Zondag 4
Gods gerechtigheid gehandhaafd
prof. F. Lengeek (1871-1932)
Ps 73:14
Ps 130:2
Ps 86:3,6
Ps 79:4
Ps 103:6
Psalm 51
Geliefde Gemeente,
Onrecht hebben en het te weten, zijn twee dingen. Ook te weten dat men onrecht heeft en het te belijden.
Het eerste kan uit onkunde ontstaan, uit verkeerd inzicht, uit onvoldoende kennis. Men kan ongelijk hebben en het niet zien. Hoe menigmaal geschiedt dit niet in het leven. Er wordt een woord verkeerd gehoord, waardoor verwijdering ontstaat. Of men beoordeelt de gronden van een zaak verkeerd door gebrek aan inzicht en veroordeelt wat eigenlijk aanvaard moest worden.
Later wordt de bedoeling van de woorden duidelijk, of worden de gronden van de zaak opgehelderd. En men komt tot de ontdekking dat men onrecht had.
Juist dan komt dikwijls het onderscheid tussen weten en willen weten aan de dag, en blijkt niet alleen de onvolkomenheid door de zonde, maar vooral het zondige van de natuur van de mens.
O, het is zo moeilijk onrecht te belijden, al weten we nog zo goed dat het onrecht aan onze kant is.
Wij voelen het belijden van onrecht als een vernedering en zullen er daarom niet zo gemakkelijk toe komen. Ons hart is er altijd op uit zichzelf schoon te pleiten, door aanleidende oorzaken of aanlokkende omstandigheden de schuld te geven. Of wel door de schuld geheel op anderen te wentelen.
Wij willen niet de schuld aanvaarden. Wij willen niet vernederd worden. Wij willen onszelf handhaven in wat wij onze eer noemen. Daarom zullen wij de schuld ontkennen, zolang we kunnen. Indien dat niet kan, zullen we onze schuld verbloemen en verzachten. Graag noemen we ons dan, wat we anders niet zo grif doen, een kind van de omstandigheden. Onze daden zijn dan vrucht of gevolg van de onvermijdelijke gang van zaken. Ook dan zelfs, als de waarheid voor het grijpen ligt, en we wel kunnen uitrekenen dat ze niet bedekt kan worden.
Zie het bij het eerste mensenpaar, als zij door de Alwetende ter verantwoording worden geroepen na de val. Beiden, Adam en Eva, weten dat zij gezondigd hebben. Als God hen evenwel ter verantwoording roept en vraagt: Waar zij gij? Dan antwoord Adam niet: Ik heb gezondigd en daarom heb ik mij verborgen. Maar hij zegt: Ik hoorde Uw stem in de hof, en ik vreesde, want ik ben naakt. Daarom verborg ik mij. Het is of dat besef van naaktheid vanzelf is gekomen over de mens, en niet door zijn eigen overtreding. En als de Heere verder gaat met Adam, dan geeft Adam de schuld aan Eva. En Eva geeft de schuld aan de slang!
We zien dat ook bij Aäron, als hij het gouden kalf gegoten heeft bij de Sinaï. Het volk heeft hem ertoe gebracht! Denk aan Saul, toen Samuel tot hem kwam om hem in naam van de Heere te onderhouden over het sparen van het vee en de koning van de Amalekieten. Ook bij hem is niet hij maar het volk de schuldige. En gaf hij niet een mooi argument waarom hij het vee had gespaard?
Waarom zouden we nog meer voorbeelden geven. Doorzoek uw eigen hart en leven, uw eigen geschiedenis, en het zal u niet aan voorbeelden ontbreken die onderstrepen wat al gezegd is. Wat hebben wij als kind niet heen gedraaid om de schuld van het één of ander onrecht van ons af te schuiven! Wat hebben wij dat niet gedaan als jongere! Wat doen wij het niet nog als zogenaamde grote, dus verstandige, mensen!
Want, het stemt overeen met onze natuur. Het komt voort uit het egoïsme waarin wij gevallen zijn, toen wij de liefde van God vaarwel zegden. Wij willen niet buigen, niet bukken. Voor elkaar niet en voor God niet!
Ach, hoe verdrietig moet dikwijls het kind des Heeren die hoogmoed van het hart ervaren. Want het recht niet toevallen betekent, zowel wat betreft onze verhouding tot de mensen als tot de Heere, verwijdering! Waar de waarheid zegeviert, daar zegeviert het recht. Waar het recht niet wordt erkend en dus het onrecht niet wordt beleden, daar kan de waarheid niet zegevieren. Daar wordt de vrucht van de waarheid gemist. Want alleen de waarheid kan de weg tot de vrede banen en de vrede schenken.
Van nature echter liggen wij in de leugen!
Hoe komt dit ook uit, als het de weg der zaligheid betreft. Die weg is alleen voor zondaren, niet in algemene zin maar voor zondaren die het voor God erkennen met hun hart. Zulke zondaren willen wij niet wezen! Daarom hebben wij ook onze tegenargumenten tegen de goddelijke waarheid, tegen onze ellende, tegen de rechtvaardigheid van God, zoals die zich in Zijn Woord openbaart en de mens schuldig stelt!
Aan pogingen om de klem van de leer der ellende te ontgaan, ontbreekt het dan ook niet. De afdeling van de Heidelbergse Catechismus die nu onze aandacht vraagt, laat ons het vlees zien in zijn bedenkingen tegen de Geest.
Job 34:10b-12
”Verre zij God van goddeloosheid en de Almachtige van onrecht; want naar het werk des mensen vergeldt Hij hem, en naar eens ieders weg doet Hij het hem vinden. Ook waarlijk, God handelt niet goddeloos, en de Almachtige verkeert het recht niet”.
Zondag 4
Vraag 9: Doet dan God de mens geen onrecht, dat Hij in Zijn wet van hem eist, wat hij niet doen kan?
Antwoord: Neen Hij; want God heeft de mens alzo geschapen, dan hij dat kon doen, maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen, door het ingeven des duivels en door moedwillige ongehoorzaamheid, van deze gaven beroofd.
Vraag 10: Wil God zulke ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten?
Antwoord: Neen Hij, geenszins; maar Hij vertoornt Zich schrikkelijk beide over de aangeboren en werkelijke zonden, en wil die door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwiglijk straffen, alzo hij gesproken heeft: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.
Vraag 11: Is dan God ook niet barmhartig?
Antwoord: God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig; daarom zo eist Zijn gerechtigheid, dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft worde.
De Heidelberger heeft ons tot nu de mens leren kennen als van nature geneigd God en zijn naaste te haten, en dat door eigen schuld. Ganselijk onbekwaam zijn wij van nature tot enige geestelijk goed en geneigd tot alle kwaad. Hier zal slecht door een Godsdaad, de wedergeboorte, wijziging in gebracht kunnen worden. Uit en van onszelf is er geen hoop op beterschap, geen uitzicht op verlossing.
Deze waarheid is hard, wie kan ze horen, van nature? In plaats dat de mens de hand op de mond legt, waar de Heere zo duidelijk verstaanbaar in Zijn Woord spreekt, welt in hart de vraag op of het wel in alle delen recht is wat de leer der zaligheid ons verkondigt.
Die vraag is nu aan de orde. Wij zien in deze zondag
“Gods gerechtigheid gehandhaafd”.
De Catechismus wijst ons op:
I De wettigheid van Gods eis
II De wettigheid van Gods straf
III De geldigheid van Gods recht
I De wettigheid van Gods eis
Als het leven van het kind des Heeren teer ligt, dan zijn de vragen in deze zondag gedaan, verre van aangenaam. Voelt het in die vragen niet een hernieuwde belediging van de allerhoogste majesteit van God?
Maar het is nuttig, en nodig, dat deze vragen gesteld worden. Ze zijn volstrekt niet als een belediging bedoeld door de opstellers van de Heidelberger.
Als wij bedenken wat er leeft in ons aller hart, hoe het zich in Adam van de allerhoogste majesteit van God heeft afgewend, en zich nog dagelijks, zelfs na ontvangen genade, afkerig toont van de onderwerping aan de waarheid. Als we bedenken, dat ons vlees zo vaak dezelfde vragen stelt om zich vrij te maken van de eis, van de straf, vrij te maken van het recht van God, dan doen deze vragen ons leed. En dan niet omdat zij de Heere beledigen, maar omdat ze nodig zijn vanwege onze verdorvenheid. Wij zijn beledigers van de allerhoogste majesteit van God. Ons vlees stelt die vragen, en daarom, omdat de opstellers onderwezen zijn door de Heilige Geest en de rechte mensenkennis bezaten, worden deze vragen gesteld. Zijn ze dus niet aangenaam, wij willen zei toch in de Heidelberger niet missen. De antwoorden op deze vragen handhaven, in de striktste zin, de allerhoogste majesteit van God. In die rechtvaardiging van God vindt de oprechte zijn verheuging!
De eerste bedenking, in vraag 9 overgeworpen, richt zich tegen de wettigheid van de eis van God. Doet dan God, zo luidt de vraag, de mens geen onrecht dat Hij in Zijn wet van hem eist, wat hij niet doen kan?
De vraag klinkt voor het natuurlijk verstand zeer gepast. Immers, hoe kan iemand betalen die niets heeft, hoe kan iemand iets doen als hij er de krachten toe mist? En zo staat het toch met de mens? Hij is onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Zo is hij onbekwaam om God te zoeken en te dienen. Hij kan niets doen dat God welbehaaglijk is. In alles is hij even onmachtig. En daarbij, de begeerlijkheid van het vlees overheerst hem en drijft hem hoe langer hoe verder van God af, op het pad van de goddeloosheid. Het is toch zo dat de mens niet kan en niet wil? Het is toch zo dat de mens dood is door de zonden en de misdaden? Hoe kan nu van iemand die geen vermogens heeft tot het goede, geëist worden dat hij het goede zoekt en doet? Hoe kan van een dode worden verlangd dat hij het werk van een levende verricht?
Een schijn van recht heeft deze vraag zeker, maar ook niet meer dan een schijn. Het niet kunnen volbrengen wat het recht eist, mag en kan nooit een reden zijn waarom de eis zelf niet gewettigd zou wezen!
Daarbij, wie deze vraag stelt mag zich voordoen alsof hij werkelijk meent wat hij zegt, en dat dus ook als waarheid aanneemt, maar feitelijk gelooft hij niet wat hij zegt. Wie waarlijk gelooft, is er verre van om de wettigheid van het recht en dus ook van de eis van het recht te betwisten.
Eigenaardig is ook dat de mens van zichzelf spreekt als onmachtig en dood, en zich toch tegen het onmachtig en dood zijn te weer stelt! Daar ligt in deze vraag, hoe zij ook oppervlakkig gezien een schijn van recht mag hebben, een onoprechtheid in niet geringe mate. Als de tegenstander eerlijk zou zijn, hij zou niet spreken van onmachtig en dood, van een niet-kunnen, maar hij zou belijden dat hij niet wil!
Als de Heidelberger deze vraag beantwoordt, gaat hij niet in op dat huichelachtige, maar verdedigt hij de eis van God, dat de mens Hem zou moeten gehoorzamen, door te zeggen: Neen Hij! Een zeer sterke vorm van ontkenning, Neen Hij; want God heeft de mens alzo geschapen dat hij dat doen kon, maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen, door het ingeven van de duivel en door moedwillige ongehoorzaamheid, van deze gaven beroofd.
De Catechismus voert ons ook nu weer, net als in de vorige zondag, terug naar het paradijs. God heeft de mens alzo geschapen, dat hij kon doen wat God van hem vorderde. Wat God van hem vorderde, vorderde de Heere naar Zijn heilig recht. Het was ook geheel in overeenstemming met hetgeen de mens, als beelddrager van God, wenste en begeerde. Dat alleen kon hem gelukkig maken in de staat, waarin hij geschapen was! Geheel in lijn met de menselijke natuur, zoals die oorspronkelijk was, ligt het gebod van God. Om God lief te hebben boven alles en de naaste als zichzelf. De mens bezat daar het vermogen toe. Zou de Heere, Die verre is van goddeloosheid en onrecht, hem anders wel hebben kunnen plaatsen onder het proefgebod van het werkverbond? Er zou immers van een werkverbond geen sprake kunnen zijn, als de mens niet bij machte was geweest om dat werkverbond te houden. Dat werkverbond was voor de mens, zolang hij stond in de staat der rechtheid, geen knellend juk, geen drukkende last. Met blijdschap en vrede heeft de mens dat werkverbond aanvaard, als het recht van de Almachtige, en hij heeft het ook met blijdschap en vrede beleefd. Nee, wij geloven niet wat men wel eens heeft verkondigd, dat de mens in een staat van kinderlijke onnozelheid zou zijn geschapen, zodat hij niet goed wist wat God, zijn God, van hem eiste. Hij wist het! Daarbij was hij in heel zijn wezen er op aangelegd om te doen wat de Heere vorderde.
Geen verontschuldiging dus voor de mens, als hij valt! Hij kan niet zeggen dat het hem aan vermogen heeft ontbroken, om de verleiding te weerstaan en in de dienst van zijn God te volharden.
Wat hij gedaan heeft, heeft hij willens en wetens gedaan. Maar wie heeft zijn hart geopend, zodat het woord van de duivel er een plaats in vond? Wie heeft zijn verstand zo afgeleid, dat het niet bedacht wat God gezegd en bevolen en bedreigd had? Wie heeft zijn hartstochten veranderd? Wie heeft zijn wil van het goede naar het kwade gebogen?
De duivel? Het optreden van de satan in de geschiedenis van de val is zeker van invloed geweest. Van wie moest de verleiding anders komen dan van hem? Een ander in wie ook het kwaad leefde was er niet.
Als echter de mens zijn hart niet had geopend voor het kwade. Zijn verstand niet had laten aftrekken van de waarheid. Zijn hartstochten, tevoren heilig en naar God gericht, niet had laten veranderen. Zijn wil, gevestigd op het goede, niet had laten ombuigen naar het kwade. Welke macht zou dan in staat geweest zijn de mens te doen vallen? Zelfs satans macht zou tekort geschoten zijn.
De mens had de macht om, gelijk de tweede Adam, Christus, de satan af te wijzen. Christus sprak: “Daar staat geschreven”. De mens had satan af kunnen wijzen met ”God, mijn Schepper en Weldoener, mijn Vader, heeft gesproken!”.
Dat de duivel gekomen is in de hof, om de mens te verleiden, is de schuld van de duivel. Dat de mens zich heeft laten verleiden, is de schuld van de mens. Terecht spreekt de Catechismus dan ook van moedwillige ongehoorzaamheid.
Heeft de mens, door zijn moedwillige gehoorzaamheid, niet voldaan aan de eis van het werkverbond, die ten leven was, en is hij dus verbondsbreker geworden? Aan Gods zijde blijft de eis van het werkverbond gehandhaafd.
God kan niet anders, dan van het maaksel van Zijn handen vorderen, dat hij in overeenstemming met zijn schepping zich zou openbaren. Met de val van Adam valt de mensheid. In en met hem zijn wij allen van de Heere afgevallen, en de zonde en de satan toegevallen.
Dat wij zondig zijn en zonden doen, is dan ook niet slechts Adams schuld, nee, ook de onze. Krachtens het verbond waarin God de mens gesteld heeft zouden wij, zo Adam staande gebleven was, ook met hem de eeuwige zaligheid genoten hebben. Zouden wij allen tot in alle eeuwigheid met God in zalige gemeenschap geleefd hebben. Maar anderzijds vloeit uit datzelfde werkverbond ook voort, dat de zonde van Adam onze zonde, de schuld van Adam onze schuld, de verdorvenheid van Adam door de val onze verdorvenheid is.
Dat wij nu Gods gebod niet kunnen houden, dat wij van nature geneigd zijn God en de naaste te haten, is niet Adams zonde en Adams schuld en Adams verdorvenheid. Het is onze verdorvenheid, onze schuld, en onze zonde!
Als de Heere ons de genadeweldaad van de wedergeboorte schenkt, waardoor ons verstand verlicht, onze hartstochten geregeld, en onze wil omgebogen wordt, dan zullen wij het recht van God, om van ons te eisen wat Zijn recht is, niet afwijzen. Wij zullen de eis van God volkomen en van harte onderschrijven. Als de Heere, door Zijn Geest en Woord, God voor ons wordt, dan is voor ons de Rechtvaardige. Dan leren wij Hem kennen als de Getrouwe, aan Zijn verbond en aan Zichzelf. Als de Heere de eis van het werkverbond, dat is de eis van Zijn Wezen, had laten vallen, dan had Hij Zichzelf moeten verloochenen!
Maar deze eis blijft gehandhaafd tot in alle eeuwigheid. Er is geen ogenblik, zelfs niet als de Heere de zondaar uit genade rechtvaardigt om de verdienste van Christus, waarop de Heere ook maar in het allerminst zou afzien van Zijn eis.
Zalig de mens, die deze eis in zijn klemmende betekenis leert kennen, in het heden der genade. Het zal hem zondaar doen worden voor God. Het zal hem leren dat hij nooit aan deze eis voldaan heeft of zal kunnen doen. Het zal zijn ellende uitmaken! Maar juist dat zal hem uitdrijven. Niet om de schuld op God of Adam te werpen, maar om zijn niet-kunnen als zonde te leggen aan de troon der genade. Om daar zijn Rechter te ontmoeten, van Wie alleen nog uitkomst zal kunnen zijn voor hem. En wie daar komt zal leren, bevindelijk, hoe het mogelijk is dat God Zijn eis handhaaft, en nochtans zondaren, schuldigen, verdorvenen, in ontferming wil aannemen.
II De wettigheid van Gods straf
In nauw verband met de handhaving van de wettigheid van Gods eis, staat de handhaving van de wettigheid van Gods straf. Daarover handelt de volgende vraag met haar antwoord.
Wil God zulke ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten? Als het antwoord op deze vraag toestemmend zou luiden, zou het zeker veel mensen voldoening geven. Er zijn er heel wat die nog wel over God willen spreken, en in God zeggen te geloven, maar u moet hun niet spreken over een God Die de zonde straft. Het komt voort uit de beschouwing van de zonde. Vooral in onze tijd ziet met de zonde liefst als een gebrek, iets dat men niet helpen kan als het gebeurt. Zonde is een ziekte waaraan de mens lijdt. Zij komt voort uit onwetendheid, uit overgeërfde zwakheid, uit storingen in het denken of uit een tekort aan wil. Zo zet met in de rechtspraak vaak het medische voorop, in plaats van dat men het juridisch beoordeelt. De zondaar, zegt men, moet niet gestraft worden, hij moet genezen worden. Het begrip vergelding wordt zoveel mogelijk op de achtergrond gezet. Geen wonder, want daardoor wordt de mens eigenlijk van dat lelijke ding, dat schuld heet, ontlast. Daarom wil men ook niet van een God weten, Die de zonden straffen, dus vergelden zou!
Velen, die nog niet gebroken hebben met de Heilige Schrift, maken daarom onderscheid tussen de God van het Oude en de God van het Nieuwe Testament. Dat zij daardoor het Woord van God breken, en in plaats van de enige waarachtige God twee goden stellen, is voor hen geen groot bezwaar. Het komt voor die mensen er ook minder op aan wat men gelooft, waar het op aankomt is voor hen het vrome leven. Maar zo’n leven, als vrucht van eigen beschouwing, al wordt die dan nog wel gekoppeld aan een deel van de Bijbel, kan voor God niet bestaan. Het kan de toets van de waarheid niet doorstaan. Daarbij moeten wij niet vergeten dat wij niet te doen hebben met twee goden, maar met de ene, onveranderlijke God, Die Zichzelf blijft. Hij kan niet voor de komst van Christus in het vlees de God der wrake zijn, en na de komst van Christus de God der liefde en barmhartigheid. Als wij de Heilige Schrift goed verstaan, dan vinden wij in het Oude Testament God als de God der gerechtigheid en der genade. En in het Nieuwe Testament is God evenzo de God der genade en der gerechtigheid. Of horen wij de stem van de liefde niet weerklinken onder de oude bedeling? En lezen wij niet in het Nieuwe Testament: Want onze God is een verterend vuur?
Genoeg, het antwoord van de Heidelberger windt er geen doekjes om, als het gaat om de wettigheid van de straf. Het zegt: Neen Hij, geenszins; maar Hij vertoornt Zich schrikkelijk beide over de aangeboren en werkelijke zonden, en wil die door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwiglijk straffen, alzo hij gesproken heeft: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.
God laat dus de zonden niet ongestraft, integendeel. Hij vertoornt Zich schrikkelijk over de zonden en straft die met tijdelijke en eeuwige straffen. En zowel de aangeboren zonde als de werkelijke, de dadelijke zonden, vallen onder deze toorn. Wij zien dat in de eerste plaats aan de dood, die op de zonde als straf bedreigd is, en doorgaat door heel het menselijke geslacht, gelijk het in Adam gevallen ligt en dus schuldig staat aan de verwerping van God. Die dood komt niet alleen over hen, die met kennis van onderscheid zondigen. Dat zouden we met de Schrift een overtreden kunnen noemen in gelijkheid aan Adam. Maar die dood komt ook over kinderen, over zuigelingen die, zonder tot zelfbewustheid gekomen, zodat zij geen onderscheid kennen tussen hun rechter- en hun linkerhand, en nog minder tussen goed en kwaad, toch sterven. Dat de dood de bezoldiging van de zonde is, blijkt uit het sterven van kleine kinderen. Ook zij staan schuldig, al hebben zij geen dadelijke overtredingen, Zijn worden in zonde ontvangen en in ongerechtigheid geboren, en zijn daardoor al het voorwerp van Gods toorn.
Dat God ook de dadelijke zonden straft, misschien hebt u daarvan wel het bewijs in uw eigen leven, blijkt in de Heilige Schrift in veel geschiedenissen die ons tot lering en tot vermaning zijn beschreven. Denk slechts aan de eerste zonde in het paradijs, aan de zonde van Kaïn, aan de ondergang van de eerste wereld door de zondvloed, aan de verwoesting van Sodom en Gomorra. Of aan de straf die Mozes ontving omdat hij de Heere niet had geheiligd bij de steenrots. En om nog enkele voorbeelden uit het Nieuwe Testament te noemen, denk aan het oordeel dat gekomen is over Judas, over Ananias en Safira, over Herodes, over Jeruzalem en het Joodse volk.
Als de Bijbel zegt dat er geen kwaad in de stad is dat de Heere niet doet, dan wijst ons dit op Zijn straffend en bezoekend optreden tegenover de zonde en de ongerechtigheid. En mogen we daarbij niet vergeten dat wel het doel van de Heere met Zijn beproevingen is dat Zijn volk genezen zal worden van hun zonden, het vergeldend karakter moeten wij niet willen ontkennen. De Heere is een God, Die met de zonde geen gemeenschap kan hebben, en daarom tegen de zonde toornen moet! Ligt in de straf een roepstem tot bekering, vreselijk zal het zijn als wij door de Heere geslagen worden, en geen pijn voelen. Als wij dus op de straffende hand van de Heere geen acht slaan. Gods toorn kan toch niet gestild worden door straffen op de zonde gedurende dit leven. Was dat zo, dan zou, als ons leven maar zo moeilijk en vol tegenheden en rampen en smarten was als maar kon, de schuld geboet zijn, en zalig zouden dan de lijders zijn. Dan zou de wereld nog gelijk krijgen, die vaak met een schrale en bedrieglijke troost het huis van rouw binnenkomt. De overledene heeft zoveel moeten lijden, hij zal nu wel in een betere plaats zijn aangeland! Maar zo is het niet! Al het lijden van de mensen samengenomen is nog niet voldoende voor de zonden. De bezoldiging van de zonde is de dood. En het lijden is wel een teken dat bij die dood hoort, maar het is de dood zelf niet. De dood is het afgesneden zijn van de levenswortel. Daarom viel de mens door zijn val in de dood, daarom is hij geestelijk dood. En tenzij wedergeboren uit water en Geest, en dus weer ingeplant op de oorspronkelijke wortel, de mens wacht de eeuwige dood, het eeuwig gescheiden zijn van Gods gunstrijke gemeenschap, en het dragen van alle daaraan verbonden ellenden.
Van die eeuwige straf, die toch zo duidelijk in de Heilige Schrift ons geleerd wordt, willen velen niet weten. Laat die straf lang zijn, laat ze eeuwen duren, maar volgens hem komt er eenmaal een moment waarop de straf wordt opgeheven. En dan zullen zij die de straf moesten dragen, hersteld worden in de gemeenschap van God en wel zalig worden. Als de Schrift echter het eeuwige leven tegenover de eeuwige straf stelt, dan is toch wel duidelijk dat de Schrift niet doelt op slecht een lange, eeuwen durende, straf. Was dit zo, dan zou ook het eeuwige leven geen eeuwig leven, maar een lang durend leven zijn waaraan eenmaal een einde komt. Maar nee, de worm sterft niet, en het vuur wordt niet uitgeblust! En ook: het leven der zaligheid zal niet eindigen, maar eeuwig voortgaan van heerlijkheid tot heerlijkheid!
God wil, zegt de Heidelberger. Dat is de wil van Zijn Wezen. Onveranderlijk zoals God onveranderlijk is. Omdat God is, Die Hij is, daarom moet Hij de zonde willen straffen, en kan van opheffing van die wil geen sprake zijn. De getrouwe VerbondsGod blijft getrouw aan Zijn verbond. Hij handhaaft Zijn eis en handhaaft tevens de straf die gesteld is op het overtreden van die eis. De straf is de vloek waarvan de tekst spreekt die in het antwoord wordt aangehaald. De vloek, dat is niet het vloeken zoals die vaak van mensenlippen gehoord wordt, maar het verbreken van de gemeenschap, waardoor alle rechten op gunst en ontferming, op hulp en liefdebetoon, de gevloekte worden ontnomen. In de staat der rechtheid had de mens rechten op die zegeningen. In de staat der ellende mist hij die vanwege het rechtvaardig oordeel van God. En hij blijft die rechten missen tot in alle eeuwigheid, zo hij niet weder door God in genade wordt aangenomen. Daarom heeft de mens geen enkele pleitgrond in zichzelf. Daarom leert de beweldadigde met Gods genade de zaligheid buiten zichzelf in God en Christus zoeken! Maar deze zal dan ook de wettigheid van de eis en de straf van harte leren toestemmen. En hij zal belijden dat het rechtvaardig zou zijn van God, als Hij hem wegens zijn aangeboren en werkelijke zonden, zijn erf- en dadelijke ongerechtigheid, voor eeuwig zou verwerpen!
III De geldigheid van Gods recht.
Het is recht dat God Zijn eis handhaaft, en het is recht dat God de zonde straft. Maar, zo horen wij het vlees zeggen dat zich niet aan de wet van God onderwerpt, en dus niet graag hoort spreken over gerechtigheid en oordeel: U spreekt nu maar over de wettigheid van eis en straf, is God dan ook niet barmhartig?
Wij voelen wel aan waar deze vraag heen wil!
Men wil toestemmen dat God rechtvaardig is, maar vervolgens de barmhartigheid van God zo tegenover de rechtvaardigheid stellen, dat er praktisch van de rechtvaardigheid niets overblijft en dus niet te duchten is. De ene deugd in God moet worden opgeheven door de andere. Zo verwacht men dan, dat God de zonde niet goed zal noemen, maar haar door de vingers zal zien. De toorn is dan wel vreselijk, maar met de straf zal het wel schikken! Dat gaat zo als men de allerhoogste majesteit van God afmeet naar de mens. Men ziet de eigenschappen van God niet in Hem als volkomen en in harmonie met elkaar, maar zoals in de onvolkomen mens, elkaar verdringend, waarbij nu weer eens de ene en dan weer de andere de toon aangeeft en het oordeel bepaalt. Wat onderscheid maakt het bijvoorbeeld in een menselijk oordeel, of dat oordeel gaat over iemand die men niet of juist over iemand die men wel graag lijden kan! De eerste zal zich de straf toegemeten zien zonder enige verzachting, de ander met alle mogelijke verzachting. Wij kunnen immers, bijvoorbeeld, van onze eigen kinderen veel meer verdragen dan van vreemden.
Maar is de mens het eigenlijk wel waard dat God hem barmhartig is? Daar denkt men niet aan. God moet maar tevreden zijn met wat de mens tegenover Hem is. Dat beroep op de barmhartigheid is om de gerechtigheid krachteloos te maken! Zonder een buigen onder de gerechtigheid van God zullen wij echter de barmhartigheid van God niet nodig hebben. Want hoe zullen wij barmhartigheid begeren als wij naar recht niet ellendig zijn?
Zegt de mens van nature, om de gerechtigheid van God te ontgaan: God is wel rechtvaardig, maar Hij is ook barmhartig. De oprechte zegt met de Heidelberger: God is wel barmhartig, maar ook rechtvaardig. Juist andersom dus. Het verschil is bij enig nadenken duidelijk. De natuurlijke mens legt de nadruk op de barmhartigheid om zich aan het oordeel en de straf van de gerechtigheid te onttrekken. De uit-God-geborene legt de nadruk op de gerechtigheid, om zich daarom op de barmhartigheid te beroepen, opdat hij genade ontvange!
Of God barmhartig is? Meer dan de natuurlijke mens het kan verstaan, leert hij het verstaan, die onder het recht van God mag komen. God is barmhartig voor allen, die barmhartigheid nodig hebben. Niet in de algemene zin waarin alle mensen liggen in de ellende, maar in de bijzondere zin, waarin een mens zichzelf als zondaar voor God leert kennen. Zolang de mens wel zonden heeft, maar geen zondaar voor God is, heeft hij de barmhartigheid van God niet nodig. Zo is ook de Heiland gekomen, om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. Wat verloren is, heeft een Redder nodig. Alleen wie onder het oordeel ligt, zal uitzien naar het verlossen ervan!
De barmhartigheid van God doet de rechtvaardigheid niet teniet! Het kan niet, of God moet Zichzelf verloochenen en Zijn recht opzij zetten. Dat recht moet worden gehandhaafd. En bij schending ervan moet er de straf komen, die op de schending was voorzegd.
Merken wij hier goed op, opdat wij ons niet bedriegen voor een ontzaggelijke eeuwigheid! Want de gerechtigheid van God eist, dat de zonde, tegen de allerhoogste majesteit van God gedaan, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft worde.
En nu is God barmhartig voor die allen, die dit geloven! En zij geloven het, die zichzelf kennen in hun ellende, en als zondaar de toevlucht nemen tot de troon der genade. Zij, die gebogen gaan onder hun schuld. Zij, wier hart schreit om de vloek, waaronder zij liggen, en die hun hoop vestigen op de barmhartigheid van God, omdat zij al hun rechten verloren hebben. Hun gebed vinden we in psalm 79.
Gedenk niet meer aan 't kwaad, dat wij bedreven;
Onz' euveldaad word' ons uit gunst vergeven;
Waak op, o God, en wil van verder lijden
Ons klein getal door Uwe kracht bevrijden.
Help ons, barmhartig HEER,
Uw groten naam ter eer;
Uw trouw koom' ons te stade;
Verzoen de zware schuld,
Die ons met schrik vervult;
Bewijs ons eens genade!
Bewijs ons eens genade. Tot deze bede zal het moeten komen!
Zoals wij zijn, schuldig in Adam, ons bondshoofd, en schuldig ook door onze dadelijke zonden, kunnen wij in het recht van God niet bestaan! Geen beroep op onze zwakheid of onmacht zal ons kunnen baten voor de rechterstoel van God. Geen beroep op de barmhartigheid van de Heere, met het verdoezelen van Zijn recht, zal ook maar enigszins het oordeel van God kunnen wijzigen.
God, de Heilige God, doet van Zijn recht geen afstand!
Vleien wij ons dan ook niet met deugden. Bedriegen wij ons dan niet door te rekenen op een zeker medelijden bij God, omdat wij zo ongelukkig zouden worden, als Hij ons in Zijn rechtvaardig gericht verstoot!
Denken wij er toch eens goed over na. Het zal zelfs voor de natuurlijke mens, zij het geen aangename, maar dan toch een begrijpelijke zaak worden. Indien er een gericht is, wacht ons een oordeel, een oordeel van de rechtvaardige en heilige God. De God voor Wie niets verborgen is, voor Wie alles naakt en geopend is. Die ons dus kent in al de vijandschap en haat tegen Hem. Het moet daarom uitlopen op een heenwijzen naar de plaats, die daar brandt van vuur en sulfer, naar de buitenste duisternis. Wij moeten verdoemd worden, omdat wij verdoemelijk, te verdoemen, zijn!
Het mag hard klinken, maar het is waar!
Niet God is veranderd, wij zijn het! Niet de Heere is ontrouw geworden, wij! Heel de schuld ligt aan onze kant. Dat wij gevallen zijn en onmachtig liggen onder de zonde, geneigd God en de naaste te haten, het is onze schuld. Wij zijn daarvoor aansprakelijk. En wat kunnen wij daartegenover stellen? Hebben wij iets, dat goed genoemd kan worden door de Heere? Nee, onze beste werken, onze gerechtigheden, zijn een wegwerpelijk kleed, als zij komen in het licht van Gods gerechtigheid. Voor ons mensen kunnen zij wat schijnen, zo dat wij er ons op verheffen en werkelijk menen iets te zijn, maar de Heere oordeelt niet naar de schijn. Hij oordeelt een rechtvaardig oordeel, naar het wezen!
Wat wij u bidden mogen, u die daar nog altijd uw weg gaat in de veronderstelling dat het nog wel schikken zal, als daar eenmaal het einde is. Wat wij u bidden mogen, bedenk toch dat niets u zal baten, niets van al hetgeen u zo aannemelijk voor uzelf beredeneren kunt. Houd u verzekerd, uw mond zal gesloten zijn als u in het gericht komt! En wat zal u veroordelen? Uw onmacht? Nee, oordelen zal u de gerechtigheid van God, waarop u dan niets zult hebben af te dingen! Oordelen zal u de barmhartigheid van God, waarvan gij in dit leven zo’n goddeloos, en daarom voor u zo schadelijk, gebruik hebt gemaakt. Want de barmhartigheid van God heeft u niet uitgedreven tot de Heere, om van Hem genade voor genade te smeken. Uw gebruik van de barmhartigheid was vijandschap tegen Hem, en al uw vrome praten klinkende zonde! U spreekt over Gods barmhartigheid, maar u gelooft niet dat God barmhartig is. En daar is ook geen plaats voor dat geloof, omdat u God in de wettigheid van Zijn eis en straf niet erkent.
Mocht het daar eens toe komen, hoe zou het dan voor u een behoefte worden om te weten, of God wel barmhartig is voor u!
Zij die de Heere hebben leren kennen, Hem in recht toevallen, voor hen wordt de vraag klemmend of God barmhartig is. En zij leren het, niet maar als leerstelling waarvan zij verstandelijk eens gebruik kunnen maken, maar zij leren het als levenservaring dat God barmhartig is! Want zij komen niet als mensen die de Heere de weg voorschrijven, zij komen als alles verbeurd hebbende zondaren, die hun Rechter om genade smeken. En dat is de weg!
Wie de barmhartigheid van God zal proeven en smaken, moet Gods gerechtigheid erkennen. En nu zijn er zovelen, die wel de zaligheid willen, naar zij zeggen, maar niet zoals God die schenken wil! Zonder rechtvaardiging van God kan er van rechtvaardiging van de zondaar geen sprake zijn. Maar zo wij de Heere rechtvaardigen, en dat leert de Heilige Geest de gekenden van God, dan vinden wij in God zo’n barmhartigheid, die het hart hoe langer hoe meer met verwondering en aanbidding vervult.
Barmhartig is de Heere, maar met handhaving van Zijn recht. Hoe barmhartig Hij is, leert ons de zending en overgave van de Heere Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God! Hij is in deze wereld gezonden, opdat er zaligheid voor zondaren zou kunnen zijn. Opdat God, de rechtvaardige Rechter, zondaren in genade zou kunnen aanzien en aannemen, weer aannemen als Zijn kinderen, verlost van de vloek die door hun aangeboren en werkelijke zonden op hen ligt. In Christus Jezus is het, dat de barmhartigheid roemt tegen het oordeel! Op Hem is de vloek gekomen. Op Hem, de Heilige, de Rechtvaardige. Op Hem, Die geen zonde gekend heeft, maar Die door God tot zonde voor zondaren is gemaakt!
In de plaats van zondaren heeft Hij vervuld, wat zij vervullen moesten, Gods gerechtigheid. En in de plaats van zondaren heeft Hij de gerechte straf op de zonde gedragen. De vloek, de verbreking van de gemeenschap, waardoor alle recht op Gods liefde wordt ontnomen, die vloek is over de Christus Gods gekomen aan het kruis, het hout van de vloek. Vervloekt is de Zoon van God, de Zoon des mensen. En als de drie-urige duisternis over Golgotha komt, dan gaat de Heilige in de buitenste duisternis, in de verdoemenis, in onze verdoemenis. En wij horen de smartkreet van de Verdoemde onder het recht van God, als Jezus roept: Eli, Eli, Lama, Sabachtani. Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?
Of God barmhartig is? Meer en heerlijker dan wij ooit zullen verstaan in dit leven! Hoe meer wij vertoeven mogen met een gelovig hart bij Golgotha’s kruis, hoe heerlijker en groter de barmhartigheid van God voor ons wordt. Maar dit juist omdat Golgotha ook het sterkst spreekt van Gods recht en gerechtigheid! In de loop van de behandeling van de Catechismus zal daar dieper op worden ingegaan, vooral als het lijden en sterven van de Heere Jezus Christus aan de orde komt. Voor nu: de waarheid van Gods barmhartigheid zal niet buiten Christus gekend worden. In Christus is God barmhartig, buiten Christus is God een verterend vuur!
Hoe staan wij persoonlijk tegenover deze dingen? U begrijpt de bedoeling van deze vraag. Het gaat er niet om of wij de waarheid verstandelijk kennen en toestemmen. Graag geloven wij dat wij allen zuiver in de leer zijn, dat mag verwacht worden. Leven wij niet onder de zuivere bediening van God Woord, en zijn we niet van jongsaf aan in dat Woord onderwezen? Maar dan weten we ook, dat dit niet genoeg is. De leer behoudt ons, zij wordt terecht de zaligmakende leer genoemd. Maar dan moet die leer ook praktijk worden. Geen theorie heeft enige waarde, tenzij zij omgezet worde in praktijk. Wij zullen voor onze eigen persoon kennis moeten krijgen, niet van, maar aan de gerechtigheid van God. God moet, als de onkreukbaar Rechtvaardige God, God voor ons worden. De God, met Wie wij te doen krijgen, met Zijn recht, eis en straf. Geen redding voor ons, zolang wij geen zondaren voor God worden, en voor Hem leren buigen en bukken in het stof. Om met ons hart de zonde en zonden te belijden, met verbrokenheid des Geestes, en Zijn recht te onderschrijven, en God alzo recht te doen wedervaren.
Maar, als dat er is, dan is de Heere voor ons, al kunnen wij het niet geloven, de Barmhartige. Die ons onze zonden uit genade vergeven wil, en ons wil ontheffen van de vloek, waaronder wij liggen. Opdat wij als kinderen van God zouden ontvangen Zijn gunst, die meer sterkt dan de uitgezochtste spijzen. En we het zouden ervaren aan onze ziel, dat Zijn goedertierenheid beter is dan het leven.
Ach, schrik er toch niet voor terug om zo’n zondaar te worden. Waarom zoudt u het gemak zoeken, om straks eeuwig onder de toorn van God te moeten lijden in de hel? Waarom zoudt u zich vleien met de barmhartigheid van God, om straks Zijn rechtvaardigheid eeuwig te moeten gevoelen aan lichaam en ziel?
Waarom? Is het niet beter, nu, in het heden der genade, de achterste delen van Gods gerechtigheid te zien. En te sterven, om echter op te staan in leven. En niet aan het einde van uw aardse leven de gerechtigheid van God tot in eeuwigheid volkomen te zien, volkomen te dragen, en in de eeuwige dood de dood te zoeken, zonder die te vinden? O, wie in dit leven de rechtvaardige vloek mag leren kennen en God billijken in Zijn recht, hij zal ook leren hoe God in Christus Jezus de wereld met Zichzelf verzoenende was, en die Christus voor hem gegeven heeft in de dood des kruises!
Zoekt daarom niet het recht te ontvluchten. Laat u richten door het recht van God! Dan zult u barmhartigheid vinden. Barmhartigheid in de verhoring van uw gebed, barmhartigheid in de vertroosting van uw ziel, barmhartigheid in de vergeving van uw zonden, barmhartigheid tot tijdelijke en eeuwige zaligheid!
Tot in alle eeuwigheid zal God erkend worden, en de gezaligden zullen Hem erkennen en roemen in Zijn recht en barmhartigheid. Maar de rampzaligen, nee, zij hebben niets te roemen. En toch zullen zij het doen, maar dan zo dat zij Gods gerechtigheid en barmhartigheid in volle mate zullen erkennen. Maar zo, dat het hun in eeuwigheid zal berouwen, dat zij op de zaligheid in recht èn barmhartigheid geen acht hebben genomen.
God is barmhartig, maar ook rechtvaardig. Dit leve in onze ziel, tot God eer, tot ons heil.
Amen.