VAN DES MENSEN ELLENDE
ZONDAG 2
Vraag en antwoord 3, 4 en 5
Psalm 25 : 3
Psalm 25 : 4
Psalm 19 : 1,2
Psalm 38 : 6
Psalm 86 : 6
Romeinen 7
Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechismusonderwijs, vindt u in Romeinen 7 : 7
Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Dat zij verre. Ja, ik kende de zonde niet dan door de wet; want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de wet niet zeide: Gij zult niet begeren.
Voor vanavond het eerste deel, van des mensen ellendigheid, zondag 2 en daarvan vraag en antwoord 3, 4 en 5
3. Vr. Waaruit kent gij uw ellende?
Antw. Uit de wet Gods.
4. Vr. Wat eist de wet Gods van ons?
Antw. Dat leert ons Christus in een hoofdsom, Matth. 22:37-40: Gij zult liefhebben den Heere uw God met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand, en met geheel uw kracht. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Aan deze twee geboden hangt de ganse Wet en de Profeten.
5. Vr. Kunt gij dit alles volkomenlijk houden?
Antw. Neen ik; want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten.
Wel, geliefde gemeente, we hebben de twee voorafgaande zondagen de inleiding op de catechismus behandeld, zondag 1, vraag en antwoord 1, van de enige troost. En vraag en antwoord 2, van de stukken die nodig zijn, van de zaken die nodig zijn, om in die zalige troost, in die voorgestelde troost, te leven en te sterven. Drie stukken werden ons gewezen: noodzakelijk om gekend te worden. Drie zaken: noodzakelijk om er iets van te leren.
In het vervolg van de catechismus komen die drie zaken, die genoemd zijn: hoe groot mijn zonde en ellende zijn, hoe ik van al mijn zonde en ellende verlost worde, en hoe ik Gode voor zulk een verlossing zal dankbaar zijn, aan de orde. Eerst in een hoofdstuk: van des mensen ellendigheid, daarna van de verlossing, en tenslotte van de dankbaarheid.
Van des mensen ellendigheid. Waaruit kent gij uw ellendigheid? Het gaat vanavond over het kennen van onze ellendigheid. Later zal de catechismus afdalen in de diepte van die ellendigheid. Hoe diep die ellende, hoe diep de val van de mens wel is. In het vervolg zal de catechismus afdalen in de diepte van erfschuld en erfsmet. Dan zal de catechismus zo diep afdalen, dat onze doodstaat aangewezen wordt; onze doemschuld aangewezen wordt.
We moeten heel goed bevatten waarover zondag 2 gaat. Over de kénnis van onze ellendigheid. Hoe wij aan die kennis gekomen zijn.
Het is belangrijk om ons daar vanavond in te verdiepen, want niet alle kennis van onze ellendigheid is zaligmakend. We kunnen op zoveel verschillende manieren onze ellendigheid leren kennen. Ik kan wel een voorbeeld noemen: een politieagent die veel met verkeersslachtoffers te maken heeft, huilt het van tijd tot tijd uit van de ellende, die hij heeft leren kennen. Een politieagent zei eens: "Ja, dominee, zolang ik dit werk volhoud". Zoveel ellende komt er op de mens af.
Waaruit kent gij uw ellendigheid? Ik zou haast zeggen: de mens heeft gezondigd en de catechismus noemt dit leven een jammerdal en ieder kent daar wel iets van. Maar het is niet in ieder zaligmakend. Daarom is het zo belangrijk om elkaar te vragen: waaruit kent gij uw ellendigheid? Duizenden kennen hun ellendigheid zo grondig en zo goed, dat ze zich inspuiten met verdovende middelen, om eventjes in een schijnwereld te mogen verkeren.
Waaruit kent gij uw ellendigheid? Ieder mens heeft kennis aan ellende. Is het niet uit de wereld buiten hem om, dan is het zelfs nog uit het inwendige. Maar ook dàt hoeft niet altijd zaligmákend te zijn. Ik bedoel dit: ieder mens bestaat eigenlijk uit twee persoonlijkheden. We hebben allemaal een tweevoudig "ik" in ons. Het ene, dat is het ideale ik. Het tweede, dat is eigenlijk het empirische ik, dat is dus het ik, zoals het zich voordoet in het dagelijkse leven. Het ideaalbeeld van mijzelf en de werkelijkheid die klòpt niet. Wat daartussen ligt brengt ons tot een zekere ellendekennis. Ook dat is niet zaligmakend, dat ik uit het één of ander zou ontdekken, dat ik niet volmaakt ben, dat er iets niet klopt in mijn leven.
Waaruit kent gij uw ellendigheid? Uit de wet Gods. Het is zo nuttig dat we op de juiste wijze onze ellendigheid leren kennen.
Waaruit kent gij uw ellende? Dat is eigenlijk niet zomaar een vraag. Dat is eigenlijk een vraag van een kind van God. Want de mens der zonde, de mens die op zichzelf leeft, stelt deze vraag niet. Hellenbroek heeft gezegd: "Wat is de grootste ellende van de mens? Dat is, dat hij zijn ellende niet eens kent".
Waaruit kent gij uw ellende? Zo spreekt de catechismus. We kunnen onze ellende kennen, zonder de oorzaak van onze ellende te kennen.
Als hier de catechismus vraagt: waaruit kent gij úw ellendigheid, dan gaat het om dit soort ellendigheid, dat uit de zonde voortkomt. Dat is het eerste, dat we ervan kunnen zeggen.
In vraag 2 ging het over onze ellendigheid, en hoe ik van al mijn zónde en ellende verlost worde. Als er dan vanavond gevraagd wordt: waaruit kent gij uw ellende? Dan getuigt dat van de ontdekking van de Heilige Geest, dat deze vraag zo gesteld wordt, in deze vorm: waaruit kent gij uw ellende? Want dat houdt in, als wij de voorgaande vraag en antwoord goed begrepen hebben, dat deze man, dat deze vrouw, dit kind erkent, dat de grootste ellende is: de zonde. Niet de gevolgen, maar de zonde. De oorzaak van onze ellendigheid: de zonde. Zo gaat het dus ten diepste hierom, in de vraag: waaruit kent gij uw ellende? Dat is ten diepste de vraag, naar de kennis van de zonde. Waaruit kent gij die? Dat is heel belangrijk.
Dat lees ik al bij de eerste zondaren, Adam en Eva. Als zij de gevolgen gewaar worden, als zij zich schamen. Dan gaat ook de Heere Zelf vragen in onze harten, in onze gewetens: 'Waarom vlucht gij voor Mijn aangezicht weg?' 'We zijn naakt, Heere, en daarom verbergen wij ons.' En dan is het een heel belangrijke vraag, ook in het bevindelijke leven: "Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt?" (Gen.3:11). Het is heel belangrijk om ons af te vragen: wie heeft u te kennen gegeven, dat gij ellendig zijt? Wie heeft u te kennen gegeven dat gij zondig zijt?
Waaruit kent gij uw ellendigheid? Uit de wet Gods, is het antwoord. Dat is geen vanzelfsprekend antwoord, gemeente. Alleen als wij werkelijk overtuigd zijn van onze totale verdorvenheid, dat de mens is: "rotten to the cornel", zoals men dat in het engels noemt, dat betekent: 'verrot tot op de bodem', dàn alleen kunnen we dit antwoord geven: uit de wet Gods.
Als we dat niet hebben, als dat niet het geval is, dan zullen we altijd stranden in een ellendekennis, misschien noemen we het zelfs een zondekennis, die we uit onszelf opmaken, of uit iets buiten ons. Dan zal het altijd iets van die twee dingen zijn: wat ons gevoel zegt, of wat ons verstand zegt.
Waaruit kent gij uw ellendigheid? Als het niet is uit het Woord, dan komt het op uit de mens zijn verstand dat verdorven is, of uit zijn gevoel dat verdorven is.
Waaruit kent gij uw ellendigheid? Er is maar één antwoord, dat kan bestaan voor Gods aangezicht: uit de wet Gods. Komt onze ellendekennis uit het verstand, het is niet meer dan remonstrants. Dan zal het zich ook vleien met de natuurlijke geneigdheid tot datgene wat goed is, en wat schoon is, en wat de mens denkt ingeschapen te hebben in zijn hart.
Waaruit kent gij uw ellendigheid? De gevoelsmens zegt, dat leert mij mijn geweten. De één zegt: ik ken mijzelf uit mijn natuurlijke zelfkennis. De ander zal misschien nog denken aan een bovennatuurlijke kracht, een bovennatuurlijke begaafdheid om zichzelf te kennen.
Er is maar één antwoord, en nu moeten wij het maar meteen bij de naam gaan noemen: er is een zaligmakende kennis van onze zonde en schuld, dat wil zeggen, door de Heilige Geest en door de wet, door het Woord gewerkt, en er is een algemene zondekennis, waar ieder mens wel wat van heeft. Paulus leert ons daarvan in de Romeinenbrief iets ontroerends: dat ieder mens wel een bepaalde overtuiging van de zonde heeft (Rom. 1:18-20). Dat is meteen de mens die het geweten met een brandijzer toeschroeit (Rom.1:21-22). Dat is meteen de mens die een welgevallen heeft in de ongerechtigheid (Rom.1:23-32).
Waaruit kent gij uw ellendigheid? Het antwoord van de christen moge zijn: uit de wet Gods. De waarachtige kennis van onze zonde is vrucht van de werking van de Heilige Geest, van het ontdekkende werk van de Heilige Geest. Dat kunnen we volop noemen: ontdekkende genade van de Heilige Geest. Buiten die ontdekkende genade van de Heilige Geest, Die altoos werkt met de wet, met het Woord, is er geen waarachtige zelfkennis, is er geen schuldkennis die voert naar God, hoe diep het ook moge gaan.
Ik heb bij de vorige catechismus behandeling gewezen op Ezau, Kain en meer andere personen uit de Heilige Schrift. Zij hadden een wanhopigmakende kennis van hun zonde en van hun ellendigheid, die niet tot God brengt, maar ons van God àfvoert.
Waaruit kent gij uw ellendigheid? Uit de wet Gods. Ons wáárlijk ellendig te kennen en meer nog, ons wáárlijk schuldig te kennen, schuldig te worden, dat is niets minder dan een geloofszaak door de overtuiging van de Heilige Geest in onze levens en in onze harten. Dat leert de natuur niet in ons en niet buiten ons.
Wanneer God ons gaat bewerken met Zijn heilige wet en met Zijn Heilig Woord, dan is dat niet iets wat door het verstand of door het gevoel wordt aangenomen. Dat kan alleen maar aangenomen worden door het geloof, door de waarachtige ontdekking van de Heilige Geest.
Dan gaat het hierom, dat we God leren kennen uit Zijn Woord, uit Zijn wet in de eisende kracht van de wet: gij zult! Dat God rechtvaardig eist in onze levens, dat er een rechtvaardige eis in ons leven is. Dat God ons dusdanig opeist in al onze daden door de wet en door het Woord, dat God ons opeist dat we geheel en al Zijn Goddelijke wil onderworpen zouden zijn. Het is een heerlijk voorrecht, geliefde gemeente, dat God Zijn wil openbaar maakt in Zijn Woord. Dat God Zijn heilige bedoelingen laat weten uit de wet. God laat Zich daarin kennen hoe Hij het wil hebben in onze levens, hoe we leven moeten.
Het is een groot voorrecht dat God ons niet blind in deze wereld gesteld heeft, niet doof, maar dat God het u nog wil laten weten. Dat de Heere u nog bekend maakt met Zijn heilige wil. Dat de Heere Zijn regels schenkt, waar de mens zich aan te houden heeft. Dat de Schepper eist van Zijn schepsel dat we de wil van onze Schepper en Formeerder zullen aanvaarden in onze levens.
Dan gaat het er ten diepste om, dat we onderwezen worden. Dat Hij het te zeggen heeft, dat Zijn Goddelijke wil wet is in onze levens. In het openbare leven niet alleen, maar ook in het allerpersoonlijkste leven van ieder mens.
Waaruit kent gij uw ellendigheid? Uit de wet Gods. Dat is een geloofsstuk dat we door dat Woord, door die heilige wet onderwezen worden. Dan gaat het niet alleen om de tien woorden, maar dan gaat het om het gehele Woord, waarin God Zijn wil openbaart. Dat we eerst onze ellendigheid eens zouden leren kennen. Dat is, dat we onze verdoemelijkheid zouden leren kennen uit dat Woord, die wordt gekend uit de wet, uit de eis Gods, in Zijn Woord en nergens anders uit.
Dat leert het verstand niet. Dat leert het gevoel niet. God is zo heilig en God is zo rechtvaardig. Het gaat er maar niet om dat wij God zullen dienen naar onze eigen inzichten. Dat u het probeert op uw wijze en dat een ander probeert op zijn manier God te dienen. O nee, het gaat erom, dat we onderworpen zullen worden aan God Zelf, dat de diepste bede van ons leven zal worden:
Leer mij naar Uw wil te hand'len,
'k Zal dan in Uw waarheid wand'len;
Neig mij hart en voeg het saâm
Tot de vrees van Uwen naam. (Psalm 86:6a)
Nee, Paulus zegt: "Want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de wet niet zeide: Gij zult niet begeren".
En nu eens heel praktisch gemeente, God heeft tien geboden. De meeste mensen hebben wel gevoel voor een stuk of vijf, zes, zeven geboden, maar er is in ieders leven wel een gebod dat overtreden wordt. Op school geven we de leerlingen cijfers en nu is de mens zo'n ellendig schepsel, we denken dat het nog wel aardig gaat wanneer we een vijf, zes of zeven hebben.
Paulus, wanneer hij bij het eerste gebod kwam, dan kon hij zeggen: onberispelijk, van mijn jeugd aan. Het tweede gebod. Het derde gebod. Paulus had het héél ver gebracht. Paulus haalde wel een negen in Godsvrucht... "Want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de wet niet zeide: Gij zult niet begeren". O geliefde gemeente, wat spreken wij vaak een oordeel over onszelf uit, van: tamelijk, of het gaat nogal. Maar God oordeelt: "Want wie de gehele wet zal houden, en in één zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle" (Jak.2:10).
Waaruit kent gij uw ellendigheid? Paulus leert ons: niet uit mijn verstand, niet uit mijn gevoel, niet uit mijn geweten ben ik erachter gekomen, maar uit het Woord. Dat Woord moet onze levens ingaan, in zijn ontdekkende kracht, in zijn aanwijzende kracht waar de zonden zitten in onze levens. Want anders zullen we het zelf niet weten. Dan kunnen we gevàngen zitten in de grootste zonde, zonder dat we er zelf erg in hebben. Dat Woord moet het doen en de Heilige Geest moet het doen, zodat er geloof is in onze harten om onze hoofden te buigen onder de levende beschuldigingen van het Woord.
Dat wil zeggen, dat het ons aangewezen wordt tot in het diepst van ons hart. Kijk, ze zeggen wel eens: dat dierbare Woord. Ik zeg ook weleens, het is een kostelijk Woord. Maar laat ik u toch mogen zeggen: wanneer dat Woord in Zijn ontdekkende kracht komt in onze levens, o, dan is er een tijd geweest, dat ik het met goed fatsoen niet open durfde te doen, vanwege zijn beschuldigende kracht: "Gij zijt die man". We lezen van David in Psalm 51. David, schuldig aan overspel, schuldig aan moord. David wist het zelf niet. De profeet Nathan gaat het schilderen. Wat zegt David? "De man, die dat gedaan heeft, is een kind des doods"! (2 Sam.12:5). Dan moet de Heilige Geest de vinger in ons leven priemen, moet zeggen: "Gij zijt die man!" (2 Sam.12:7).
Waaruit kent gij uw ellende? Uit de wet Gods.
Wat eist de wet Gods van ons? Dat leert ons Christus in een hoofdsom, in een samenvatting: Gij zult liefhebben den Heere uw God met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand, en met geheel uw kracht. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Aan deze twee geboden hangt de ganse Wet en de Profeten. Samenvatting van de wet, een hoofdsom. Is dat om vanavond de zaak een beetje eenvoudiger te maken? Ik geloof het niet.
Weet u waar het om gaat? Als nu vanavond de catechismus gekomen was met tien geboden, dan waren we misschien toch nog weer met enige triomf naar huis gegaan. Misschien het eerste gebod, het tweede gebod, het derde gebod, het vierde gebod, het vijfde gebod, misschien wel zes, misschien wel zeven geboden onderhouden, of tamelijk onderhouden.
Maar nu vraagt de Heere niet of we geen moord begaan hebben, of ons leven gevrijwaard is gebleven van diefstal, overspel, enz. Nee, het gaat vanavond nog veel dieper. Waaruit kent gij uw ellendigheid? Uit de wet Gods. Wat houdt die wet Gods in? Niet dat ik dit niet gedaan heb en dat niet gedaan zou hebben, maar er wordt gevraagd naar uw hart. Of gij God liefhebt, of gij God liefhebt met gehéél uw hart?
Er wordt niet gevraagd of u de wet onderhouden hebt. Veronderstel dat het mogelijk ware, dat u de wet had onderhouden. Veronderstel: uw voeten waren gebonden geweest. Veronderstel: uw handen waren gebonden geweest. Veronderstel: uw hoofd geblokkeerd om te zondigen. U waart er nòg niet.
Wat eist de wet Gods van ons? Dat leert ons Mozes niet, maar dat leert ons Christus in een hoofdsom: Gij zult liefhebben den Heere uw God.
Hebt u uit liefde tot God nog nooit een moord begaan? Was het de liefde Gods, die u weerhield van die en die zonde? Of was het misschien gewoon, omdat u geen gelegenheid had, of toen er gelegenheid was, geen genegenheid. Ons hart wordt onderzocht. De Heilige Geest en het geloof zijn nodig. Want er wordt niet gevraagd van ons: heb je het er tamelijk goed afgebracht? Er wordt gevraagd: hebt u het er volmaakt afgebracht? Zo we daar al ja op zouden kùnnen zeggen, dan gaat de ontdekking nog dieper, die gaat vragen: is dat nu met hart en ziel gedaan? Hebt u God liefgehad? Niet met uw hart, maar met gehéél uw hart? Niet met uw ziel, maar ook met gehéél uw ziel? Hebt u het met uw verstand gedaan, maar ook met gehéél uw verstand?
Waaruit kent gij uw ellendigheid? Uit de wet Gods. De tien geboden, door Mozes gegeven. Misschien zouden we het nog als een ladder kunnen gebruiken van tien sporten. Om dan wel niet helemaal ten hemel op te kunnen klimmen, maar in onze hovaardigheid toch een heel eind te gaan. Tot de zevende sport, een ander tot de achtste sport, een ander tot de negende sport.
Er is er één geweest, die getuigde dat hij de negen sporten gehaald had, hij was er bijna! "Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle" (1 Kor.10:12). Het was Paulus. Hij wist niet dat er nog een tiende sport was. Niet begeren. Indien de wet niet had gezegd: "Gij zult niet begeren". O, toen is het leven van Paulus in elkaar gestort. Hoe is hij neergestort van de zelfgemaakte ladder. Hoe is hij neergestort van de hoogste trede. Christus leert ons in een samenvatting dat de wet geen ladder is van tien sporten, die wij zouden kunnen betreden om daarmede ten hemel te gaan.
Wat eist de wet Gods van ons? Dat leert ons Christus in een hoofdsom, het volmaakte: uw hart, uw ziel en uw verstand. Dat is het eerste en het grote gebod: God lief te hebben. Niet, eens een keertje staande gebleven te zijn in de verzoeking. Maar staande gebleven te zijn, altijd, in de liefde. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Aan deze twee geboden hangt de ganse Wet en de Profeten.
Kunt gij dit dan houden? Dan gaat het er ook niet om, dat we zeggen: het gaat nogal. Het lukt me de ene keer iets beter dan de andere keer. Kunt gij dit alles volkomenlijk houden, wordt er gevraagd. Neen ik: want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten. Ik vraag weleens aan de catechisanten: is dat niet een beetje overdreven, om nu werkelijk te stellen, dat we van nature geneigd zijn God en mijn naaste te haten?
Ik zou het vanavond ook willen vragen aan u, geliefde gemeente: is dat nu niet een beetje overdreven? Om te belijden: neen ik, want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten? Want ik zou zeggen: huichel nooit hoor. Huichel nooit in uw belijdenissen voor God. Wees altijd eerlijk.
Als we dan belijden: neen ik, want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten, dan zal die belijdenis toch uit de ernst en uit het diepst van ons hart uitgesproken moeten worden. Is het wel zo erg? Overdrijft de catechismus nou niet? Is er in deze wereld dan geen liefde? Is er in deze wereld dan geen goeds? Wel gemeente, dat komt omdat de zonde nog niet ganselijk doorbreekt, omdat de mens zich nog niet totaal uitleeft tegen God en tegen zijn naaste. Dat is niet de verdienste van de mens zelf.
Deze wereld wordt beheerst, is het niet door de bijzondere genade die God aan zijn kinderen schenkt, dan wel door de algemene genade die God aan deze wereld schenkt. Opdat deze wereld nog leefbaar zou zijn. Want wanneer er ganselijk geen genade zou zijn, niet de bijzondere genade Gods, ook niet meer de algemene genade Gods in deze wereld, dan was deze wereld, inderdaad, de hel gelijk. Het zou een hel op aarde worden. We worden het gewaar: niet alleen de bijzondere genade is schaars, het is ook alsof meer en meer de algemene genade in dit leven gaat wijken. Zo wordt het meer en meer zichtbaar, dat we van nature geneigd zijn God te haten, maar ook van nature geneigd zijn onze naaste te haten.
Als de algemene genade geheel zou wijken uit deze wereld, dan zou zij los geslagen raken uit haar voegen. Dan zou deze wereld ganselijk een hel worden, een anti-Goddelijke wereld. We lezen daar ook van in de Openbaring. Wanneer de algemene genade terugtrekt uit deze wereld. De algemene genade, dat wil zeggen de breidel en de toom, waardoor God de goddeloze nog bestuurt en inhoudt. Als de Heere deze wereld aan zichzelf zou overgeven gaat de ongerechtigheid vermenigvuldigen, dan krijgt de ongerechtigheid de overhand over deze wereld. Dan wordt deze wereld weer 'woest en ledig', zoals we lezen in het eerste hoofdstuk van Genesis, wanneer de algemene genade gaat wijken. Ik geloof niet eens, dat ik dat duidelijk behoef te maken, want de algemene genade ìs aan het wijken in deze wereld.
We zien aan alle kanten wat er gebeurt, hoe vreselijk wij afglijden met z'n allen, als de algemene genade gaat wijken. Dat zonde, moord en doodslag, ik bedoel de abortus, met duizenden tegelijk plaats heeft in ons land. Stel u er niet te veel van voor. We zijn niet alleen geneigd, maar we zijn ook in staat om God en onze naaste te haten. We zouden goddeloos worden, ook in de uitleving, wanneer de Heere ons niet zou weerhouden in Zijn algemene genade. Wanneer alle remmen los zouden zijn, dan zouden we inderdaad God en onze naaste haten, op een vreselijke manier!
Waaruit kent gij uw ellende? Uit de wet Gods. En wat is nu de bedoeling van die wet Gods? Dat we zouden wanhopen aan onszelf, dat we door onze knieën zakken vanavond. Dat we van net mens, nu eindelijk eens beseffen, dat het best waar kan zijn, dat we op de zesde, op de zevende, op de achtste of op de negende sport van de ladder der wet naar de hemel staan, maar dat het niet gaat om een wet van tien geboden, maar dat het gaat om de hoofdsom: hebben we God lief met ons ganse hart, met onze ganse ziel, met ons ganse verstand? En zo niet, geliefde gemeente, dan zijn we voor eeuwig verloren, verdoemelijk, als we geen Plaatsbekleder hebben, Die voor ons en in onze plaats het er zó af kan brengen, als God het Zelf eist. Wanneer we geen Plaatsbekleder hebben, Die God liefheeft, met geheel Zijn hart, met geheel Zijn ziel en met geheel Zijn verstand en de naaste als Zichzelf, dan kunnen we nooit voor God verschijnen. Zelf hebben we het niet ìn ons.
Ik hoop dat u het begrepen hebt. Maar ik hoop ook dat u al iets ziet schemeren van het Evangelie, dat er Eén is, Eén geweest is in deze wereld, maar dan ook maar Eén, anders geen! Dat er Eén geweest is, Die zo volmaakt de Vader liefgehad heeft, met Zijn hart, met Zijn ziel, met Zijn verstand en met geheel Zijn kracht. Die zo volmaakt zondaren liefgehad heeft - Jezus Christus - dat Hij gestorven is aan het kruis. Dat er alleen van Hem geschreven is: "Zie ik kom, o Mijn God". Besef het goed, geliefde gemeente, dat er maar Eén was. "Toen zeide ik: Zie, Ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven. Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands" (Ps.40:8-9).
Waaruit kent gij uw ellende? Wat eist de wet Gods van ons? Niet alleen een uiterlijke betrachting, maar wat geschreven is in Psalm 40. Wat alleen in Jezus Christus was: "In de rol des boeks is van mij geschreven. Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands".
Plaatsbekleder, Borg, Middelaar voor zondaren. Het doel van de wet is, dat het zou zijn in onze levens: een tuchtmeester tot Christus. Dan is die wet, dat harde wetswoord van: gij zult! een tuchtmeester, zodat we, wanhopende aan onszelf, hopende gemaakt zouden worden op Jezus Christus, de Enig Gehoorzame voor de Vader. En ik zeg weer die kostbare tekst, die Enige: "Die, hoewel Hij de Zoon was, nochtans gehoorzaamheid geleerd heeft, uit hetgeen Hij heeft geleden. En geheiligd zijnde, is Hij allen, die Hem gehoorzaam zijn, een oorzaak der eeuwige zaligheid geworden;" (Hebr. 5:8-9), o zalige zaak!
Wat eist de wet Gods van ons? Het geloof in God, in Jezus Christus! Door het geloof krijgt, het God lief te hebben met zijn gehele hart, in een zondaar gestalte. Het God liefhebben in Jezus Christus met geheel zijn ziel. Het God liefhebben in Jezus Christus met zijn gehele verstand, en de naaste als zichzelf. Zo krijgt gestalte wat de wet niet volbrengen kan, wat in het werkverbond niet meer te halen is. Het komt voort uit het genadeverbond, door het allerdierbaarste geloof in de Heere Jezus Christus. AMEN.