Zondag 35. Vraag en antwoord 96 - 97 - 98

                                         ZONDAG 35

                            Vraag en antwoord 96, 97 en 98

 

        Psalm      89 : 4

        Psalm      80 : 11

        Psalm    106 : 11,22,­24

        Psalm      96 : 3

        Psalm      90 : 9

        Deut.         4 : 1-31

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in Deuteronomium 4 : 12 - 13

 

Zo sprak de HEERE tot u uit het midden des vuurs; gij hoor­det de stem der woorden; maar gij zaagt geen gelijke­nis, behalve de stem.

Toen verkondigde Hij u Zijn verbond, dat Hij u gebood te doen, de tien woorden, en schreef ze op twee stenen tafe­len.

 

Onze catechismus zondag 35, vraag en antwoord 96, 97 en 98

 

96. Vr. Wat eist God in het tweede gebod?

Antw. Dat wij God in generlei wijze afbeelden, en op geen andere wijze vereren, dan Hij in Zijn Woord bevolen heeft.

97. Vr. Mag men dan ganselijk geen beelden ma­ken?

Antw. God kan en mag in generlei wijze afge­beeld worden. Maar de schepselen, al is het dat zij mogen afgebeeld wor­den, zo verbiedt toch God hun beeltenis te maken en te hebben, om die te vereren, of God daardoor te dienen.

98. Vr. Maar zou men de beelden in de kerken als boe­ken der leken niet mogen dulden?

Antw. Neen; want wij moeten niet wijzer zijn dan God, Dewel­ke Zijn Christenen niet door stomme beel­den, maar door de levende verkondiging Zijns Woords wil onderwezen hebben.

 

Wel, geliefde gemeente, het gaat vanavond over het tweede gebod. En zoals u zult weten, is dat tweede gebod een lang gebod, want het is een gebod dat vanwege zijn ernst een bedreiging in zich heeft, maar ook een kostelijke belofte.

Ik zal u het tweede gebod nog eens voorlezen: Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen dat boven in den hemel is, noch van hetgeen dat onder op de aarde is, noch van het­geen dat in de wateren onder de aarde is. ­Gij zult u voor die niet bui­gen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, en dan volgt die ern­stige bedreiging: Die de misdaad der vaderen be­zoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde lid derge­nen die Mij haten; maar dan volgt ook die kostelijke belof­te: en doe barmhar­tig­heid aan duizenden dergenen die Mij lief­hebben en Mijn geboden onder­houden.

Laten we dus vooral niet de vergissing begaan, dat wij zouden zeggen: het is maar het tweede gebod. Het tweede gebod heeft erg veel te maken met het eerste gebod. Ze zijn hierin onderschei­den, dat ons in het eerste gebod geboden wordt dat we alleen de ware God zouden dienen en het tweede gebod gebiedt ons dat wij die ene ware God ook zouden dienen, zoals Hij gediend wil worden.

Afgodendienst is het aanbidden van een ande­re god, waar we een beeltenis van maken om die te aan­bidden. Beel­den­dienst houdt in dat wij gaan pro­beren een beeld te maken van de ware God en dat wij dan in dat beeld, de ware God zouden aanbid­den.

Die twee geboden zijn dus onderscheiden, maar hebben intussen ontzettend veel met elkaar te maken. Wanneer we tegen het tweede gebod zondigen, dan zullen we ook altijd zondigen tegen het eerste gebod. Want dan zal het beeld, ons zelfgemaakte beeld, ons ook afbrengen van de ware God.

Kort en goed komt het tweede gebod dus hier op neer: dat wij God niet zullen dienen zoals wij zèlf denken dat Hij gediend wil worden, want dan schuif je daar zo heel gemakkelijk iets van jezelf in, zonder dat je het weet. Maar het tweede gebod zegt dat we God zullen dienen, zoals God Zelf gediend wil wor­den. Het is dus nodig dat we ook ten aanzien van dit tweede gebod heel praktisch vragen:

 

      Leer mij naar Uw wil te hand'len,

      'k Zal dan in Uw waarheid wand'len;

      Neig mijn hart, en voeg het saâm

      Tot de vrees van Uwen naam (Ps.86:6).

 

Beeldendienst! Ik kan wel duidelijk maken wat daarmee bedoeld wordt, geliefde gemeente, catechisanten. Er was een vader jarig, een vader die een hekel had aan schild­padden. Maar zijn kinde­ren wilden heel graag een schildpad hebben, dus gaven die kinde­ren hun vader een schild­pad voor zijn verjaardag. Ten diep­ste gaven die kin­deren zich­zelf een schildpad. Zo is het ook met de beel­dendienst. Ten diepste zoeken we daar­in iets voor onszelf, ten diepste dienen we daarin onszelf, wanneer we God gaan dienen zoals wij zelf ons dat voorstel­len.

Dit stuk van de wet staat in de dankbaarheid. Ik wil u er ook nog even aan herinneren, dat het nog niet persé een echt tastbaar beeld hoeft te zijn, wat wij van God maken, het kan ook onze eigen voorstelling van God zijn. Dat hoeft niet concreet te zijn, het kan ook abstract zijn.

Ik wil u er aan herinneren dat het gaat over de dank­baar­heid, de ware dankbaar­heid. God wil gedankt wor­den, God wil gediend worden, niet zoals wìj vin­den dat Hij gediend moet worden. Niet naar geboden en inzet­tingen die op menselijk goed­dun­ken gegrond zijn. Het gaat om het Woord, om Gods Woord! Wan­neer de psalm zegt: "Hoe lief heb ik Uw wet!" dan kun­nen we net zo goed zeg­gen: "Hoe lief heb ik Uw Woord! Zij is mijn betrachting den gansen dag" (Ps.119:97).

God wil gediend worden, niet door een beeld, maar in het geloof. "En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde" (Rom.14:23). Geen beeltenis, niet iets wat we tasten kunnen, niet iets wat we aan kunnen raken, uit ons eigen zinnelijke hart. Maar: "Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een be­wijs der zaken, die men niet ziet" (Hebr.11:1), dat is het geweldi­ge. God wil ge­loofd worden, "als ziende de On­zienlijke" (Hebr.11:27).

Heeft Jezus Christus Zelf niet gezegd: "Zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen ge­loofd heb­ben" (Joh.20:29).

Beeldendienst! Het is erg tragisch, we hebben er van gelezen dat, toen Mozes op de berg was om de wet uit de handen van God te ontvangen, de beeldendienst al direct de eerste zonde van het volk was. Zolang ze Mozes nog zagen ging het goed. Maar toen Mozes uit het gezicht ver­dwenen was, o, toen wilden ze toch wel iets zien van God. Toen hebben ze kalveren gemaakt, waarvan wij hebben gezongen:

 

      Zij maakten zich, den HEER' ten spot,

      Een kalf bij Horeb tot een god,

      Waarvoor zij zich eerbiedig bogen;

      Een os, die gras eet op het veld,

      Een beeld, o gruwel in Gods ogen,

      Werd toen aan Hem gelijk gesteld.

 

We voelen het wel aan wat een afschuwelijke zonde het was, toen het volk God in gouden kalveren uit ging beel­den. Ten diepste was dat een terugkeer met hun hart naar Egy­pte­land, waaruit de Heere hun God hen verlost had. Egyp­teland, waar heilige koeien vereerd werden.

Dan zien we in die geschiedenis, dat er via het tweede gebod ook een terugval, een afval van het eerste gebod is. God beveelt dat we Hem op geen enkele wijze af zullen beelden, gemeente. Op geen enkele wijze mogen wij God afbeelden, laat staan dat wij die beel­te­nis dan ook ver­eren zouden.

Kan God afgebeeld worden? Ik wil er even op ingaan, hier bij het tweede gebod, dat de HEERE de zwak­heid van een mens te hulp komt, door heel vaak mens­vormig over Zichzelf te spreken. God buigt Zich zo diep neer tot ons kleine mensjes, dat God ons aan­spreekt naar de menselijke maat, op een menselijke wijze, voor ons kleine menselijke verstand. De Schrift spreekt ook vaak op een menselijke wijze, op een mens­vormige wijze over God.

Er wordt gesproken over Gods oren, wanneer de dich­ter van Psalm 86 bidt: "HEERE! neig Uw oor, ver­hoor mij: want ik ben ellendig en nooddruftig" (Ps.­86:1). Wanneer, om een voorbeeld te ge­brui­ken, God Zelf spreekt over Zijn rechterhand, dan betekent dit dat God een hand heeft, in die zin, dat God een leven­de God is en dat Hij Zijn levende hand legt op het hoofd van Zijn bedroefde kind om dat te troosten, wanneer het troost nodig heeft. Als zodanig kunnen we immers spre­ken over Gods hand in onze levens. Die vertroos­tende hand van God voor Zijn volk, diezelfde hand was voor Farao een gebalde vuist. Wat een be­scher­mende hand was voor Israël, dat was een wre­kende vuist voor Farao.

In die beeldspraak gemeente, onthult God iets van Zijn wezen, maar niet iets van Zijn vorm. Niet hoe Hij er uitziet, maar Wie Hij is! De godde­lozen hebben te vrezen voor Gods rech­terhand, maar voor ieder die God vreest, is er een levende vertroosting bij God Zelf. Wij zullen geen afbeelding van God maken. O, het kan ons wel duide­lijk zijn, wanneer we ooit een af­beelding van God zouden willen maken, dat het niet eens moge­lijk is. Heeft Johannes niet geschre­ven: "Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon,  Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons ver­klaard" (Joh.­1:18).

God vraagt ons geloof, om Hem te geloven zoals Hij Zich openbaart in Zijn Woord. Wanneer dat op enige manier vermengd wordt met dingen die zichtbaar zijn, die zienlijk zijn, die inspelen op de genegenheden van ons hart, dan kunnen we het heel goed bedoelen ge­meente. Dan kunnen we het vreselijk goed bedoelen zelfs, maar dan worden de Gods­huizen tot zondehuizen. Zoals de profeet het zegt van Beth-El, huis van God, dat wordt genoemd Beth-Aven, huis der zonde (Hoséa 4:15). Omdat in datzelfde Beth-El ook de zonde van Jeróbeam zijn oorsprong vond.

U weet toch wel dat daarom het tienstammenrijk ten gronde is gegaan. Dan zult u ook die ver­schrikkelijke bedreiging begrijpen, die God uitspreekt in het tweede gebod: dat Hij de misdaad der vaderen bezoekt aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde ge­slacht dergenen die Mij haten, zegt de Heere.

Het is een zonde gemeente, wanneer we afwij­ken van Gods Woord en van het geloof, dat is een zonde die door­vreet in de gezin­nen, die doorvreet in de geslachten. Zodat er met recht gespro­ken is en we kunnen het in de hele Schr­ift lezen, dat God bezoe­king doet tot in het derde en het vierde geslacht. Zo is het ook gegaan met het tienstammenrijk. Dat tienstam­men­rijk is tenslotte te gronde gegaan door de beel­den­dienst, de kalverdienst van Beth-El.

Maar in het u voorgelezen Schriftgedeelte hebben we er ook iets van gelezen dat God barmhar­tig­heid doet aan dui­zenden dergenen die Hem liefhebben en Zijn gebo­den onderhouden. Ook daarin doet de Heere wat Hij beloofd heeft. Dan wordt er een verkleinwoord gebruikt, wanneer de Heere daar in Deutero­nomium al be­looft, dat Hij een klein volksken in het leven zal hou­den tot aan het einde der aarde. "En de HEERE zal u verstrooien onder de volken; en gij zult een klein volksken in getal overblijven onder de heidenen, waar de HEERE u henen leiden zal. En aldaar zult gij goden dienen, die des mensen handenwerk zijn, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch eten, noch rieken. Dan zult gij van daar den HEERE, uw God, zoeken, en vinden; als gij Hem zoeken zult met uw ganse hart en met uw ganse ziel. Wanneer gij in angst zult zijn, en u al deze dingen zullen treffen; in het laatste der dagen, dan zult gij wederke­ren tot den HEERE, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn. Want de HEERE, uw God, is een barmhartig God; Hij zal u niet verlaten, noch u verderven; en Hij zal het verbond uwer vaderen, dat Hij hun gezworen heeft, niet vergeten" (Deut.4:27-31).

We moeten dus goed voor ogen hebben, dat de tien stammen verloren gegaan zijn vanwege de zonde tegen het tweede gebod, waarin ook het eerste gebod be­grepen was. Dat is de wraak van God geweest.

 

Dan komt de vraag boven en de catechismus stelt deze ook: Mag men dan ganselijk geen beelden maken? Wel geliefde gemeente, de catechismus zegt er geen 'ja' en zegt er geen 'nee' op. De catechis­mus zegt: God kan en mag in generlei wijze afgebeeld wor­den.  Maar de sche­pselen, al is het dat zij mogen afge­beeld worden, zo verbiedt toch God hun beeltenis te maken en te heb­ben, om die te vereren, of God daar­door te dienen.

Dan kan het ons duidelijk zijn wat hier bedoeld wordt. Dat kan ons zelfs duidelijk zijn uit de Schrift. Want we lezen dat tijdens de woes­tijnreis, toen het volk ge­plaagd werd door de vurige slangen, het de op­dracht van God Zelf was dat Mozes een koperen slang moest maken. "En Mozes maakte een koperen slang, en stel­den ze op een stang; en het geschiedde, als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan, en hij bleef levend" (Num.21:9).

We weten uit de Schrift dat de HEERE, ik moet het nog nader aanduiden, dat in het bijzonder de Heilige Geest, wijsheid heeft gege­ven aan de makers van de ta­berna­kel. Dan weten we dat er zelfs gouden enge­len ge­maakt moes­ten worden, cherubim op het verzoen­dek­sel. Maar wan­neer het volk gaat overtreden, wanneer deze din­gen tot beel­dendienst worden, dan lezen we dat God Zelf er voor zorgt dat deze afbeeldingen vernie­tigd worden. Wanneer het volk de ware God niet meer ver­eert, maar wanneer die koperen slang tevoor­schijn gehaald wordt om die te vereren, dan moet Hizkía die kope­ren slang vernielen en verma­len. We weten ook dat er van die cherubim niets meer is over­gebleven.

God is hier heel nauwkeurig op, geliefde gemeente, op het maken en het hebben van afbeeldingen om God daardoor te vereren, of om God daarin te dienen. Dat kan natuurlijk op een grove manier. We zouden mis­schien kunnen vragen: wie doet dat nu dan nog? Onze cate­chismus is geschreven kort na de Reformatie, toen de beelden­dienst nog volop levend was in de Roomse kerk.

 

We lezen in vraag en antwoord 98 nog zo'n stilzwij­gend iets, over de Lutherse kerk waar de beel­den gehand­haafd werden als boeken der leken. Deze beelden werden niet aangebe­den, het werden geen heiligen meer ge­noemd, maar ze werden als boeken der leken in de Lutherse kerk geduld. Wij moeten niet wijzer zijn dan God, Dewel­ke Zijn Christenen niet door stomme beelden, maar door de levende verkondiging Zijns Woords wil onderwezen hebben.

Beeldendienst kan echter ook op een meer verfijnde manier. Wij doen het zo grof niet meer, maar ik geloof toch dat het ook wel nuttig is, ja dat het nodig is om onze grenzen te weten. Ik denk namelijk dat we met dit gebod het gebied van de kunst toch ook een beetje raken. Als christen moeten we onze gren­zen ook weten in de kunst, waar we op school misschien mee te maken zullen hebben, geliefde catechi­santen. We zullen God alleen vereren en wij zullen Hem alleen op die wijze vereren, zoals God dat gebiedt in de Schrift.

Er is veel kunst, ik heb het al gezegd: van de ware kunst lezen we heel opmerkelijk dat de Heilige Geest de kunstenaars bezielde tijdens de bouw van de ta­bernakel. Het was de Heilige Geest, Die ze wijs­heid gegeven heeft, kunstzinnige wijsheid om de taber­nakel te bouwen. Van Bezáleël lezen we in Exodus: "Ik heb hem vervuld met den Geest Gods, met wijsheid, en met verstand, en met weten­schap, namelijk in alle hand­werk; Om te bedenken vernuftigen arbeid; te weten in goud, en in zilver, en in koper, En in kunstige steen­snijding, om in te zetten, en in kunstige houtsnijding, om te werken in alle handwerk" (Ex.31:3-5).

Wij maken geen beelden meer van God de Vader, maar toch past een christen terughoudendheid in de kunst. Want wanneer Jezus Christus wordt afgebeeld, zijn we dan ten diepste ook niet bezig te werken uit onze eigen gevoelens in plaats van uit het geloof. Ik denk dat de ware gelovige Jezus niet zal schilderen, vanuit de onmacht van de situatie.

Ik wil er niet al teveel van zeggen, u kent het verhaal mis­schien wel van de graaf Von Zinzendorf, die zo veel gedaan heeft voor de verbreiding van het Evan­gelie, die veel zending bedreven heeft. Graaf Von Zin­zen­dorf stond eens voor een schilde­rij van Chris­tus met Zijn door­nen­kroon. Ond­er dat schilderij stond: "Dit deed Ik voor u, wat doet gij voor Mij?" Er zijn gelovige schilders geweest die Jezus geschil­derd hebben. Wij hoeven daar geen rechter over te zijn en wij hoeven daar geen oordeel over te vellen. Maar wat een terug­hou­dendheid past ieder christen.

Weet u, met die ontroering over een afbeelding van de Heere Jezus kan het ook nog zo zijn, dat we bakken vol ont­roering hebben, terwijl het geloof ten enenmale ont­breekt. Laat ik het maar zo mogen zeggen, wan­neer het Woord geen beslag heeft gelegd op onze harten, wanneer de Heilige Geest het geloof niet ge­werkt heeft in onze harten, het geloof in de Chris­tus der Schrif­ten, dan zal ook een schilderij van Jezus ons niet recht treffen, gemeente!

Om zalig te worden moe­ten we het lijden niet zien op een plaat­je of schilderij. Om zalig te worden moeten we gelo­ven, wat de getuigen ons in de Schrift geschilderd hebben aan­gaande Jezus. Zoals Johan­nes het schrijft: "En die het gezien heeft, die heeft het ge­tuigd, en zijn getui­genis is waarach­tig; en hij weet, dat hij zegt, hetgeen waar is, opdat ook gij geloven moogt" (Joh.­19:35). Johannes is er zelf bij ge­weest en dat keert stee­ds terug in het Evan­gelie naar de beschrij­ving van Johannes, maar ook in zijn brie­ven. "Hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus" (1 Joh.1:3). Ik wil het nog eens zeg­gen: "Zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en noch­tans zullen ge­loofd hebben" (Joh.20:29).

 

Laten we het maar toe gaan passen, gemeente! Wanneer het met name over de Heere Jezus gaat, Die een menselijk li­chaam had, zodat Hij moge­lijk uit­ge­beeld zou kunnen worden, laten we dan maar heel teer zijn op dat punt, want ook daar wordt het heel erg gevaarlijk. Wij weten immers dat de menselijke natuur van Jezus niet aangebeden wordt, maar dat de Christus aange­beden zal worden in Zijn godde­lijke natuur.

O gemeente, laten wij teer zijn in de bedorven cul­tuur waarin wij leven, waarin wij onszelf dagelijks bezondi­gen aan het lichaam en aan het bloed van Jezus Chris­tus Gods Zoon. Laat er een teerheid in onze levens mogen zijn vanuit het Woord: "Maak in Uw Woord HEERE, mijn gang en treden vast, opdat ik mij niet van Uw paân moog' keren; en wordt mijn vlees...", en dat is het nou juist, het is zo vleselijk wat ons via de ogen bereikt. Wat niet via het Woord komt, heeft altijd iets vleselijks in zich. De gevoelige genegenheid van het hart, de gevoelige genegenheid van de doch­ters van Jeruza­lem:

 

      Ik deed als Jeruzalems dochters weleer;

      Ik ween­de om de pijn van mijn lijdende Heer',

      En dacht er niet aan, dat ik zelf door mijn schuld

      Zijn kroon had ge­vlochten, Zijn beker gevuld.

 

"Zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en noch­tans zullen geloofd hebben".

Het gaat op de toekomst aan, geliefde gemeente! De levende Kerk zal hier hebben te leven uit het geloof, maar het geloof zal eenmaal aanschou­wen wor­den. Dan juicht de apostel: "Want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is" (1 Joh.3:2). Een andere apos­tel juichte: "En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschou­wende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veran­derd, van heer­lijkheid tot heer­lijk­heid, als van des Heeren Geest" (2 Kor.3:18).

Het gaat om het Woord, daaruit zullen we hebben te leven. Het moet in onze levens van kracht worden, wat we gelezen hebben en wat we geleerd hebben in voor­af­gaan­de zondagsafdelin­gen, dat we wedergeboren wor­den door Woord en door Geest, maar niet door een beeld en de Geest. Door Woord en Geest wordt het geloof ge­werkt in zondaarsharten. En dan is er nog een groot wonder: het wordt versterkt door het Sacra­ment en de Heilige Geest.

Ik moet een beetje voorzichtig zijn, een beetje op mijn woorden letten bij wat ik nu ga zeggen. Waar dat geloof gewerkt is door het Woord, waar een naakt geloof op het naakte Woord beoefend wordt door een naakte zondaar,  daar verbiedt God ons alle beelden. Maar daar heeft God de Kerk gezegend met Sacramen­ten om het geloof te ver­sterken, waarin het li­chaam des Heeren niet in letterlijke zin zichtbaar gemaakt wordt, maar wel het zaligma­kende werk van Zijn ver­broken li­chaam en Zijn vergo­ten bloed. Zo zal de Kerk te­vreden zijn zon­der beelden.

Maar met de twee Sacramenten die de Heere Jezus heeft ingesteld, waarin voor het geloof, dat is dus niet voor de ogen, maar dat is voor het hart, zichtbaar wordt Wie Jezus is in Zijn ver­zoenend werk. Wat Jezus is in Zijn verbroken lichaam: brood voor de hongerige ziel. Wat Hij is in Zijn vergo­ten bloed en Wat Hij is in het water van de Doop. Dit: al waren alle zon­den van Adams nakroost saâmgebonden, dat bloed wast alle zonden uit!

O gemeente, laten we toch dagelijks bezig mogen zijn onszelf te onderzoeken of dat ook wij geen beelden in ons hart omdragen. U zult misschien vragen: wat zijn die beelden in het hart? Dat is, dat wij een vleselijke voor­stelling gaan maken van God. Ik zou haast zeggen, hoe minder wij met het Woord bezig zijn, hoe meer onze fantasie­n, onze reli­gieuze fantasi­en, onze zoge­naamde geeste­lijke fanta­sieën met ons op de loop zullen gaan. Zodat onze idee­ën, ik hoop dat er enkelen zijn die dit ver­staan, zodat onze ideeën idolen gaan worden. Dat we toch zoals de catechis­mus heeft gezegd, mense­lijke inzettin­gen gaan vor­men in onze hoofden en in onze harten.

Het gaat om het Woord, geliefde gemeente, dat we God zullen leren kennen uit Zijn Woord. En als er een begeerte is om Hem méér te kennen, moeten we méér zoeken in het Woord. En als er een begeerte is om Hem veel meer te ken­nen, moeten we nog meer zoeken in het Woord. "­Zalig zijn zij, die niet zullen ge­zien heb­ben en nochtans zullen geloofd hebben".

Dan zal één­maal de begeerte vervuld worden van die Kerk, die niet verlangt naar het lichame­lijke aan­schouwen van Jezus uit de geest van het eerste ge­bod, of uit de geest van het tweede gebod. Maar door de liefde komt er in de Kerk een hartelijk verlangen, niet om een beeld te hebben, maar om een­maal Jezus Chris­tus Zèlf te heb­ben en met Hem ver­enigd te zijn.

Voor beeldendienst zult gij u wachten. Er is iets voor­treffelijker dan beeldendienst. Dat is: wanneer een zondaar door genade verwaar­digd wordt het beeld van Christus gelijkvormig te worden. O, dan is er ook de hoop, voor wie Hem gelijkvormig mag worden naar Zijn vernederd lichaam, om Hem eenmaal gelijk te zijn naar Zijn ver­heer­lijkt lichaam. Dan juicht de apostel: "Wij zullen Hem zien, gelijk Hij is".

Daar zal werkelijk alle godvrezende honger, om het zo eens te zeggen, alle godvrezende dorst naar de beelte­nis van God in Chris­tus verzadigd worden. Zoals de psalm het ook zo heerlijk zegt: "Maar ik zal Uw aange­zicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwa­ken" (Ps.17:15).

Wat zal dat heerlijk vervuld worden in Christus Jezus, wanneer de gelovigen eenmaal in de wederopstan­ding het beeld van Jezus Christus naar de verheerlij­king gelijkvormig en met Hem verenigd zullen zijn. Als het dan in vervulling zal gaan: "En alzo zullen wij altijd met den Heere wezen. Zo dan, ver­troost el­kan­der met deze woorden" (1 Thess.4:17-18). AMEN.