zal de vrucht zijn van het werk van de Zoon.
Zou de Zoon evenwel Gods eis volbrengen en de straf van de zondaar dragen, dan was nodig dat in Hem vervuld werd want in deze afdeling van de Heidelberger, op grond van de Heilige Schrift, wordt geleerd.
DE MIDDELAAR
Wij vinden over de Middelaar aangegeven
I Dat Hij waarachtig en rechtvaardig mens moest zijn
II Dat Hij tevens waarachtig God moest wezen
III Dat Hij is onze Heere Jezus Christus
IV Dat Hij als zodanig geopenbaard is in het Heilig Evangelie
I Dat Hij waarachtig en rechtvaardig mens moest zijn
Waarom moet Hij, de Middelaar, een waarachtig en rechtvaardig mens zijn? Zo wordt in de vorige zondag gevraagd. Gods gerechtigheid vorderde, zo zegt het antwoord, dat de menselijke natuur die gezondigd had, voor de zonde betaalde.
Daarom moet de Middelaar een waarachtig mens zijn. En mens, omdat de mens gezondigd heeft. Door één Mens is de zonde in de wereld gekomen, en door de zonde de dood, leert ons Romeinen 5 vers 11. De mens zal dus ook de straf op de zonde moeten dragen. Niet een engel, die niet kan sterven, en ook niet gezondigd heeft. Noch ook een dier, dat geen zonde beging. De natuur van beiden is onderscheiden van de menselijke natuur. De straf moet gedragen worden en de schuld geboet door een mens, een waarachtig mens, bestaande uit ziel en lichaam, voortgekomen uit hetzelfde geslacht dat gezondigd heeft. Een nakomeling van Adam dus, voor zover het vlees aangaat. Dat vorderde de gerechtigheid van God. Ten dage als gij, mens, daarvan eet, zult gij, mens, de dood sterven. De toorn van God rust niet op de aarde als zodanig, of op het dier, al is ook de aarde vervloekt om de mens, en al lijdt ook het dier, mede om de wil van de mens. De toorn van God rust op het schepsel Gods, dat mens heet. Dus moet die ook door een mens gedragen worden.
In alles moet Hij, die Middelaar zal kunnen zijn, de mens gelijk wezen. Geen schijnlichaam, maar een werkelijk, tastbaar, behoeftig lichaam moet Hij hebben. Een lichaam dat smart gevoelt, een ziel die kon lijden, een mens die kon sterven, die de dood kan ingaan in de ware zin van het woord. Die dus kan voldoen aan het recht van God in het dragen van de rechtmatige straf op de overtreding van Gods Wet en de verbreking van het Verbond, zoals gesteld in het proefgebod.
Een mens gelijk aan ons allen!
Doch niet slechts in het ondergaan van de straf door lijdelijke gehoorzaamheid, ook in het volbrengen van de Goddelijke wet door dadelijke gehoorzaamheid, moest de Middelaar Zich openbaren. Daarom is het niet genoeg dat Hij slechts waarachtig mens is. Wij zijn allen, om zo te zeggen, waarachtige, werkelijke mensen. Als dat voldoende was, zou er geen Middelaar nodig zijn. De Catechismus spreekt dan ook niet alleen van een waarachtig, maar ook van een rechtvaardig mens.
Onder een rechtvaardig mens verstaat de Heidelberger niet een mens, zoals we die tegen kunnen komen, met een sterk rechtvaardigheidsgevoel. Iemand die geen onrecht zien kan en, oppervlakkig gezien, zich ook niet aan onrecht schuldig maakt. Er zijn van die mensen geweest, die de erenaam van de Rechtvaardige ontvangen hebben. Maar, zij waren toch ook zondaren.
De Catechismus bedoelt met een rechtvaardig mens iemand die geen zonde heeft, en dus ook geen schuld. Iemand zonder erfzonde en zonder dadelijke zonde. Met erfzonde zou hij niet onschuldig zijn. De schuld van Adam zou hem ook als persoon toegerekend worden. En hij zou ook niet rein en zuiver kunnen staan tegenover God, aangezien de erfsmet hem aankleefde en hij daardoor een zondaar, een schuldige zou zijn. Een rechtvaardig mens moet hij wezen, op wie de rechtvaardige Rechter niets aan te merken heeft. Alleen zo iemand kan Middelaar zijn en kan door het recht van de Heere niet gewraakt worden. Een mens in alles de broederen gelijk, doch zonder zonde en dus zonder persoonlijke schuld.
Wat zou een zondig, schuldig mens voor anderen voldoen? Hij heeft zelfs niet genoeg voor zichzelf. Er mag onderscheid zijn in de uitleving van de zonde, maar in wezen is de ene zondaar gelijk aan de ander. Allen staan zij schuldig voor God en hebben zij geen penning om te betalen. Hoe zullen zij dan borg kunnen voor elkaar?
Voor het borgschap in de zakenwereld is een zekere kapitaalkrachtigheid vereist. De ene schuldenaar kan niet voor de ander als borg gelden.
Maar is het zo in de zakenwereld, het is ook zo met betrekking tot het recht van God. De schuld van de schending van het recht zal slechts door zo’n Borg overgenomen kunnen worden, die zelf zonder schuld is.
Is er echter wel zo’n mens te vinden? Een waarachtig en tegelijk rechtvaardig mens? En indien er zo’n rechtvaardig mens gevonden zou kunnen worden, zou die rechtvaardige mens de toorn van God voor anderen kunnen dragen? Het woord van de Schrift geeft ons op de eerste vraag geen onduidelijk antwoord. Zij getuigt dat allen zijn afgeweken, dat allen in Adam gevallen zijn en dat de dood tot alle mensen doorgaat, nademaal zij allen gezondigd hebben. Wie, zo vraagt de Schrift, wie kan zeggen: ik ben rein van mijn zonden? En: Wie zal een reine geven uit een onreine? Adam was geschapen naar Gods beeld en naar Zijn gelijkenis. Als hij dat beeld en die gelijkenis verloren heeft, wint hij zonen en dochters naar zijn gelijkenis, de gelijkenis van een verdorven, zondig, slecht schepsel. De betrekking waarin Adams nakomelingen tot Adam staan, is door God bij de overtreding van Adam niet opgeheven of gewijzigd. Zij is dezelfde gebleven. Alle kinderen die geboren worden dragen van nature het beeld van Adam, Langs de weg van de natuurlijke voortplanting dus geen reinen, geen rechtvaardigen!
Maar zou God langs de weg van de natuurlijke voortplanting geen mens geboren kunnen laten worden zonder zonde? Wij aarzelen niet die vraag ontkennend te beantwoorden. Het zou in strijd zijn met de schepping van de eerste mens. Adam is geschapen als hoofd van het menselijk geslacht. Het zou in strijd zijn met het recht van God, als Hij de zonde en met de zonde de straf ophief van dat kind van Adam, zonder voldoening aan Zijn gerechtigheid.
En indien het eens kon geschieden, dat er op deze manier een mens was, waarachtig en rechtvaardig. Wat dan nog? Zou die persoon zijn leven kunnen, en mogen geven voor anderen? Zou hij de macht hebben zijn leven af te leggen en het wederom aan te nemen, afhankelijk schepsel als hij toch zou zijn? Zou hij de last van de toorn van God kunnen dragen? Zelfs een rechtvaardig mens kan die prijs der ziele, dat rantsoen, aan God in tijd nog eeuwigheid voldoen! Hij zou eeuwig ondergaan in het ondergaan van de straf, en geen mens zou door zijn dood gerechtvaardigd worden.
II Dat Hij tevens waarachtig God moest wezen
Noodzakelijk moet de Middelaar waarachtig en rechtvaardig mens zijn. Maar het is niet genoeg. Hij moet tevens waarachtig God zijn.
Op de vraag: Waarom? Antwoordt de Heidelberger: Opdat Hij uit kracht Zijner godheid de last des toorns Gods aan Zijn mensheid dragen en ons de gerechtigheid en het leven verwerven en wedergeven mocht.
Wij hebben bij de behandeling van de vorige zondag opgemerkt, dat noch de mens door zichzelf, nog de mens door enig ander schepsel, engel, of dier, aan Gods gerechtigheid voldoening kon geven. Zodat het niet anders kon of de Middelaar Die voor God zou kunnen bestaan, moest uit het Wezen van God zijn. Daar blijft geen andere weg voor God en mensen open. God zal door God voldoening moeten ontvangen en de mens zal met God alleen door God verzoend kunnen worden.
Geen enkel schepsel heeft de beschikking over eigen leven en kracht. Slecht Hij, Die het leven heeft in Zichzelf, heeft die beschikking. Alzo zal slecht die mens, die tegelijk waarachtig God is, het vermogen bezitten om te dragen wat God op de zonde bedreigd heeft. Voor de mens, zelfs voor de rechtvaardige mens, zou de last van de toorn van God te zwaar zijn. Hij kan niet dragen, en zou niet kunnen doordragen wat hem werd opgelegd.
Zo de Middelaar echter tegelijk God is, bezit Hij de kracht om de schuld en de straf op te heffen, en alzo volkomen voldoening te schenken aan het eisend en wrekend recht van God.
Hij kan Zijn leven geven in de plaats van het leven van de mens. Hij kan het oordeel van de eeuwige dood volkomen ondergaan en toch wederom uit die dood opkomen, omdat Hij dan ook de Eeuwige is. Een eeuwige waardij zal hebben, al wat Hij doet en al wat Hij lijdt. En, Hij heeft de gerechtigheid van God niet voor Zichzelf te vervullen, gelijk de mens dat te doen heeft voor zichzelf en niet voor anderen. Zijn gehoorzaamheid, waar Hij zich onder gesteld zal hebben, zowel de gehoorzaamheid van het ondergaan van de straf als van het doen van de wet, zal ten goede komen aan hen voor wie Hij Borg is.
Zo zal Hij, Die God en mens is enigheid van Zijn persoon, de last van de toorn van God aan Zijn mensheid kunnen dragen, en ons de gerechtigheid en het leven kunnen verwerven en wedergeven.
En voor zulk een Borg is plaats in het recht van God!
Als wij het leerstuk van de Drie-eenheid van God trachten in te denken, dan kan het ons zijn alsof dit leerstuk een raadsel is. En voorzeker, het is een geheimenis, en dat blijft het, wij zullen het nooit doorgronden. Zo wij evenwel die ondoorgrondelijke verborgenheid, zij het onbegrepen, tot onze troost zullen kennen, dan is het met name hierin, dat de Drie-eenheid van God de Borg mogelijk maakt.
De Jood en de Mohammedaan, die de Drie-eenheid niet aanvaarden maar loochenen, kunnen geen Borg hebben. Zij staan helemaal op het in wezen heidense standpunt dat de mens door de mens behouden moet worden.
God bestaat evenwel als de Drie-enige, één in Wezen, drie in Personen.
Als er dan ook gedachten des vredes bij God Zijn, zo als zij er van eeuwigheid zijn, over een zichzelf in het verderf gestort hebbend menselijke geslacht, dan kunnen die gedachten ook vervuld worden.
Was God èn in Wezen èn in Persoon één, dat zou er geen Persoon zijn die aan het Goddelijke Wezen het rantsoen zou kunnen betalen van degenen, over wie God van eeuwigheid met goedertieren gedachten vervuld is. Het zou, met eerbied gesproken, een onmogelijkheid voor God geweest zijn om ook maar één zondaar te zaligen.
Maar nu, God bestaat in Vader, Zoon en Geest. En de gerechtigheid van God zal in de Persoon van de Zoon genoegdoening ontvangen. Daartoe zal Hij mens worden in het aannemen van de menselijk natuur, in de volheid van de tijd.
Hoe meer wij ons daarin mogen verdiepen, hoe aanbiddelijker het leerstuk van de Drie-eenheid voor ons zal worden. Hierover zal in Zondag 8 in het bijzonder gehandeld worden. Geve God door Zijn Geest, dat de leer van de Drie-eenheid voor ons meer dan een leerstuk, maar een levensstuk mag worden.
In de Drie-enige God bestaat nu het Verbond der verlossing waarover wij in het begin spraken. De Vader heeft Zijn Zoon verkoren om Borg te zijn. En de Zoon heeft Zich van eeuwigheid verbonden om de dingen te doen, die bij de Vader, optredend als eiser, te voldoen waren. Naar de openbaring van dat verbond in Psalm 40 is het woord van de Zoon: Ik kom, o God, om Uw welbehagen te doen.
Daarin ligt de mogelijkheid en de zekerheid van verlossing van de mens, van zijn gered worden uit de dood. Van zijn weder ontvangen van de gerechtigheid en het leven. Want degenen, voor wie de Zoon als Borg komt, zijn Hem toegezegd als loon op Zijn gehoorzaamheid. Zij zullen ontvangen de weldadigheden van David. Zij zullen hersteld worden in de zalige gemeenschap met de Heere, tegen Wie zij zwaar overtreden hebben, doch Die in Zijn Zoon de wereld met Zichzelf verzoenden was. Aldus heeft hij voor Zichzelf de weg geopend om zondaren te begenadigen, en voor zondaren de weg geopend om tot Hem te komen.
III Dat Hij is onze Heere Jezus Christus
Maar wie is deze Middelaar, die tegelijk waarachtig God en een waarachtig, rechtvaardig Mens is?
Het antwoord geeft ons meer dan een enkele naam. Het bevat ook een omschrijving van de wijze, waarop die Persoon Middelaar is, hoe Hij namelijk op drie manieren verlossing is voor de Zijnen.
Vanzelf moeten we hierover nu kort zijn, omdat later in de Heidelberger zeer uitvoerig gehandeld worden over de Persoon van de Middelaar.
In de eerste plaats zegt het antwoord, wie deze Middelaar is, namelijk onze Heere Jezus Christus.
Voldoet Hij werkelijk aan de eisen die aan de Middelaar gesteld worden?
Ja, want Hij is waarachtig en rechtvaardig mens. Hij is tegelijk waarachtig God. In welke verhouding deze twee naturen in de ene Persoon Jezus Christus tot elkaar staan, is voor ons een verborgenheid. De bruid van Christus heeft het, in haar pogen om die verhouding uit te drukken, niet verder kunnen brengen dan tot een viertal ontkenningen. Zodat zij belijdt dat de Godheid en de Mensheid van de Borg zijn: ongedeeld, ongescheiden, onvermengd, en onveranderd. Verder zullen wij het hier op aarde niet brengen. Het doorzien van deze verborgenheid behoort tot de heerlijke dingen van de staat der heerlijkheid.
Dat de Heere Jezus Christus waarachtig, werkelijk mens is, blijkt voldoende uit Zijn leven onder de mensen op aarde. Hij is ons vlees en bloed deelachtig geworden. In Zijn lichaam heeft Hij geleden. Net als wij kende Hij vermoeidheid, en honger en dorst. Lichaam en ziel bezat Hij. In de hof van Gethsémané klaagt Hij: Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe. Hebben we nog meer bewijzen nodig voor Zijn ware mensheid?
Maar is Hij ook rechtvaardig mens? De vraag te stellen is haar beantwoorden. De Heilige Schrift legt daar ondubbelzinnig getuigenis van af. Is het dat Hij geworden is uit een vrouw, Hij is het door de overschaduwing van de Heilige Geest. En daarom is Hij de Heilige. Zijn hele leven geeft bewijs van Zijn rechtvaardigheid. Menselijk gesproken heeft Zijn rechtvaardigheid Hem aan het kruis gebracht. Wie kon of kan net als Hij zeggen: Wie van ulieden overtuigt Mij van zonde? Zijn veroordeling is een krenking van het recht geweest, Zijn kruisdood een moord. Van Hem getuigt het Woord, dat Hij de broederen in alles gelijk geworden is, uitgenomen de zonde. Hij is Hogepriester, heilig, onnozel (dat is onschuldig), onbesmet en afgescheiden van de zondaren. En Paulus zegt dat God Hem, Die geen zonde gekend heeft, namelijk onze Heere Jezus Christus, tot zonde gemaakt heeft.
Hij is de Zoon des mensen, de door God verordineerde tweede Adam. Maar Hij is ook meer dan mens. Wat van Adam, hoe voortreffelijk hij ook uit de hand van zijn Schepper voortgekomen is, niet gezegd kan worden. Adam was waarachtig en rechtvaardig mens, meer niet. Jezus Christus is eveneens waarachtig en rechtvaardig mens, maar tevens God.
Dat dit zo is, blijkt uit verschillende plaatsen in Gods Woord, en wordt in de persoon van Christus duidelijk bewezen. Reeds onder het Oude Verbond wordt hij genoemd de Heere, God. Jeremia noemt Hem de Heere onze gerechtigheid. Maar vooral het Nieuwe Testament wijst ons heen naar Jezus Godheid. Denk slechts aan Johannes 1:1. In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en (beter vertaald) God was het Woord. De brieven van Paulus zijn vol van de erkenning van Zijn godheid. En hoe blijkt het ook niet in Zijn Persoon. Van Gods kracht getuigen de daden die Hij in eigen kracht verricht. Gods wetenschap komt uit Zijn mond. Hij gebiedt, en het is zo. Is Hij ook niet de Eeuwige, Die zeggen kon: Eer Abraham was, ben Ik?
Onderzoekt de Schriften, en u zult er Jezus vinden, de eeuwige Zoon van de eeuwige Vader. En tegelijk het kind van Adam, het Vrouwenzaad, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet, maar heilig, rechtvaardig, zonder smet, zonder kreuk, zonder vlek, de Zoon des mensen.
Zo kon Jezus Middelaar zijn, en is Hij het.
Hij is de Gegevene, de Geschonkene van de Vader. Enkel genade deed de Vader Hem schenken. Opdat Hij als de tweede Adam voor Hem zou staan, vertegenwoordigende al de gekenden van God. Gegeven is Hij, opdat Hij voor degenen die Hem geschonken zijn zou zijn tot wijsheid, rechtvaardigmaking, heiligmaking en een volkomen verlossing.
De eerste Adam bezat wijsheid en rechtvaardigheid en heiligheid. Hij had dus zijn heerlijkheid in heden en toekomst in zijn hand. Maar het heeft hem niet goedgedacht die wijsheid op waarde te schatten. Hij heeft zijn rechtvaardigheid en heiligheid verworpen, en heeft zijn recht op de heerlijkheid verloren. Wat de eerste Adam verwierp en verloor, wordt in de Zoon wedergeschonken voor al de Zijnen. Zijn wijsheid, rechtvaardigheid en heiligheid heeft Hij in alle opzichten beleeft en gehandhaafd, in het doordragen van de straf en het volbrengen van Gods eis. In Hem, de mens Jezus Christus, is de mensheid weer beelddrager van God. In Hem kon dan ook de Vader de Borg vinden voor de zonden.
Niet alleen zijn deze zaken nodig tot het Borgschap, in toerekening. Zij worden ook toegepast aan de Zijnen. Hij is hun wijsheid als Profeet, hun rechtvaardigheid als Priester, en hun heiligheid als Koning. Hij verklaart de Zijnen door Zijn Woord en Geest de Vader, opdat zij de enige waarachtige God zouden kennen, en Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft. Als Priester heeft Hij Zich voor hen gegeven in de dood. Als Priester zegent Hij hen met Zijn zegeningen en is Hij hun Voorbidder aan de rechterhand van de Vader. Als Koning bewaart en beschermt Hij hen, onmiddellijk en middellijk, door de inwoning van Zijn Heilige Geest. En, langs de weg van de wedergeboorte worden zij met Hem verenigd. En in die weg bezitten de Zijnen de ware wijsheid, staan zij naar rechtvaardigheid voor God, en zijn zij afgezonderd en geheiligd, opdat zij de Heere en Hem alleen zouden toebehoren. In het voorwerpelijke, Christus buiten en voor hen, en in het onderwerpelijke, Christus in en door hen, ligt de volkomen verlossing. Daarin zullen al de gekenden van God eens delen, als zij met Hem, Die hun tot een Hoofd geschonken is, ook verheerlijkt zullen worden.
IV Dat Hij als zodanig geopenbaard is in het heilig Evangelie
Nog één vraag rest ons om te behandelen. Namelijk deze: waaruit wij dat weten, dat Jezus Christus de Middelaar is, om Wiens verdienste God, de rechtvaardige Rechter, vrij spreekt van schuld en straf en recht geeft tot het eeuwige leven? Het antwoord verwijst ons naar het heilig Evangelie, hetwelk God Zelf eerstelijk in het Paradijs geopenbaard heeft en namaals door de heilige Patriarchen en Profeten laten verkondigen, en door de offeranden en andere ceremoniële wetten laten voorbeelden, en ten laatste door Zijn eniggeboren Zoon vervuld.
Dat Jezus Christus de Middelaar is, kan de natuur ons niet leren. Zij leert ons niet eens dat wij een Middellaar nodig hebben. Ja, ook niet dat wij zondaren en daarom verloren zijn. Slechts door goddelijke openbaring is het, dat wij zowel het een als het ander kunnen weten. Het heeft God behaagd die te schenken.
Reeds terstond na de val is de Heere gekomen tot de gevallen mens, niet om te verderven, maar om hem Zijn openbaring te geven tot zaligheid, het heilig Evangelie. Wat een goedertierenheid en genade ligt er in de moederbelofte! En die belofte, in betrekkelijk algemene zin gegeven, is nadien al meer verbijzonderd. Door het komen van de Heere tot en het spreken tot de Patriarchen en Profeten is het Evangelie steeds duidelijker geworden en heen gaan wijzen naar Hem, die komen zou, naar de Messias, de Goël, de Borg. De Heere komt tot Abraham, Izaäk en Jacob, het geslacht waaraan de Heere Zich in het bijzonder openbaarde, om Zijn Naam en Evangelie te dragen. Hij brengt hen onder de wet, in inzettingen, offeranden en ceremoniën bestaande, als Evangelie-predikster! Want zij beeldt in alles af, hoe God, Die de mens zou moeten verdoemen, een weg tot ontkoming stelt in Hem, Die dé Hogepriester zal zijn. Die met Zijn eigen bloed zal ingaan in het binnenste heiligdom, dat Boven is, om verzoening aan te brengen voor de misdaden van Zijn volk.
Hoe zouden wij dit ooit hebben kunnen weten, zonder die openbaring? Denk eens aan de heidenen, die toch in Adam ook de belofte van het Vrouwenzaad ontvingen. Maar zij hebben zich onttrokken aan de openbaring en zijn in duisternis hun weg gegaan, zonder zondekennis of schuldbewustzijn. Als voordeel van het volk van Israël noemt de apostel in de eerste plaats dit, dat hun de woorden van God, Zijn openbaring, zijn toebetrouwd. En de Heere Jezus wijst dan ook naar deze openbaring als Hij zegt: Onderzoek de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben, en die zijn het die van Mij getuigen. Heel de Schrift, van Genesis tot Maleachi, en van Mattheus tot de Openbaring aan Johannes, wijst naar de Jezus Christus. In Hem hebben al de voorzeggingen hun vervulling ontvangen. Hij, de Gegevene van de Vader, God en mens in enigheid Zijn Persoons, heeft verzoening aangebracht. Allen die in Hem geloven, zullen zalig worden.
Daarom is het Woord des Heeren zo’n grote, onwaardeerbare schat. En vindt het Sion Gods in dat Woord alles, wat het nodig heeft.
Niet, dat dat Woord op zichzelf zaligmakend zou zijn. Dan zouden allen die het hoorden of lazen er ook door gezaligd worden. Maar als dat Woord voor ons wordt, wat het is, Gods openbaring aan ons, tot ontdekking aan onze ellende, tot ontdekking ook van de weg der zaligheid, dan zal dat Woord het zaligmakende Woord voor ons zijn.
En hoe meer wij dat Woord zullen lezen, hoe beter wij dat Woord door het geloof zullen verstaan. Hoe meer onze ziel in verwondering zal wegzinken en buigen voor God. God, Die wat onmogelijk was voor de mens in de zending van Zijn Zoon heeft mogelijk gemaakt. Zodat de in Adam verlorene eens in volle wijsheid en kennis, in ware gerechtigheid en heiligheid met Hem zal kunnen zijn, volkomen verlost, in heerlijkheid.
En wij zullen het Woord des Heeren, Zijn openbaring van het Evangelie, liefhebben en steun vinden voor ons geloof, onze hoop en onze liefde in dat Woord.
't Is trouw, al wat Hij ooit beval;
Het staat op recht en waarheid pal,
Als op onwrikb're steunpilaren;
Hij is het, die verlossing zond
Aan al Zijn volk; Hij zal 't verbond
Met hen in eeuwigheid bewaren.
De Heidelberger noemt in het antwoord onze Heere Jezus Christus als Middelaar. Onze Heere Jezus Christus, de gezalfde Zaligmaker en Heere dus van ons. Hoe hebben we dit op te vatten? Dat de Heere Jezus Christus de Middelaar is van hem die hier antwoordt, dat lijdt geen twijfel. Die hier antwoordt is toch een waarlijk ontdekte door de Geest, ja een verder doorgeleide, die niet meer hoeft te staan voor de vraag wie hij is voor God, en wie God is voor hem. Hij weet door het geloof dat hij voor God een zondaar is, maar ook dat God, voor Wie hij een zondaar is, met hem in Christus verzoend is. Dat hij is gerechtvaardigd en dat God hem eenmaal tot Zich zal nemen in heerlijkheid.
Wanneer echter de ware gelovige hier spreekt, dan spreekt hij ook namens de gemeente des Heeren, voor zover zij ook waarlijk in Christus is. Zeker, voor de hele gemeente, hoofd voor hoofd, kan in voorwerpelijke zin gesproken worden dat zij van Christus is. Zoals ook de ranken die geen vrucht dragen, in Johannes 15 vers 2, toch ranken van de wijnstok zijn. Zo is Christus ook in voorwerpelijke zin onze Heere Jezus Christus voor allen die tot de gemeente behoren.
Dat wijst ons naar een groot gevaar, namelijk dat wij in het meervoud opgaan en het enkelvoud zouden laten liggen. Dat wij het onze zouden toepassen op al de belijdende leden en doopleden, wat slechts als geestelijke weldaad waarde kan hebben voor de eeuwigheid. Dat leidt ertoe dat we voor levend houden en zalig spreken wie geboren zijn uit ouders die tot de gemeente behoren. Met nadruk moeten wij dat gevaar onder ogen zien. Het is toch niet denkbeeldig dat we met de Joden zeggen: Wij zijn Abrahams zaad, wij zijn kinderen van het Verbond. Vergeten we toch niet dat er velen zullen zijn, die tot de gemeente van de Heere hier op aarde behoren, die toch in de eeuwige duisternis zullen eindigen. Wie werkelijk zal kunnen spreken over Onze Heere Jezus Christus zal niet slechts in voorwerpelijk zijn het eigendom moeten zijn van Christus, en Christus van hem. Laten we die scheidslijn toch niet over het hoofd zien!
Daarom is de vraag zo op haar plaats: Is Hij onze, is Hij mijn Heere Jezus Christus? Met enkel het onze gaan wij verloren, het moet mijn worden. En als het mijn wordt, dan zullen we de eenheid in Christus van alle ware gelovigen kennen en beleven in de belijdenis: Ik geloof de gemeenschap der heiligen.
Onze Heere Jezus Christus wordt het niet door geboorte uit het bloed, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil des mans, maar alleen in de ware noodzakelijke zin door geboorte uit God, door wedergeboorte dus. In de wedergeboorte worden wij Hem ingeplant, worden we één plant met Hem. En die eenheid met Hem, dat in-zijn in Hem, werkt de rechte kennis, doet jagen naar rechtvaardigheid, staan naar heiligheid. Die eenheid met Hem maakt onze zondaar voor God, doet ons worstelen opdat wij de verzoening met God mogen verkrijgen. Het doet ons omzien naar de weg, het middel, waardoor wij de straf mogen ontgaan en wederom tot genade komen. Want de wedergeboorte, het ingeplant worden in de Borg, laat ons niet ledig. Integendeel, zijn maakt recht levendig werkzaam.
Het is dan ook niet waar als men beweert dan men niet weten kan of wij van Christus zijn, en Hij van ons is. Alle oprechten van hart, allen die waarlijk worstelen aan de troon der genade, allen dus wie de zonde smart geeft om des Heeren wil, die zich vanwege hun zonden mishagen, zijn de Zijnen. Verstaan wij wel, hier is niet bedoeld een opwelling van het gemoed, of een zekere angst voor een mogelijk vreselijk einde. Wie waarlijk worstelt aan de troon der genade is niet makkelijk tevreden te stellen. Hij heeft met God te doen, want hij kent zijn ellende, dat hij buiten God is, in een onverzoende staat met Hem. Dat drijft hem uit, dat doet hem bidden en smeken, dat doet hem aanhouden in het gebed. Dat doet hem zeggen met Jacob aan de Jabbok: Ik laat U niet gaan tenzij Gij mij zegent. Nee, hij kan niet getroost worden met een theorie, hij moet in zijn ziel ervaren dat God hem aanneemt als Zijn kind!
Dat zijn de ellendigen die een Borg nodig hebben, en voor wie Jezus Christus door de God van alle genade geschonken is. En nu mag hun ziel verkwikking en tijdelijke verademing en rust vinden als zij door het geloof, gewerkt door de Geest, goedertieren gedachten van God krijgen, door Zijn menigvuldige beloften en toezeggingen. Maar zolang zij met bewustheid van hun ziel Jezus Christus niet mogen eigenen als hun Borg en Zaligmaker, zolang ontbreekt hun de vastheid van het leven, al is dat van Gods kant gezien alles goed is.
Een christen zonder werkzaamheden om Christus is denkbaar, want dat hij Christus nodig heeft moet hij leren verstaan door het onderwijs van de Geest. Niet denkbaar is een christen, die niet tot Christus geleid wordt. Want: Al wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen, dat heeft Christus Zelf gezegd.
Hoe wordt onder de leiding en het onderwijs van de Heilige Geest de Christus als Borg noodzakelijk, gepast en dierbaar voor het hart! Hoe wordt door de Heilige Geest ook het Woord daartoe gebruikt. En wat een bron van leven en troost vindt het kind van God in de openbaring van de Heere, die op elke bladzijde heenwijst naar Hem, Die de Weg, de Waarheid en het Leven is.
Kind van God, sta er naar de Heere Jezus te leren kennen als uw Zaligmaker. Daarin ligt de zekerheid van uw geloof en van uw staat. Wie Hem de Zijne mag noemen, weet dat Zijn Verlosser leeft. Wie Hem de Zijne mag noemen kent zich, hoewel in zichzelf een ellendig zondaar, in Hem gekruisigd, in Hem gestorven en begraven, maar ook met Hem opgewekt en met Hem gezet in de hemelen. Zijn staat ligt vast voor hem, zodat hij de vrucht daarvan mag genieten en met de apostel Paulus zeggen kan: Ik weet en ben verzekerd, dat Hij machtig is, het pand, bij Hem weggelegd, te bewaren.
Hoe staat het nu met ons? Wij allen belijden als gemeente met de Heidelberger: Onze Heere Jezus Christus. Moge dat onze nimmer tegen ons getuigen!
Dat wij Hem allen mogen leren kennen als de Borg, noodzakelijk voor ons, tot delging van de schuld, tot verzoening met God. Mogen wij zondaren worden, verloren zondaren, verloren in Adam en verloren in onszelf, om de toevlucht te leren nemen door de ontferming van God in Christus. Om te leren vluchten tot het kruis van Golgotha. Om getroost te worden met het geopende graf in de hof van Jozef van Arimathea.
De kleine en zwakke in het geloof vertwijfele toch niet. God de Heere wil en kan en zal sterkte en wasdom geven, als dat in de weg van het gebed van Hem begeerd wordt.
De onbekeerde onder ons, wiens hart niet uitgaat naar de goederen der genade, bedenke toch dat Hij, Die onze Heere is, eenmaal komt om rekenschap te vragen, ook van zijn ongeloof en onbekeerlijkheid.
Gods genade geve ieder van ons met Da Costa te belijden van de Heere Jezus Christus, met toe-eigening van het hart:
Ik zag Hem, den Wortel van Davids geslachte,
Zijn Heer en zijn Koning, en tevens zijn Zoon!
Den God van den hemel, d' op aarde Verachte,
Geheiligd, verheerlijkt door lijden en hoon,
Mens met ons geworden voor mensenbehoefte,
Voor mijn overtreding tot zonde gemaakt,
Geslagen, gesmaad door dolzinnig geboefte,
Aan 't vloekhout doorboord, van God zelven verzaakt!....
Om dan het uit te jubelen:
Mijn Redder, mijn Goël, mijn Zondenvernieler,
Mijn Meester, mijn Heiland, mijn Heer en mijn God!
Mijn Onheilverwinnaar, mijn Levensbezieler!
Gezegend, geheiligd, beslist is mijn lot!
AMEN