Zondag 15 - de Man van smarten - ds. L.H. van der Meiden

Zondag 15

De Man van Smarten - L.H. van der Meiden

Ps 35:7

Ps 69:11

Ps 89:8

Ps 34:11

Psalm 69 : 1-16

David was een type van Jezus Christus. Een bijzondere plaats heeft hij ingenomen in Gods Koninkrijk. Van het lijden, om Gods wil, is hij geen vreemdeling geweest. Het getuigt: “Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; ik ben mijn broederen vreemd; want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd en de smaadheden dergenen die U smaden, zijn op mij gevallen” (Psalm 69:10).

Een bijzondere ijver toonde hij voor het koninkrijk van God. Maar de aanvallen van de vijanden waren dan ook in bijzondere mate zijn deel en zwaar was soms zijn lijden. Soms voelde hij geen grond meer onder zijn voeten. Hij klaagt immers: “Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet staan kan, ik ben gekomen in de diepte der wateren en de vloed overstroomt mij” (vers 3). Nu is het altijd gezien, dat Gods kind in de tijden van het krachtigste belijden, het heerlijkst getuigen, het Godvruchtigste leven, de meeste tegenstand te verduren had. Gelukkig als het dan met David, Gods hand ziet in wat mensen doen. “Zij vervolgen die Gij geslagen had” zegt David (vers 27). Maar in dit alles is David vooral type geweest van Jezus Christus. De ijver van Gods huis heeft Hem verteerd. Hij heeft Zich gegeven tot in de dood. Grote, onbegrepen, onfeilbare liefde heeft Hij geopenbaard. Heerlijk Evangelie, het Evangelie van Zijn lijden. Ontroerend Evangelie, want het predikt ons de diepte van onze val. Beschamend Evangelie, want het ontmaskert ons ongeloof. Goddelijk Evangelie, dat ons het Lam Gods predikt, dat de zonde der wereld wegneemt. Hij is de van God Geslagene. De smartwonden van deze Verwonde van God zijn de schuilplaatsen van Gods arme, in zichzelf zo schuldige volk. Mochten we in die wonden allen schuilen of schuiling leren zoeken. Vreselijk zal het zijn als deze Borg, dit Lam, als Rechter ons zal veroordelen. Christus is de ongekende diepte van lijden ingedaald om die bruidskerk eruit op te halen. De ellendigen en die in smarten liggen (vers 30) worden door Jezus in een hoog vertrek gebracht. Maar daarom moest Hij de diepte van lijden in. Daarom is Hij dierbaar in de ogen van Zijn volk.

Laten we de Heere bidden om in Zijn heil te mogen delen. Dat hij daartoe de bediening van Zijn Woord wil zegenen.

Psalm 69 : 27

Want zij vervolgen, die Gij geslagen hebt, en maken een praat van de smart Uwer verwonden.

 

Zondag 15

 

Vraag 37. Wat verstaat gij door het woordeken: Geleden?

Antwoord:. Dat Hij aan lichaam en ziel, den gansen tijd Zijns levens op de aarde, maar inzonderheid aan het einde Zijns levens, de toorn Gods tegen de zonde van het ganse menselijke  geslacht gedragen heeft, opdat Hij met Zijn lijden, als met het enige zoenoffer, ons lichaam en onze ziel van de eeuwige verdoemenis verloste,
en ons Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven verwierve.

 

Vraag 38. Waarom heeft Hij onder de rechter Pontius Pilatus geleden?

Antwoord: Opdat Hij, onschuldig onder de wereldlijke rechter veroordeeld zijnde, ons daarmede van het strenge oordeel Gods, dat over ons gaan zou, bevrijdde.

 

Vraag 39. Heeft dat iets meer in, dat Hij gekruisigd is geweest, dan of Hij met een anderen dood gestorven ware?

Antwoord: Ja het; want daardoor ben ik zeker, dat Hij de vervloeking die op mij lag, op Zich geladen heeft; dewijl de dood des kruises van God vervloekt was.

De Heidelberger neemt ons bij de hand, doet ons trappen afdalen om ons te laten zien, dat de Borg al dieper daalde. Dat het van trap tot trap naar omlaag ging. Een Duitse prediker sprak van het voorhof, het heilige en het heilige der heilige van Jezus’ lijden. Zondag 15 laat ons het geheel zien. O, we zullen niet alles begrijpen. We zullen het wonder niet omvatten, we zullen de diepte niet peilen, geliefden. Maar iets moeten we er toch van leren verstaan, door het geloof. Jongeren en ouderen, we moeten een oog des geloofs hebben of ontvangen, om op dit Lam te zien. Opdat we mogen verstaan: “Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden verbrijzeld”. O, dit ontzaglijke lijden is zo rijk, zo vol troost.

Wanneer dan de Heidelberger spreekt over CHRISTUS’ LIJDEN, dan spreekt hij:

  1. Over dit lijden in het algemeen
  2. Over dit lijden onder Pilatus
  3. Over dit lijden aan het kruis.

1.      Over dit lijden in het algemeen

“Wat verstaat ge onder het woordeke geleden?” Zo vraagt onze Heidelberger. Er is veel lijden. Het is niet te zeggen hoe nameloos veel lijden er op deze aarde is. Wie in de huizen van smart en ellende veel komt, weet het. Doch dit lijden wordt hier niet bedoeld. Al het lijden op deze aarde is om der zonden wil. Als wij geen zondaren waren, zouden geen lijden kennen. En met de moordenaar aan het kruis moeten we zeggen: “Wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben” (Lukas 23). Ja, al zou de Heere heel de mensheid in het verderf stoten, dan hadden we niets te zeggen. De Heere verschoont nog in veel opzichten. Het is eigenlijk waar: “Hij handelt nooit met ons naar onze zonden”. We moeten dus het algemene lijden niet vergelijken met Jezus’ lijden.

We mogen van Jezus ook geen martelaar maken. De martelaren hebben zeer zeker veel geleden. Ze zijn gevangen, uitgerekt, gegeseld, in stukken gezaagd, met het zwaard omgebracht. Ze hebben gewandeld in schaapsvellen en geitenvellen (Hebr. 11:35-38). Velen moesten brandstapels beklimmen, werden in zakken genaaid en zo in het water geworpen. Soms werden ze in dierenhuiden genaaid en in de brandende zon gezet, als de huiden droogden, stikten de martelaren. Ze zijn met pek bestreken en aangestoken om als fakkels te dienen in de tuinen van de heidense keizers. Gewurgd werd eens een jongen door een priester, omdat hij zijn vader in de kerker een Bijbel bracht. De geschiedenis van de martelaren is rijk en ontroerend.

Toch is Jezus’ lijden principieel anders. De martelaren hebben geen zaligheid verdiend, ook niet met hun lijden. Met al hun lijden bleven zij een eeuwige verdoemenis waardig. God was hen om Christus’ wil genadig. Uit vrije genade, naar eeuwige verkiezing, ontvingen ze een eeuwige heerlijkheid. Weegt dit lijden nu op tegen de heerlijkheid die hun geschonken wordt? Daarbij komt nog, dat de Heere hen ondersteunde in het lijden. Soms vloeide Zijn genade zo rijk toe, en stortte Hij Zijn liefde zo overvloedig uit, dat ze juichende stierven. Soms lenigde de Heere de smarten ook op bijzondere wijze. En als we sterven, met de vrede van een verzoend God en Vader in ons hart, vervuld met de liefde van Christus, vertroost door de Heilige Geest, genietend het blij vooruitzicht, dan is het sterven geen sterven meer. Dan is het lijden geen lijden meer in de volle zin van het woord.

Maar bij uw Borg was het anders, kind des Heeren. Hij heeft ten volle geleden Dit kleine woordje ‘geleden’ houdt onpeilbare diepten in. Het is daarom zo droevig dat de roomse kerk dit lijden veruitwendigd heeft. Ze hebben een mooi kruisje gemaakt, soms van ebbenhout of ivoor, een zilveren of gouden beeld van Jezus eraan gehecht. Die dingen leiden er niet toe om te verstaan het felle, ontzaglijk-werkelijke van Jezus’ lijden. Het gevaar wordt groot, dat wij de werkelijkheid uit het oog gaan verliezen.

We moeten ook verstaan, dat het Kruis van Christus de centrale plaats in ons leven, in de prediking moeten innemen. Wij zijn gevallen. De wereld ligt verdoemelijk voor God. Toch zal er eens een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zijn, waarop gerechtigheid woont. Er zal eens een verloste mensheid zijn. Alle gaven van God zullen eens volmaakt dienen om Hem groot te maken. Schepping en herschepping leiden tot Gods eeuwige glorie langs en door het Kruis van Christus. Wie het Kruis loslaat, zinkt onherroepelijk in de hel. Wie het Kruis weglaat uit het Evangelie, laat Gods gerechtigheid los, preekt geen vrije genade meer. Die heeft geen troost meer voor Gods arm, ellendig volk. Daarom moeten wij het lijden van Jezus Christus recht zoeken te verstaan, en niet rusten aleer we de zalige vrucht ervan wegdragen.

Op de vraag naar de betekenis van het woordje ‘geleden’ antwoordt de Heidelberger “dat Hij naar lichaam en ziel, de ganse tijd van Zijn leven op aarde, maar inzonderheid aan het einde van Zijn leven geleden heeft”. Jezus heeft geleden. Hij is de Middelaar, de eeuwige Zoon van God, Die waarachtig en eeuwig God is en blijft, en onze menselijke natuur heeft aangenomen. Hij de Heere der heerlijkheid. Hij heeft geleden naar de bepaalde Raad en de voorkennis van God. Naar het eeuwig vree-verbond deed God op de Borg al de ongerechtigheid van Zijn volk aanlopen (Jes.53). Christus gaf Zich vrijwillig om de diepte in te gaan. Hij is het Lam, geprofeteerd onder het Oude Verbond, voorgesteld in de weggezonden bok, en in tal van offers en tekenen. Al de offeranden zijn in Hem vertoond, heel de profetie heeft Hij vervuld. Hij, Jezus, heeft geleden, de spot en de hoon gedragen. Hij moest die weg gaan. Hij droeg de doornenkroon. Het volle lijden heeft Hij doorworsteld. De arbeid van Zijn ziel is duizelingwekkend.

Welk een liefde is hier geopenbaard! Hoe groot is de liefde van de Vader, Die Zijn Zoon, Zijn heilig Kind, daartoe gaf. Hoe groot is de liefde van de Zoon, Die Zichzelf gaf. Hoe groot is de liefde van de Heilige Geest, Die de menselijke natuur van Christus bekwaam maakte. Christus leed in onze natuur. Zo heeft Hij geleden als Borg voor en in de plaats van de Zijnen. In Hem is nu de fontein geopend tegen de zonde.

Hij heeft geleden naar lichaam en ziel. Lijden naar het lichaam deed hij in de kribbe, bij de besnijdenis, op de vlucht, in Zijn rondwandeling op aarde, bij Zijn gevangenneming, voor de Joodse Raad, op Gabbatha en Golgotha. Het lichaam leed als Hem hongerde. Hij is gebonden, geslagen, gegeseld, gekroond met doornen, gekruisigd. Hij klaagde: “Mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden” (Ps 22:15). Hij heeft geleden naar de Ziel. Denk maar eens aan de verzoeking in de woestijn door de satan. En door het verwerpen van Hem door Zijn eigen volk. Door het niet begrepen worden door Zijn discipelen, het versmaden van Zijn liefde en genade. Door het gescholden worden als een vraat en wijnzuiper, een vriend genoemd van hoeren en tollenaren. Door een lasteraar van God genoemd te worden. Hij is verraden door één van de twaalven. Hij is verloochend door de rotsman Petrus. In Gethsémané droop het bloed als zweetdruppels van Hem. Op Golgotha is Hij verlaten van Zijn Vader.

Wij zijn verharde zondaren. Terecht is gezegd dat wie met vereelte handen de netels grijpt, niet zulk een pijn voelt als hij die het doet met een zachte, verzorgde hand. Jezus is de Heilige. Hij heeft geen zonde gekend noch gedaan. En Hij moest al maar dieper het lijden in.

Hij heeft de ganse tijd van Zijn leven op aarde geleden. Zowel in de kribbe als aan het Kruis was Hij de Man van smarten. Hij heeft geleden in een slavengestalte. Zo wordt ook de vrucht van de zonden gezien. Inzonderheid aan het einde van Zijn leven was het lijden zwaar. Gethsémané, Gabbatha en Golgotha spreken boekdelen.

Dit lijden is noodzakelijk geweest. Wij hebben dit noodzakelijk gemaakt.

Door het geloof verstaat en belijdt Gods kind:

Ik kostte Hem die slagen, die smarten en die hoon.

Ik doe dat kleed Hem dragen, dat riet, die doornenkroon.

Ik sloeg Hem al die wonden, voor mij moest Hij daar staan.

Ik deed door mijne zonden Hem al die jammeren aan.

We hebben nodig dat we door het ontdekkend werk van de Heilige Geest onszelf in onze gruwelen leren kennen. Dan leren we vragen naar de enige weg ten leven. Jong en oud moet dit leren. Er is geen weg ter zaligheid voor jongeren en een andere voor ouderen.

Arme tollenaars, wenende zondaren, boetvaardige kinderen, bukkende bedelaars, ellendigen als Mordechai onder het edict van de dood, hier is raad. Wie door het geloof op Hem mag zien, leert verstaan dat Christus om onze overtredingen dit alles deed. Door Zijn striemen is onze genezing. Hij heeft de vrede verworven.

Zalig, die op zijn lijdensweg de vrucht van Christus’ lijden geniet. Een melaatse schreef eens: Heel mijn leven heb ik doorgebracht in lijden. Maar ik klaag niet. Integendeel, ik wens u te laten weten hoezeer God mij liefheeft. Hij vertelde verder in die brief, dat hij in zijn lijden geleerd had een uitverkorene van God in Christus te zijn. De Heere had hem dit lijden gezonden om zijn hoogmoed te breken. De Heere kastijdde hem, omdat Hij hem liefhad. Welgelukzalig, die met het oog des geloofs op het Lam ziet. Welgelukzalig is het volk, dat Christus tot Zijn Borg, Voorspraak, Trooster en Leidsman heeft.

Jezus heeft geleden aan ziel en lichaam. Zijn lijden was het dragen van de toorn van God tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht. Jezus is het Lam, dat ter slachting geleid werd. Dit Lam moest geofferd worden. Dit offer was noodzakelijk. De toorn van God is ontstoken tegen de zonde. De zonde van ons geslacht is groot! Wij hebben ons van de Heere losgescheurd, wij zijn van de Heere afgevallen en hebben geluisterd naar het woord van de satan. Tegen de zonde van ons geslacht is de toorn van God ontstoken. We moeten hier wel goed lezen. We zouden erin kunnen lezen dat Jezus de zonde van het ganse menselijke geslacht verzoend heeft. En, Jezus droeg die toorn, dus wordt er geredeneerd dat dan het ganse menselijke geslacht vrijuit gaat. Maar zo is het niet! De toorn van God is ontstoken tegen de zonde van heel ons geslacht. En die toorn droeg Jezus om de Zijnen ervan vrij te maken. Die toorn van God heeft Jezus gedragen, die volle, ongedeelde toorn. Hier is een nameloze diepte, een afgrond van het lijden getekend. Gods volk is het waard om in de diepte van de hel te branden, om geworpen te worden in de buitenste duisternis. Tracht u nu eens in te denken dat u de hel in moest, dat de helpoort achter u dicht ging. En dat de hemelpoort voor u gesloten was. Dat de toorn van God ten volle brandde, dat de Heere Zich verborgen hield in elk deeltje van Zijn gunst. Dat de Heere elke verkwikking die elke zondaar op aarde heeft, u onthield. Denk het u eens in, geen druppel water tot uw verkwikking te hebben in het heetste lijden. Denk het u in dat de duivelen en goddelozen vrij spel hebben over u en….u kunt iets verstaan van het zware lijden van Jezus. Jezus is niet in de plaatselijke hel geweest, maar het dragen van de toorn van God is ongekend zwaar lijden geweest. Dit lijden was onmisbaar. Dit borgwerk is ook genoegzaam. Het is van oneindige kracht en verdienste. Het is nooit recht te zeggen, hoe zwaar dit lijden van Jezus geweest is. Hij van God verlaten, hangend aan het vloekhout, wie kan dit ten volle verstaan?

Maar zo vloeien de wateren der genade ook rijk. Wij hebben de Heere verlaten, tegen onze zonde brandt de toorn van God. Wij hebben ons waardig gemaakt eeuwig geworpen te worden in de hel. De hemeldeur is dicht. De eeuwige deuren gaan voor ons niet open, tenzij……wij in Jezus Christus geborgen zijn. Hij droeg de toorn van de Zijnen. Wie in Hem geborgen is, zal ervaren dat de hellepoort dicht is en de hemeldeur open! O, wonder van ontferming in Hem, die de deur der Zijnen is. Zalig, als onze hartendeur voor dat heil in Hem recht is opengegaan. De bittere toorn heeft Jezus gedragen, opdat de Zijnen ervan verlost zouden worden. In hem is nu het rijke genadeheil, de volle vertroosting.

Jezus droeg de toorn des Heeren, opdat Hij met Zijn lijden, als het enige zoenoffer, lichaam en ziel van de eeuwige verdoemenis verloste. Eeuwige verdoemenis! Ontroerend woord, zeggen we het met beving. Doemen is veroordelen, veroordelen tot de dood. Verdoemen is veroordelen tot eeuwige straf, verwezen worden naar de eeuwige dood, blijvend onder de eeuwige vloek. O, als de vloeker eens bedacht wat hij zegt! De eeuwige verdoemenis is dus eeuwig in de hel zijn, onder het eeuwige oordeel van God. Eeuwig straf dragen, eeuwig lijden, eeuwig verstoten zijn van God, eeuwig in de buitenste duisternis, in gemeenschap met de duivelen en rampzaligen. Eeuwig tongen kauwen van pijn, eeuwig dorst lijden, eeuwig het geknaag van de wormen ondervinden en eeuwig liggen in het vuur. Zondaar, zondaar, moet u dit niet verschrikken?  En daarheen snelt, danst, zingt iedere onherborene! O, bedenke een ieder toch wat tot zijn eeuwige vrede dient.

Van die verdoemenis heeft Jezus de Zijnen nu verlost, naar ziel en lichaam. Hij deed dit door Zelf de toorn van God te dragen. Denk toch in dit grote heil! Verlost! Heerlijk woord, heerlijke waarheid, heerlijke werkelijkheid. Verlost van de toorn, van schuld, van satan, van de hel, van de eeuwige verdoemenis. Verlost, en wel voor eeuwig. Hoe moet hart en mond de Heere prijzen! Gij zijt verlost, zingt de dichter. Zalig als wij het ook mogen zeggen. Dan zullen we eeuwig delen in de door Christus verworven weldaden. Christus heeft door het dragen van de toorn van God de Zijnen verlost van de eeuwige verdoemenis. Maar Hij heeft voor de Zijnen ook verworven Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven. Gods genade is Zijn gevende en vergevende liefde. In Christus bewijst de Heere dit ten volle. Welke een liefde is hier gegeven, welk een vergevende liefde is hier geopenbaard. Hier welt de Fontein. O, u die nog zonder genade bent, die nog voortsnelt op de weg naar de eeuwige verdoemenis, hier is liefde, vergevende liefde. Zult u die liefde dan versmaden en de verdoemenis kiezen? Zult u dit doen, welbewust? Bedenk toch, zondaar, wat dan het einde is. Smeek nog om die vergevende liefde, eer het te laat is. Er is genade te verkrijgen, genade door Jezus zo duur verworven. Kinderen van God, u deelt erin, meer of minder bewust. Bij ogenblikken zegt de krachtige liefde in uw hart dat het zo is. O, dank de Heere voor die grote zegeningen, voor dat genadeheil, uit vrije gunst ontvangen. Jezus verwierf ook de gerechtigheid. Door onze val is onze rechtsverhouding tegenover de Heere die van de schuldige tegenover zijn rechter. Naar recht kan die Rechter hem dus veroordelen tot de eeuwige verdoemenis. Die Rechter eist voldoening. En wij hebben geen penning om te betalen. Jezus verwierf de gerechtigheid waarmee we voor de Rechter kunnen bestaan. Jezus onderhield en volbracht de wet, betaalde de schuld, voldeed aan al de eisen van het recht. Die door Christus verworven gerechtigheid wordt de Zijnen toegerekend. Daarmee, daarmee alleen kunnen ze bestaan voor het aangezicht van de Rechter. Ongenoegzaam, eeuwig ongenoegzaam zijn onze gerechtigheden. Die zijn een wegwerpelijk kleed. Alleen bekleed met de gerechtigheid van Christus zullen we rechtvaardig zijn voor God. Christus heeft voor onze zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen (1 Petr. 3:18), opdat die onrechtvaardigen delen zouden in Zijn gerechtigheid, en zo met God verzoend zouden worden. Zo kunnen goddelozen worden gerechtvaardigd en zullen ze ook delen in het eeuwige leven. Dit eeuwige leven heeft Jezus ook verworven. Wij zijn onrein door onze dood en waardig om uitgeworpen te worden. Voor de onreinen door de dood moest onder Israël een rode vaars geofferd worden. Dit offer werd geheel verteerd. Als het offer brandde, moest er cederhout, hysop en scharlaken in geworpen worden: beelden van het eeuwige, van de reiniging en van het volle leven. Dan bleef er as over, vermengd met de overblijfselen van cederhout, hysop en scharlaken. Die as is het beeld van het volle, onvergankelijke leven. Dat leven is door Jezus verworven, dat leven is Hijzelf. Wie nu staat in de gemeenschap des geloofs met Hem, zal niet sterven, maar eeuwig leven.

Is het voorrecht niet te groot als we in die drie weldaden delen, en eens eeuwig leven  mogen? Wie daarin deelt kent het pad des levens. Die ervaart, op des Heeren tijd, bewust dat de Heere Zijn aangezicht in gunst tot hem wendt. Verzadiging van vreugde zal eeuwig hun deel zijn. O, hoe groot is het goed, dat de Heere weggelegd heeft voor allen die Hem vrezen. Alles vrucht van Jezus’ lijden.

Zij zijn waardig om eeuwig veroordeeld te worden. Doch Jezus heeft het oordeel gedragen. Ook dit licht de Heidelberger toe, als hij spreekt over het lijden onder Pontius Pilatus.

2.      Over dit lijden onder Pontius Pilatus.

Waarom, zo wordt gevraagd, heeft Hij onder de Rechter Pontius Pilatus geleden? En het antwoord luidt: Opdat Hij, onschuldig onder de wereldlijke rechter veroordeeld zijnde, ons daarmee van het strenge oordeel Gods, dat over ons gaan zou, bevrijdde. De Heere, de grote Rechter, heeft rechters op aarde. Zij zijn men macht bekleed en worden zelfs goden genoemd in de Heilige Schrift (Ps. 82:6) ofschoon zij mensen zijn, die de adem dragen in hun neusgaten en sterven zullen als alle anderen. Deze rechters handelen vaak onrechtvaardig. Zij zijn van nature blind, wandelen in de duisternis, hebben geen recht inzicht (Ps. 82:5). De Heere ziet alles, Hij is in de vergadering (vers 1). Hij veroordeelt het onrechtvaardig handelen (vers 2) en gebiedt het recht te handhaven (vers 2-5). Eens zal de grote Rechter ook de rechters oordelen. Het wereldgericht komt, dan zal de Rechter der aarde rechtvaardig oordelen. Wee allen, die voor Zijn recht niet kunnen bestaan!

Kan dan iemand bestaan voor het gericht van God? Alleen als we geborgen zijn in Christus, Die onder Pontius Pilatus onrechtvaardig veroordeeld is geworden. Als ik voor God moet verschijnen, sprak een stervende, dan sta ik achter Jezus. De Heere ziet Jezus aan en Hij antwoordt de Rechter op al de vragen, ik heb niets te zeggen. Zalig, die dit recht verstaat.

Christus stond eens voor Pilatus. De naam van deze heidense rechter komt in onze belijdenis voor. Wonderlijk! Wat is een rechter? Een rechter is iemand, op wie een ambt gelegd is en die geroepen wordt om krachtens dat ambt, naar recht en gerechtigheid, een oordeel uit te spreken over de aangeklaagde. In het Paradijs trad de Heere Zelf rechtstreeks als Rechter op. De rechtgeschapen mens was gezet over de schepping, heerste, naar God wil, over de werken van de Schepper. Doch de mens is niet staande gebleven. Satan heeft hem verleid en de mens heeft naar die verleider geluisterd. De mens wilde als God wezen, ook in het oordelen. Maar duidelijk blijkt, hoe verdwaasd hij door de zonde geworden is. En als de blinde mens in het ambt staat, als hij met zijn verduisterd verstand als rechter moet optreden, dan handelt hij naar zijn verduisterd inzicht. Hoe onrechtvaardig, hoe goddeloos de rechter vaak oordeelt, hoe zondig hij vaak vonnist, bewijst de geschiedenis van de martelaren, de revolutie, de oorlogen.

Niettegenstaande dit is de rechter drager van Gods majesteit. Daarom worden de rechters goden, zonen van de Allerhoogste, genoemd. Ook deze machten zijn van God verordineerd en daarom zijn wij die machten onderworpen (Rom. 13:1). Daarom zei Jezus tegen Pilatus: “Gij zoudt geen macht hebben tegen Mij, indien het u niet van boven gegeven ware; daarom, die Mij aan u heeft overgeleverd heeft groter zonde (Joh.19:11). De rechter spreekt dus feitelijk in de Naam van God het recht, afgezien van de vraag of de rechter dit verstaat en erkent. Elke rechter die vals oordeelt, verdraait het recht, en bezondigt zich dus heel zwaar en zal voor God zich eens hebben te verantwoorden. Schoon het dus altijd mogelijk is dat er een onrechtvaardig vonnis geveld wordt, is het een weldaad dat we een rechtsorde hebben. Het handelen van despoten en dictators is vreselijk. Een geordende rechtspleging is een weldaad. We moesten ook voor de rechters meer bidden, opdat er gehandeld zal worden naar Gods recht.

Jezus stond eenmaal voor de rechter Pontius Pilatus. Dit was ook niet buiten Gods Raad. Bij de Romeinen was het recht hoog ontwikkeld. Het Romeinse recht was beroemd. In de weg van God Voorzienigheid staat Jezus voor een Romeinse rechter. En de rechter, die met het recht zo goed op de hoogte is, veroordeelt Jezus. En zo veroordeelt Pilatus de Onschuldige. Meermalen erkent Pilatus dat Jezus onschuldig is. “Ik vind in geen schuld in deze mens” (Luk. 23:4). “Ik heb Hem in uw tegenwoordigheid ondervraagd en heb in deze mens geen schuld gevonden van hetgeen waar gij Hem mee beschuldigt” (Luk. 23:14). “En hij zei ten derde male tot hen: Wat heeft deze voor kwaads gedaan? Ik heb geen schuld des doods in Hem gevonden” (Luk.23:32). Bovendien spreekt Pilatus nog, als hij zijn handen wast: “Ik ben onschuldig aan het bloed van deze Rechtvaardige” (Matth. 27:24). Hij beroept zich ook op Herodes en zegt: “Ja, ook Herodes niet, want ik heb ulieden tot hem gezonden en zie, er is van Hem niets gedaan, dat des doods waardig is” (Luk.23:15). Ook de vrouw van Pilatus herinnert haar man aan Jezus’ rechtvaardigheid. Pilatus weet ook dat de Joden Jezus uit nijdigheid hadden overgeleverd (Matth. 27:18).

De onschuld was dus duidelijk genoeg bewezen. En uit het niet vrijspreken van Jezus blijkt dus het verderf van de mens; de mens kon niet als God wezen. Pilatus bewees duidelijk hoe blind het verdorven het schepsel is.

Pilatus veroordeelde Jezus. Het was niet genoeg dat Jezus gedood werd. Als het sterven zonder meer genoeg was geweest, dan had Hij ook alles al volbracht wanneer hij als kind gevallen was onder het zwaard van Herodes’ geweldenaren. De verzoeking in de woestijn is ook in dit opzicht goed te begrijpen. Als Jezus van de hoogte was gesprongen en zo gestorven was, dan had de satan gewonnen. Jezus moest ook niet gedood worden door hen, die Hem in Gethsémané gevangen namen. Jezus moest rechterlijk veroordeeld worden tot de dood des kruises.

Pilatus veroordeelde Jezus, niet omdat hij overtuigd was van Jezus’ schuld, maar omdat hij vreesde de vriendschap van de keizer te verliezen. Daarom voldeed hij aan het verzoek van de Joden. Hij liet Jezus geselen en gaf Hem, in plaats van Barabbas, over om gekruisigd te worden. Barabbas ging vrijuit. En dat was een moordenaar.

Aan deze veroordeling hecht de Schrift grote waarde. De apostelen getuigen: “Welken gij overgeleverd hebt voor het aangezicht van Pilatus, als hij oordeelde dat men Hem zou loslaten” (Hand.3:13,14). “Want in der waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig kind Jezus, Welken Gij gezalfd hebt, beide Herodes en Pilatus, met de heidenen en het volk Israël” (Hand.4:27). “Geen oorzaak des doods vindende, hebben zij van Pilatus begeerd, dat Hij zou gedood worden” (Hand.13:28).

Waartoe dit alles? Opdat Hij onschuldig onder de wereldlijke rechter veroordeeld zijnde, ons daarmee van het strenge oordeel Gods, dat over ons gaan zou, bevrijdde. Jezus werd veroordeeld en de moordenaar Barabbas werd vrijgelaten. Wij zijn schuldigen. Wij moeten staan op Gabbatha voor de rechter, om aangeklaagd en veroordeeld te worden. Wij zijn moordenaars van onszelf en van onze naasten. Wij zijn Godlasteraars. Er is geen enkele reden tot onze vrijspraak aan te voeren. In alles staan wij schuldig. De wet bewijst het, de Rechter bewijst het, ons geweten kan het niet tegenspreken. Rechtvaardig kan de rechter ons verdoemen. En wie door de ontdekkende werking van de Heilige Geest dit verstaat, zal zijn vonnis als rechtvaardig erkennen. Die zal belijden:

Ik ben de zwaarste straffen waardig.

Ja, eindeloze smart en pijn.

En, o wonder, nu veroordeelde de rechter Pilatus Jezus, opdat doemwaardigen vrijgesproken zouden worden. Het strenge oordeel van God ging over Christus. Dat strenge oordeel, dat oordeel der verdoemenis zijn wij waardig. Maar God deed al de ongerechtigheid van Zijn volk aanlopen op Christus (Jes.53:6). Christus droeg het strenge oordeel vrijwillig. Wat een liefde! Christus, de Koning, had de rechter Pilatus zo kunnen slaan, dat hij verstomde. Maar het Lam droeg gewillig en stil. Hij droeg het strenge oordeel volkomen. En hoe streng dit oordeel was, bleek op Gabbatha en Golgotha duidelijk genoeg. Zo bevrijdde Jezus zijn volk van het strenge oordeel. De heilige en rechtvaardige Jezus is voor Zijn volk de Voorspraak bij de Vader. De Onschuldige is als een doodschuldige gevonnist. In Hem is nu ontkoming, redding, verlossing. Hij treedt op als Voorspraak om te redden, waar het vonnis tot de straf des doods gereed ligt. Heerlijk Evangelie voor allen, die zich als een doodschuldige voor de hemelse Rechter hebben leren kennen.

In de veroordeling van Jezus ligt dus de bevrijding van Zijn volk. De zondaar ligt van nature onder het strenge oordeel van God. En de onherborene gevoelt, verstaat, gelooft dit niet. Pas als de Heere ons door Zijn Woord en Geest zaligmakend bearbeidt, dan leren we dit verstaan. Gods kind verstaat: Toen Gods Geest mij recht ontdekte, zag ik mijn verdorven staat. Ik was melaats, het oordeel wenkte. Werd ik heden niet vrij, het was eeuwig te laat. Zulk een ontdekte leert zich kennen als een doemschuldige, die een eeuwige straf rechtvaardig verdiend heeft. Zulk een zondaar leert zijn Rechter om genade bidden. En als zo’n zondaar de boodschap hoort dat Jezus, de Onschuldige, als een des doods schuldige is veroordeeld, om doemelingen van het strenge oordeel van God te bevrijden, dan is die boodschap in beginsel een blijde boodschap voor zo iemand. Als de Heilige Geest die boodschap aan het hart brengt, zal de vreugde eerst recht gesmaakt worden. De Heilige Geest, door Wie de gearresteerde zondaar zijn ellende recht ziet, zijn vonnis tekent, geeft ook een oog voor de Borg, de Voorspraak Jezus Christus. De Heilige Geest maakt plaats voor deze Borg, geeft behoefte aan Hem. Gebogen en gedrukt onder schuld zucht de ziel nu tot de geopenbaarde Christus:

‘Ik ben mijn zondeschuld zo moe, en leef in duizend vrezen;

ach wend U nog eens naar mij toe en wil mijn ziel genezen.

De zonde drukt, de liefde trekt. Ik kan niet langer rusten,

totdat U Zich aan mij ontdekt, och, dat mijn ziel u kuste’.

Die zó in het gericht leert zuchten, zal ervaren dat de Voorspraak optreedt en niet rust aleer het vonnis des doods wordt opgeheven. En de vrijspraak van Gods Woord en Geest in de ziel gelegd wordt. De ziel leert dit door het geloof verstaan en omhelzen.

De vrijspraak in Christus is heerlijk. Altijd is er blijdschap in de hemel over een zondaar die zich bekeert. Waarom? Hij erkent God als God, Christus als Borg, zichzelf als schuldige, en gaat roepen om genade. Hij wordt een bidder als de tollenaar, en deze ging gerechtvaardigd naar zijn huis. Zulk een schuldige wordt in Christus gerechtvaardigd. Dat kan, omdat Christus het strenge oordeel Gods heeft ondergaan.

Zalig, als de vrucht er van genoten wordt. Dit kan alleen in de gemeenschap met Christus, door de Heilige Geest, in het geloof. Als Christus Zich openbaart, de Heilige Geest dit geeft te verstaan, en het geloof tot omhelzen versterkt. Als de schuldige voor de vierschaar Gods ervaart dat Christus het voor hem opneemt, voor hem opgenomen heeft. Als de Rechter spreekt van niet meer toornen en schelden, en de gearresteerde dit mag verstaan, geloven, dan zal zo iemand genieten:

Al zit ik nog zo diep in schuld, des Borg gerechtigheden,

die zijn mijn losgeld en rantsoen.

Ik heb geen andere prijs van doen.

Ik kan in Gods gerichte volkomen met die Borg bestaan.

Het zal mij eeuwig wel nu gaan.

Hier moet de duivel zwichten.

Welgelukzalig allen, die met zulk een geloof zien mogen op de Veroordeelde door Pilatus. Welgelukzalig allen, die zó omhelzen mogen. Zij kunnen met de dichter zingen:

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;

Uw vrije gunst alleen wordt d' ere toegebracht;

Wij steken 't hoofd omhoog en zullen d' eerkroon dragen,

Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen;

Want God is ons ten schild in 't strijdperk van dit leven,

En onze Koning is van Israëls God gegeven.

3.      Over dit lijden aan het kruis.

Van God gegeven is de dierbare Koning, de enige Middelaar. Die Middelaar heeft geleden. De Heidelberger vraagt nu: ‘Heeft dat iets meer in, dat Hij gekruist is geweest, dan dat Hij met een andere dood gestorven ware?’

Onze vaderen deden goed ons dit voor te houden. De kruisdood van Jezus Christus is van zeer grote betekenis. Een andere dood zou ongenoegzaam geweest zijn. Als de Borg geen kruisdood gestorven was, dan was de zaligheid niet volkomen geweest. Sterker, dan was God niet voldaan, dan was de zaliging van de zondaar niet mogelijk geweest. Het besliste ‘ja, het’ op de gestelde vraag laat zich dus goed begrijpen. De kruisdood heeft zeer grote betekenis. ‘Ja, het’, het is als een jubel van de ziel. Het geloofsoog van deze belijder is er helder voor open. Hij toeft in zijn gedachten een ogenblik op Golgotha en als de vraag naar de betekenis van de kruisdood in zijn ziel oprijst, dan werpt hij een blik voor, op, boven en om het kruis. En dan jubelt hij: ‘Ja, het, want daardoor ben ik zeker, dat Hij de vervloeking, die op mij lag, op Zich geladen heeft, omdat de dood des kruises van God vervloekt was’. De zondaar lag onder de vloek. De Middelaar droeg de vloek. De gelovige is zonder de vloek.

Als Gods kind blikt vóór het kruis, dan belijdt hij: ‘Eens lag ik onder de vloek’. Vloekdragers waren wij oorspronkelijk niet. Oorspronkelijk waren we beelddragers. Recht geschapen door de Heere. En we deelden in de zegeningen van onze God. Maar nu zijn we gevallen, de vloek is over ons gekomen, we zijn daarom vloekdragers. Ontroerende werkelijkheid. We dragen onze vloek en die dragen we verder, al verder, tot …..de vloek ons in de hel drijft. Tenzij de genadehand van God ons redt.

Een vloek komt niet zonder oorzaak, zegt de Spreukenschrijver (26 : 2). Maar onze vloek kwam, omdat er een oorzaak was. Wij vielen en Gods bedreiging werd vervuld. En als de Heere den vloek over ons doet komen, dan doet die vloek zijn werking. De vervloeking lag op mij. Vervloeking, wat is dat eigenlijk? Vloek staat tegenover zegen. Als de Heere ons zegent met geestelijke en tijdelijke zegeningen, dan is heel ons leven in beginsel aan den Heere gewijd en worden wij geleid en bearbeid tot ons eeuwig heil. Maar als de vervloeking op mij ligt, dan is mijn ‘levenskracht’ mijn ‘levensgang’ en mijn ‘levenstoekomst’ ten kwade gekeerd. Wanneer die ontzaglijke vervloeking op mij ligt, dan word ik naar het verderf gedoemd. Wordt die vervloeking niet weggenomen voor mijn sterven, dan zink ik als een vervloekte in het verderf steeds dieper weg. Is dat niet ontzaglijk? O, als we onder de vloek zijn, dan gaat alles tegen ons in. Alle honing verandert voor ons dan in alsem, dan ligt een ban op ons, schreef eens iemand, en die ban jaagt ons na tot in de diepte der verdoemenis. Vloek is een gebod Gods over ons om ter helle neder te dalen.

Ontroerende dingen. En die vervloeking lag op mij, zegt de belijder. Hij ziet hoe hij lag, voor hij de vrucht van het kruis mocht wegdragen. Door den Heiligen Geest verlicht en bearbeid heeft hij dit leren verstaan. Zwaar heeft hij overtreden, gruwelijk heeft hij misdreven, ontzaglijk, doch volkomen rechtvaardig is zijn straf. Van nature zag hij dit niet. Hij wist niet, hoe ellendig hij was. Hoor maar:

“Daar was een tijd, o Heer! dat ik mij zelf niet kende,

En 'k op de brede weg naar de open afgrond rende".

Zo is het met ons allen van nature. We verstaan niet, o zondaren, dat we ter helle gedreven worden. Welgelukzalig daarom allen, die recht leren verstaan: “die vervloeking ligt op mij",  want zij zullen geen rust kennen, aleer ze van die vervloeking verlost zijn. De belijder zegt: ‘lag’ op mij. Dus de vervloeking ligt niet meer op hem. O, heerlijk voorrecht! De Heidelberger doet ons zien hoe de belijder zijn oog rust op het kruis om ons te doen verstaan, hoe hij aan deze zalige wetenschap is gekomen. Hij heeft de vervloeking op Zich geladen, zegt de belijder daarom ligt die nu niet meer op mij. De kruisdood was zeer zeker een smartelijke dood. De Heere Jezus werd aan het vloekhout genageld. Hem gold ten volle: “Mijn kracht is als een scherf, van sap beroofd, Mijn tong kleeft aan Mijn mond door dorst gekloofd". Toen die wonden geslagen werden, de wonden-smarten toenamen, werd het lijden ontzaglijk verzwaard. Dit laat zich ook goed verstaan. De dood des kruises was ook een smadelijke, een verachtelijke dood. Slaven, oproermakers, moordenaars ondergingen zulk een straf. Jezus is veracht als de onwaardigste en met de misdadigers gerekend (Jes.53). De lijken der gekruisigden werden in den ouden tijd soms aan een paal ten prooi gehangen voor de gieren en het nachtgedierte huilde om het overschot. Onder Israël mocht dit niet. Het lijk moest voor de avond worden weggenomen, opdat het land niet verontreinigd zou worden. De kruisdood was bovendien een vloekdood. Een gehangene was Gode een vloek (Deut. 21 : 22, 23). Als iemand, naar de Romeinse wijze aan het hout hing, dan hing hij genageld en gekruist. Zo iemand was een verstotene. De aarde had Jezus verstoten. De mensen hadden Hem naar het vloekhout geleid!

Hij ging ook zo den hemel niet in. Zou Jezus als Borg voor Zijn volk verdienen een ingaan door de eeuwige deuren van het Vaderhuis, dan moest Hij, in de plaats van de Zijnen, als een van den hemel verstotene, en een de hemel onwaardige, aan het vloekhout hangen en de vloekdood sterven. De dood door steniging b.v. zou niet voldoen. Nee, het vreselijkste, de vloekdood, moest Hij ondergaan. Zo werd het Lam Gods verhoogd. Dit was onmisbaar, noodzakelijk, om Zijn volk van de vervloeking te verlossen. Christus heeft ons verlost van de vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons. Want er is geschreven: “Vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt” (Gal. 3 : 13). Als het geloofsoog op het kruis blikt, wordt het verstaan. Als Gods kind voor deze dingen een oog des geloofs heeft, verstaat het ook, dat het die vloek verdiend heeft, die de Borg droeg. Eens was het blind. De Heere werkte zaligmakend.

Christus onderging het lijden gewillig. Stil is het Lam tot de ontzaglijke slachting geleid. Hij droeg de vloek aan het hout. Maar boven het hout troont de hemelse Rechter. Hij, de hemelse Rechter, heeft gesproken: “Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder de vloek, want er is geschreven : Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in hetgeen geschreven is, in het boek der wet, om dat te doen" (Gal. 3 : 10). Niemand onzer heeft de wet gehouden, dus liggen we allen onder den vloek. Christus kwam onder de wet en werd een vloek voor de Zijnen (Gal. 3 : 13). Christus droeg de vloek voor, in de plaats van, de Zijnen. Als de Rechter zondaren in Christus aanziet, ziet Hij deze aan zonder vloek. Als de zondaar in Christus tot God opblikt, blikt hij op tot een verzoend God, want de gelovige belijdt: “Ik ben zeker dat Hij de vervloeking die op mij lag, op Zich genomen heeft". Een blik boven het kruis geeft een liefde te aanschouwen, die onuitsprekelijk rijk en heerlijk is. Een blik boven het kruis geeft een zaligheid te genieten, welke nooit naar waarde te roemen is. Ziende op zichzelf, kent de zondaar zich een vloekwaardige, ziende op Jezus. Door 't echte geloof, leert hij verstaan: “Zo is er dan geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn”. En wie in Christus zich geborgen weet, mag bij ogenblikken zalig genieten, dat de Heere hem niet zal verdoemen. Zo iemand weet, dat wie ver van de Heere blijft af leven vervloekt wordt. En dat het zalig is, in Christus, nabij God te wezen.

Jammer, dat de zekerheid van deze dingen zo weinig genoten wordt. Als we om het kruis blikken, dan zien we een grote schare, die spot met het kruis. Vreselijk als ze eens de eenmaal Gekruiste als hun Rechter zullen ontmoeten. O, zondaren, dat u nooit in 't gestoelte der spotters gevonden wordt! Wéé, die allen, die in dit gestoelte eens sterven.

Duizenden zijn ook onbekend met het kruis, onbekend met het hoogste. De Kerk zij meer en meer haar roeping bewust en verkondige de heilsboodschap onder alle volken. Zonder vrijbrief des levens is er geen ontkoming van onder het edict des doods. Zonder bekendheid met het Evangelie is er een eeuwig omkomen. Laat ons dat aanvuren om met haast de boodschap der redding te verkondigen.

Een grote schare zit in valse rust bij het kruis. Dogmatisch belijden ze de kruisiging zuiver. U zou aan die waarheid niet moeten tornen! Maar niet het kruis, doch de leer van Jezus is hun zaligmaker. De leer over hun doop, verbond, belijdenis, avondmaal, is de grond voor hun hoop. Versta dit wel, want u moet het met de leer zeer nauw nemen, n.l. met de leer van Gods Woord. Wie er iets af of toe doet, zal God tegen zich hebben. Maar die leer, de bloot verstandelijke kennis zonder meer is geen bewijs, dat u in 't heil deelt. Laat niemand dit vergeten, opdat niemand zich zal bedriegen.

Er is ook een levendgemaakt volk, dat legert om het kruis. Zwakken en sterken in 't geloof zijn er. Sommigen staan van ver en anderen heel dicht bij het kruis. Sommigen werpen een heilbegerige blik op het kruis en zuchten: “Och, dat ook ik eens weten mocht of de Heere Jezus mijn vloek gedragen heeft”. Anderen mogen een vaste blik werpen op het kruis en betuigen: “Mijn vervloeking heeft Hij op Zich geladen”. Allen leerden echter zich kennen, liggend onder de vervloeking, allen leerden in beginsel het kruis der verzoening kennen. Juist het blikken op het kruis, op Christus, meer of minder bewust of sterk, gaf hun de kracht der genezing, in beginsel van de dodelijke slangenbeet. Doch de ware zuchters belijden toch ook, met een heilbegerige blik op Christus, Die eens gekruist werd: “Ik zoek U tot mijn enig goed, en in Uw dood mijn leven".

Zulk een ziel, beladen met vloek en zonden, zoekt redding in Christus. Zo iemand spreekt: “O Heere Jezus, zeg Gij tot mijn ziel: Ik ben uw heil”. Zulk een ziel zoekt schuiling in de wonden van de Zaligmaker. Velen staan van verre, schreiend, zoekend, tevens in vreze en beven. Vlucht maar nader, lammeren van Jezus' kudde, vlucht dichtbij en zoekt schuiling onder Zijn vleugelen. Uw hart moet genezen worden en rust vinden. U moet komen tot het “Ik ben verzekerd”. In zondag 15 is eerst sprake van ‘ons’. In antwoord 39 lezen we dan ‘ik’ en ‘mij’. Dat is een heerlijk persoonlijk gelovig belijden.

In Christus alleen kan die weldaad worden genoten. Maak geen grond van gemoedelijkheden, o licht bewogen zondaar. Velen vrezen zich te bedriegen. Gods kind kent zich verdoemelijk. Moeten ook wij daar ‘amen’ op zeggen? Hebben we ons in waarheid zo leren kennen Ze verstaan, dat zij zich in der eeuwigheid van deze vloek niet kunnen bevrijden. Ze erkennen het recht van de hemelse Rechter om hen te verstoten. Gebukt onder vloek en schuld zoeken ze een weg ter redding. Zalige vertroostingen genoten ze reeds, toen de weg naar het kruis hun ontsloten werd. Schuld belijdend, met het koord der veroordeling om den hals, naderen ze. Ze erkennen hun vervloeking. Maar ze zuchten ook: “Heere, ontferm U over een vloekwaardige als ik ben". Ze hebben daar hun gebroken en schuldverslagen hart neergelegd.

Een gevangene in de grote gevangenis te Londen kraste in de harde muren van zijn gevangenis een kruis. Daaronder kraste hij een hand, die een gebroken hart onder het kruis neerlegde. Een gebroken hart onder het kruis !

Ja, daar hoort het, daar kan het alleen genezing en rust vinden. O, zuchters en zoekers, daarheen uw hart gebracht. Gelooft het, dat onder het kruis geleerd en genoten wordt:

God is 't verbroken hart,

't Verbrijzeld en verdrukt gemoed,

Ten allen tijd' nabij en goed.

Welgelukzalig, die in Christus zijn heil zoekt. Welgelukzalig, die aan 't kruis leert, dat zijn schuldbrief met bloed getekend is. Welgelukzalig, die in die gekruiste Christus rust, in het kruis roemt (Gal. 6 : 14), in de kracht van het kruis sterft en door het kruis geniet de eeuwige vrede. Diens lippen zullen juichend roemen, dat Christus hun Helper is en Zijn gunst zullen de God-getrouwen de ganse dag weten te ontvouwen.

De Heer' verlost en spaart

Zijn volk, dat op Zijn hulp vertrouwt:

Het zal, door Hem in gunst beschouwd,

Niet schuldig zijn verklaard.

AMEN.