Zondag 39. Vraag en antwoord 104

                                         ZONDAG 39

                                   Vraag en antwoord 104

 

        Psalm      19 :  1

        Psalm      19 :  4

        Psalm    106 :  14,2

        10 Geb.        :  6,9

        Psalm    119 :  25

        Romeinen       13

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in Romeinen 13 : 1 - 3

 

Alle ziel zij den machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geen macht dan van God, en de machten, die er zijn, die zijn van God geordineerd.

Alzo dat die zich tegen de macht stelt, de ordi­nantie van God wederstaat; en die ze wederstaan, zullen over zichzel­ven een oordeel halen.

Want de oversten zijn niet tot een vreze den goeden wer­ken, maar den kwaden. Wilt gij nu de macht niet vrezen, doe het goede, en gij zult lof van haar hebben.

 

Onze catechismus zondag 39, vraag en antwoord 104

 

104. Vr. Wat wil God in het vijfde gebod?

Antw. Dat ik mijn vader en mijn moeder, en allen die over mij gesteld zijn, alle eer, liefde en trouw bewijze, en mij hunner goede leer en straf met behoor­lijke gehoorzaamheid onder­wer­pe, en ook met hun zwakheid en gebreken geduld heb­be, aangezien het Gode belieft, ons door hun hand te regeren.

 

Het gaat deze keer, geliefde gemeente, over het vijfde gebod, waarin de HEERE geboden heeft, zoals Deuteronomium 5 het ver­woordt: Eert uw vader, en uw moeder, gelijk als de HEERE, uw God, u geboden heeft, opdat uw dagen ver­lengd worden, en opdat het u welga in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal. (Deut.5:16).

Het is dus een gebod met een belofte. We hebben al meer geboden gehoord, waarin een ern­stige bedreiging voorkwam. Maar nu een gebod met een heer­lijke belofte: Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft, zoals het in Exodus 20 geschreven staat.

Dit is dat heerlijke gebod waar de kinderen altijd naar vragen op catechisatie: "Dominee, wat betekent dat gebod en wat bedoelt de Heere daarmee? Wordt je dan echt erg oud, als je je vader en je moe­der gehoorzaam bent?"

Het is inderdaad zo dat het voortbe­staan van een gezin, maar ook het voortbe­staan van een land en het voortbestaan van een volk is bij de gratie van het gezag en de gehoorzaamheid aan dat gezag. Dan heeft de Heere aan Israël beloofd, en het is een belofte die ieder geldt, maar bijzonder het volk Israël, dat wan­neer zij het gezag als Gods diena­res onderworpen zouden zijn, en daarmee aan God Zèlf onder­worpen zouden zijn, zij lang zouden leven in het land waar zij naar toe gingen.

Maar wat zijn ze dwaas geweest, want het is de onge­hoor­zaamheid van Israël geweest, waardoor de vrede en het geluk in het beloofde land maar zo kort geduurd heeft. Daar hebben we ook van gezongen uit Psalm 106, zij waren zo dwaas:

 

      Zij hebben 't langge­wens­te land

      Versmaad uit strafbaar onver­stand,

      En niet ge­loofd aan 's HEEREN woorden.

 

Zij waren onge­hoor­zaam­ tegen Mozes en tegen Aäron. We kennen de ge­schiede­nis:

 

      Zij morden daag'­lijks in hun tent,

      Dewijl zij naar Zijn stem niet hoorden,

      Hoe duid­'lijk ook aan hun bekend.

 

Toen is het mis gegaan met dat volk en wanneer deze psalm past bij de situatie in onze gezinnen, dan zal het ook misgaan in onze gezinnen.

Het is dus een heel belangrijk gebod: Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft. Het is een gewel­dig gebod, het is ook een prachtig gebod. Het gaat er over dat God de mens regeert, dat God de mens niet aan zich­zelf heeft overgegeven, maar Hij regeert de mens, ordelijk en in zinvolle verbanden.

Dat is niet iets wat pas na de zondeval gekomen is, maar dat was reeds in de schepping gelegd. Adam was het hoofd van Eva en samen als mens, had­den zij de heer­schappij over het gedier­te. Na de val is het Gods goedheid geweest dat Hij de mens niet heeft overge­geven aan de anar­chie, de wetteloos­heid, de rege­ring­loosheid, maar dat God in Zijn algeme­ne genade die orde heeft laten bestaan. Om het maar heel gewoon te zeggen, dat deze wereld niet in haar sop gaarkookt, dat komt omdat zij nog door God gere­geerd wordt. Dat is de heerlijke algemene genade, waarin de allerbij­zon­der­ste genade ook nog door­schit­tert: de regering van het he­melse Konink­rijk dat een­maal komen zal.

Het vijfde gebod gaat over het gezag, dat er orde zal zijn en dat er vrede zal zijn. Als zodanig is er ook een verband met het vooraf­gaande gebod, het vierde met het vijfde gebod. Het zijn eigenlijk geen verboden maar geboden. Het ene gebod kan niet zonder het andere, het laatste kan niet zonder het eerste.

In het vierde gebod gaat het over de rust. Maar wat zou de rust zijn wanneer er geen vrede zou zijn? Zo heeft God in het vierde gebod de rust geboden en in het vijfde gebod wordt die rust volmaakt door er vrede in te leggen.

Eert uw vader en uw moeder, dat is de basis van het gezag, dat is de basis van de vrede, positief zoals de vrede in de Schrift. Dat betekent niet alleen dat er geen oorlog is, maar dat er ook rust is, inner­lijke rust, dat er orde en harmonie is. Dat de mens gere­geerd wordt, geleid, bestuurd en onderwezen.

Gehoorzaamheid aan het gezag! God Zelf heeft dat teruggebracht tot de woorden: Eert uw vader en uw moeder. Omdat bij hen de eerste plaats is, waar het gezag geleerd wordt, waar de gehoorzaamheid geleerd zal worden. Ik ga daar nu niet verder op in, maar ik wil wel aanwijzen dat er een lijn loopt naar het zeven­de gebod.

Kin­deren zullen bescherming heb­ben, daarom zullen kinderen weten wie hun vader en wie hun moe­der is, wie ze gehoorzaam zul­len zijn. Dan is er ook een samen­hang met de eerste geboden, wie God is en hoe wij God lief zullen hebben en hoe wij tot de eeu­wi­ge vrede, tot de eeuwige sabbat zullen gera­ken.

Van Adam staat het zo heel opmerkelijk in een van de ge­slachtsregisters: "Adam, den zoon van God" (Luk.3:­38). Zo gold het voor Adam; Eert uw Vader. Adam, zoon van God: Eert uw Vader, opdat gij lang leeft in de hof, die Hij voor u gemaakt heeft. U weet hoe het gegaan is in de val. Adam stond direct onder Gods bestuur en de kinderen van Adam stonden onder een gevallen bestuur, onder Adam en onder Eva. Noch­tans onder het bestuur, zoals God het ingesteld had.

Eert uw vader en uw moeder. Toen zijn de geslachten uitgebreid in deze wereld en daardoor is de wereld veel gecompliceerder gewor­den dan een gezin. Maar altijd gaat het weer in dat gezag om een bepaalde samenhang: Eert uw vader en uw moeder.

De gezinnen horen door Gods voorzienigheid in een bepaald ver­band van hun woonplaats, hun land, hun volk en boven dat alles staat God. "Adam, den zoon van God". En Adam gewon een zoon naar zìjn beeld en naar zìjn gelijkenis.

Zo behaagt het de HEERE ons in de tien geboden dat gezag te leren, wat het meest nabij is, niet hele­maal in de hemel, maar op de aarde in het: Eert uw vader en uw moeder.

Gezag! Het zijn als het ware kringen, cirkels, waarbij er steeds grotere cirkels zijn, die de andere cirkels omsluiten. De binnen­ste cirkel waarin de mens ge­plaatst is, dat is als kind van zijn vader en zijn moeder, en daarom: Eert uw vader en uw moeder opdat gij lang leeft, opdat gij vrede hebt.

We moeten ons ook heel goed bewust zijn, dat het vader- en moe­derschap geen hobby is. Dan komen we in de afdwa­lingen ten op­zichte van het zevende gebod. Het gaat om een ambt. We worden door God aangesteld om vader te zijn en om moeder te zijn. Het is het eerste ambt, dat door God is inge­steld.

Dan is dit zo mooi, de barm­hartigheid van de ge­dachte Gods, dat kinderen gebon­den zijn door een band van bloed aan hun ouders. De Schrift zegt het zo schoon: "Ziet, de kinderen zijn een erfdeel des HEE­REN" (Ps.­127:3).

Zo is het ook in de grotere verbanden. Een leefge­meen­schap is geen berg los zand, zo behoort het al­thans niet te zijn, maar het is een harmo­nisch ver­band. Zo goed als dan het gezag gepo­neerd wordt in het ambt van vader en moeder, in het eert uw vader en uw moe­der, zo is ook alle gezag ten laatste gehoor­zaamheid aan God, Die de ambten heeft ingesteld. Die ook de leefverbanden geschapen heeft van gezin, van gewest, van land, volk en nationali­teit.

Het is ook heel belangrijk dat God begint bij het begin: Eert uw vader en uw moeder. Immers, wie in het kleine niet getrouw zal zijn, hoe zal hij getrouw zijn in het grote? Dacht u echt, dat een onge­hoorzaam kind in grotere verbanden wel gehoorzaam zal zijn? Zoals de verhouding thuis is, geliefde ge­meente, is ook de verhou­ding buiten de deur. Onder­wijzers kunnen daar van meepraten. Het gezag is een afgeleid gezag. Ik heb het u min of meer voorgesteld als cirkels. U kunt het zich ook voorstellen als een ketting. Dan staat er veel op het spel, want uit­eindelijk is de laatste schakel met God verbon­den. Nu zegt een spree­kwoord: een ketting is nooit sterker dan zijn zwakste schakel! Denk er maar eens over na!

Zo gaat het in het gezag ten diepste niet om de onder­werping aan mensen, maar om de on­derwerping door Gods gebod, aan God Zelf. Ook in het afgeleide gezag van de gevallen gezagsdrager. Zo is een ieder schul­dig zich te voegen, gehoorzaam te zijn aan het gezag. "Alle ziel zij den machten, over haar gesteld, onderwor­pen; want er is geen macht dan van God, en de mach­ten, die er zijn, die zijn van God geor­dineerd".

­Wan­neer het afgeleide gezag ooit in strijd raakt met het abso­lute gezag van God, dan pas is het ver­werpe­lijk. Dan gelden de woorden van de Heere Jezus: "Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig" (Matt.10:37).

Dat geldt wanneer het gezag zich tegen God Zelf gaat keren, dus nooit als het gezag zwak is of als het gebrek­kig is. Ja, wat verwacht u eigenlijk van een gevallen mens die met gezag bekleed is? De catechis­mus leert ons, dat wij met de zwakhe­den en gebre­ken, van hen die over ons gesteld zijn, geduld zullen heb­ben. Want het moet ons heel duidelijk zijn, dat God geen vol­maakten uit­zoekt. God regeert gevallen kin­deren door gevallen ouders en gevallen volkeren door geval­len regeringen.

De machtsuitoefening is ook tweeërlei, zo lezen we in de catechis­mus. Er wordt gesproken over leer en straf. Natuurlijk, om iemand te regeren, om macht uit te oefenen is onderwijs nodig: lering. Maar daar behoort ook bij dat, wanneer de leer, de tucht over­treden wordt, er straf is.

Hun goede leer, dat is dat alle machten ingesteld zijn om te onder­wijzen, te regeren, te leiden en te bestu­ren. Kortom, dat wij elkaar op zullen voe­den in de wet en in het Woord, in de vreze Gods. Daarin staat veel op het spel: zijn en welzijn van de mens staat op het spel.

Eert uw vader en uw moeder, zo zegt de wet dat. Daar behoort dus de lering bij, bij ieder ambt, ook bij het ambt van vader en moeder. Het wordt tenslotte be­zworen bij het doopvont: "deze kinderen, als zij tot hun verstand gekomen zijn, waarvan gij vader en moeder zijt, in de voorzeide leer naar uw vermogen te onderwijzen". Maar daar hoort ook bij dat wij tucht zullen oefenen in onze gezinnen.

Er wordt over straf gesproken, dat is tegenwoordig een ou­derwets woord. Straf kreeg je vroeger als je ver­keer­de dingen deed. Op z'n gewoon hollands ge­zegd: dan kon je nog een pak slaag krijgen.

Maar nu zijn we in het tijdperk aangeland van de liefde: "De liefde, dominee!" Zou het echt waar zijn? Hoe zou het komen, dat de jeugd zo vrese­lijk van hun anker afgeslagen is? Zou dat ge­brek aan liefde zijn? Neen! Het is gebrek aan gezag en gebrek aan tucht! Men zegt weleens: "Je slaat er de liefde uit". Salomo wist wel beter, hij zei: "Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging" (Spr.13:24). En: "door de droef­heid des aange­zichts wordt het hart gebeterd" (Pred.­7:3).

Ik denk dat één van de kwalen van onze tijd is ­dat het regeren en onderwijzen, maar ook het straffen als het nodig is, allemaal zo slapjes is. De jeugd is onze­ker omdat ze niet weten waar ze aan toe zijn, vandaar de vele verloren zonen en verloren dochteren. God heeft in Zijn Woord gezegd en dat geldt ook voor vaders en moe­ders: "Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen; wat boven deze is, dat is uit den boze" (Matt.5:37).

Het is funest om twee keer nee te zeggen en als ze maar door blijven zeuren, om dan maar ja te zeggen. Daar maak je je kinde­ren psychisch mee kapot en daar ver­niel je de gezinnen mee. Ik zal er verder niet op ingaan. Maar laat uw ja, ja zijn en uw nee, nee zijn en wat boven deze is, dat is geen liefde, dat is uit den boze. Het is de sterkste ondermijning van het gezag, ook in het gezin, wanneer 'ja' geen ja meer is en wanneer 'nee' geen nee meer is. "Wat boven deze is, is uit den boze". Daar kweken we mensen mee die onze­ker wor­den, die het niet meer zien zitten, die niet meer gelo­ven in gezag. Dan gaan we Gods wet en het gezag zo uitoefe­nen dat het geen godde­lijke regel meer is, maar wille­keur. Een soort willekeur waar we verande­ring in kunnen brengen door gezeur. "Laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen; wat boven deze is, dat is uit den boze", gemeente.

De catechismus spreekt hier over een behoorlijke gehoorzaam­heid. Nu is onze Nederlandse taal al zo versle­ten, dat we misschien denken: tamelijk ge­hoor­zaam. Zodat de kinde­ren, wanneer ze tamelijk gehoor­zaam zijn, denken dat het dan al zo is, zoals het be­hoort. Nee! Be­hoor­lijk dat wil zeggen: zoals God het voorschrijft, zoals het Woord het zegt, in een nederige erkenning dat er geen macht is dan van God. Dat het machten zijn, die door God zijn aangesteld, zoals God het wil en zoals Jezus het Zelf heeft geleerd.

Dan spreekt de catechismus over dat gezag in termen van ge­hoorza­men, eren, liefhebben, trouw bewijzen. Ver­schil­lende woorden, maar het is ten diepste één zaak: het begint met gehoorzamen. Men zegt tegenwoordig dat de liefde voorop gaat. Het is niet waar, ge­meente! Ge­hoorza­men gaat voorop. Het is de val van Saul geweest en van zijn ko­ninkrijk, dat hij onge­hoor­zaam was. Toen heeft Samuël in Gods naam ge­zegd: "Zie, ge­hoorza­men is beter dan slachtoffer, opmer­ken dan het vette der rammen" (1 Sam.15:22).

Gehoorzaamheid gaat voorop en niet de liefde. Het gezag zal eerst gevestigd moeten zijn. Gaat de liefde voorop gemeente, dan denken we dat het wel goed is, maar dan zijn we ten diepste het gezag aan het on­dermijnen. Dan wordt de grondslag onder het hele gebouw wegge­haald, de grondslag van alle regerende macht. En die grond­slag is niet de liefde, dat klinkt wel mooi, maar dat is gewoon een preek geweest van de Franse revo­lutie, uit het eind van 1700. Het heeft wel een poosje geduurd, maar nu komt deze gedachte ook onze kerken binnen.

Liefde? Nee, het klinkt wel mooi, maar gezag is er nooit op vrijwil­lige basis: "Eert uw vader en uw moe­der", God heeft het gezag gegeven. Gezag is er nooit op vrijwillige basis, dat is de dwa­ling van alle demo­crati­sche stelsels en hoe ze meer mogen heten. Waarin de mens zelf mag kie­zen wat ge­hoor­zaamheid inhoudt en hoe hij gehoor­zaam zijn zal en wie hem regeren zal.

De Schrift spreekt: "Eert uw vader en uw moeder". We zullen ge­hoorzaam zijn aan allen die over ons ge­steld zijn. Omdat God hen boven ons gesteld heeft, zullen zij ge­hoor­zaamd moeten worden. Zoals de Heere vrijwil­lige liefde vraagt, maar in de eerste plaats eist, ge­meente.

Laten we dat maar even kort en goed onderzoe­ken, God vraagt niet alleen liefde, maar Hij eist deze ook! Daarin zijn wij ook al zo verkeerd en vergiftigd door de duivel. God mag liefde eisen. Dat is geen vrijblijven­de zaak, God mag ge­hoor­zaam­heid eisen maar ook liefde.

Ik weet wel dat die ouderling het goed bedoelde. Ik was er bij, dat een ouderling zijn nieu­we dominee toesprak met: "Geachte leraar, want ja, geliefde le­raar kun­nen we nog niet zeg­gen". Fout, helemaal fout ge­meente! Liefde is ook eis: eis in Gods Woord. Het is niet op vrij­willige basis elkaar lief te hebben. "Eert uw vader en uw moe­der". Vader en moeder hoe­ven zich daarin niet eerst te bewij­zen, want God eist het van ons dat wij ze lief zullen hebben.

 

Eren is het volgende woord: dat ik mijn vader en mijn moeder, en allen die over mij gesteld zijn, alle eer bewijze. Eren is ook zo'n besmet woord. Wat is ons Neder­lands taalgebruik de laatste jaren besmet. Bij eren denken we ook aan iets aparts mis­schien. Eren, ja, waar denken we dan eigenlijk aan als het gaat over eren, een soort afgoderij mis­schien? Welnee, gemeen­te, eren dat is dat wij onszelf in de diepte leren schatten en degene die God over ons ge­plaatst heeft, boven ons leren schatten.

Eren is dat we een diepe bewustheid hebben waar we staan moeten. Of het nu onze vader of moeder is, of een ander, God neemt het op voor de ambten. Daar ligt ook het gevaar wanneer we ons tegen het ambt be­zondigen, want God neemt het voor de ambten op. Dan is eren dat we dank u wel leren zeggen, ook voor de straffingen, ook voor de tucht, ook voor het onderwijs. O, ik wil dat best nog even doorvoe­ren op zijn eeuwi­ge waarde. Zoals de Kerk eenmaal zal zeggen: "Ik dank U, HEERE! dat Gij toornig op mij geweest zijt, maar Uw toorn is afgekeerd, en Gij troost mij" (Jes.12:1).

Ook al regeren degenen die over ons gesteld zijn gebrekkig en zwak, de basis is niet gebrekkig en zwak. Het is Gods wil, het is Zijn uit­drukkelijke wil, dat wij de machten die over ons gesteld zijn, onder­worpen zijn, want zij zijn door God geordineerd.

 

Na eren volgt liefde bewijzen, er zit een opklim­ming in de catechis­mus. Gehoorzamen, eren en dan komt liefde bewijzen. Liefde bewijzen gaat dus niet voorop.

Wat is dat? Liefde bewijzen dat is het hogere van de ge­hoor­zaam­heid. Dat is, dat ik niet alleen onderworpen ben in uiterlijke zin, maar met mijn gehele hart. Dat er plaats komt in mijn hart om te zeggen: Dank u Hee­re, dank u voor alle macht, voor alle gezag.

Liefde bewijzen dat ligt weer een beetje hoger dan gehoorzamen en eren. Zo hebben we immers ook gelezen in Romeinen 13, daar zit die opklimming ook in" "Zijt niemand iets schuldig, dan elkander lief te heb­ben; want die den ander liefheeft, die heeft de wet ver­vuld". Dat staat in de context van het gezag en van het vrezen van de machten.

 

Trouw wordt ook ge­noemd, want trouw is on­der­schei­den van liefde. Wat is trouw? Trouw dat is gelou­terde liefde, gemeente. Zoals ook in aard­se relaties de liefde gelouterd wordt en op den duur over­gaat in trouw. O, zo moet nu ook onze ge­hoorzaam­heid, onze liefde tot het gezag, ten diepste onze liefde tot God over­gaan, gelouterd worden tot trouw.

Dat vijfde gebod is heel belangrijk, gemeente. Want pas wan­neer het gezag functioneert, kun­nen ook al die andere geboden ten volle functio­neren. Wanneer we er iets van geleerd hebben, van dit gebod, dan lezen we ook dat we geduld moeten hebben met de zwakheden en de gebreken van allen, die over ons gesteld zijn. Dan moeten we ook eens meer door al die aardse kaders heenzien naar God Zelf. Door al het aardse gezag heenzien naar God Zelf, naar de hemelse Vader, want Adam wordt de zoon van God genoemd.

 

Dan komt ook de vraag naar boven, hoe staan we niet alleen tegen­over het eren van uw vader en uw moeder, maar hoe staan we tegenover het eren van God? Zijn wij al in een band ge­plaatst van gehoorzaam­heid, van eren, van liefhebben, van trouw bewijzen? Het gaat er im­mers om dat God Zelf met Zijn gezag boven al het andere gezag staat. Dat Hij onze Schepper is en wij Zijn schepsel, wij zijn het maaksel Zijner han­den. We zijn verant­woorde­lijk tegenover God, ook in deze wereld.

Het eert uw vader en uw moeder, dat gaat in orde voorop, maar er zal een doorgaande beoe­fening moeten zijn in ons leven. Waartoe? Tot de eeuwige gehoor­zaamheid en de eeuwige onderwor­pen­heid aan God en de Vader, Wiens zij de heerlijkheid tot in der eeuwig­heid.

Ik hou er niet van om geboden te vergeestelij­ken, want een gebod is een gebod gemeente, dat past in het dagelijkse leven. Dat hoeft niet vergees­telijkt te wor­den, want het is al geestelijk genoeg van zich­zelf wat God ons daarin leert. Maar ik wil toch een klein beetje doorstoten. Ik heb ge­zegd dat er een samenhang is van het vierde gebod en het vijfde gebod. In het vierde gebod wordt de rust en de sab­bat gere­geld en in het vijfde de vrede. Toen heb ik bij het sabbatsge­bod gezegd: in die sabbat ligt een vooruit­zien naar de eeu­wige sabbat, naar de eeu­wige rust. "Er blijft dan een rust over voor het volk Gods" (Hebr.4:9). Zo zit er ook in het vijfde gebod iets dat heen­wijst naar de eeuwigheid, naar de eeuwi­ge vrede.

Lees het nu eens een keer helemaal geestelijk met mij mee: Eert uw Vader en uw Broeder, de Heere Jezus Christus, opdat het u welga, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de HEERE, uw God, u geven zal. Dat zal inderdaad de eeuwigheid zijn, de totale onder­werping en toch vrij. Vrij te zijn en toch eeuwig onder­worpen te zijn aan de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Eert Uw Vader!

Dan zeg ik het met een woordspeling: en uw Broe­der, opdat gij lang leeft in het land waar gij naar toe gaat, waar Jezus Christus Zelf Zijn heerschappij over zal geven aan God en de Vader. Ik hoop dat u weet waar het staat: 1 Korin­the 15:24. Christus Jezus Zelf zal de heerschappij overgeven aan God en de Vader tot in der eeuwigheid.

Eert uw vader en uw moeder. Dan kan ik het niet laten om te citeren wat er van Jezus geschreven staat: "Die hoewel Hij de Zoon was, nochtans gehoorzaamheid geleerd heeft, uit hetgeen Hij heeft geleden. En gehei­ligd zijnde, is Hij allen, die Hem gehoorzaam zijn, een oorzaak der eeuwige zaligheid geworden" (Hebr.5:8-9).

Dan gaat het op de heerschappij aan gemeen­te, de heer­schappij van de Heere Jezus Christus over de nieuwe schepping. Zoals het eert uw vader en uw moeder gegrond is in bloedbanden, zo is de relatie van de Kerk met haar Hoofd aan Wie zij gehoor­zaam zal zijn, in een weg van gekrui­sigd vlees en van vergoten bloed tot stand geko­men. Zo werkt God een gehoor­zaam­heid aan Zijn ge­hoorza­me Zoon, aan Jezus Christus, Die "zal heersen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde" (Ps.72:8). Noch­tans zal Hij het Koninkrijk overgeven aan God en de Va­der, Wiens zij de heerlijk­heid tot in der eeu­wig­heid.

Iets van die gehoorzaamheid te leren, geliefde gemeen­te, dat is ten diepste iets te leren, iets te proe­ven en ook iets te smaken van de herscha­penheid, van de eeuwig­heid, van de Godsglorie tot in der eeu­wig­heid. Van het diep bukken, diep bukken in gehoorzaam­heid, in eer, in liefde en in trouw, tot in der eeu­wen eeuwigheid. AMEN.