Zondag 2 De kenbron van onze ellende - Prof Lengkeek

Zondag 2

De kenbron van onze ellende

prof. F. Lengeek (1871-1932)

Ps 1:1

Ps 25:2

Ps 119:14,15

Ps 51:1

Ps 19:4

Romeinen 7

Geliefde Gemeente,

Drie stukken zijn ons nodig te weten, aldus leert ons de Heidelberger in overeenstemming met Gods Heilig Woord, zullen wij in de enige troost van de christen zalig leven en sterven.

Van die drie stukken kan er geen één gemist worden. Er kan geen sprake zijn van verlossing als er geen ellende is. Evenmin kan er dan gesproken worden van dankbaarheid. Deze drie stukken staan in een nauw verband met elkaar, grijpen op elkaar in, en mogen niet gescheiden worden. Wel onderscheiden. In de praktijk van het leven zal het voorkomen, dat ze niet altijd gelijktijdig worden gekend. Waar echter het geloof toegenomen is, daar zullen ze alle drie ook gekend worden. De door Gods Geest ontdekte zondaar weet in het begin eigenlijk niet meer dan dat hij ellendig is. Wat weet hij van verlossing, alleen dat hij ze nodig heeft? En die zo hoognodige verlossing, hij durft er in het begin zelfs niet op te hopen. De verdere onderwijzing van de Heilige Geest doet hem evenwel de mogelijkheid van de verlossing kennen, als Hij de zondaar vervult met goedertieren gedachten van God en in de diepte brengt om zijn Rechter om genade te smeken. U moet zo iemand ook niet spreken van dankbaarheid. De gedachte dat hij die zou beoefenen komt niet bij hem op.

Toch is geen kind van God, of de drie stukken zullen in beginsel bij hem gevonden worden. Waar toch het wonder van de wedergeboorte aan de ziel verheerlijkt is, daar is de zondaar ingeplant in de Borg en Zaligmaker. Uit Hem heeft hij het nieuwe leven, het leven dat niet alleen van boven komt, maar ook naar boven gericht is. Dat leven uit de Borg, ofschoon de drager onbekend, brengt met zich mee dat de dingen die van de Geest van God zijn, gezien, gehoord en gekend worden. Het allereerste dat de wedergeborene erkent, is dat God is en hij valt die God bij in Zijn recht.

Daarin ligt eigenlijk al dankbaarheid, want de ware dankbaarheid is het erkennen van God. Wie met verbroken hart en verslagen geest buigt voor de Heere, brengt Hem eer, vreest Hem, zij het in het begin sterk gemengd met slaafse vrees. Maar in het diepste innerlijk is er de kinderlijke vrees, waarin hij de zonde en de ongerechtigheid niet slechts haat en vliedt uit vrees voor de straf, maar om Zijnentwil, Die Zich heeft geopenbaard als zijn God, met Wie hij de doen heeft.

Het is in de weg van de bevinding dat God Zich ontdekt aan de ziel. De drie-enige God: Vader, Zoon en Heilige Geest. Door die ontdekking zal, met de kennis, ook het bewustzijn van het geloofsleven toenemen. En de opwas in het geloof, door Gods leiding geworden tot opwas in de kennis en de genade van de Heere Jezus Christus, zal zijn een opwas in de kennis en de toe-eigening van ellende, verlossing en dankbaarheid. Tot roem van de Heere, en tot zaligheid van de ziel.

Eigenlijk is heel het leven van de christen een leven van leren. Leren hoe groot de zonde en ellen is, hoe hij verlost wordt van alle zonden en ellende. En hoe hij Gode voor zulk een verlossing dankbaar zal zijn. Niemand zal het einde van die drie stukken bereiken. In die weg zal genade en telkens weer genade noodzakelijk zijn. En wie in de school van de Heilige Geest onderwezen wordt, mag voortdurend zitten aan de voeten van de Profeet der profeten. Die mens zal de eerste zijn om het “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood” de apostel Paulus na de zuchten. Maar juist dan ook om als eerste met die apostel te roemen: “Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere!”

Geen van de drie stukken kan gemist worden. Geen van de drie mogen wij verheffen boven de andere. Geve God, dan ze ons alle drie dierbaar mogen zijn om Zijnentwil!

Voor nu hebben we een begin te maken met het eerste stuk, dat handelt over de ellende van een christen. Laat ons de Heere bidden, dat wij het zo mogen doen dat het leidt tot de grootmaking van Zijn Naam. En tot heil van onze zielen.

Romeinen 7 :7b

“Ja, ik  kende de zonde niet dan door de wet; want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de wet niet zeide: Gij zult niet begeren.”

Zondag 2

Vraag 3: Waaruit kent gij uw ellende?

Antwoord: Uit de wet Gods. 

Vraag 4: Wat eist de wet Gods van ons?

Antwoord: Dat leert ons Christus in een hoofdsom, Mattheüs. 22:37-40: 'Gij zult liefhebben den Heere, uw God, met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand, en met geheel uw kracht. Dit is het eerste en het grote gebod.
En het tweede, aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven.
Aan deze twee geboden hangt de ganse Wet en de Profeten'.
 

Vraag 5: Kunt gij dit alles volkomenlijk houden?

Antwoord: Neen ik; want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten.

Het mag nog wel eens herinnerd worden, dat de Catechismus het niet heeft over hetgeen in alle mensen zonder onderscheid gevonden wordt. Maar dat hij ons onderwijst in hetgeen in de christen is, die door de Geest van God wedergeboren is. In hem die het leven uit God bezit en, door dat leven onder de verlichting van Geest en Woord, kent de dingen die des Geestes Gods zijn.

Er is toch groot onderscheid tussen mensen en mensen. Zo de mens van nature is, is hij dood door de zonden en de misdaden, en weet en kent hij niet anders dan wat van beneden is. De diepten, die de Geest ontdekt, zijn en blijven hem verborgen. Daardoor zal er een groot verschil zijn of een christen dan wel een wereldling spreekt over ellende.

De wereldling kent geen andere ellende, dan die dit aardse leven met zich meebrengt. Hij verstaat eronder alle tegenspoed en smart, alle verdrukking, ziekte en kwalen, armoede, verliezen aan goederen of aan dierbare panden. Of ook wroeging vanwege begane misdrijven, spijt vanwege begane misstappen. Als hij schreit, is het om hetgeen hem in dit leven wedervaart.

Die ellende wordt ook door de christen gekend. Enerlei toch wedervaart in dit leven zo de rechtvaardige als de onrechtvaardige, zo dien die de Heere vreest, als die Hem niet vreest! Ook de christen heeft de strijd om het bestaan te strijden. Ook hij kent zijn tegenspoeden, zijn smarten van het lichaam, zijn verliezen in hetgeen hem dierbaar is. Ook hij kent armoede en ziekte, gebrek en zorg. Dat heeft hij met het ganse geslacht van Adam, gelijk het in zijn vader van God afgevallen is, gemeen. De doornen en distelen groeien voor hem evenzeer als voor de anderen, het zweet des aanschijns is ook zijn deel.

Boven die algemene ellende kent de christen echter nog een andere, die niet gemeten wordt naar hetgeen goed geacht wordt voor dit aardse leven, en gemeten wordt met menselijke maat.

Ook deze ellende baart smart. Anders zou zijn geen ellende zijn. Het is echter de smart niet over aardse tegenspoeden en teleurstellingen, over aards gemis. Het is de smart over de scheiding van God, de smart van de liefde tot God. Alzo kent zij twee zijden, hetgeen bij de aardse ellende maar weinig het geval is. De ellende van de christen is een smart die hij zelf voelt èn smart over hetgeen God, Die hij liefheeft, gevoelt. M.a.w. het gaat bij de ellende van de christen niet alleen over hetgeen hem schaadt, het gaat in het bijzonder over hetgeen het voorwerp van zijn liefde vertoornt en verdriet. Waar echte natuurlijke liefde gevonden wordt, wordt dit ook in de aardse ellende gekend. Boven de natuurlijke liefde staat evenwel de liefde van de christen, die een geestelijke liefde is, door de Heilige Geest.

De verhouding tot God bepaalt de maat van de ellende.

Dat de wereldling in vijandige verhouding staat tegenover God, hetgeen hij in de regel niet weet, is ellende. Maar zij wordt eerst dan waarlijk ellende en als zodanig bekend, als het de Heere behaagt om een wereldling te maken tot een christen.

Over de ellende van de christen handelt deze zondagsafdeling. En inzonderheid over de kenbron ervan.

Spreken we dan nu verder over “De kennis van onze ellende”.

We zien dan

  1. Waaruit wij die kennis hebben te putten
  2. Wat de bron van die kennis opgeeft
  • Hoe wij tegenover de eis van God staan.
  1. Waaruit kent gij uw ellende?

Hier kan al dadelijk uitkomen het onderscheid tussen de algemene ellende, waaraan het ganse menselijke geslacht onderworpen is, en de bijzondere ellende van de christen. De algemene ellende wordt gekend uit de omstandigheden van het leven. Ieder normaal mens – normaal voor zover het gezegd kan worden van een kind van Adam – ieder mens dus met verstand en gevoel, zal het onaangename dat zijn gevoel treft met zijn verstand ellende noemen. De kwestie staat voor hem zo, dat hij moet trachten het evenwicht te herstellen. Door of de omstandigheden te veranderen in zijn belang, of zijn belangen ondergeschikt te maken aan de omstandigheden. Velen brengen het aan de ene of de andere kant zeer ver. De ellende wordt door hen gemeten met hun maat. De vraag is wat zij zelf goedkeuren of afkeuren. Aangezien hun verhouding tegenover de Heere hun onbekend is, blijven zij in het tijdelijke en aardse hangen.

Dat tijdelijke of aardse is evenwel niet in staat de ware ellende te ontsluieren. Wat weet de mens zonder God van de oorsprong van het kwaad? Hoe zal hij de kiem van de dood vinden, hij, die de oorsprong van het leven zoekt in het stof? Hij kan tot de achtergrond van de ellende niet doordringen, en verstaat niet dat de oorzaak van alle smart en moeite ligt in de ongehoorzaamheid van de mens aan het heilig en rechtvaardig gebod van de Heere. Dat er geen wonden zijn als er geen zonden waren is hem onbekend. Dat de dood er is om dat de zonde er is, hoe zal hij het weten? En indien hij het al uit kracht van opvoeding weet, hoe zal hij het geloven? Is er eigenlijk wel zonde voor hem? Nee, feitelijk niet. Hij droomt ziet zichzelf en zijn medemensen als gebrekkig. Maar dan zo dat na verloop van, laat het zijn, eeuwen de mens zijn gebreken zal hebben overwonnen, door ervaring van het leven geoefend en onderwezen. Er zijn voor hem ellendige dingen en omstandigheden, maar hij zelf is niet een ellendig schepsel! En in de hem omringende natuur vindt hij de leermeester niet die het hem aan het verstand brengt. Zelfs de Bijbel, het Boek der boeken, hoewel deze als Gods Woord hem duidelijk spreekt van zonde en ellende en het verband tussen die beide, leert hem niet. En waarom niet? Is dan het Woord van God niet levend en krachtig en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, doorgaande tot de verdeling der ziel en des geestes en der samenvoegselen en des mergs?  Is het niet een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten? Gewis, dat is het! Maar de kracht van het Woord alleen, welke kracht ook door de ongelovige eens zal worden erkend, doet geen mens God of zichzelf kennen. En doet geen mens klagen vanwege zijn zonden, doet geen zondaar tot God roepen om genade. Het Woord, zo het alleen blijft, wederbaart en bekeert niet! Indien wij dan ook kennis van het Woord mogen hebben, dan kan dit zeer wel zijn zonder dat wij kennis hebben aan onze ellende. Zelfs kunnen wij het in de voorwerpelijke leer van de ellende zeer ver gebracht hebben, en toch de ware ellendekennis van een christen missen.

Wanneer dan de Heidelberger vraagt: Waaruit kent gij uw ellende en daarop geantwoord wordt: uit de wet Gods!, dan bedoelt de Catechismus niet de kennis die iedereen van de wet Gods nemen kan. Dan wordt bedoeld die kennis die onder de leiding en lering van de Heilige Geest verkregen wordt. Een kennis die met de dode kennis gemeen heeft wat de letter zegt, maar als levende kennis niet bij de toestemming van de letter kan blijven staan. Tenslotte behoort voor de onbekeerde zelfs het Woord van God nog tot de dingen van de wereld!

Het levende Woord des Heeren moet voor ons levend worden, door de toepassing van de Heilige Geest. Met ander woorden: wat voorwerpelijk door het Woord tot ons komt, moet onderwerpelijk in ons worden uitgewerkt.

Uit de wet van God is de kennis van de ellende, niet door de wet. Ware zij door de wet, dan zou ieder kenner van de wet ook kenner zijn van de ellende. Maar God de Heilige Geest, Die wederbaart, stelt degenen wie Hij het leven schenkt voor de wet, en doet hen haar lezen.

Dat stellen voor de wet is, omdat in de wedergeboorte God echt God voor ons wordt, een stellen voor de Heere Zelf. Want het is Zijn wil die in de wet is geopenbaard, Zijn wil die Hij van ons gedaan, volbracht, wil hebben. En dat met het volste recht, welk recht door de wedergeborene wordt toegestemd. Tornen aan God en Zijn heilige wil, dat doet de mens van nature. Wedergeborenen door Woord den Geest leren met heel hun ziel de wet van de Heere bijvallen, al is het dat die wet hen veroordeelt. Gods Geest toch overtuigt, brengt de mens in de erkentenis van zonde, gerechtigheid en oordeel. En wie dit te beurt valt door de genade van God, leert zich onderwerpen aan dat oordeel, want hij verstaat dat Gods wet heilig en goed is.

Hij leert zich in die weg kennen als zondaar voor God, de Rechtvaardige en ook God, de Algoede. De ontdekte zondaar vreest voor het oordeel, en krachtens dat vrezen tracht hij de eeuwige straf te ontgaan, ook al is hij hierin verkeerd bezig. Maar hij erkent dat God het zo goed met hem bedoeld heeft en dat hij zich zo ontzettend schuldig gemaakt heeft tegenover die God, door de verwerping van Zijn wil en de veronachtzaming van Zijn roepstemmen.

Zou dit slechts zijn aan het begin van de weg des levens en ook niet op het vervolg van die weg gevonden worden? Zou het wel kunnen zijn, dat de levendgemaakte, (wiens oog dus geopend is voor de heerlijkheid en gerechtigheid en heiligheid en dienenswaardigheid van God, wiens oor beluistert de stem van Woord en Geest, wiens hart uitgaat in liefde en toegenegenheid tot de Heere, om Hem te dienen en te vrezen om Zijnszelfs wil), dat zulk één, hij zij door genade een eikenboom der gerechtigheid, zich plaatste voor de wet en niet had te blozen? Zich niet weg had te schamen vanwege zijn zonde en ongerechtigheid? Nee, wij komen niet boven onze ellende uit. Tot de laatste snik zal het wezen een ellendig zondaar, die alleen door genade behouden wordt, of wilt u liever, blijft.

Vraagt dan de wet iets te groot, te wonderlijk van de mens?

  1. Wat de bron van die kennis opgeeft.

Op de vraag: Wat eist de wet van God van ons luidt het antwoord: Dat leert ons Christus in een hoofdsom, Mattheus 22:37-39: Gij zult liefhebben de Heere uw God, met geheel uw hart, met geheel uw ziel, met geheel uw verstand, en met geheel uw kracht. Dit is het eerste en grote gebod. En het tweede, aan dit gelijk is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten.

Is daarin iets dat, in het licht van het recht, te groot, te wonderlijk, te zwaar is? Of wat u anders voor woorden gebruiken wilt? Dat de natuurlijke mens zijn bedenkingen maakt, is te begrijpen. Wij zullen met een paar van die bedenkingen nog kennis maken bij de volgende zondagsafdelingen. Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn. Hij staat er vijandig tegenover. En toch, moet het verstand van mensen die in de waarheid onderwezen zijn het zelfs niet toestemmen, dat in de wet niets geëist wordt wat onredelijk genoemd kan worden? Hoeveel te meer zullen dan diegenen die onderwezen worden door de Heilige Geest het van harte toestemmen, dat de wet van de Heere rein en zuiver is. Er wordt in de wet van de Heere niets buitengewoons gevraagd. De wet waaruit de kennis van de ellende is, is de zogenaamde zedelijke of eeuwigdurende wet, de wet van de tien woorden die de mens, wat de inhoud betreft, is ingeschapen. Deze wet is wat de vorm betreft op de Sinaï afgekondigd. De Heere Jezus heeft die wet samengevat in een hoofdsom. En de Catechismus maakt hiervan in het antwoord gebruik.

Wanneer wij de wet, zoals die is afgekondigd op de Sinaï en de hoofdsom vergelijken, dan treft ons een onderscheid. In Exodus 20 vinden wij verboden en nog eens verboden. Slechts in het vierde en vijfde gebod vinden wij een gebod, verder luidt het: Gij zult niet, gij zult niet!

Dat de Heere Jezus een andere vorm gebruikt en het niet het verbod maar het gebod doet horen, vindt zijn reden in de omstandigheden waaronder hij Zijn hoofdsom gaf. Als we het verband even naslaan wordt het ons duidelijk, dat de Heiland te doen heeft met mensen die zichzelf zeer vroom en godzalig vonden, omdat ze de letter van de wet zo goed hielden. Een farizeeër is het, die Jezus de vraag stelt wat het grote gebod is in de wet. Wij hoeven bij de naam farizeeër niet altijd te denken aan een opzettelijke bedrieger en huichelaar-eerste-klas. Er waren bij de farizeeërs ook mensen die meenden, dat zij het bij het rechte eind hadden, en deden dat met hun gemoed. Het grote gebrek van alle werkheiligheid is echter, dat men meent de wil van God gedaan te hebben, als men zich maar beroepen kan op het letterlijke gebod. Het is in de grond de fout van ons allen wat de jongeling uitsprak, toen hij zei: Al deze dingen heb ik onderhouden vanaf mijn jonkheid. Als wij dan maar godsdienstig zijn, geen bijgeloof er op na houden, geen vloekers, geen sabbatschenders, geen opstandelingen tegen het door God gegeven gedrag zijn. Geen dieven, geen echtbrekers, geen (het wordt hier wat moeilijker) voeders van kwade begeerlijkheden zijn, dan menen wij dat het in orde is. Maar wij voelen het gebrek niet, dat er in deze mening schuilt, zoals ook de farizeeërs niet zagen. God wil niet gediend worden doordat wij iets of veel niet doen, maar doordat wij ten opzichte van Hem alles doen. Niet in het negatieve zit de verheerlijking van God. God, die Zelf de Positieve is, Die bij geen ontkenning leeft en Zich openbaart, heeft de mens ook als Zijn beelddrager in het positieve geschapen. Dat de mens niet maar zou laten wat God niet wil, en daarmee uit, maar dat hij zou doen wat de Heere, zijn Schepper welbehaaglijk is.

Hierop legt dus de hoofdsom de nadruk, en, al is de vorm van de wet van de Sinaï voor het grootste deel de ontkennende, de Heere heeft met de afkondiging van Zijn heilige wet geen ander doel gehad, dan dat de mens Hem rechtstreeks zou dienen.

De wet van de tien woorden wijst erop, evenals de hoofdsom door de Heere ervan gegeven, dat de liefde de vervulling van de wet is. Slechts waar de liefde van God gevonden wordt, zal dit worden verstaan. En het wordt verstaan door ieder die de gave van de wedergeboorte door de Geest deelachtig is. Zolang wij die niet ontvangen hebben, zullen wij vragen naar het gebod om de straf te ontgaan. Mogen wij haar hebben, dan zullen wij naar het gebod leren vragen. Opdat God in en door ons worde verheerlijkt. De eis van de wet wordt door de levendgemaakte onvoorwaardelijk erkend, als in overeenstemming met het wezen van God, en met het wezen van de mens. Gelijk hij oorspronkelijk was en gelijk hij wezen moet. God, die Liefde is, heeft alles gewerkt, en in het bijzonder de mens, opdat Hij zou worden verheerlijkt! En, wanneer wij vragen: Waarin en waardoor wordt God verheerlijkt? Dan is er maar één antwoord, namelijk dit: Dat wij beantwoorden aan Zijn heerlijk Wezen. Dat deden wij vóór de val. Hoe? Door in slaafse vrees te vragen naar zijn wil? Nee, door en in een leven in liefde jegens Hem. Door de zonden zijn wij uit dat leven gevallen. De liefde is weggevlogen. En de haat is ervoor in de plaats gekomen. De verheerlijking van God heeft plaatsgemaakt voor de ontering van zijn Naam en Wezen. Als nu de mens wederom geboren wordt, wordt hij weer in een leven van liefde ingezet, want wat uit God geboren wordt is liefde.

Juist dit, dat het wezen van het nieuwe leven liefde is, doet het kind des Heeren het gebod van de Heere erkennen als rechtvaardig, wijs en goed.

Door de Geest der levendmaking, die ook de Geest der heiligmaking is, krijgt de begenadigde met de wet van de Heere te doen. Is het niet opmerkelijk dat Israël de wet niet heeft ontvangen in Egypte, maar juist in de woestijn, toen het uit Egypte verlost was. Naar de woestijn heeft de Heere Zijn volk geleid, om daar naar haar hart te spreken. Gods kind heeft dan ook een welgevallen in de wet van de Heere. De psalmen leggen daar telkens getuigenis van af: Hoe lief heb ik Uw wet! Dit vindt weerklank in het hart. Hoe zou het ook anders kunnen, zij zijn naar God geschapen!

Het is anders toch een hele eis, die de wet van de Heere ons stelt, al mogen wij die door genade ook van harte onderschrijven.

God liefhebben! Dat is Hem hebben in het middelpunt plaatsen van ons hart, van onze ziel, van ons verstand, en als doel van al onze krachten. Dat vraagt verloochening van de zonde, van onze lust, van onze mening, van onze wil. Dat vraagt een zoeken van Hem, omdat wij buiten Hem niet kunnen. Dat vraagt een leven in overeenstemming van het Zijne, dat met de zonde geen gemeenschap kan hebben. Dat vraagt rechtvaardigheid en heiligheid, en dat volkomen, zonder enige gebrek, zonder enig tekort!

Achten wij die eis niet gering! Er wordt zo spoedig gesproken over het liefhebben van God. Ware liefde is toch daar alleen, waar een offer, dit is het offer van onszelf, gebracht wordt. Anders is het niet meer dan een bevlieging. Misschien wel op het ogenblik goed gemeend, maar voorbijgaand, als de indrukken hun kracht verliezen. Liefhebben is met geheel zijn wezen het voorwerp van de liefde toebehoren, voor dat voorwerp leven en sterven.

Wanneer wij dus God zullen liefhebben, dan moet Hij het eerste en het hoogste, en enige in ons leven zijn. Daarom zegt de Heiland dan ook, dat wij God zullen liefhebben met geheel ons hart, met geheel onze ziel, met geheel ons verstand en met geheel onze kracht. Dat is de liefde die daad is, de liefde die het offer geeft.

Zo stonden wij eenmaal, daaruit vielen wij. En daarin worden wij weer ingezet in de geboorte uit water en Geest. De onderhouding van de eerste tafel van de wet is het liefhebben van God. Daardoor zoeken wij Hem als het hoogste Goed, volgen Hem als ons enige doel. Wij vragen dan naar Zijn wil als naar het enige waarin onze ziel leven kan.

Welk een band is dat aan de hemel!

Maar ook, hoe is hieruit de kennis van onze ellende. Wat toch zijn wij in onze verhouding tot de Heere, als wij ons plaatsen voor de spiegel van de wet!. Wat betekent onze liefde bij de lievens- en dienenswaardigheid van Hem, aan Wie we door de band van de geboorte uit de Geest verbonden zijn? Hoe ervaren we het telkens dat òf ons hart, òf onze ziel, òf ons verstand niet mee wil! Wat komt er terecht van dat met geheel onze kracht?

Juist dat maakt de ellende uit van het kind van God. Hij voelt zo goed wat de Heere waard is. Hij onderschrijft zo van harte dat het gebod van God de uitdrukking is van Zijn heilige wil. En hij zou zo graag in volle overeenstemming met die wil de Heere willen dienen, niet om loon of straf, maar om des Heeren wil, het voorwerp van zijn liefde. Hij vindt in zichzelf wat we lezen in Romeinen 8: Het goede dat ik wil dat doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. En hoe meer hij toeneemt in de kennis en de genade van de Heere Jezus Christus, hoe meer de vraag klemt hoe hij God voor de verlossing in de Zoon van God zal dankbaar zijn, hoe meer  hij ziet dat hij zeer ver verwijderd is en blijft van hetgeen zijn hart zoekt. Hoe verder hij komt op de weg des levens, hoe meer hij zich moet aanklagen vanwege zijn liefdeloosheid. En toch wordt God steeds heerlijker in zijn oog, steeds waardiger te ontvangen alle eer en dank en lof!. Vooral zal dit zijn als hij erop mag letten hoe groot de liefde van God jegens hem is, die liefde voor welk het offer van de Zoon van Gods welbehagen niet te groot was.

Met de wet aan de voet van het kruis van onze Heere Jezus Christus wordt de liefde van God doorschouwd en bemind. Maar ook wordt zo diep ervaren dat wij onze schuld dagelijks meer maken. Schuld jegens God, Die wij door onze zonden dagelijks bedroeven en onteren.

De begenadigde gaat niet vrijuit, wanneer hij de wet raadpleegt in betrekking tot zijn liefdeleven jegens God!

Het eerste gebod moet hem veroordelen. En hoe staat het met het tweede? Is het daarmee anders dan met het eerste? Christus zegt dat het tweede aan het eerste gelijk is. Onderschrijven we al de onmogelijkheid van het volbrengen van het eerste gebod, het volgen van het tweede lijkt ons minder moeilijk. En toch, ook dit gebod vraagt liefhebben.

Stellen wij ons niet voor dat het liefhebben van de naaste gemakkelijker zou zijn dan het liefhebben van God. Het is niet waar. Onze val heeft niet slechts de liefde tot God verloochend, maar ook de liefde jegens de naaste verworpen. Het duidelijk komt dit uit, als de Heere de mens tot verantwoording roept, terstond na de val. In de val sleurt Eva Adam mee, hoewel zij toch gevoeld moet hebben dat de vrucht geen zaligheid gaf. En na de val geeft Adam niet alleen de schuld aan Eva, maar hij doet dat in zulke bewoordingen dat hij de band met zijn huisvrouw verloochent. Hij zegt niet: de vrouw die Gij mij gegeven hebt, maar: de vrouw die Gij bij mij gegeven hebt. En nu moge de gemeenschappelijke smart binden, en de gemeenschappelijke belangen, en de aardse liefde, maar nu blijkt dat hem als de ogen geopend worden, de geestelijke liefde tot zijn naaste ontbreekt. Laat ons maar eens vragen hoe het staat met het brengen van offers voor de naaste. Op de bodem van het hart ligt haat en vrees voor elkaar. U vindt deze uitspraak te stellig? Is dat waar? Zeg dan eens hoeveel u van een ander, laat het maar zijn die u het naast aan het hart ligt, kun verdragen. En dan niet omdat er anders ongenoegen komt, maar uit ware liefde? De naast liefhebben vraagt ook zelfverloochening. En dat het zelfverloochening vraagt is een bewijs dat wij van nature niet op onze plaats zijn tegenover onze naaste. Maar het kind des Heeren, de christen, de wedergeborene dan? Die heeft toch een nieuw hart en een nieuwe geest, en staat door de Heilige Geest geheel anders tegenover God en de naaste? Is het bij hem niet anders? In beginsel wel, maar juist hij die deze genade ontving, zal bekennen dat hij ook tegenover zijn naaste niet anders heeft dan schuld. Wat we met betrekking tot de Heere vinden, vinden we ook met betrekking tot de naaste, een dienen naar de vorm terwijl het hart zich verre houdt. En dan moge het waar zijn dat wij onze ouders en overheden eren, dat wij geen doodslagers en dieven en echtbrekers zijn, maar is dat uit ware liefde? Dan zullen we ons nog anders moeten openbaren!

Als de apostel Paulus spreekt over de kennis van zijn ellende, dan zegt hij ons dat hij niet geweten had dat de begeerlijkheid zonde was, indien de wet niet zei: Gij zult niet begeren. Zolang de daad er nog niet is, zolang het zondige woord nog niet gesproken is, zolang acht de mens zich nog niet schuldig. De wet van de Heere stelt echter niet slechts de daden en woorden, die in strijd zijn met de wet, in het schuldregister, maar ook de gedachten die niet staan in het teken na de liefde. Het komt nu juist bij de liefde erop aan, dat zij voortkomt uit ons wezen. Zowel bij het eerste grote gebod als bij het tweede, aan dit gelijk, komt het aan op ons hart. De volbrenging van de wet moet niet alleen in het uiterlijke volbracht worden, zij moet ook een volbrengen zijn in de wortel van het woord en van de daad. De wortel nu van daad en woord is het begeren van de mens. Wij spreken over begeerlijkheid als wij dat begeren plaatsen tegenover het afwijken van de eis van recht en heiligheid.

En nu heeft de christen zich maar eens biddend om licht van boven te plaatsen tegenover de beide geboden waarin Christus de wet van God samenvat. Die beide geboden zeggen ons wat de Heere van ons wil. Schaamte moet ons aangezicht  bedekken, als wij kennis hebben aan God en Zijn liefde, aan Christus en Zijn offer, aan de Heilige Geest en Zijn verootmoediging. De wet van de Heere moet tegen ons getuigen!

Maar, zou het dan niet mogelijk zijn dat wij, zij het langs een weg van worsteling eenmaal zover kwamen dat wij beantwoorden aan wat de wet van de Heere zegt en wat in de geest van de levendgemaakten leeft?

III Hoe wij tegenover de eis van God staan.

Onze Heidelberger vraagt, en hij doet dat niet aan een beginneling, maar aan één die gevorderd mag zijn in de kennis en de genade: Kunt gij dit alles volkomenlijk houden?

U weet nu uit de wet van God, wat u de Heere en uw naaste schuldig bent. U stemt het ook van harte toe, dat dit recht is, tot verheerlijking van God en tot heil van de naaste, en tot zaligheid van uw eigen ziel. Tot hiertoe hebt u geleefd en dat leven heeft een berg van tekortkomingen opgeleverd. Uw hart en ziel, uw verstand en uw krachten, zij hebben niet gestaan in de dienst van de liefde tot God en tot uw naaste. En u hebt daar ontzaglijk veel verdriet en beschaming van gehad. Boven alles omdat u, het was de Heere bekend, Hem smart hebt aangedaan. U hebt Christus in uw liefdeloosheid jegens God en de naast opnieuw gekruist! U hebt de Heilige Geest bedroefd. Kunt u nu met al uw wetenschap en ervaring, met al uw bevinding, niet zo leven dat uw hart niet anders begeert en uw ziel naar niets anders hijgt en uw verstand niet anders weten wil en uw kracht niet anders dient, dan de liefde?

Het antwoord luidt ontkennend! Neen ik, want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten.

Van nature zijn wij kinderen des toorns, omdat wij onder het oordeel van God liggen. Maar wij kunnen en moeten ook zeggen dat wij van nature kinderen van de zonde zijn. Dat nu wat wij van nature zijn, drijft ons. Wij zijn van nature geneigd, dat wil zeggen dat wij naar onze natuurlijke aanleg, naar ons natuurlijke zijn dat uit Adam is, altijd weer overhellen naar de zonde en de ongerechtigheid. In het zoeken van zichzelf boven God ligt de val van de mens. En nu kan de mens, gelijk hij in Adam gevallen is, niet anders dan zichzelf zoeken. En wie zichzelf zoekt kan dat niet anders doen dan met het vertreden van wat van God is. Wij moeten God liefhebben boven alles en de naaste als onszelf. Maar de mens van nature bemint zichzelf het meest. In theorie kunt u de mens nog wel horen over altruïsme, het liefhebben van de naaste zo, dat met van zichzelf afziet om anderen te helpen en tot voordeel te zijn. In theorie wel, maar wanneer de mens zichzelf echter niet bedriegt maar er vooruit komt wie hij is, dan is het altruïsme ver te zoeken en gaat hij op in egoïsme. Dat duldt geen hoger, geen machtiger, geen beter, geen rijker, geen gezonder naast zich. Dat duldt nog veel minder een macht boven zich. De mens van nature is de revolutionair, die opstaat tegen God en de naaste niet ontziet.

Dat, wat wij van nature zijn, wordt door de geboorte uit Gods Woord en Geest niet weggenomen. Er zijn er die leren dat wanneer iemand tot geloof komt in God en Christus, welk geloof de zonden gedelgd ziet in het dierbaar bloed van het Lam, dat zo iemand nu ook geen zonden meer heeft. Dat hij ook geen zonden meer doet en geheel heilig zijn weg door dit leven vervolgt, tot zijn opneming in heerlijkheid. Twee soorten zijn ervan, beide weer met schakeringen. De ene soort wordt genoemd met de naam van Perfectionist, de ander draagt wel de naam van Antinomiaan. De eerste zegt: Ik doe geen zonde meer! De tweede zegt: Ik doe wel zonde, maar dat is zo erg niet, het is oude Adam in mij die de zonde doet, en die moet toch in het graf, en Christus is onze heiligmaking.

Hoe weinig voelen beiden van de teerheid van het geestelijke leven. Hoe weinig verstaan zij van de liefde. Zij roemen erop maar betrachten ze niet.

Er is voor de christen geen gevaarlijker val denkbaar dan dat hij zou doorvloeien in het stuk van ellende en genade!

Met Paulus spreken zij niet in de verleden tijd, maar zij doen het met hem in de tegenwoordige tijd, als zij het hebben over hun ellende. Nee, verliezen zal de christen zichzelf pas als het huis dezes tabernakel gebroken wordt en hij het huis mag betrekken bij God, eeuwig in de hemelen. Daar is de adamsnatuur niet meer. Zolang wij echter hier in dit leven zijn, zullen wij te worstelen hebben aan de troon der genade, ook al ware het dat wij nog zo geoefend waren en nog zo gesterkt in het geloof door de Heilige Geest.

De liefde, die de ellende als ellende doet kennen, kan geen vrede hebben over de overtreding van Gods heilige wil en wet. Omdat de gelovige van nature geneigd is God en zijn naaste te haten, en hij dat bij bevinding leert kennen, daarom heeft hij het nodig om in de woestijn van het leven menigmaal zijn knieën te buigen en zijn hart uit te storten voor de Heere, met de belijdenis dat hij een zondaar is. Ook de gerechtvaardigde in de consciëntie, de man of vrouw dus die het mag weten een kind van God te zijn, zal de tijden kennen om met David te belijden, met een door schuld verslagen hart (Psalm 51:1):

Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed;
Verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden;
Delg uit mijn schuld, vergeef mijn overtreden:
Uw goedheid wordt noch paal, noch perk gezet.
Ai, was mij wel van ongerechtigheid;
Mijn schuld is zwaar, ik heb Uw wet geschonden;
Zie mijn berouw, hoor, hoe een boetling pleit,
En reinig mij van al mijn vuile zonden.

Wij hebben allen met God te doen en de Heere met ons. Dat hij nog met ons van doen wil hebben spreekt van de gedachten des vredes, die bij Hem zijn. Hierdoor roept Hij ons toe dat Hij geen lust heeft in onze dood, maar daarin dat wij ons zouden bekeren en leven. U mag niet anders geloven en zeggen, dan dat de Heere ons daartoe ook bekend maakt met Zijn heilige wet.

Hoe staat u tegenover die wet?

Deze vraag te stellen is evengoed als te vragen: Hoe staat u tegenover God, tegenover Hem, Die onze Wetgever is en Die wij in elk opzicht gehoorzaamheid verschuldigd zijn.

Het is mogelijk, want ieder die christen genoemd wordt is daarom nog geen christen in de ware zin van het woord, dat u leeft met de wet als zonder de wet, U kent haar naar de letterlijke inhoud, maar de geest van de wet verstaat u niet. Hebt u er wel eens ernstig over nagedacht wat dat zegt over uw staat voor de eeuwigheid? De dood wenkt ieder uur, ook voor u! Wie weet hoe spoedig het einde van uw aardse loopbaan daar is. En dan zult u moeten verschijnen voor uw Rechter, Die u oordelen zal naar de verhouding waarin u gestaan hebt tot Zijn wet. U voelt u mogelijk krachtig en sterk. Weet dan dat sterkte enkel ijdelheid is. U denkt misschien dat u rechtvaardig en goed bent. Maar weet u wel dat onze beste werken voor de Heilige niet meer zijn dan een wegwerpelijk kleed? Zie, er zullen straks vrome mensen staan voor de rechterstoel van de Heere. En zijn zullen spreken van hun dienen van de Heere, van hun geloof, hun opofferingen. En de Zoon des mensen, aan Wie het oordeel is toebetrouwd, zal tot hen zeggen: Ik heb u nooit gekend. Vroom of onvroom, maar wie met de wet van de Heere niet te doen krijgt in de dadelijkheid, en dus ook in de dadelijkheid niet te doen krijgt met de rechtvaardige en heilige God, die zal ervaren dat de Heere voor hem niet anders is en wezen kan dan een verterend vuur!

U kunt de weg nog onderhouden. U kunt Gods wil nog doen, zoals u meent. Paulus kon dat niet, al had hij als farizeeër onberispelijk gewandeld naar eigen inschatting en die van anderen. Toen de Heere hem de ogen opende moest hij bekennen, dat al zijn doen hem niet nader gebracht had tot de zaligheid. Hij moest leren als een verlorene gezaligd te worden. Dat moet u ook leren! Versta het toch dat uit de werken der wet geen vlees voor God gerechtvaardigd zal worden, want er is geen vlees dat de wet van de Heere kan onderhouden. Er is maar één vlees geweest, als we zo eens spreken over het vleesgeworden Woord, dat in staat was alles te volbrengen, zonder enig gebrek. Wat de rechtvaardige God van ons eist, Jezus Christus heeft de wil van de Vader volbracht, niet alleen in lijdelijke maar ook in dadelijke overgave. Hij was de onzondige, de rechtvaardige, de heilige Mens, en tevens waarachtig God. Hij kon het, maar wij, zondaren van het uur van onze ontvangenis af, wij die niet alleen zwak maar onmachtig zijn onder de zonde, hoe zullen wij de wet volbrengen? Moge de God van alle genade u in Zijn ontferming Zijn wet nog leren verstaan, voor het te laat is. Zo u de wet in dit leven niet zult leren kennen, eens zal die wet door u gekend worden. Maar dan zal het zijn dat u eeuwig onder de vloek van die wet zult verzinken in de poel die brandt van vuur en sulfer. Dan zult u de geest van de wet verstaan, dan zult u de Wetgever kennen, en uw roepen om ontferming, uw belijdenis van zonde en ongerechtigheid zal vergeefs zijn. Nog luidt de genadeklok, nog roept God de Heere u, dat u zich tot Hem zoudt wenden, om genade voor genade te ontvangen. Verhard uw hart niet, maar laat u leiden.

Zalig de mens, als de wet hem wordt de kenbron van zijn ellende. Als door de genade van de Heere zijn ogen geopend mogen worden voor de geestelijkheid van de wet, door de Heilige Geest.

Zalig, niet omdat hij daardoor terstond zou roemen in het heil, aan hem geopenbaard. Integendeel, de wet schenkt geen vrijspraak, de wet veroordeelt. Zij stelt hem schuldig voor God. En alzo komt de mens, die Gods Woord en Geest bearbeidt, onder het oordeel van de dood, het oordeel van de verdoemenis. Hij komt buiten God en buiten de zaligheid te staan. Kennen we dat?

Waar evenwel de Geest van de Heere zaligmakend de zondaar bearbeidt, daar zal er een werkzaamheid komen om de straf op de zonde te ontgaan en wederom tot genade te komen. Hoe wordt de ziel uitgedreven naar de wet! Hoe tracht de wedergeborene te voldoen aan het heilige gebod des Heeren! En, om verlost te worden van de toekomende toorn en om de Heere te behagen, door Hem te dienen in overeenstemming met Zijn heilige wil, die de ziel kent in zijn rechtvaardigheid, heiligheid en goedheid. Wat wordt er gewerkt….!

Maar het baat niet. Ja toch, het baat wel, maar anders dan de ziel zich voorstelt. In plaats van beter wordt het slechter. In plaats van rechtvaardiger onrechtvaardiger. In plaats van heiliger afkeriger. In plaats van dichter bij het heil er verder van af. Wat een gewaarwording!

Als het zo met u staat, geliefde gemeente, wil dan eens merken op wat de apostel des Heeren zegt: Het gebod dat ten leven was – dat was het in de staat der rechtheid, daarvoor wordt het gehouden, zolang wij nog door het vervullen van de wet de zaligheid zoeken te verwerven – het gebod dat ten leven was, hetzelve is mij ten dood bevonden.

Dezelfde strijd die u strijdt, is door de apostel gestreden. Hij belijdt het dat, toen hij buiten Christus was, hij leefde zonder de wet, hoewel hij meende de wet volkomen naar Gods wil te vervullen. In Christus ingeplant, is het gebod gekomen. En hij die tevoren geen zonde kende, belijdt dat de zonde weder levend geworden is. Zo ook wordt u meer en meer, juist door uw – het wijst op uw onderschrijving van het recht van God op u – streven naar wetsvervulling, ontdekt aan de waarheid. De waarheid dat er in u, dat is in uw vlees, geen goed woont. Dat u nimmer zult kunnen voldoen aan de eis van de Heere.

De Heilige Geest is bezig om alle paden bij u te versperren, opdat u zult leren vragen naar Hem, Die de wet volbracht in volkomenheid, Jezus Christus.

Daarin ligt de genade van Zijn zending en komst in de wereld. Dat Hij gekomen is om in onze plaats te doen de dingen die bij God waren tot zaliging van verlorenen.

En dat u nu gesteld bent voor de wet van de Heere en daaraan niet ontkomen kunt, is opdat u door Zijn genade God rechtvaardigen zou. En waar dat rechtvaardigen van God is, daar is plaats voor schuldvergeving en rechtvaardiging van de zondaar. Nu kent u zich niet anders dan als verloren, maar Hij, Die u de ogen geopend heeft, is de Getrouwe, Die het werk van Zijn handen niet zal laten varen.

Bidt de Heere maar om licht, om Zijn openbaring aan uw ziel. Geef de duivel geen plaats, die de onmogelijkheid om de wet te volbrengen gebruikt als wapen, om er u, kon het zijn, dodelijk mee te treffen. Houdt aan in het gebed, laat uw smeking opstijgen, opdat de Heere u door Zijn Woord en Geest onderwijze in de weg die gij moet gaan.

Zo waarlijk Gods Geest in u werkt, dan is het ten leven, en dan leeft u ook, al ziet u niet anders dan de dood! Hij zal u ontdekken aan de grote waarheid, het grootste geheim van het geestelijke leven, dat de Heere geen wetsvolbrengers maar zondaren en goddelozen rechtvaardigt, om niet, uit de genade is in Christus Jezus is. En de goddelozen, die de Heere rechtvaardigt, zijn volbrengers van de wet in de Borg en Zaligmaker.

Welk voorrecht, kinderen des Heeren: tegenover uw ellende, dat u schuldig staat aan de overtreding van de heilige wet van God, staat de gerechtigheid van uw Borg! Tegenover uw ellende, dat u de wet van God niet kunt vervullen vanwege uw van nature geneigd zijn God en de naaste te haten, staat Zijn heiligheid!

Is de strijd soms zwaar en is juist door uw ellende dit leven een Mesech voor u? Treurt en schreit uw ziel onder het onrecht dat u de Heere uw God, dat u uw Zaligmaker berokkent? Hijgt uw ziel naar de volmaaktheid in uw verhouding tot de Heere en wordt ook u daardoor de smartkreet ontperst: Ik, ellendig mens, die zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Weet het, dat de Heere een zaligheid heeft weggelegd voor u, die geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord, en in geen mensenhart is opgeklommen. Een zaligheid waarin u de begeerte van uw hart zult ontvangen, de begeerte om de Heere te dienen zonder enig gebrek, in volkomenheid.

Van hen, die behoren tot de schare die niemand kan tellen, zegt de ouderling tot Johannes: Dezen zijn het, die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange kleren gewassen en hebben hun lange kleren wit gemaakt in het bloed des Lams. Daarom zijn zij voor de troon van God en dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel.

Daarin ligt de volmaking van het leven, vrij van ellende, omdat het is in overeenstemming met de wet des Heeren en daarom naar het hart van God.

Amen.