Zondag 43. Vraag en antwoord 112

                                         ZONDAG 43

                                   Vraag en antwoord 112

 

         Psalm      35 :  1

         Psalm    135 :  2

         Psalm    140 :  3,11,­12

         Psalm      34 :  7

         Psalm      36 :  3

        Jakobus      3 

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs vindt u in Jakobus 1 : 26

 

Indien iemand onder u dunkt, dat hij godsdien­stig is, en hij zijn tong niet in toom houdt, maar zijn hart verleidt, dezes gods­dienst is ijdel.

 

Onze catechismus zondag 43, het negende gebod, vraag en ant­woord 112

 

112. Vr. Wat wil het negende gebod?

Antw. Dat ik tegen niemand valse getuigenis geve, niemand zijn woorden verdraaie, geen achter­klapper of lasteraar zij, nie­mand lichtelijk en onverhoord oorde­le of helpe veroorde­len; maar allerlei liegen en bedriegen, als eigen wer­ken des dui­vels, vermijde, tenzij dat ik den zwaren toorn Gods op mij laden wil; insgelijks, dat ik in het gericht en alle andere handelingen de waar­heid liefhebbe, oprechtelijk spreke en belij­de; ook mijns naasten eer en goed gerucht naar mijn vermogen voorsta en bevordere.

 

Zo zijn wij aan het negende gebod toegekomen, geliefde ge­meen­te. Ik zou haast zeggen: het lijkt steeds beter te gaan. Want dat zesde gebod is toch even­ vreselijk: Gij zult niet doodslaan. En het zevende gebod: Gij zult niet echtbreken en daarna het achtste: Gij zult niet stelen.

Och, het negende gebod: Gij zult geen valse getui­genis spre­ken tegen uw naaste en het tiende gebod: Gij zult niet bege­ren. Het is net of het minder ernstig wordt, naarmate we iedere zondag een gebod verder komen.

Nu dus het negende gebod: Gij zult geen valse getui­ge­nis spreken tegen uw naaste. De eerste acht geboden gingen immers over onze daden, maar nu behandelen wij een gebod over onze woorden en straks het laat­ste gebod over onze gezindheid.

"Een praatje, zeker het hoort er bij, het aardig over alles praten", zegt een bekend versje.

Het gaat deze keer over het onbetamelijke spreken, het woord lasteren en achterklappen wordt genoemd. Het is in Babel uitgevon­den: het babbelen.

Maar waarom staat er in deze zondag eigenlijk zo'n ernstige waar­schuwing? Dat zijn we nu letterlijk nog in geen enkel gebod tegen­gekomen: tenzij dat ik den zwaren toorn Gods op mij laden wil. Is het dan zó erg om eens een keertje te praten? Om eens iets te zeggen van elkaar? Ja, dat is vreselijk gemeente! Het is niet één van de lichtere zonden, maar één van de zwaarde­re zonden. Daarom zegt de catechismus dat wij die zonde moeten laten, tenzij dat wij de zware toorn Gods op ons laden willen.

Hier ligt onze val, geliefde gemeente, het is in het paradijs begon­nen. De satan is toch immers de leuge­naar van den beginne. En hoe is de mens gevallen, hoe heeft satan de mens verleid? Niet eens met een grove leugen gemeente, maar met een praatje, met een halve waarheid. 'Psssst Eva, luister eens, wat hoorde ik de Heere tegen je zeggen? Is het waar Eva, dat de Heere God tegen jullie gezegd heeft dat je niet eens van alle bomen mag eten?' Daar ligt de oorzaak van de zonde, een zonde die zeer nauw verwant is aan het Godont­erend onge­loof.

Als ergens onze diepe val gete­kend wordt, dan zeker in het negende gebod. "De tong is een onbedwingelijk kwaad", zegt Jakobus. Ik heb weleens een getemde leeuw gezien en ik heb nog andere wilde beesten gezien die ge­temd waren, maar de tong is zo'n onbe­dwinge­lijk kwaad, de tong is door geen mens te tem­men. Ik lees dat Paulus in de Romeinenbrief van de mens, de mens der zonde zegt: "Hun keel is een geo­pend graf; met hun tongen plegen zij bedrog; slan­genve­nijn is onder hun lippen. Welker mond vol is van vervloe­king en bitterheid" (Rom.3:13-14).

Vindt u het dan een wonder dat er staat: Tenzij dat ik den zwaren toorn Gods op mij laden wil. Zó zijn wij toch immers onder de toorn Gods gekomen in de val. Nog niet eens door een praatje te houden, maar door naar een praatje te luisteren, gemeente! Als het luiste­ren dan al zo verdoemelijk is, wat zal dan het spreken zijn! Wat moesten we traag zijn om te spreken en ras om te luiste­ren als het de waarheid betreft. Het is opmerke­lijk dat God de mens met twee ogen geschapen heeft en met twee oren, maar met één mond!

Als we dat gegeven eens praktisch overdenken dan betekent dit, dat de mens eens beter moest kij­ken, eens beter moest luisteren en eens minder zou moeten spre­ken.

Nu hoeven we elkaar niet aan te kijken, want "Indien iemand in woorden niet strui­kelt, die is een volmaakt man" (Jak.­3:2). Maar ik hoop dat we deze keer allemaal maar eens door de vloer gaan, dat we de wet eens mochten proeven in zijn ver­doemen­de kracht, zodat het ons voor het eerst of bij vernieuwing een tucht­meester zij tot Christus. 'Die als een lam ter slach­ting werd geleid  en Zijn mond niet opendeed' (Jes.53:7).

"Want wij strui­kelen allen in vele", zegt Jakobus. In dat struikelen ligt opgesloten dat we al veel kwaad hebben ge­sticht, veel verdriet hebben gebracht in de wereld. Niet alleen Eva, niet alleen Adam, maar ieder mens. Vreselijk! "De tong kan geen mens temmen".

Ik hoop dat dit een reden mag zijn, dat er zo'n ont­dekkende kracht in dit gebod ligt, waardoor we tot Christus uitgedreven mogen worden om gereinigd te worden door het bloed van Jezus Christus Gods Zoon, dat reinigt van alle zonden.

Deze zonde van onze tong is nog erger dan wat we tegengekomen zijn toen het ging over het misbruiken van de Naam des Heeren, over het vals zweren. Het is vreselijk, vreselijk! We hebben in de val iets overge­nomen toen wij de duivel zijn toegevallen, die een leuge­naar is, de overste van de leugenaars. De mens heeft toen iets overgeno­men van de slang: de gespleten tong.

Jakobus roert het ook aan waarvoor de mens gescha­pen was: hij had een mond en een tong ge­kre­gen, om God Zijn Schepper te loven. Maar nu vloe­ken en laste­ren wij God en de mensen. Wat een ellende ge­meente, wat een ellende!

"Door haar loven wij God en den Vader", hebben wij gele­zen. En door diezelfde tong vervloeken wij de mensen die naar Gods beeld en gelijke­nis geschapen zijn.

Dan gaat het er om dat, wanneer wij onze mede­mens aan­tasten met de tong, wij ook God aantasten. Staat het niet geschreven van Gods volk: "Die ulieden aan­raakt, die raakt Zijn oog­ap­pel aan" (Zach.­ 2:8).

Wat een ellende ligt hier! Uit die­zelfde mond waarmee ik psalmen zing, dat kan nog wel­eens echt gemeend zijn hoor, dat kan nog wel door de Heili­ge Geest gewerkt zijn ook. En toch, uit diezelfde mond komt voort zegening en ver­vloeking. Arme mens! Geval­len mens!

Nu ga ik niet in op alle bijzonderheden, want dan kan ik hier nog wel een maand over preken. Het gaat in dit gebod over officieel liegen en onofficieel liegen. Een praat­je: half waar en helemaal niet waar, enzovoorts. Laten we maar eens proberen of wij de ellen­de kunnen proeven in ons eigen leven, de ellende proe­ven op het puntje van onze tong. Ging het eerst over onze daden, het gaat nu over onze woorden. Wat je met je handen niet kunt en wat je met je voe­ten niet kunt, dat kun je nu juist met je tong.

"Een wereld der ongerechtigheid", zegt Jakobus, "en wordt ontsto­ken van de hel". Wat een rampzaligheid wordt ons getekend in dat negende gebod. Met die tong loven wij God en lasteren wij God. O, als we niets beseffen van de ernst van dit kwaad, dan zal de ramp­zaligheid ook zijn een overgave aan dit kwaad. Dan zullen we eeuwig die tong gebruiken om God te laste­ren. Dan kan ik zo goed begrij­pen dat er geschreven staat: "En zij kauw­den hun tongen van pijn" (O­penb.16:10).

We hebben zo'n spreekwoord in het Nederlands. Dan zeggen we: het brandde me op de lippen. ­Als het bloed van Jezus Christus Gods' Zoon er niet aan te pas komt, wat zal er dan eeuwig op onze lippen branden, geliefde ge­meente?

De zonde van de mond, we tillen er zo zwaar niet aan. Het begint al als we nog klein zijn, dan bedoelen we het als een grapje. Ik meen het toch niet, het was maar een grapje. De zonde van de mond tellen wij bijna niet, toch ligt daar de oorzaak van zo vreselijk veel kwaad. "Het ontsteekt het rad onzer geboorte", het heeft ook oorlo­gen aangestoken en "het wordt ontstoken van de hel". Vrese­lijk als de mens daar iets van leert.

Wat wil het negende gebod? ­Geen vals getuige­nis geven over onze naaste, natuur­lijk niet. Was het méér niet, misschien zou het nog meevallen, door gebrek aan ontdekking van de Heilige Geest. Maar als God Zijn Wet geestelijk maakt, dan valt het niet mee.

Geen vals getuigenis geven maar ook geen verdraaide, geen halve waarheden en zelfs geen onverantwoor­de waarheden. Dat zijn toch immers dingen waarvan de cate­chis­mus zegt dat ik mij daardoor de zware toorn Gods op mijn hals haal.

Dan splitst de catechismus dat uit in een officieel ge­deelte: het vals getuigenis voor de rechtbank. Dat zijn we al tegengekomen bij het zweren, het vals zwe­ren en het onnodig zweren. Laten we het dan deze keer maar houden bij het onofficiële, dat wat zich afspeelt in onze huiskamers, in de groen­tewinkel en bij de bakker.

Dat eerste, het in officiële zaken on­waarheid spreken, wordt door ons nog wel aange­voeld en daar treedt de over­heid ook wel tegen op. Maar het onofficië­le, het valse getuigenis. Soms is het niet eens een vals getui­genis maar boren we intussen wel onze naaste de grond in. Het praatje dat de vrede niet dient, het ge­sprek dat de liefde niet dient, oude koeien uit de sloot halen. Een we­reld van onge­rechtigheid blijft er voor ons over.

Lasteren, achterklappen. Dat wil zeggen: in de rug aangevallen te worden, dat er achter je geklep­t wordt. Kleppen en lasteren. Dat zijn van die woor­den in de meervouds­vorm, dat duidt er al op dat het iets is wat veel gebeurt, achterklap en kleppen.

Wat een vreselijke zonde, want de be­klaagde is afwezig, de man kan zichzelf niet verdedi­gen, de vrouw kan zich­zelf niet verdedigen. Het is net een rechtbank zonder dat er een pleitbezorger is, zo onder elkaar achterklappen.

Laten we het maar bij zijn naam noemen, het is eigen­lijk een zeer geliefd volksver­maak geworden. Je hebt het in soorten. Je hebt onchristelijke achter­klap, maar je hebt ook christelij­ke achterklap als een soort volks­ver­maak.

O, al zouden al die verhaaltjes waar zijn, dat je er een eed op kunt doen, besef het eens dat het een vermaak is, een zondig ver­maak. Ook al zouden die verhalen waar zijn over broeder zus en zuster zo, dan is het nog zonde. Achterklap is dikwijls zo'n vermaak, maar niet zo'n vermaak als David heeft gehad in Gods Woord, maar een vermaak in de praatjes van een ander, een vermaak in de zonden van een ander. Wat kunnen we andermans zonden weldra gaan over­drijven, breed uit­meten, zon­der dat wij een pries­terlijk hart hebben over een ge­val­len mede­schepsel. Dan gebrui­ken wij het voor ons eigen ver­maak en om er zèlf nog een trapje hoger mee te klim­men. Wanneer een ander gevallen is, er zelf boven op gaan staan.

Het gaat niet alleen over het uitstrooien en over het ver­zinnen van zulke praatjes, maar als we dat soort praatjes niet stopzet­ten, dan zijn wij ook mede­schuldig. Dan kunnen we aan het verzinsel of de onwaar­heid nog wel onschuldig zijn. Dan zijn wij misschien niet eens de eerste oorzaak van het praa­tje, maar aan de verbreiding staan we toch doodschul­dig. We halen er immers andermans naam mee door het slijk.

Salomo heeft gezegd: "Beter is een goede naam, dan goede olie" (Pred.7:1). Dat betekent, dat je daar niet mee moet morsen. Zo'n vlek is uit de sa­menleving nooit meer weg te krij­gen. Laster, achter­klap, dat wat je aan­sticht met je tong is nooit meer goed te krij­gen. Steel liever hon­derd gulden, dan iemands naam. Wanneer je in goeden doen bent en je krijgt be­rouw en boetvaar­dig­heid, dan geef je die man van wie je honderd gulden gestolen hebt er dui­zend terug. Maar laster, een las­terpraatje is met hon­derd goede woorden niet goed te maken.

U weet immers ook, dat een olievlek zich uitbreidt op het water, eindeloos groot wordt. Jakobus vergelijkt de tong met een vuur: "Ziet, een klein vuur, hoe groten hoop houts het aansteekt" (Jak.­ 3:5). Zo is het ook met laster, het gaat rond als een lopend vuurtje.

O, dat gaat zo vlug en dat gaat net zo lang door, als er materiaal voor handen is dat branden kan.

Vroeger had je bij ons de zogenaamde kaailappers. Dat waren mensen die deden het zware werk in de grien­den van de Bies­bosch. Zij droegen een kiel, van wat voor stof zo'n kiel ge­maakt was weet ik niet, daar heb ik geen ver­stand van, maar de kiel die zij droe­gen noem­den wij een kaaikiel en die stof noemden wij kaaikielen­stof, dat was heel erg hari­ge stof. Dan was het een grapje om, wanneer iemand een nieuwe kiel aan­had, eventjes met een lucifer er langs te gaan en sssstttt, dan werd het een hele kale jas, waar geen haartje meer op stond.

Zoals dàt vuurtje bleef branden tot het laatste haartje weggebrand was, zo is het ook met het gerucht, met de laster, het verspreidt zich. Zolang als er mensen zijn die er gehoor aan geven, zolang zal het praatje zich uitbreiden. Het zal nooit uit zich­zelf stoppen.

Jakobus spreekt er reeds over: "Ziet, een klein vuur hoe groten hoop houts het aansteekt". Wacht u ge­meen­te, wacht u voor deze zonde!

Wat vinden we ook veel bijbelgedeelten waarin Gods kinderen klagen bij God. Daar heb­ben wij ook van gezongen, ach, zoek het zelf maar op. Wat hebben ze ge­klaagd:

 

            Twist met mijn twisters, Hemel­heer;

            Ga mijn bestrijd'ren toch te keer. (Ps.35:1 ber.).

 

Want dat is tenslotte het enige wat er nog over­schiet.

Gij zult niet doodslaan: val me aan, sla er op en ik zal terugslaan. Maar laster en uw naaste is machteloos. Dan schiet er maar één zaak over:

 

            O HEER, Gij ziet het; zwijg niet stil;

            Uw recht beslisse mijn geschil. (Ps.35:11 ber.).

 

Dat we daaruit zouden leren, zoals de bijbelheiligen er iets van geleerd hebben, om het in Gods handen te geven. Om vooral daarin beelddrager van Christus te worden. "Die, als Hij gescholden werd, niet weder­schold, en als Hij leed, niet dreig­de; maar gaf het over­ aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt" (1 Petr.2:23). Jezus gaf Zijn smaad ook over aan Dien, Die recht­vaar­dig­lijk oor­deelt.

Daarom staat er hier in het bijzonder: Tenzij dat ik den zwaren toorn Gods op mij laden wil. Ik ga u niet vermaken met verhaaltjes, dat zou in tegenspraak zijn met de catechismus. Maar dan komt er een punt in ons leven dat het in vervulling gaat: "Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere" (Rom.12:19). Dat is werkelijkheid. Waren onze ogen maar meer verlicht door de Heili­ge Geest, dan zou er hier op aarde ook meer op te merken zijn van die vergel­dingen Gods, van die wraak Gods, die de laste­raars en de achterklappers over zich inroepen.

Eenmaal komt dan tenslotte de finale, als ik het zo eens mag zeg­gen. Dan moet u de geloofsbelijdenis van Guido de Brès maar lezen, artikel 37, van het laatste oordeel, de eeuwige vergelding. Want wat de kerk in onze dagen mee­maakt, dat is nog niet zoveel. Maar het kostte Guido de Brès zijn leven, omdat hij een goede belijde­nis van Jezus Chris­tus op schrift gesteld had. Maar dan belijdt hij toch: "Dan zullen de verborgenhe­den en geveinsdheden der mensen openbaarlijk voor allen ontdekt worden. En daarom is de gedachtenis van dit oordeel met recht schrikkelijk en vervaarlijk voor de bozen en goddelozen, en zeer wenselijk en troost­rijk voor de vromen en uitverkorenen; dewijl alsdan hun volle verlossing volbracht zal worden; en zij zullen de schrikkelijke wraak zien, die God tegen de goddelozen doen zal, die hen getiranniseerd, verdrukt en gekweld hebben. Hun zaak, die nu tegenwoordig van vele rech­ters en overheden als ketters en goddeloos verdoemd wordt, zal bekend worden de zaak des Zoons Gods te zijn. Daarom verwachten wij dien groten dag met een groot verlangen".

Wat een vre­selijke zonde is dat lasteren. Wat moeten we nog veel bekeerd worden. Wat tiert deze zonde in bepaalde vormen ook welig op het kerkelijk erf. Wat er aan ten grondslag ligt? Diepe, diepe hoog­moed! Zelf beter denken te zijn dan een ander. Wat een rivaliteit ligt er vaak aan ten grondslag. Twee mensen neertrap­pen, om zelf dertig centimeter hoger te staan.

De Heilige Geest moge ons ontdekken aan het spoor van ellende wat mijn tong en wat uw tong op deze wereld heeft achter­gelaten.

Laat de catechismus dan in de dankbaarheid mogen staan, voor Gods kinde­ren die genade kennen, moge zij opnieuw een tuchtmees­ter zijn tot Jezus Christus. Dat Zijn bloed verzoening moge doen over alles wat we gesproken hebben en over de manier waarop we ge­sproken hebben over onze naaste.

Dan kan het best zijn dat wij niet zoveel gelasterd hebben. Maar laat ik u dan vragen: hebt u weleens een goed woord voor een ander gedaan, op kantoor, in de fabriek of in het gezin? Hebt u weleens zo'n brand­je in de kiem gesmoord, gemeente? Want ­Jako­bus spreekt over dat verdoemelijke kwaad, maar hij spreekt ook over: "De vrucht der rechtvaardigheid wordt in vrede gezaaid voor dege­nen, die vrede maken" (Jak.­3:18). De Heere moge ons iets van die geest schenken, van de vrucht der rechtvaardigheid, die in vrede ge­zaaid wordt voor degenen die vrede maken.

Lasteren, dat is onkruid te zaaien zoals de duivel die kweekt. Maar dit is vrucht van de Geest, het beeld van Christus, om vrede te zaaien. Door kwaad te spre­ken is er al veel leed veroor­zaakt. Door een kwaad gerucht te verbrei­den zijn er al velen ver­loren gegaan.

O, we lezen ook dat voorbeeld in de Heilige Schrift van mensen die God gelasterd hadden door een kwaad gerucht voort te brengen van het beloofde land. Ik bedoel de tien verspieders waarvan geschreven staat: "Diezelfde man­nen, die een kwaad gerucht van dat land voortge­bracht hadden, stierven door een plaag, voor het aangezicht des HEEREN" (Num.14:37).

Wat is er een kwaad aangesticht. Wat is er vreselijk veel leed veroorzaakt. Wat is er een lijden in deze wereld onder laster en onder achterklap. Leed, dat je niet ziet!

Gij zult niet doodslaan, maar als men u lichamelijk letsel toebrengt zal iedereen medelijden met u hebben. Wat een door laster gewonde harten, geliefde gemeente, God alleen weet wat een ieder van de mensen, een ieder van Zijn kin­deren te lijden heeft. Wat zijn we de duivel toegeval­len en wat zijn we nog weinig in Chris­tus ge­wassen. Openbaring 1 spreekt over die Ene, "Die de getrouwe Getuige is", de getrouwe Getuige des Va­ders, ook over onze levens. Hij zal eenmaal oorde­len, ook over onze tong.

Lasteren, ten opzichte van God is ongeloof! Ongeloof is: God te lasteren. En de mens was geschapen tot geloof om God te prijzen. Daarom noemt de catechis­mus dit de eigen werken des duivels. Dan is de duivel onze vader, de vader der leugenen. Dan is de val dit, dat we in de gelederen van de duivel inge­schreven zijn, hem toege­val­len zijn. In het para­dijs is de mens­heid gevallen door het laste­ren en het kwaad spreken van de duivel.

 

Ik moet ophouden, maar toch wil ik nog enkele dingen zeggen. Jezus Christus is in deze wereld geko­men en men heeft geroepen: "Laat Hem gekruisigd worden" (Matt.27:22-23). Waarop? Op het valse getuigenis. "Deze heeft gezegd: Ik kan den tempel Gods afbreken, en in drie dagen denzelven opbouwen" (Matt.26:61).

Maar nu uw ongeloof gemeente en mijn ongeloof. Johan­nes zegt: "Die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuigenis, die God getuigd heeft van Zijn Zoon" (1 Joh.5:10). Wat ligt onze gees­telijke ellende, ellen­dig diep.

Met dit negende gebod staat alles op het spel. Niet alleen wat ik zelf voor mens ben en hoe ik over een ander spreek en over een ander denk. Maar zelfs God is niet vrij van mijn praatjes, van mijn ge­dachten. Zegt Psalm 73 niet: "Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde" (Ps.73:9).

Weet u wat dat inhoudt, geliefde gemeente? Ik vind dat negende gebod zo'n vreselijk gebod, want de zonde ertegen, weet u wat dat inhoudt? Dat wij de duivel ge­loofd hebben in het paradijs en dat het nu onmogelijk geworden is God te geloven. Wij staan finaal aan de verkeerde kant, tenzij de Geest van God er aan te pas komt om ons van die helse werken des duivels, van dat ongeloof te verlossen en ons het geloof te schen­ken zodat wij weer naar God gaan luisteren, naar wat Hij spreekt. "God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon" (Hebr.1:1)

Wat is ongeloof eigenlijk? Wanneer er bij de bakker in de winkel een praatje verteld wordt, dan twijfelen wij er geen moment aan of het waar is. En als God tot ons spreekt, dan rijzen de ja-maars op. Ja, maar dit en ja, maar dat. Wij zijn zo ongeluk­kig gewor­den door onze val, dat we totaal en finaal aan het ongeloof ver­vallen zijn. Dat we aan die helse verdoem­de satan gehoor geven en onmachtig zijn om God te geloven.

Er wordt weleens gesproken over onze onwil en onze vijandschap tegen God. Het is heel wat om daar aan ontdekt te worden. Maar om nu ontdekt te worden aan de oorzaak van onze ellende en onze on­macht. Om die oorzaak terug te vinden in het paradijs, waar wij exis­ten­tieel ongelovig zijn geworden.

Gods Geest Zelf moge ons er van overtuigen wat ongeloof is. Want ongeloof dat is dat wij het eigen werk van de Heilige Geest, de Heilige Schrift, niet geloven. Jezus Christus, Die door de Vader in de wereld gezonden is, verwerpen. Dat we God tot een leugenaar maken door ons ongeloof.

Bedenkt dan gemeente, dat wanneer God tot ons komt in de gebo­den, ook in dit gebod, dat de Wet niet alleen voortkomt uit Gods wil. Het gebod komt niet alleen voort uit Zijn raad, maar het gebod komt uit het wezen Gods.

Misschien een beetje moeilijk, probeer het toch maar te begrijpen, dat de geboden Gods niet voortkomen uit Zijn wil of uit Zijn raad, maar uit Zijn wezen.

Ik zal proberen dit duidelijk te maken. Jezus Christus is in de wereld gekomen en Hij heeft niet alleen ge­zegd: Ik spreek de waarheid, maar Hij heeft gezegd: "Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven" (Joh.­14:6). Zo zijn de waarheid en de gebo­den Gods uit het wezen Gods.

Wat is de mens diep ongelukkig geworden! Gescha­pen naar het beeld van God, probeer me nog even te vol­gen, geschapen naar het beeld van God in ware kennis, gerechtigheid en heilig­heid. En als we nu ergens kun­nen peilen, de diepte van onze val, het verlies van het beeld Gods, dan juist in dit ne­gende gebod. Waar het ten diepste niet meer gaat om een menselijk spelletje van wat a zegt over b en wat b zegt over a. Maar het gaat om het allesbeslis­sende Woord voor de eeuwig­heid, om de zaak van geloof of ongeloof. De zaak van de Heilige Geest of de zaak van de duivel. De eeuwige verlo­ren­heid of de eeuwige behoudenis.

Eenmaal zal Gods' Kerk, gelouterd door het graf, niet meer twee­tongig zijn, maar ééntongig. Dan zal zij alleen een tong hebben om God en de naaste lief te hebben, te loven en te prijzen. AMEN.