Zondag 1
De enige troost van een christen
prof. F. Lengeek (1871-1932)
Ps 40:8
Ps 78:3
Ps 145:6,7
Ps 73:13
Ps 146:3
Romeinen 8:14-30
Geliefde Gemeente,
De Gemeente des Heeren bezit in haar belijdenisgeschriften een kostbaar juweel van de hoogste waarde, gedolven uit de schatmijn van het onfeilbare Woord van onze God.
In de dagen van strijd is dit juweel opgegraven.
Dat waren dagen toen de waarheid, waarbij de Gemeente leefde, bestreden werd.
Dat waren dagen toen de leer van vrije genade verscheurd en bezoedeld werd.
Juist die strijd heeft de Kerk gedrongen tot het opstellen van haar belijdenisgeschriften.
Wanneer wij de Heidelberger Catechismus of de Nederlandse Geloofsbelijdenis of de Dordtse Leerregels op hun oorsprong onderzoeken stuiten we telkens weer op strijd.
De Dordtse Leerregels wijzen ons heen naar de bittere worsteling in het begin van de 17e eeuw tegen de Remonstranten, die de genade van God wilden beroven van haar vrijheid door in de mens de reden te leggen van de genade-schenking.
De Nederlandse Geloofsbelijdenis vindt haar oorsprong in de hitte van de vervolging door de Spaanse Inquisitie. Tegenover de lasteringen van Rome werden 37 artikelen opgesteld door Guido de Bres als een verweerschrift, opdat de koning van Spanje zou weten wat Gods volk beleed.
En de Heidelberger Catechismus is opgesteld, opdat temidden van vele meningen die al snel na de Reformatie opdoken, de rechte leer der Waarheid zou worden voorgesteld en ingeprent.
Zo vormen de belijdenisgeschriften een omtuining van de leer, opdat geen dwaling de Gemeente zou binnensluipen.
Op deze wijze binden deze geschriften allen, die haar onderschrijven, en vormen ze een akkoord van eenheid.
Zij geven de waarheid weer.
Dat is de openbaring van God, het heilige Woord des Heeren.
Het is opmerkelijk en reden tot dankbaarheid dat al die jaren dat deze geschriften bestaan, de noodzaak van een wettige wijziging nooit is gebleken.
Want uit het Woord wijzen ze naar het Woord.
De Dordtse Synode schreef in artikel 68 van haar Kerkorde:
De dienaren zullen overal op zondag, gewoonlijk in de namiddagpreek, de samenvatting van de van de Christelijke leer, in de Catechismus vervat, die tegenwoordig in de Nederlandse Kerken aangenomen is, kortelijk uitleggen.
Daarmee stelde de Synode de Catechismus niet boven het Woord, maar nam ze, uit opvoedkundig oogpunt, de Heideberger Catechismus als leidraad.
Meer niet!
Hetzelfde wensen wij ook te doen, als achtereenvolgens de vragen en antwoorden van de catechismus behandeld zullen worden.
De Heere, van Wie wij in alle opzichten afhankelijk zijn en blijven, geve genade, opdat de bespreking van de belijdenis die in de Catechismus ontwikkelde, waarlijk dienst van het Woord moge zijn!
Nu vraag dan de eerste Zondagsafdeling onze aandacht.
Romeinen 14:8
Want hetzij dat wij leven, wij leven den Heere; hetzij dat wij sterven, wij sterven den Heere. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren.
Zondag 1
Vraag 1: Wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven?
Antwoord: Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, Die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomenlijk betaald en mij uit alle heerschappij des duivels verlost heeft, en alzo bewaart, dat zonder den wil mijns hemelsen Vaders geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook, dat mij alle ding tot mijn zaligheid dienen moet; waarom Hij mij ook door Zijn Heiligen Geest van het eeuwige leven verzekert, en Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt.
Vraag 2: Hoeveel stukken zijn u nodig te weten, opdat gij in dezen troost zaliglijk leven en sterven moogt?
Antwoord: Drie stukken.
Ten eerste, hoe groot mijn zonden en ellende zijn.
Ten andere, hoe ik van al mijn zonden en ellende verlost worde.
En ten derde, hoe ik Gode voor zulke verlossing zal dankbaar zijn.
Deze eerste Zondagsafdeling van de Catechismus draagt een inleidend karakter. Het gaat hier nog niet om de uiteenzetting van de leer der zaligheid, maar zij vat -als het ware- die zaligheid samen en stelt haar voor in al haar begeerlijkheid.
Om zó voor de leer van de zaligheid al direct plaats te maken in de belangstelling van de leerling.
Wanneer wij hier het woord ‘leerling’ gebruiken, dan moeten we daar een enkele opmerking aan verbinden.
In de regel zal het antwoord op de vraag, wie de leerling is, luiden: Degene aan wie gevraagd wordt.
Dat is ook zo bij het gebruik van de Catechismus. Daaruit blijkt echter dat hij, die antwoordt, geen onwetende is.
Maar de leerling is iemand die de waarheid kent, ja, die de waarheid verstáát.
De leerling is een geoefend en gefundeerd christen.
Aan zó’n leerling worden vragen gesteld, opdat uit zijn mond de waarheid vernomen zal worden.
De opstellers van de Catechismus hebben voor deze vorm gekozen als de beste methode om de heilswaarheden mee te delen.
Dat de beantwoorder van de vragen geen onwetende en buitenstaander is, blijkt al uit de eerste vraag: Wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven?
Hier wordt niet gevraagd: Wat moet uw enige troost zijn?, maar: Wat is uw enige troost?
Het antwoord op die vraag spreekt zó belijnd en duidelijk, dat het niet anders kan of hier moet aan een bevestigd christen gedacht worden.
Trouwens, ook wanneer wij de Catechismus verder inzien, blijkt dit telkens weer.
Daardoor kan de Heidelberger Catechismus ook zijn, wat hij is: een belijdenis!
De Kerk spreekt er in.
Dat is de ware gelovige die kennis heeft aan zijn ellende, kennis aan de verlossing die in Christus Jezus is, en ook kennis aan de drang tot en de behoefte aan dankbaarheid.
Alle drie vruchten van de Heilige Geest.
We zien in de Catechismus een logische volgorde wat betreft de ontwikkeling van de waarheid.
Hij, die de laatste vraag beantwoordt, is dezelfde, die geantwoord heeft op de eerste vraag.
Hij is ook dezelfde, die op alle vragen steeds antwoord blijft geven.
Alleen dáárom kan de Catechismus een ‘gouden boekje’ worden genoemd en is hij uitnemend geschikt tot lering, tot wederlegging, tot verbetering en tot onderwijzing (2 Timotheüs 3:16).
Wij aarzelen niet om deze woorden, die door de apostel Paulus zijn uitgesproken met betrekking tot de Schrift, toe te passen op de Catechismus.
Juist omdat hier een gelovige spreekt over de stáát van zijn geestelijke leven -wat zo vast is- en niet over de stánd van zijn geestelijk leven -wat zo wisselen kan- kan het onderwijs van de Catechismus voor ieder, die dat onderwijs onder de zegen van de Heere ontvangt, een spiegel zijn, waarin hij zichzelf beziet bij het licht van Gods Woord.
Tot hem, die een verdoemelijk schepsel is in zichzelf…, tot hem, die een verloste is door het bloed van Christus…, tot hem, die gelooft en zich mag overgeven en toevertrouwen aan God…, komen deze vragen.
De eerste Zondag handelt over de enige troost van een christen in leven en sterven. De eerste vraag richt zich op het wezen van die troost en de tweede vraag op hetgeen tot die troost nodig is te weten.
Wat wij weten moeten tot die troost zal in het verdere van de Catechismus breedvoerig behandeld worden. Daarom zullen wij aan het slot daarover kort iets zeggen.
Wij bepalen ons nu in hoofdzaak bij de eerste vraag en het antwoord daarop.
Wij spreken dan over:
De enige troost van een christen
- De inhoud van die troost
- Het welgegronde van die troost
- De inhoud van die troost
In de eerste plaats zouden we dus spreken over de inhoud van die troost.
Voor wij dit doen, Gemeente, wensen we echter eerst de vraag eens onder ogen te zien of een christen eigenlijk wel troost nodig heeft.
In het bijzonder een christen, aan wie hier de vragen gesteld worden.
Zoals we opmerkten is in de Catechismus een bevestigd christen aan het woord.
Heeft zo één nog tróóst nodig?
Was het een bekommerde ziel…, was het een pas ontdekte zondaar die alleen nog maar weet dat hij verdoemelijk is voor God…, was het een zwaar beproefde, een verdrukte, een door onweder voortgedrevene, een ongetrooste omdat hij niet weet wat hij van zichzelf denken moet…, was het een christen die gebogen gaat onder de vraag of het heil in Christus wel voor hem is…, dan…, ja dán zou er behoefte aan tróóst zijn!
Maar hier spreekt de christen, die juichen kan en mag…, die in de Heere verblijd is…, die weet dat zijn Verlosser leeft, omdat hij verzekerd is van zijn staat door de openbaring van de Drie-enige God aan…, ja ín zijn ziel!
Velen zullen zeggen dat deze niets te klagen heeft en dus ook geen troost behoeft.
Want zij achten dat zo’n christen kláár is.
De rechtvaardigmaking voor de consciëntie en het verzekerd zijn van de staat is voor hen het hoogste en het einde.
Als ze dat punt mochten bereiken, dan zouden ze rust hebben.
Maar hoe anders is het!
Wanneer wij Zondag 23 erop nalezen, waar het gaat over de rechtvaardigmaking, dan zullen we evenwel moeten erkennen, dat niemand er ís met de rechtvaardigmaking!
Laat het u kort en bondig gezegd zijn met de woorden van de Heilige Geest: De rechtvaardige zal uit zijn gelóóf leven!
Daarom staat er in Zondag 23: …voor zoverre ik zulk een weldaad met een gelóvig hart aanneem.
Ik heb kinderen van God gekend, die verzekerd waren van hun aandeel in de Borg en die weer in de grootste ellende neerzaten omdat zij die Borg misten. Zij zagen Hem niet, Die hun ziel liefhad en hun zielenleven werd geschokt en geslingerd, hoewel zij bevindelijke kennis hadden aan de enige, waarachtige God en Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft.
Laten we toch niet menen dat er ooit een tijd op aarde zal aanbreken (wat voor Gods kinderen steeds meer en meer een Mesech der ellende wordt) waarin geen klacht meer over de lippen van hen zal komen en waarin de hete tranen van smartelijke droefheid zullen ontbreken!
Het zijn ogenblikken…, vaak korte ogenblikken…, waarin naar geen troost wordt uitgezien omdat het dan zo goed is…, zo zalig is…, om nabij God te zijn.
Als de ziel bij zijn God is, als een gespeend kind bij zijn moeder.
Zijn die momenten er…, wel dan denkt de ziel niet aan zonde en zij denkt niet aan rechtvaardigmaking en zij denkt niet aan wat haar zou kunnen verontrusten.
Dan is er geen troost nodig!
Want wat is troost?
Troost is de herstelling van het verbroken evenwicht van de ziel!
En staat nu de gelovige…, ook de bevestigde gelovige…, niet bloot aan allerlei gevaar waardoor het evenwicht van de ziel verstoord zal worden?
Laat de satan zich terughouden omdat de gelovige zoveel van de Heere ontvangen heeft?
Nee!
Hij zal juist zijn aanvallen verdubbelen en zijn listen verfijnen!
En zal de wereld zich met haar vijandschap terugtrekken als de gelovige de geschonken genade beleeft?
Zal vlees en bloed zwijgen en zich tevreden stellen met louter aanzien van het leven uit God?
Het zal van de mate van het geloof afhangen of de verzekerde van zijn staat ook werkelijk de bate ervan geniet, namelijk de vrede met God die alle verstand te boven gaat.
Als dat geloof verstoord wordt in zijn oefening, raakt de ziel van Gods kind uit haar evenwicht.
Maar als het geloof weer werkzaam wordt, zal die storing erkend en herkend worden én…, is de behoefte aan troost geboren!
Waarin zal de ziel weer vrede vinden?
Er blijft dan geen andere troost over dan de troost die genoemd wordt in Zondag 1.
De enige troost voor de zuchtende christen…, die gebukt gaat onder zijn ongeloof, onder zijn gemis van vertrouwen, onder zijn koelheid der liefde.
De enige troost voor de ziel, die schreit onder het missen van Gods zalige gemeenschap.
In één woord: Er blijft geen andere troost over dan deze enige troost voor een ziel die uit haar evenwicht gewrongen of geworpen is, hetzij door eigen schuld of door die van een ander of iets anders.
En wat zulk een onrustige ook zou beproeven en waar hij het ook zou zoeken…, zijn ziel zal niet bevredigd worden.
Mogelijk zal hij voor een tijd zijn ellende vergeten door iets wat op troost lijkt, maar straks zal zijn ziel temeer erkennen dat er geen vrede is buiten God.
Zal het wél zijn, dan zal ze niet in haarzelf, maar in de Heere en Zijn genade moeten eindigen.
De onderwijzer vraagt niet: Wat zal uw troost kúnnen zijn?
Maar hij vraagt: Wat is uw énige troost?
Niet hetgeen waarmee de mens, de gelovige mens, zich weleens tevreden stelt, is de troost!
De enige troost is -zoals de leerling antwoordt- dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben.
Wat belijdt de gelovige daarmee?
Dit: dat hij, zowel wat het lichaam als de ziel betreft (dus stoffelijk en geestelijk) het eigendom is van de Heere Jezus Christus en dat maar niet voor deze tijd…, nee…, maar hij is het eigendom van Christus voor eeuwig!
Het eigendom van Christus!
Wat wil dat zeggen?
Gelijk wij gehecht aan hetgeen ons eigendom is, zo is Christus aan ons gehecht!
Wij zullen strijden voor hetgeen wij het onze noemen, zo strijdt Hij voor ons om ons te bewaren voor Zichzelf.
Wij zijn gehecht aan ons eigendom en strijden ervoor. Wij schatten het op waarde en willen het niet missen.
En als het ons onverschillig laat of wij het hebben of niet, dan nog zullen we het recht van eigendom doen gelden als er om gestreden wordt. Want dat raakt ons rechtsgevoel.
En moeten we ons eigendom dan alsnog verliezen, dan zullen we ons er spoedig overheen zetten.
Maar…, ligt er een líefdesband tussen ons en ons eigendom…, dan geven wij het níet over…, voor níets ter wereld!
Waar is een sterkere band dan tussen moeder en kind?
Met smart heeft zij het gebaard, nadat ze het met zorg heeft gedragen.
Ja de ware moeder geeft haar leven voor haar kind!
Welnu…, zúlk een band bestaat er tussen Christus en degenen die Hem eigen zijn!
Zúlk een band?
Nee!
Sterker dan de band tussen een moeder en kind is de band waarmee Christus verbonden is aan de Zijnen.
Een moeder moge haar zuigeling vergeten, zodat zij zich niet ontferme over de vrucht van haar schoot.
Echter…, Christus zal de Zijnen nooit vergeten.
Altijd liggen zij in Zijn liefdeshart…
Altijd zijn zij onder Zijn liefdesoog…
Altijd is Zijn liefde-oor naar hen gericht…
Altijd is Zijn liefdeshand tot hen uitgestrekt…
Zij zijn onder Zijn vleugelen en Hij staat persoonlijk in voor hun leven.
Hij waakt over hun zielen en zorgt voor hun zielen en lichamen.
Geen macht is Hem te sterk en geen list is Hem te vlug.
En wat de Zijnen ook wedervaren in dit leven, dat als een vijandig leven staat tegenover het bezit van de Zijnen, toch is er niets in staat om hen, die Hij draagt op Zijn schouders en in Zijn hart, te rukken van de plaats, die zij bij Hem hebben.
Trouw is Hij in de vervulling van Zijn belofte. Hij staat er voor in dat zelfs de dood geen scheiding zal maken.
Waar Hij is daar zal ook Zijn discipel en discipelin zijn.
Het eigendom van Christus!
Kan er troost zijn van grotere en heerlijkere inhoud?
Wij staan toch allemaal bloot aan de listen en lagen van de satan. En hoe meer genade hoe meer lasten. Het vlees rust niet…, de wereld houdt zich niet afzijdig…, de vorst der duisternis zoekt, wat oorspronkelijk zijn eigendom was geworden door de zondeval, te heroveren…, maar het verworven en geschonken eigendom van Christus wordt en blijft bewaard.
Hoe de omstandigheden zich ook wijzigen, zelfs in de meest ongunstige zin!
Ja zelfs in díe zin, dat het eigendom de Eigenaar zou verloochenen!
Want Christus is gisteren, en heden, Dezelfde tot in eeuwigheid.
Geen afwijking, geen zonde, geen ontrouw, doet Zijn trouw teniet.
Hij is de goede Herder, Die Zijn schapen leidt in de grazige weiden, maar ze ook opzoekt, als ze verdwaald en verloren zijn.
Hij redt ze uit het dal van de schaduw des doods…
Hij rukt ze uit de muil van het monster der zonde en ongerechtigheid…
Is er wel ooit één van de Zijnen omgekomen?
Is Zijn liefde ooit tekort geschoten?
Heeft het Hem ooit ontbroken aan de macht om wat in de bek van een leeuw of beer dreigde onder te gaan, nochtans te verlossen?
Heeft het Hem ooit ontbroken aan de macht om het met Zijn liefdevolle zorg te reinigen, te zalven en weer een plaats te geven onder de Zijnen?
O, het komt er maar op aan of wij van Hem zijn!
Dan zijn wij voor tijd en eeuwigheid geborgen!
Ook al zouden wij het met bewustzijn voor onszelf niet weten en al zou het te groot zijn er op te rekenen!
Als dan straks de dood komt en wij voor de rechterstoel moeten verschijnen, dan zullen wij verschijnen voor die troon waarin Híj ook zit.
Híj, van Wie wij het eigendom zijn en Die ons zal dekken voor het recht van God met Zijn gerechtigheid!
- Het welgegronde van die troost
Zijn deze dingen alzo en hoe kunnen zij alzo zijn?
Hoe kan het zijn, dat een mensenkind dat van nature zondig is, het eigendom van de Zoon van God is en daarin het leven heeft tot in alle eeuwigheid?
Op welk grond rust die troost?
Wanneer de opstellers van de Catechismus de inhoud van de enige troost van een christen getekend hebben door te zeggen dat die troost hierin bestaat dat de christen met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet zijn, maar zijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen is…, dan gaan zij verder door aan te geven hoe zij dit zeggen kunnen en vervolgen: Die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomenlijk betaald en mij uit alle heerschappij des duivels verlost heeft, en alzo bewaart , dat zonder den wil mijns hemelsen Vaders geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook, dat mij alle ding tot mijn zaligheid dienen moet ; waarom Hij mij ook door Zijn Heiligen Geest van het eeuwige leven verzekert, en Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt.
Wanneer wij goed onderscheiden -en daar komt het op aan zullen wij werkelijk zegen kunnen hebben- dan merken wij op dat hier over tweeërlei werk van Christus voor de Zijnen wordt gesproken.
Er wordt gesproken over hetgeen Christus vóór de Zijnen gedaan heeft en nog doet én er wordt gesproken over hetgeen Hij ín en mét de Zijnen doet!
Met die beide zaken moeten we rekening houden als wij spreken over de welgegronde troost van de christen.
Wij hebben hier te doen met die twee zijden van de waarheid, die zo dikwijls tegen elkaar worden uitgespeeld als het in het wezen van de zaak níet meer om de waarheid gaat.
Wij bedoelen de voorwerpelijke en onderwerpelijke zijde van de waarheid.
Wie recht tegenover de waarheid staat, ziet ze beide en wie er scheef tegenover staat, ziet er slechts één.
Laat ons steeds in gedachten houden, dat voorwerpelijk en onderwerpelijk bij elkaar horen.
Wie dit van elkaar scheidt, doet de waarheid ónrecht.
Het voorwerpelijke zonder het onderwerpelijke is een dode letter, ook al dient men die letter met alle macht.
Het onderwerpelijke zonder het voorwerpelijke is een geest des doods, ook al is men er nog zo gevoelig mee werkzaam.
De grond van de troost ligt in het voorwerpelijke.
Ik kan echter geen troost van die troost hebben als ik niet geloof.
En het geloof in die troost -niet als leerstuk, maar als levende zaak in het hart- is onderwerpelijk.
In het huwelijk van voorwerpelijk en onderwerpelijk ligt het wezen!
Voorwerpelijk is wat Christus deed en doet vóór de Zijnen.
Onderwerpelijk is wat Christus deed en doet ín de Zijnen.
Wat Christus gedaan heeft en doet vóór degenen, die Zijn eigendom zijn en blijven, is in de eerste plaats dat Hij met Zijn dierbaar bloed voor al hun zonden volkomenlijk betaald en hen uit alle heerschappij des duivels verlost heeft.
De christen is dus het eigendom van Christus door koop en door verlossing (lees: overwinning).
Door koop, want Hij heeft voor zijn zonden betaald.
Hij heeft de Zijnen onder de toorn van de Vader, de rechtvaardige Rechter, uitgekocht.
Niemand, noch een engel, noch een mens, was in staat om aan God de prijs der zielen, het rantsoen voor de zonden te voldoen.
Geen engel, want dezelfde natuur die gezondigd had, moest naar de rechtvaardigheid van God óók voldoening schenken.
Geen mens, want zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. Hoe zou een eindig schepsel de eeuwige toorn van God kunnen afwentelen? Voor een zondig en tijdelijk mens is er tot in alle eeuwigheid geen voldoening door de straf te lijden voor de eigen schuld. Daar zou geen einde aan komen.
Maar Christus, God en Mens in één Persoon, heeft genoegdoening geschonken aan het recht van God in dadelijke en lijdelijke zin.
Hij, Die zelf geen zonde gekend heeft, heeft voor de Zijnen de straf, waarmee de zonde werd bedreigd, gedragen.
Hij, Die het geen roof geachte heeft Gode evengelijk te zijn, heeft Zichzelf vernietigd om als Knecht des Heeren de wil van Zijn Vader voor mensen te volbrengen.
Voor de Zijnen heeft Hij Zijn dierbaar bloed gegeven in de verschrikkelijke dood des kruises, die van God vervloekt was.
Hij, de Heilige en Rechtvaardig…, de enige, eeuwige Zoon des Vaders…, is voor hen weggestoten in de smarten van de God-verlating.
Wat een diepte van vernedering!
Wat een hoogte van recht en liefde!
Met Zijn eigen dierbaar bloed heeft Hij de Zijnen gekocht!
Zou Hij hen dan, die Hij met zo’n dure prijs gekocht heeft en zo Zijn eigendom zijn, verláten?
Zou Hij hen kunnen vergeten en overgeven aan de dood en hel?
Zou de Vader het kunnen doen, Die in de dood van Zijn Zoon voldoening ontving?
Zou Hij de straf, die door Christus gedragen is, nóg eens leggen kunnen op degenen, voor wie Christus Zichzelf gaf?
Nee!
Het is recht bij God, om degenen die op grond van de koop door Christus’ bloed het eigendom van Christus geworden zijn, als zodanig aan te merken en te houden.
Geen onrecht in de Heere. In een rechte weg bewijst Hij de weldaad der genade in Christus.
O, daar ligt zo’n sterkte in de trouw van de Drie-enige God!
Daar is bij de Heere geen verandering of schaduw van omkeer!
Wat van eeuwigheid vastligt, blijft onveranderd tot in eeuwigheid.
Door koop en door overwinning is de christen het eigendom van de Christus.
Ook door overwinning, want de Zoon van God is vlees geworden, opdat Hij niet slechts in dat vlees voldoening zou schenken aan het gekrenkte recht van God…, maar daarbij ook de kop van de slang zou vermorzelen, de werken van de satan zou verbreken en het recht van de satan op de gekenden des Heeren teniet zou doen.
Door de val is de mens, die in zijn dwaasheid meende vrij te worden, onder het geweld en heerschappij van de duivel gekomen. Dat is de harde slavernij van de dienst van de wereld en van het vlees, dat zo schoon lijkt, maar schijn is.
Door de zonde heeft de satan recht op de mens…, recht op íeder mens…, dus ook recht op de gekenden des Heeren.
Door het voldoen aan het recht van de Vader in dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid heeft Christus echter dat recht van de satan op de gekenden des Heeren ópgeheven.
Zo heeft Jezus de weg ter verlossing gebaand en is er in Hem de mogelijkheid, ja de zekerheid van behoud voor hen, aan wie de Heere Zijn genade wil betonen.
Het is echter niet genoeg, dat de weg gebaand is en dat aan Gods recht voldaan is en de satan het recht van heerschappij over de gekenden des Heeren ontnomen is.
Wat voorwerpelijk, buiten de mens, voor hem geschiedt is, moet onderwerpelijk worden toegepast.
Dat wil zeggen: Zij, voor wie de schuld geboet is, moeten de weldaad van de vrijspraak en vrijmaking ook deelachtig worden.
Het is het werk van de Heilige Geest in het hart van degenen, die Jezus kocht met Zijn dierbaar bloed, opdat Hij hen door dat werk zou verlossen van de heerschappij waaronder zij van nature liggen, en hen zou stellen onder de heerschappij van Christus.
Waardoor is het dat zij deel krijgen aan de verlossing, die in Christus Jezus is?
Het is door de wedergeboorte.
Dat is de trekking uit de duisternis en de overbrenging in het Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde.
De Vader doet dit door de Heilige Geest.
Welk een wonderwerk van de Allerhoogste!
De dode zondaar wordt levend.
Die eerst niet zag, ziet nu…
Die eerst niet hoorde, hoort nu…
Die eerst niet opmerkte of verstond, merkt nu op en verstaat…
De dingen van de Geest Gods, die hem een dwaasheid waren, worden nu de hoogste wijsheid.
Als eerste les leert hij verstaan dat hij tegen God gezondigd heeft en de heerlijkheid Gods derft.
Dat verstaat de mens van nature niet, omdat hij God niet kent, niet ziet en niet hoort.
Maar wie bearbeid wordt door Gods Geest komt onder het beslag van Gods Woord. Hij leert met smart en schaamte bekennen dat hij tegen de Heere overtreden heeft en dat het zijn zonde is, die een scheiding maakt tussen hem en zijn heil…, ja tussen hem en zijn God.
Zondaar wordt hij.
Zulk een zondaar, die zichzelf wel wil behouden, maar bij bevinding leert dat hij dat niet kan.
Wil er sprake zijn van zaligheid, van redding, van verzoening, zal hem dat uit genade geschonken moeten worden.
Daarom leert zulk een zondaar de Heere om genade smeken.
Dat daarbij het oog volstrekt nog niet op Christus is, neemt de waarde van het werk des Geestes niet weg.
Wie in waarheid een zoekende zondaar geworden is, zoekt omdat hij in Christus ingeplant is en dus uit Christus leeft, al acht hij zichzelf een verlorene en al ziet hij niets anders voor zich dan een eeuwig verderf.
Daar wil men in sommige kringen het liefst niet van horen.
Dan wordt tegen een zoekende zondaar, die Christus niet kent met toe-eigening voor eigen hart, gezegd dat al zijn worstelen om vergeving nog niets is.
Alsof er in het werk der genade geen geleidelijke ontwikkelingsgang zou zijn, waardoor onder de leiding van de Heilige Geest ontdekt, gezien en erkend wordt, wat eerst onbekend is.
Weer anderen willen er niet van horen dat men Christus niet direct zou aannemen als zijn Borg en Zaligmaker. Hij is toch gegeven -zo zegt men- en dan moet men Hem dan ook aannemen.
Dat laatste is voor ons te licht, want men houdt geen rekening met de ernst van de zaak.
Het eerste is voor ons te zwaar, want dan is er geen plaats voor de aanprijzing om uit te gaan naar Hem, Die de vervulling is voor het hart dat dorst naar God.
Men zij toch voorzichtig, dat men de weg tot de troost zou toemuren voor een waarlijk bekommerde zondaar!
Maar eveneens zij men voorzichtig dat men niet zou gaan troosten, waar mogelijk geen strijd gevonden wordt!
Waar de inplanting door Woord en Geest is geschied en waar de zondaar dus één geworden is met de Christus, daar zal de Geest des Heeren door het Woord ook verder arbeiden tot opwas van het leven in Christus.
Is het dan ook dat de eerste stappen op de weg des levens in duisternis wordt afgelegd…, het is nooit de bedoeling van de Heere geweest dat de verdere reis op de levensweg even donker zal zijn.
De weg des levens is geen wanhoopsweg.
Het mag in de aanvang zo lijken, maar de Heere heeft meer om te geven en de Geest des Heeren zal de ziel leiden tot de bewustheid van de genade, die aan haar verleend is.
Hierin staat de wedergeborene de Geest dikwijls en soms ook lang in de weg.
Er zijn toch mensen van wie uit de aard der liefde geloofd mag worden, dat zij het leven bezitten en die, als broeders en zusters, een schijnend licht voor anderen mogen zijn…, en die toch zo weinig verstaan van de enige troost.
Wanneer zij het antwoord op de eerste vraag van de Catechismus lezen, dan ontsnapt een zucht uit hun hart.
Mocht ik dát eens voor mijzelf geloven, zeggen zij.
Ja zij mógen het!
Maar zij kúnnen niet!
Waarom niet?
Omdat zij -misschien heel vroom- tóch de Heilige Geest wederstaan en bedroeven. Zij hebben zich een voorstelling gevormd van de wijze waarop de zekerheid des geloofs hun deel zal moeten worden. Maar zij verstaan niet dat het er op aan komt, dat wij ons laten zaligen.
Bidden wij daarom met verloochening van ons eigen gevoelen!
De Heere wil het ons schenken en als de Heilige Geest in ons werkt, laat ons dan niet wijzer zijn dan de Geest, maar laat ons onszelf gevangen geven. Wij moeten zalig worden en verzekerd worde van onze zaligheid naar en in Góds weg en niet in de ónze.
Waar het verliezen van eigen mening gevonden mag worden, daar is de ruimte voor de Geest om door het Woord te spreken tot onze ziel.
Dan zullen we iets leren verstaan van de verzekering, die van het onderwijs van de Geest uitgaat.
Die Geest verzekert ons van het eeuwige leven.
Dat is: Hij werkt in ons het geloof en versterkt het zó dat meer en meer de zaligheid gezocht en gevonden wordt in de Christus Gods, zodat wij van onszelf afzien en al onze hoop en verwachting van Hem zouden hebben.
Daarbij wordt de zonde in haar karakter zeker niet verloochend, maar ondanks de zonde -al ware zij nog zo groot en veel- blijft het oog gevestigd op Zijn Borggerechtigheid.
Dat is op Hem, Die daar zit aan de rechterhand van God de Vader, ons ten goede.
Dat is op Hem, Die vanuit de hemel alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, zodat wij voor tijd en eeuwigheid, naar lichaam en ziel, voor Zijn rekening liggen.
Hoe schittert dan de genade in haar heerlijkheid, juist omdat wij niets zijn en Hij Alles is.
Dat geeft vertrouwen op Hem, dat Hij ons ook bewaren zal, namelijk zo, dat dat zonder den wil mijns hemelsen Vaders (dat Hij geworden is door de gerechtigheid van Christus) geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook, dat mij alle ding tot mijn zaligheid dienen moet.
Het één staat hier met het andere in nauw verband, omdat wij in de Heere Jezus Christus een volkomen Zaligmaker hebben, Die door God gegeven is tot wijsheid, rechtvaardigmaking, heiligmaking en verlossing.
Het werk van God, de Heilige Geest, is ons dan ook zo nodig tot deze troost. Daarom noemt de Heiland de Heilige Geest Zelf de andere Trooster.
De Geest neemt de troost echter niet uit Zichzelf, maar uit Christus.
En waar dat vertroosten van de Heilige Geest gevonden wordt, daar maakt Hij de Borg en Zaligmaker aan de ziel bekend, opdat deze zich geheel op Hem verlaten zou en het woord van
de apostel zou maken tot het hare: Want hetzij dat wij leven, wij leven den Heere; hetzij dat wij sterven, wij sterven den Heere. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren.
Dan is ook het woord van de Psalmdichter haar uit het hart gegrepen dat wij wensen te zingen uit Psalm 73:13,
Wien heb ik nevens U omhoog?
Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog
Op aarde nevens U toch lusten?
Niets is er waar ik in kan rusten.
Bezwijkt dan ooit, in bitt’re smart,
Of bangen nood, mijn vlees en hart,
Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed
Mijn Rots, mijn Deel, mijn eeuwig Goed.
Welke is úw enige troost?
De Catechismus is zeer persoonlijk. Het gaat niet over anderen, als de Catechismus als leidraad voor de prediking wordt gebruikt, maar over u en mij, persoonlijk.
Wie weet hoevelen onder ons nog steeds hun deel van dit leven verwachten en geen rekening houden met de ernst van de tijd en van de eeuwigheid.
Met zeer veel klem mag het u toegeroepen worden, dat er buiten Jezus geen leven is, maar een eeuwig zielsverderf!
Het mag wel op uw hart gebonden worden, dat zonder de inplanting in Christus, er geen bestaan voor God mogelijk zal zijn voor u.
Hoe zult u voor God kunnen bestaan, als u voor Hem verschijnen moet met úw deugden, die niet meer zijn dan een wegwerpelijk kleed?
Wat zult u aanvoeren tegen de Heere, als de adem van Zijn mond u zal wegstormen?
Meent toch niet dat het genoeg is als u geen heiden bent of een moslim of een Jood of een Roomse, maar u houdt aan de gereformeerde waarheid.
Uw hárt moet gereformeerd worden!
Wat is een belijdenis zonder léven?
Is het werk van de Geest wel in u?
Misschien zegt u: Dat kunnen wij niet weten!
Is dat wáár?
Laat ons in verband hiermee uw aandacht mogen vestigen op de tweede vraag en haar antwoord van Zondag 1.
Daar wordt gevraagd: Hoeveel stukken zijn u nodig te wéten, opdat gij in dezen troost zaliglijk leven en sterven moogt?
Als antwoord volgt: Drie stukken.
Wat is dat voor een weten, waarnaar de onderwijzer vraagt?
Is dat slechts een verstandelijk weten?
Nee!
Het is een weten met het hárt.
Dat is een weten door het gelóóf.
Hebben we nu het leven, als we de waarheid kennen zoals die ons als kind en ook later geleerd wordt?
U spreekt over uw ellende, maar eigenlijk is uw ellende niet, waarover u spreekt. Het is niet meer dan een leerstuk dat u aanroert.
U hebt het over verlossing, maar u spreekt níet over de verlossing, die u zoekt met geheel uw hárt en met geheel uw verstánd en met al uw kráchten. Het is niet meer dan een leerstuk, wat u mogelijk enige aangenaamheid schenkt, als u er over spreekt. Wat het kan zo zijn dat werkelijk spreken over de verlossing in Christus aan het christelijke verstand voldoening kan geven.
U spreekt over dankbaarheid, maar het is niet de dankbaarheid, waardoor uw ziel bewogen wordt om in alle ootmoed te buigen voor de Heere en uw schuld te belijden. Het is een leerstuk voor u, dat u helpt aan gebod op gebod en regel op regel. Maar het leeft in uw hart niet als een liefdes- en levensstuk!
Wij kunnen het weten of wij staan onder de bearbeiding van de Heilige Geest!
Dan hebben we niet genoeg aan beschouwende kennis, maar dan moeten wij het léven hebben!
Dan spreken wij -naar een oude onderscheiding- niet óver de dingen, maar er úit!
Dan zijn wij het onderwerp!
Dan roepen wij uit ónze ellende!
Dan moeten we verlost worden uit de dood, waarin wij van nature liggen!
Dan gaat onze ziel uit tot God in de erkentenis dat wij zwaar en menigvuldig tegen Hem gezondigd hebben!
Dan jaagt onze ziel naar Gods gemeenschap en naar de heiligheid die alleen voor Hem kan bestaan!
Dan zullen wij Christus nodig krijgen als onze Borg en Zaligmaker!
Is het zo met u?
Is er een buigen onder Gods recht?
Is er verslagenheid van uw hart onder Zijn lankmoedigheid over u en Zijn bemoeienissen met u?
Wat wij u bidden mogen: Ga niet in oppervlakkigheid van beschouwing voort, maar versta de ernst van de waarheid, die tot zaligheid gegeven is door God.
Want voor een ieder, die niet in waarheid naar haar hoort, leidt oppervlakkigheid tot rampzaligheid.
Wij zijn christenen in voorwerpelijke zin.
Als wij kinderen des verbonds zijn en het verder met ons niet komt, zullen wij als christenen verloren gaan!
Wij worden alleen als christenen behouden, als wij het werkelijk zíjn!
Dat betekent niet dat wij volmaakt zullen wezen en dat in ons geen ongerechtigheid gevonden zal worden.
Dat betekent ook niet dat wij in onszelf gerechtigheid zouden hebben.
Maar dat betekent dat wij als verlorenen in onszelf de zaligheid zullen zoeken in Hem, Wiens naam Zaligmaker is en in Wie God onze zaligheid is.
Wanneer wij de Catechismus op dit punt verder raadplegen, dan leert hij ons in Zondag 12 dat alleen die mens een christen is die de zalving van Christus deelachtig is.
Wij hebben dus niet genoeg aan het zijn van een voorwerpelijke christen, maar wij moeten het door genade worden in onderwerpelijke zin.
O als u nog onbekeerd van hart uw weg gaat en als u de weldaad van de wedergeboorte nog mist en als u nog genoeg hebt aan wat u bent en als u uw deel nog hebt in dit leven…, bedénk dan toch wat tot uw eeuwige vrede dient.
U hebt geen troost!
Wees maar eerlijk en erken het!
U hebt geen troost nodig, want u bent niet ongelukkig en u komt niet om met uzelf!
En als u zich eens ongelukkig voelt en als de ernst van het leven op u afkomt en als de dood eens tikt op uw venster…, dan stelt u zich gerust met een gebed of met een verandering in uw leven. Maar straks gaat het dezelfde weg weer uit!
Bedrieg u niet, want dat kan onder zeer schone en vrome vorm geschieden.
Bedrieg u niet!
U behoeft u toch niet te bedriegen?
De apostel vraagt in 1 Korinthe 2:11, Want wie van de mensen weet hetgeen des mensen is, dan de geest des mensen, die in hem is?
Zo kunt en moet ook u weten van welke geest u bent!
En u wéét het!
U wéét dat uw hart de Heere níet toebehoort!
U wéét dat u niet hongert en dorst naar de gerechtigheid!
De Heere ontferme Zich over u!
Zalig de mens, die in de drie stukken die nodig zijn te weten tot zaligheid, door Woord en Geest onderwezen wordt.
Niet zalig, in die zin dat hij direct de volheid zou kennen, die er gelegen is, dat hij met lichaam en ziel voor tijd en eeuwigheid het eigendom van zijn getrouwe Zaligmaker is!
Hij kan zelfs niet dadelijk geloven dat hij een Zaligmaker heeft.
Zo zullen er onder ons zijn!
Ontdekte zielen, die gebogen gaan onder het oordeel!
God de Heilige Geest heeft hen overtuigd van zonde, gerechtigheid en oordeel.
Zij weten niet anders dan dat zij verdoemelijk zijn voor God.
Banden van de dood houden hen omvangen en angsten van de hel treffen hen.
En hun ziel schreit uit de verlorenheid tot God om genade en ontferming!
Nee…, het is niet alleen de straf die hen verschrikt, maar het zijn de zonden zelf die het doen.
Want hoe langer hoe meer leren zij de Heere toevallen en zij ondertekenen hun vonnis!
Zij willen Gods gerechtigheid niet ontlopen, want de Heere heeft Zijn wet in hun binnenste gegeven en hun hart beaamt die wet.
Slechts in overeenkomst met die wet zal God kunnen handelen.
En hoe zal de handeling van God met hen anders zijn dan tot veróórdeling? Er blijft voor hen niet anders over, dan hun Rechter om genade te bidden.
Kunnen zij wel iets in zichzelf vinden dat hen vertroosten kan?
Nee!
Van de Heere moet het komen en als de Heere het schenkt, dan zullen ze vertroost zijn.
Wat zullen wij hun anders toeroepen dan: Houdt aan in het gebed! Houdt aan! De troost is voor verlorenen!
Wie werkelijk onder zijn ellende gebogen tot de Heere de toevlucht neemt, zal ervaren, dat er bij Hem genade is voor doemschuldigen!
Hij zal ervaren dat God in Christus verzoend is met hem!
Hij is het eigendom van de Christus!
En in de weg van de verdere ontdekking -niet alleen naar beneden in de mens, maar ook naar boven van God- wil en kan en zal de Heilige Geest schenken, dat de vermoeide en belaste Hém vindt, Die gezegd heeft: Kom allen tot Mij die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven voor uw ziel.
Wanhoop dan niet, bekommerde vanwege uw zonden!
En ook u, die bekommerd bent vanwege uw staat voor de eeuwigheid, wanhoop niet!
Er is bij de Heere antwoord te verkrijgen op al de vragen van uw ziel. Hij wil er de huize Israëls om verzocht zijn, dat Hij het zou doen.
Of…, kent u uzelf niet, dat uw hart in oprechtheid tot de Heere uitgaat?
Kunt u buiten Hem leven?
Als er eens geen hel was tot straf en geen hemel tot beloning…, zou u dan nóg last hebben van uw zonden?
Ja?
Gaat het u dus waarlijk om Hem?
Is dat uw smart, dat u tegen de Heere hebt overtreden en Hém dus smart hebt aangedaan?
Dan…!
Nee…, laat ik u de handen niet opleggen!
Maar toch, dan zal in u gevonden worden, wat we uit het antwoord op de eerste vraag tot nu onaangeroerd liggen, namelijk dat de Heilige Geest u van harte gewillig en bereid maakt om voor de Heere voortaan te leven.
Zie, het hart van Gods kinderen valt daar bij. Het wordt ontroerd, want de liefde leeft er in, al is het voor de drager van die liefde nog verborgen.
Zeg mij, kind des Heeren, of u nu bevestigd bent in het geloof of niet, zeg mij: Is het woord van Petrus bij het Meer van Galilea het uwe?
Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb?
Misschien durft u het niet uit te spreken, maar in uw binnenste stijgt de zucht: Och, dat ik het zeggen mocht en kon!
Waar getuigt dit ánders van dan van betrekking op de Heere?
Oprechten van hart in ons midden!
Groot is het goed, dat de Heere heeft weggelegd voor degenen die Hem vreze, wat zo vast ligt in de Borg. Paulus zegt: Ik weet Wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd dat Hij machtig is mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag.
Sta naar de verzekering voor uw zielenleven!
Het is tot verrijking van uw zaligheid al u mag opwassen tot en in de kennis en genade van de Heere Jezus Christus.
Denk niet: ’t Is niet voor mij!
Gelooft: God wil het u geven!
En het geloof ondersteune u in uw toenadering tot de troon der genade.
Worstel als een Jakob aan de Jabbok, opdat u de Heere niet loslaat tot Hij u zegent!
Wat een heil is toch het heil voor een christen!
Jezus bezít hem!
Jezus, Die hem kocht met Zijn dierbaar bloed!
Jezus, Die hem verloste van het geweld van de satan!
Jezus, Die hem bewaart door Zijn kracht en heerlijkheid!
Jezus, Die hem leidt en bestiert door Zijn Geest op Zijn paden!
Jezus, Die hem troost door Zich elk keer weer aan hem te ontdekken als de genoegzame Zaligmaker!
In die Naam vinden God en de zondaar elkaar tot zalige gemeenschap!
Wat schokt…, wat valt…, evenwel is en blijft Hij Dezelfde, de Rotsteen, Wiens werk volkomen is!
Houdt dan, volk des Heeren, het oog op Hem gevestigd!
Buiten Hem is geen troost!
De troost is in Hem!
Meer: Hijzélf is de Troost!
Gods genade moge ons alzo bearbeiden dat onze ziel alle leunsels en steunsels zouverliezen, om niet meer over te houden dan Jezus Christus en Dien gekruisigd!
Dan zullen we de zekerheid voor tijd en eeuwigheid bezitten en met de Bruid getuigen: Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.
Dan zullen wij steunen op de Liefste en ons toevertrouwen aan Hem.
Dan zal onze ziel de zoetheid van Zijn gemeenschap smaken en de vrede zal het deel van onze beker zijn.
AMEN